Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Uitvoeringsregeling energieprogramma's[Regeling vervallen per 11-06-2005.]

Geldend van 24-12-1994 t/m 10-06-2005

Uitvoeringsregeling energieprogramma's

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 2, tweede lid, 4, derde lid, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste en tweede lid, 14, tweede lid, en 17, eerste lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's;

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 11-06-2005]

Als programma's als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's worden vastgesteld de programma's, opgenomen in de bij deze regeling behorende de onderdelen A van bijlagen 1 tot en met 19 II.

Artikel 2 [Vervallen per 11-06-2005]

Het disconteringspercentage, bedoeld in artikel 4, derde lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's wordt vastgesteld op 7 procent.

Artikel 3 [Vervallen per 11-06-2005]

  • 1 Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen op grond van het Besluit subsidies energieprogramma's wordt vastgesteld op f 81 502 500.

  • 2 Van het in het eerste lid genoemde bedrag zijn voor ieder van de in de bijlage 1 tot en met 19 II opgenomen programma's, onderdelen daarvan en soorten projecten in het kader ervan de bedragen beschikbaar, die zijn opgenomen in de desbetreffende bijlagen onder B.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde bedragen zijn beschikbaar voor aanvragen die zijn ontvangen in de in de desbetreffende bijlagen onder C opgenomen perioden.

Artikel 4 [Vervallen per 11-06-2005]

  • 1 Het model voor het formulier, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 20.

  • 2 Het model voor het formulier, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 21.

  • 3 Het model voor het formulier, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 22.

Artikel 5 [Vervallen per 11-06-2005]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 6 [Vervallen per 11-06-2005]

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling energieprogramma's

Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen 20, 21 en 22, die ter inzage worden gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

's-Gravenhage, 10 juni 1994

De

Minister

van Economische Zaken,

J.E. Andriessen

Bijlage 1. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Programma chemische industrie (inclusief aardolie en energiewinning)

    Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat in het jaar 2000 19% efficiencyverbetering van het energieverbruik, exclusief grondstoffen, wordt bereikt ten opzichte van 1989, conform de doelstelling van de Vervolgnota Energiebesparing.

    Om de doelstelling te bereiken, is voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, met name meerjarenafspraken (MJA's), het Besluit tenders industriële energiebesparing (BTIEB), de Subsidieregeling energiebesparings- en milieu-adviezen (E&M), het Besluit subsidies energiebesparingstechnieken (BSET) en het onderhavige programma, dat in het kader van het Besluit subsidies energieprogramma's is gericht op de chemische industrie, de aardolie-industrie en de olie- en gaswinning.

    Met de chemische industrie is op 24 november 1993 een meerjarenafspraak afgesloten. Met de aardolie-industrie en de olie- en gaswinningsbedrijven zijn meerjarenafspraken in voorbereiding. Het programma richt zich op ondersteuning van de meerjarenafspraken en het bereiken van een zo groot mogelijke energie-efficiencyverbetering in de betreffende bedrijfstakken.

    Het programma is ingedeeld in twee onderdelen:

    • 1. Chemische industrie

      Dit onderdeel richt zich op de chemische industrie (SBI code 29, 30).

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, kennisoverdrachtprojecten, demonstratieprojecten en marktintroductieprojecten gericht op:

      • -

        verlaging van het totale energieverbruik van een fabriek;

      • -

        vernieuwing en verbetering van processen;

      • -

        verbetering van scheidingsbewerkingen, zoals destillatie, membranen en smeltkristallisatie;

      • -

        verbetering van apparaten, zoals reactoren en procesfornuizen;

      • -

        verbetering van warmtewisselende apparatuur en introductie van nieuwe typen warmtewisselaars, bijvoorbeeld compacte warmtewisselaars.

    • 2. Aardolie en energiewinning

      Dit onderdeel richt zich op raffinaderijen, cokesfabrieken en olie- en gaswinning (SBI code 28.1, 12).

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, kennisoverdrachtsprojecten, demonstratieprojecten en marktintroductieprojecten gericht op:

      • -

        verlagen van het totale energiegebruik van de fabriek resp. installatie;

      • -

        verbetering van processen;

      • -

        verbetering van scheidingsbewerkingen zoals destillatie en membranen;

      • -

        verbetering van apparaten, zoals reactoren en procesfornuizen;

      • -

        verbetering van warmtewisselende apparatuur en introductie van geavanceerde nieuwe typen warmtewisselaars.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstelling van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan bestaande kennis wordt toegevoegd;

    • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

    • f. de bijdrage van het project aan de realisatie van een meerjarenafspraak;

    • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • h. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.

    Toelichting

    Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

    ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

    ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in het onderhavige programma verstaan:

    • -

      het toepassen van nieuwe, danwel vernieuwende technologieën;

    • -

      het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

    • -

      vergaande procesintegratie.

    Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name voor ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten.

    ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste.

    Voor de energieverdienste worden de projectkosten beoordeeld in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

    ad f. Projecten worden mede beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de desbetreffende MJA en de behoefte in de betreffende deelsector aan de resultaten.

    ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of produkt.

    ad h. Projecten die gedragen worden door een samenwerkingsverband waarin eindgebruikers deelnemen, verdienen voorkeur. Ook wordt positief beoordeeld de mate waarin de aanvrager deel wil nemen aan kennisoverdrachtactiviteiten, zoals het schrijven van artikelen, deelnemen aan symposia of openstellen van technologie voor derden.

    Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen bedrijven in de hiervoor genoemde bedrijfstakken. Tevens richt het programma zich op bedrijven of organisaties die invloed kunnen uitoefenen op het toekomstige energieverbruik in de hiervoor genoemde bedrijfstakken, zoals universiteiten, onderzoeksinstellingen, ingenieursbureaus en de apparatenindustrie.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Chemische Industrie bedraagt f 4 206 000.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Chemische Industrie moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 8242, 3503 RE Utrecht tel. 030 - 363 444

Bijlage 2. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Programma voedings- en genotmiddelenindustrie

    Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat in het jaar 2000 19% efficiencyverbetering van het energiegebruik, exclusief grondstoffen, wordt bereikt ten opzichte van 1989, conform de doelstelling van de Vervolgnota Energiebesparing.

    Om de doelstelling te bereiken, is voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, met name meerjarenafspraken (MJA's), het Besluit tenders industriële energiebesparing (BTIEB), de Subsidieregeling energiebesparings- en milieu-adviezen (E&M), het Besluit subsidies energiebesparingstechnieken (BSET) en het onderhavige programma, dat in het kader van het Besluit subsidies energieprogramma's is gericht op de voedings- en genotmiddelenindustrie.

    Het programma beoogt in de bovengenoemde bedrijfssectoren, waarmee meerjarenafspraken zijn of zullen worden gemaakt, de doelstellingen van die meerjarenafspraken te realiseren.

    De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtprojecten die gericht zijn op:

    • -

      beheersing en verbetering van de energiehuishouding in bedrijven, waaronder tevens projecten voor verbetering van procesregelingen en procesintegratie zijn begrepen;

    • -

      verbetering van de opwekking en de distributie van warmte en koude bij industriële bedrijven;

    • -

      verbetering of vernieuwing van branche-specifieke procestechnologie van energie-intensieve processen, bijvoorbeeld voor het concentreren van processtromen (indampen, kristalliseren, membraanprocessen) en voor het conserveren van producten en/of processtromen (vriezen, koelen, drogen, bakken, steriliseren), en op de toepassing daarvan.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;

    • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

    • f. de bijdrage van het project aan de realisatie van een meerjarenafspraak;

    • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;

    • i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.

    Toelichting

    Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

    ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

    ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

    • -

      de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies en reststoffenverwerking;

    • -

      de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.

    ad d. Onder het nieuwheidscriterium worden in onderhavig programma verstaan:

    • -

      het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;

    • -

      het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

    • -

      (vergaande) procesintegratie.

    Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name bij ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten.

    ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste.

    Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

    ad f. Projecten worden mede beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de MJA en de behoefte in de betreffende deelsector aan de resultaten.

    ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of produkt.

    ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek.

    ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden.

    Aan het programma kunnen met name bijdragen bedrijven uit de sectoren in de voedings- en genotmiddelenindustrie waarmee meerjarenafspraken gemaakt zijn of zullen worden, organisaties binnen deze sector en voorts:

    • -

      instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs;

    • -

      leveranciers en fabrikanten van produktie-apparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen;

    • -

      adviesbureaus.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Voedings- en Genotmiddelenindustrie bedraagt f 6 022 000.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Voedings- en Genotmiddelenindustrie moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 17, 6130 AA Sittard tel. 046 - 595295

Bijlage 3. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Programma bouwmaterialen-, keramiek- en glasindustrie (BKG)

    Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat in het jaar 2000 19% efficiencyverbetering van het energieverbruik, exclusief grondstoffen, wordt bereikt ten opzichte van 1989, conform de doelstelling van de Vervolgnota Energiebesparing.

    Om de doelstelling te bereiken, is voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, met name Meerjarenafspraken (MJA's), het Besluit tenders industriële energiebesparing (BTIEB), de Subsidieregeling energiebesparings- en milieu-adviezen (E&M), het Besluit subsidies energiebesparingstechnieken (BSET) en het onderhavige programma, dat in het kader van het Besluit subsidies energieprogramma's is gericht op de bouwmaterialen-, keramiek-, en glasindustrie.

    Via de meerjarenafspraken worden met de bedrijfssectoren afspraken gemaakt over de wijze waarop de betreffende sector bij zal dragen aan de bovengenoemde doelstelling.

    Voorop staat het belang dat te ondersteunen projecten bijdragen aan vernieuwingen die een aanmerkelijk effect op energiegebruik hebben, en daarmee bijdragen aan het behalen van de bovengenoemde doelstelling. Uit projecten voortkomende kennis moet een bredere toepassing kunnen vinden binnen de bouwmaterialen-, keramiek-, en glasindustrie.

    De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

    Haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtprojecten gericht op:

    • -

      het verbeteren van de energiehuishouding in bedrijven zoals integraal energiebeheer, procesintegratie en procesregelingen;

    • -

      het verbeteren van de opwekking en distributie van warmte en koude bij industriële bedrijven;

    • -

      het verbeteren of vernieuwen van branchespecifieke procestechnologie van energie-intensieve processen, bijvoorbeeld voor processtromen, procesmodellering, produkten, en op de toepassing ervan via ketenbeheer;

    • -

      het ontwikkelen van nieuwe energiebesparende technologieën binnen de branche;

    • -

      het verbeteren van kennisoverdracht binnen de branche zoals communicatieplannen, workshops en opleidingen.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;

    • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

    • f. de bijdrage van het project aan de realisatie van een meerjarenafspraak;

    • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • h. de kostprijsverlaging van een voor het programma relevante techniek;

    • i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.

    Toelichting

    Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

    ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

    ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met.

    • -

      de mate waarin CO₂-emissie wordt vermeden (ton/jaar);

    • -

      de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies en reststoffenverwerking;

    • -

      de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.

    Ad d. Onder het nieuwheidscriterium worden in onderhavig programma verstaan:

    • -

      het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;

    • -

      het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

    • -

      (vergaande) procesintegratie.

    Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name bij ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten.

    ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste.

    Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

    ad f. Projecten worden mede beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de betreffende MJA en de behoefte in de betreffende sector aan de resultaten.

    ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of produkt.

    ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger scoren dan een referentietechniek.

    ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden.

    Aan het programma kunnen met name bijdragen bedrijven uit de sectoren waarmee meerjarenafspraken gemaakt zijn of zullen worden en organisaties binnen deze sectoren en voorts:

    • -

      instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs;

    • -

      leveranciers en fabrikanten van produktie-apparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen;

    • -

      adviesbureaus.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Bouwmaterialen-, Keramiek-, en Glasindustrie bedraagt f 3 235 000.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Bouwmaterialen-, Keramiek- en Glasindustrie moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, Postbus 17, 6130 AA Sittard tel. 046 - 595295

Bijlage 4. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Programma lichte industrie

    Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat 19% efficiencyverbetering van het energieverbruik, exclusief grondstoffen, wordt bereikt in het jaar 2000 ten opzichte van 1989, conform de doelstelling van de Vervolgnota Energiebesparing.

    Om de doelstelling te bereiken, is voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, met name Meerjarenafspraken (MJA's), het Besluit tenders industriële energiebesparing (BTIEB), de Subsidieregeling energiebesparings- en milieu-adviezen (E&M), het Besluit subsidies energiebesparingstechnieken (BSET) en het onderhavige programma.

    Het programma is ingedeeld in twee onderdelen:

    • 1. De sectorale benadering

      Dit programma-onderdeel is gericht op de metalectro sector, de oppervlaktebehandelingssector, de industriële loonkoel- en vriesbedrijven, de industriële natwasserijen en strijkinrichtingen en de tapijtfabrikanten. Via meerjarenafspraken zullen met deze bedrijfstakken afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de betreffende bedrijfstakken zullen bijdragen aan de bovengenoemde doelstelling.

      Dit onderdeel beoogt in de bedrijfstakken waarmee meerjarenafspraken zullen worden gemaakt, de doelstellingen van die meerjarenafspraken te realiseren.

      De soorten projecten die in 1994 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtsprojecten en praktijkexperimenten die binnen bovengenoemde bedrijfstakken gericht zijn op:

      • -

        het opstellen van meerjarenplannen en monitoringsystematieken;

      • -

        het opstellen van energiebesparingsplannen;

      • -

        het implementeren van beschikbare energiebesparingsopties;

      • -

        het verbeteren of vernieuwen van branchespecifieke procestechnologie gericht op de verbetering van de energie-efficiency;

      • -

        het implementeren van energiebeheer of integrale zorg.

    • 2. De benadering via de nutssector

      Dit programma-onderdeel is gericht op de energiedistributiebedrijven (EDB's) ten behoeve van het realiseren van hun doelstellingen zoals vermeld in het Milieu Actie Plan II (MAP II) gericht op industriële klanten. Met de EDB's worden plannen van aanpak gedefinieerd om de industriële bedrijven in de desbetreffende verzorgingsgebieden systematisch te benaderen voor het verbeteren van de energie-efficiency.

      De soorten projecten die in 1994 voor subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtsprojecten en praktijkexperimenten die gericht zijn op:

      • -

        het opstellen van plannen van aanpak voor provinciale of (inter)regionale verzorgingsgebieden;

      • -

        het ontwikkelen van energiediensten;

      • -

        het uitvoeren van projecten in samenwerking met sectoren waarmee een MJA is of zal worden afgesloten.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;

    • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstelling van het programma;

    • f. de bijdrage van het project aan de realisatie van de meerjarenafspraken;

    • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;

    • i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.

    Toelichting

    Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

    ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen, indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

    ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

    • -

      de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies;

    • -

      de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.

    ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in onderhavig programma verstaan:

    • -

      het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;

    • -

      het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

    • -

      (vergaande) procesintegratie.

    Het betreft hier voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name bij ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten.

    ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energieverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

    ad f. Projecten worden met name beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de MJA en de behoefte in de betreffende sector aan de resultaten.

    ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of produkt.

    ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek.

    ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden.

    Het programma Lichte Industrie is bestemd voor:

    • -

      organisaties en bedrijven binnen bovengenoemde bedrijfstakken;

    • -

      energiedistributiebedrijven;

    • -

      overkoepelende branche-organisaties en individuele bedrijven;

    • -

      instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs;

    • -

      leveranciers en fabrikanten van produktie-apparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen;

    • -

      adviesbureaus.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Lichte Industrie bedraagt f 1 400 000,-.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Lichte Industrie moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 503,

    7300 AM Apeldoorn

    tel. 055 - 277877

Bijlage 5. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Programma overige industrie

    Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat 19% efficiencyverbetering van het energiegebruik, exclusief grondstoffen, wordt bereikt in het jaar 2000 ten opzichte van 1989, conform de doelstelling van de Vervolgnota Energiebesparing.

    Om de doelstelling te bereiken, is voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, met name meerjarenafspraken (MJA's), het Besluit tenders industriële energiebesparing (BTIEB), de Subsidieregeling energiebesparings- en milieu-adviezen (E&M), het Besluit subsidies energiebesparingstechnieken (BSET) en het onderhavige programma, dat in het kader van het Besluit subsidies energieprogramma's is gericht op de papier- en kartonindustrie, de textielindustrie, de grafische industrie, de basismetaalindustrie, de papierverwerkende industrie, de kunststofverwerkende industrie en de rubberverwerkende industrie. Via de meerjarenafspraken worden met de bedrijfssectoren afspraken gemaakt over de wijze waarop de betreffende bedrijfssectoren zullen bijdragen aan de bovengenoemde doelstelling.

    Het programma beoogt in bovengenoemde bedrijfssectoren waarmee meerjarenafspraken zijn gemaakt of zullen worden gemaakt, de doelstellingen van die meerjarenafspraken te realiseren.

    De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtsprojecten die passen binnen:

    • -

      de meerjarenafspraak met de papier- en kartonindustrie;

    • -

      de meerjarenafspraak met de textielindustrie;

    • -

      het kader van de Milieubeleidsovereenkomst met de grafische industrie;

    • -

      de meerjarenafspraak met de ijzer- en staalproducerende industrie;

    • -

      de meerjarenafspraak met de non-ferro industrie;

    • -

      het traject om te komen tot meerjarenafspraken met de papierverwerkende-, kunststofverwerkende- en rubberverwerkende industrie.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;

    • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

    • f. de bijdrage van het project aan de realisatie van de meerjarenafspraken;

    • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;

    • i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.

    Toelichting

    Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

    ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen, indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

    ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

    • -

      de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies;

    • -

      de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.

    ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in onderhavig programma verstaan:

    • -

      het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;

    • -

      het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

    • -

      (vergaande) procesintegratie.

    Het betreft hier voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name bij ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten.

    ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energieverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

    ad f. Projecten worden met name beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de MJA en de behoefte in de betreffende sector aan de resultaten.

    ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of produkt.

    ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek.

    ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden.

    Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen bedrijven behorende tot de papier- en kartonindustrie, de textielindustrie, de grafische industrie, de basismetaalindustrie, de papierverwerkende industrie, de kunststofverwerkende industrie en de rubberverwerkende industrie waarmee meerjarenafspraken gemaakt zijn of zullen worden gemaakt, en voorts organisaties binnen deze bedrijfstakken of organisaties gericht op deze bedrijfstakken zoals:

    • -

      branche- en sectororganisaties;

    • -

      instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs;

    • -

      leveranciers en fabrikanten van produktie-apparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen;

    • -

      adviesbureaus.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Overige Industrie bedraagt f 3 152 000,-.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Overige Industrie moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 8242,

    3503 RE Utrecht

    tel. 030 - 363444

Bijlage 6. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Programma intersectorale nieuwe technologieën voor de industrie

    Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat 19% efficiencyverbetering van het energiegebruik, exclusief grondstoffen, wordt bereikt in het jaar 2000 ten opzichte van 1989, conform de doelstelling van de Vervolgnota Energiebesparing.

    Voorts richt het programma zich op energie-efficiencyverbetering op de langere termijn.

    In dit programma worden technologieën en methodieken gestimuleerd die breder toepasbaar zijn in meerdere sectoren of pas op langere termijn voor sectoren tot toepassing leiden. Hiertoe worden in beginsel projecten ondersteund die aantoonbaar zijn gericht op de hieronder genoemde aandachtsvelden en bovendien een optimale bijdrage leveren aan bovengenoemde doelstelling in relatie tot de benodigde subsidie of aanvullend zijn op reeds lopende activiteiten in genoemde aandachtsvelden.

    De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, demonstratieprojecten, marktintroduktieprojecten en kennisoverdrachtprojecten (waaronder scholing) met betrekking tot nieuwe danwel vernieuwde technologieën gericht op:

    • -

      methodieken en hulpmiddelen ten behoeve van energiebeheer;

    • -

      methodieken en technieken met betrekking tot procesintegratie, lage-temperatuur warmteterugwinning en warmtepompen;

    • -

      elektriciteitsbesparing van elektrische apparaten (met name hoogrendementsmotoren) en toepassing van vermogenselektronica; methoden en technieken voor procesbesturing inclusief mechatronica en sensortechnologie;

    • -

      decentrale aardgastoepassingen inclusief branders en toepassing van industriële isolatie; luchtverwarming in fabriekshallen en optimalisatie van temperatuurstralers;

    • -

      nieuwe apparaten en systemen gericht op energiebesparing, zoals membraantechnologie, pompen/compressoren/ventilatoren;

    • -

      geïntegreerde energiebesparing in de bedrijfskolom (ketenbeheer); produkten procesontwerp in het kader van ketenbeheer.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject van de aanvrager of van anderen;

    • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

    • f. de nieuwheid van het project;

    • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;

    • i. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.

    Toelichting

    Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

    ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

    ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

    • -

      de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies;

    • -

      de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.

    ad d. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder door de aanvrager of door anderen gegenereerde kennis en dat voor wat betreft haalbaarheids- en ontwikkelingsprojecten doublures worden vermeden.

    ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energieverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

    ad f. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan:

    • -

      het toepassen van nieuwe danwel vernieuwde technologieën;

    • -

      het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën.

    Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name voor ontwikkelingsprojecten.

    ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of produkt.

    ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek.

    ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden.

    Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen:

    • -

      individuele bedrijven;

    • -

      instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs;

    • -

      leveranciers en fabrikanten van produktie-apparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen;

    • -

      adviesbureaus.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Intersectorale Nieuwe Technologieën voor de Industrie bedraagt f 5 182 000,-.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Intersectorale Nieuwe Technologieën voor de Industrie moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 8242,

    3503 RE Utrecht

    tel. 030 - 363444

Bijlage 7. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Programma agrarische sector

    Het doel van het programma Agrarische Sector is het bevorderen van de energie-efficiency met 26% in de periode 1989–2000. Om dit doel te bereiken, is voor de agrarische sector een aantal instrumenten beschikbaar, met name meerjarenafspraken (MJA's), de Subsidieregeling energiebesparings- en milieu-adviezen (E&M), het Besluit subsidies energiebesparende technieken (BSET) en het onderhavige programma, dat in het kader van het Besluit subsidies energieprogramma's is gericht op de agrarische sector.

    Het programma Agrarische Sector geeft ondersteuning aan de totstandkoming en uitvoering van meerjarenafspraken in de agrarische sector. In 1993 is een meerjarenafspraak met Nederlandse glastuinbouw afgesloten. Tevens zijn verkennende gesprekken begonnen met branche-organisaties op het gebied van de veehouderij, bloembollenkwekerijen, champignonkwekerijen en landbouwmechanisatie.

    Het programma is ingedeeld in vier onderdelen:

    • 1. Tender Glastuinbouw

      Dit onderdeel wordt uitgevoerd in de vorm van een oproep voor het indienen van projectvoorstellen (tender). De aanvragen die aan de wettelijke voorschriften voldoen en passen binnen dit onderdeel, worden beoordeeld door een college van onafhankelijke deskundigen. De aanvragen worden gerangschikt aan de hand van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van dit programmaonderdeel.

      Artikel 9 van het Besluit subsidies energieprogramma's is van toepassing.

      Dit onderdeel richt zich op de verbetering van de energie-efficiency in de glastuinbouw door het bevorderen van energiebesparende technische maatregelen in de bedrijfsuitrusting en tuinbouwkassen.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten (uitsluitend bij tuinders), demonstratie- en/of marktintroductieprojecten. In het kader van dit onderdeel worden met name projecten ondersteund die gericht zijn op een commerciële toepassing op korte termijn van technieken die een aanwijsbare verbetering van de energie-efficiency te zien geven. Het gaat hier ondermeer om projecten voor de produktieglastuinbouw met betrekking tot:

      • -

        klimaatregelingen en warmte-opwekking

      • -

        hergebruik van warmte

      • -

        warmteopslag

      • -

        warmtedistributie

      • -

        warmteverdeling

      • -

        warmtebenutting.

      Dit onderdeel streeft naar een hogere penetratiegraad van (bijna) financieel en technisch haalbare opties zoals condensors, isolatie, verbeterde ligging van verwarmingsnetten, (energie)schermen, warmtekracht.

      In het kader van dit onderdeel kan per project maximaal f 150.000 subsidie worden verleend.

    • 2. Glastuinbouw

      Dit onderdeel richt zich conform de MJA op een energie-efficiency verbetering van 50% in de periode tussen 1980 en 2000; tevens wordt gestreefd naar een energie-efficiency verbetering van 30% voor de periode tussen 1989 en 2000. In het kader van de meerjarenafspraak met het Nederlandse glastuinbouwbedrijfsleven is een tussendoelstelling van 40% voor 1980–1995 overeengekomen.

      Energiebesparing wordt nagestreefd door een verbetering van de bewustwording van de noodzaak van en draagvlak voor een energiezuinige bedrijfsvoering, de stimulering van de toepassing van energiebesparende maatregelen voor energie-efficiency- en rendementsverbetering, en het stimuleren van onderzoek naar en ontwikkeling, demonstratie en marktintroductie van nieuwe energiezuinige produktiesystemen, bedrijfsuitrusting en kassen met in achtneming van milieutechnische randvoorwaarden.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

      • -

        kennisoverdracht-, demonstratie- en marktintroductieprojecten gericht op de toepassing van nu reeds financieel en technisch haalbare opties, zoals condensors, (ketel)isolatie, isolatie van expansievat, ketel en leidingen, ketelregeling, ligging van verwarmingsnet, warmtebuffers;

      • -

        demonstratie van en praktijkexperimenten met klimaat- en/of energieschermen;

      • -

        onderzoek, ontwikkeling en praktijkexperimenten gericht op verwarmingssystemen, warmte-opslag in combinatie met CO₂-voorziening, toepassing zuiver CO₂;

      • -

        onderzoek naar de verbetering van de financiële haalbaarheid van warmtepompen en alternatieve kasomhullingen;

      • -

        onderzoek naar en ontwikkeling van lange termijn opties voor specifieke toepassingen in de glastuinbouw. Het onderzoek dient zowel op de verbetering van de financiële als technische haalbaarheid gericht te zijn. Als lange termijn opties komen binnen het toepassingsgebied van de glastuinbouw ondermeer aardwarmte, windenergie, stort- of biogas, zuinige assimilatie belichting, mechanisch geventileerde (semi-)gesloten kassen en energiezuinige rassen in aanmerking;

      • -

        ontwikkeling, demonstratie en marktintroductie van afval- en restwarmte, zo mogelijk in combinatie met CO2-voorziening;

      • -

        demonstratie en marktintroductie van energiezuinige warmtekrachtinstallaties en rookgasbehandeling;

      • -

        onderzoek, ontwikkeling en demonstratie van energie-efficiënte teeltsystemen en kasklimaatsystemen en -regelingen;

      • -

        demonstratie en marktintroductie van energiezuinige milieutechnologieën.

    • 3. Veehouderij

      Dit onderdeel richt zich op een energie-efficiency verbetering van 26% tussen 1989 en 2000 en het verminderen van de groei van het energiegebruik als gevolg van toepassing van een aantal nieuwe energie-intensieve milieutechnologieën, door middel van het bevorderen van de kennis en toepassing van energiebesparingstechnieken en energiezuinige processen voor mestbehandeling, bestrijding van ammoniakemissie en andere schadelijke emissies binnen de veehouderij.

      De veehouderij is ingedeeld in varkenshouderij, pluimveehouderij en rundveehouderij. Er wordt naar gestreefd om met elk van deze sectoren meerjarenafspraken te maken. Primair staat het belang, dat te ondersteunen projecten bijdragen aan vernieuwingen die een aanmerkelijk effect op energiegebruik en verbetering van het milieu hebben, en daarmee bijdragen aan het behalen van de beleidsdoelstelling.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

      • -

        onderzoek naar en ontwikkeling, kennisoverdracht en marktintroductie van nieuwe en innovatieve energiezuinige ventilatiesystemen in de intensieve veehouderij;

      • -

        onderzoek naar en ontwikkeling, kennisoverdracht en marktintroductie van de energiebesparingsmogelijkheden bij bestaande (mechanische) ventilatiesystemen;

      • -

        ontwikkeling, demonstratie en kennisoverdracht van energie-efficiënte verwarmingssystemen in de zeugen-, vleeskuiken- en kalverhouderij;

      • -

        ontwikkelen en demonstreren van de grotere toepassingsmogelijkheden van restwarmte die vrijkomt bij de koeling van melk;

      • -

        onderzoek naar en ontwikkeling, demonstratie en kennisoverdracht van duurzame energie voor specifieke toepassing in de veehouderij;

      • -

        onderzoek naar en ontwikkeling, demonstratie en kennisoverdracht energiebesparingsmogelijkheden bij landbouwtrekkers, zelfrijdende machines, trekker/werktuig-combinaties, mechanisatie en transport;

      • -

        ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal en uitvoeren van voorlichtingsacties op het gebied van energiebesparing;

      • -

        ontwikkelen, demonstreren en introduceren van energie-efficiënte (decentrale) mestverwerkingsconcepten en (brongerichte) technieken voor de reductie van ammoniak-emissie en andere schadelijke emissies.

    • 4. 4. Overige agrarische sectoren

      Dit onderdeel richt zich op het verbeteren van de energie-efficiency met 26% tussen 1989 en 2000 en oplossing van milieugerelateerde problematiek binnen de overige agrarische sectoren.

      De overige agrarische sectoren betreffen met name de bloembollenteelt, paddestoelenteelt, loonwerk en de akkerbouw.

      Projecten komen voor ondersteuning in aanmerking indien ze behoren tot een van de bovengenoemde sectoren, aantoonbare energiebesparingsmogelijkheden hebben én indien er een directe relatie bestaat met een bestaande of in voorbereiding zijnde meerjarenafspraak.

      Primair staat het belang, dat te ondersteunen projecten bijdragen aan vernieuwingen die een aanmerkelijk effect op energiegebruik en verbetering van het milieu hebben, en daarmee bijdragen aan het behalen van de bovengenoemde doelstelling.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking zijn:

      • -

        onderzoek naar en ontwikkeling, demonstratie en kennisoverdracht van energiebesparingsmogelijkheden bij landbouwtrekkers, zelfrijdende machines, trekker/werktuig combinaties, mechanisatie en transport;

      • -

        onderzoek naar en ontwikkeling, demonstratie en kennisoverdracht van energiebesparingsmogelijkheden bij de teelt, trekkerij, broeierij en bewaring van bloembollen en -knollen;

      • -

        onderzoek naar en ontwikkeling, demonstratie en kennisoverdracht van energiebesparingsmogelijkheden bij de champignonteelt en de compostbereiding voor de champignonteelt;

      • -

        ontwikkeling, demonstratie en kennisoverdracht gericht op transport, droging, koeling en bewaring van onbewerkte land- en tuinbouwprodukten;

      • -

        onderzoek naar en ontwikkeling, demonstratie en kennisoverdracht van duurzame energie met specifieke toepassing in de overige agrarische sectoren;

      • -

        ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal en uitvoeren van voorlichtingsacties op het gebied van energiebesparing.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans;

    • b. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;

    • c. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

    • d. de bijdrage van het project aan de realisatie van de doelstellingen van een bestaande of in voorbereiding zijnde meerjarenafspraak;

    • e. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • f. de milieuverdienste van het project;

    • g. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;

    • i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.

    Toelichting

    Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

    Ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast de inschatting van de technisch en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts voor een subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

    Ad b. Onder het nieuwheidscriterium worden in onderhavig programma verstaan:

    • -

      het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;

    • -

      het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

    Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen.

    Ad c. De projectkosten bij demonstratie- en marktintroductieprojecten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

    Ad d. Projecten worden mede beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de MJA en de behoefte in de betreffende sector aan de resultaten.

    Ad e. Een project wordt mede beoordeeld op basis van de mate waarin het toepasbaar is in de markt en de mate waarin herhalingspotentieel met betrekking tot de betreffende technologische toepassing aanwezig is.

    Ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek.

    Het onderdeel Tender Glastuinbouw richt zich op de toeleverende industrie, ontwerp- en adviesbureaus en installatiebedrijven. Tevens is dit onderdeel bedoeld voor tuinders, echter uitsluitend indien zij met voornoemde doelgroepen of met instellingen voor praktijkgericht onderzoek een aanvraag indienen.

    Aan de doelstelling van het onderdeel Glastuinbouw kunnen met name bijdragen (intermediaire) bedrijven en organisaties binnen deze sector, zoals:

    • -

      overkoepelende stands- en vakorganisaties en individuele bedrijven;

    • -

      instellingen voor (praktijkgericht) onderzoek, voorlichting en onderwijs;

    • -

      installateurs, kassenbouwers, leveranciers en fabrikanten van bedrijfsuitrusting en kassen, alsmede van onderdelen;

    • -

      adviesbureaus.

    Aan de doelstelling van het onderdeel Veehouderij kunnen met name bijdragen (intermediaire) bedrijven en organisaties binnen deze sector, zoals:

    • -

      overkoepelende stands- en vakorganisaties en individuele bedrijven;

    • -

      instellingen voor (praktijkgericht) onderzoek, voorlichting en onderwijs;

    • -

      installateurs, stallenbouwers, leveranciers en fabrikanten van trekkers, werktuigen, bedrijfsuitrusting en stallen, alsmede van onderdelen;

    • -

      adviesbureaus.

    Aan de doelstelling van het onderdeel Overige agrarische sectoren kunnen met name bijdragen (intermediaire) bedrijven en organisaties binnen deze sectoren, zoals:

    • -

      overkoepelende stands- en vakorganisaties en individuele bedrijven;

    • -

      instellingen voor (praktijkgericht) onderzoek, voorlichting en onderwijs;

    • -

      installateurs, schuren-, werkplaats- en bewaarplaatsbouwers, leveranciers en fabrikanten van trekkers, werktuigen, bedrijfsuitrusting, bewaarplaatsen, werkplaatsen en stallen, alsmede van onderdelen;

    • -

      adviesbureaus.

  • B Budget Tender Glastuinbouw

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het onderdeel Tender Glastuinbouw bedraagt f 1.200.000,-.

  • B Budget overige onderdelen

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot de overige onderdelen van het programma Agrarische Sector bedraagt f 3.700.000,-.

  • C Aanvraagperiode tender glastuinbouw

    Aanvragen met betrekking tot het onderdeel Tender Glastuinbouw moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 31 oktober 1994.

  • C Aanvraagperiode overige onderdelen

    Aanvragen met betrekking tot de overige onderdelen van het programma Agrarische Sector moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 17,

    6130 AA Sittard

    tel. 046 - 595295

Bijlage 8. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Programma gebouwde omgeving/utiliteitsgebouwen

    Het doel van het programma Gebouwde Omgeving/Utiliteitsgebouwen 1994 is het bijdragen aan de realisatie van de energiebesparingsdoelstelling voor utiliteitsbouw, zoals die in 1993 is geformuleerd in de Vervolgnota Energiebesparing. Hierin wordt voor deze sector tussen 1990 en 2000 een efficiency-verbetering van 23% ten doel gesteld.

    De utiliteitsbouw wordt in dit programma opgedeeld in zes onderdelen.

    Per onderdeel komen in 1994 vooral projecten voor subsidie in aanmerking die gericht zijn op:

    Nieuwbouwkantoren
    • -

      de ontwikkeling van hulpmiddelen die gebruikt kunnen worden om tot een energiezuinig gebouwontwerp te komen;

    • -

      haalbaarheids- en demonstratieprojecten die zich richten op het verminderen van belemmerende marktfactoren om te bouwen op een energetisch niveau dat scherper is dan de EPN-norm.

    Zakelijke dienstverlening
    • -

      marktintroductie van energiebeheer op afstand;

    • -

      marktintroductie van regelsystemen voor verlichting;

    • -

      ontwikkeling van energie-efficiënte ventilatoren;

    • -

      demonstratie van twee projecten waarin brancheverenigingen een stimulerende rol vervullen naar hun leden wat betreft het nemen van energiebesparingsmaatregelen;

    • -

      demonstratie van een project waarin een gemeente zich bij de uitvoering van energiebeleid richt op de zakelijke dienstverlening;

    • -

      haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, demonstratie- en markintroductieprojecten en kennisoverdrachtsprojecten die passen in het energiereductieprogramma dat onderdeel zal uitmaken van de op handen zijnde meerjarenafspraken in de zakelijke dienstverlening.

    Detailhandel en Horeca
    • -

      ontwikkeling en marktintroductie van nieuwe energiebesparende produktapplicaties voor deze sectoren, met name voor commerciële koeling, keukenapparatuur en verlichting;

    • -

      marktintroductie van algemene energiebesparingsprojecten in bedrijven met een aanzienlijk filialennet en gestandaardiseerde bedrijfsformule.

    Onderwijsgebouwen
    • -

      haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, demonstratieprojecten en kennisoverdrachtprojecten gericht op marktintroductie van kansrijke, relatief onbekende technieken gericht op energie-efficiencyverbetering in schoolgebouwen;

    • -

      kennisoverdrachtsprojecten gericht op stimulering en ondersteuning van energiebesparing bij kwantitatief omvangrijke segmenten in het onderwijsveld;

    • -

      kennisoverdrachtsprojecten waarmee in het kader van Milieuzorg op School energiebeheer wordt geïmplementeerd bij kwantitatief omvangrijke segmenten in het onderwijsveld.

      Projecten die passen binnen een energiereductieprogramma dat onderdeel zal uitmaken van de op handen zijnde meerjarenafspraken in het onderwijsveld genieten de voorkeur.

    Gemeentelijke gebouwen
    • -

      haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, demonstratieprojecten en kennisoverdachtprojecten, gericht op de marktintroductie van nieuwe of relatief onbekende technieken welke leiden tot een substantiële energiebesparing in gemeentelijke gebouwen en voorzieningen;

    • -

      demonstratieprojecten waarin zowel bouwkundige als installatietechnische energiebesparende maatregelen optimaal geïntegreerd worden in het renovatieproces.

    Zorgsector

    Binnen dit onderdeel komen haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, demonstratie- en marktintroductieprojecten en kennisoverdrachtprojecten voor subsidie in aanmerking die zijn gericht op:

    • -

      het stimuleren van de uiteindelijke marktintroductie van technieken en systemen ter terugdringing van de noodzaak van opwekking en distributie van stoom en heetwater teneinde de inzet van HR-ketels en WKK te vereenvoudigen;

    • -

      het stimuleren van de uiteindelijke marktintroductie van nieuwe technieken die specifiek voor de gezondheidszorg van toepassing zijn en die een substantiële bijdrage leveren aan de besparingsdoelstelling;

    • -

      het uitvoeren van energiereductieprogramma's die onderdeel zullen uitmaken van op handen zijnde meerjarenafspraken in de sector gezondheidszorg.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • e. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt;

    • f. de mate waarin het project past in een aanwezig innovatietraject van de aanvrager of van anderen;

    • g. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

    • h. de kostprijs(verlaging) van een voor het programma relevante techniek;

    • i. de nieuwheid van het project;

    • j. de looptijd van het project.

    Toelichting

    Toelichting op bovengenoemde aspecten:

    ad a. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

    Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen worden ondersteund als de technische en financieel/economische haalbaarheid voldoende zijn aangetoond.

    ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt naast de energie-efficiency verbetering rekening gehouden met de te bereiken

    CO2-emissie-reductie.

    ad d. De ondersteuning van een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing, het herhalingspotentieel van het project of produkt, alsook het maatschappelijk draagvlak van het project of produkt bij relevante marktpartijen.

    ad e. De ondersteuning van een project wordt mede beoordeeld op basis van de in de aanvraag opgenomen relevante kennisoverdrachtactiviteiten. Afhankelijk van het soort project dient de aanvrager bij te dragen aan de opgenomen kennisoverdrachtsactiviteiten, bijvoorbeeld door het schrijven van een artikel voor een vakblad.

    ad f. Onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten worden mede beoordeeld op basis van de stand van zaken van voorafgaand onderzoek.

    ad g. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdiensten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energie (gulden/GJ) en/of per hoeveelheid vermeden CO₂-emissie (gulden/ton CO₂).

    ad h. Bij de beoordeling van het project dient voldoende inzicht te worden verschaft met betrekking tot de kostprijs(verlaging) van de techniek of het produkt om de markttoepassing ten opzichte van andere technieken/produkten te beoordelen.

    ad i. Onder het nieuwheidscriterium wordt verstaan:

    • -

      toepassing van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;

    • -

      het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën.

    Het betreft hier voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen.

    ad j. De looptijd van het project dient voldoende kort te zijn zodat implementatie van de projectresultaten in voldoende mate kan bijdragen aan de doelstellingen van het programma in het jaar 2000.

    Aan de doelstelling van het programma Gebouwde Omgeving/Utiliteitsgebouwen kunnen met name partijen bijdragen die een structurele relatie hebben met de eindverbruikers.

    Hierbij gaat het vooral om distributiebedrijven, adviesbureaus, branche- of koepelorganisaties en andere intermediaire groepen. Specifiek voor de nieuwbouwkantoren kunnen ook beleggers of financiers, projectontwikkelaars en partijen die verantwoordelijk zijn voor het bouwmanagement projecten indienen.

  • B. Budget

    Het budget dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Gebouwde Omgeving/Utiliteitsgebouwen bedraagt f 2.607.000,-.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Gebouwde Omgeving/Utiliteitsgebouwen moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 503,

    7300 AM Apeldoorn

    tel. 055-277877

Bijlage 9. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. A. Programma gebouwde omgeving/woningbouw

    Het doel van het programma Gebouwde Omgeving/Woningbouw 1994 is een bijdrage te leveren aan de realisatie van de energiebesparingsdoelstelling voor woningen en huishoudens, zoals die in 1993 is geformuleerd in de Vervolgnota Energiebesparing. In deze nota wordt voor woningen en huishoudens tussen 1990 en 2000 een efficiency-verbetering van 23% ten doel gesteld.

    Het programma Woningbouw richt zich vooral op projecten ten behoeve van nieuw te bouwen woningen, renovatie van sociale huurwoningen, apparatuur en verlichting in woningen.

    In 1994 komen vooral projecten voor subsidie in aanmerking die zijn gericht op:

    • -

      het verbeteren van het jaartaprendement van het warmwaterdeel van combiketels en/of tapwatertoestellen tot 80% of hoger, door onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten uit te voeren door de apparatenindustrie en/of instellingen voor onderzoek;

    • -

      kennisoverdrachtsactiviteiten met betrekking tot Energieprestatienormering naar architecten en gemeentelijke diensten. Deze activiteiten dienen een voortzetting te zijn van het reeds eerder door Novem opgezette kennisoverdrachtstraject inzake energieprestatienormering. Voor deze projecten komen in dit verband vooral instellingen voor kennisoverdracht en branche-organisaties uit de bouwwereld in aanmerking voor subsidie;

    • -

      de ontwikkeling van een cursus voor installateurs gericht op het ontwerpen van tapwaterinstallaties in woningen;

    • -

      praktijkexperimenten uit te voeren door gemeenten met betrekking tot het inachtnemen van een grotere terughoudendheid bij het verlenen van ontheffingen voor wat betreft de eisen in het Bouwbesluit inzake energiezuinigheid bij renovatie van woningen;

    • -

      de ontwikkeling van een warmtepompboiler als individuele ruimte- en tapwaterverwarmingsinstallatie;

    • -

      het totstand brengen van een kwaliteitskeurmerk voor warmtapwatertoestellen en -afnamepunten door onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten, waarin genormeerde tappatronen en een genormeerde bepalingsmethode voor de kwaliteit van toestellen en afnamepunten zijn opgenomen;

    • -

      de ontwikkeling van een simulatieprogramma ten behoeve van verbeterde produktinformatie (labeling) van tapwatertoestellen;

    • -

      de kennisoverdracht over de installatietechnische aspecten van energiebewust renoveren en tapwaterbesparing naar installateurs. Vooral brancheorganisaties uit de bouwwereld en instellingen voor kennisoverdracht komen in dit verband voor subsidie in aanmerking;

    • -

      haalbaarheidsstudies gericht op energiebewuste renovaties en tapwaterbesparing in sociale huurcomplexen waarbij gemiddeld 1.000 m3 a.e. per jaar per woning wordt bespaard. Vooral woningbouwcorporaties en andere gelijkwaardige toegelaten instellingen komen in dit verband voor subsidie in aanmerking;

    • -

      de ontwikkeling, demonstratie en marktintroductie van armaturen, geschikt voor energiezuinige lampen;

    • -

      de techniekontwikkeling, demonstratie en marktintroductie voor nieuwe en/of bestaande audio/video-apparatuur ter reducering van standby-verliezen;

    • -

      de marktintroductie en kennisoverdracht van audio/video-apparaten waarin energiezuinige standby-techniek is toegepast;

    • -

      kennisoverdrachtsactiviteiten om de toepassing van hot-fill apparaten en gasgestookte wasdrogers te bevorderen;

    • -

      het verminderen van elektriciteitsgebruik van gesloten CV-toestellen (< 35kW) door onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten door middel van aanpassingen van toegepaste regelstrategieën, ventilatoren en pompen.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • e. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt;

    • f. de mate waarin het project past in een aanwezig innovatietraject van de aanvrager of van anderen;

    • g. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

    • h. de kostprijs(verlaging) van een voor het programma relevante techniek;

    • i. de nieuwheid van het project;

    • j. de looptijd van het project.

    Toelichting

    Toelichting op bovengenoemde aspecten:

    ad a. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

    Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen worden ondersteund als de technische en financieel/economische haalbaarheid voldoende zijn aangetoond.

    ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt naast de energie-efficiency verbetering rekening gehouden met de te bereiken CO2-emissie-reductie.

    ad d. De ondersteuning van een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing, het herhalingspotentieel van het project of produkt, alsook het maatschappelijk draagvlak van het project of produkt bij relevante marktpartijen.

    ad e. De ondersteuning van een project wordt mede beoordeeld op basis van de in de aanvraag opgenomen relevante kennisoverdrachtactiviteiten. Afhankelijk van het soort project dient de aanvrager bij te dragen aan de opgenomen kennisoverdrachtsactiviteiten, bijvoorbeeld door het schrijven van een artikel voor een vakblad.

    ad f. Onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten worden mede beoordeeld op basis van de stand van zaken van voorafgaand onderzoek.

    ad g. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdiensten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energie (gulden/GJ) en/of per hoeveelheid vermeden CO₂-emissie (gulden/ton CO₂).

    ad h. Bij de beoordeling van het project dient voldoende inzicht te worden verschaft met betrekking tot de kostprijs(verlaging) van de techniek of het produkt om de markttoepassing ten opzichte van andere technieken/produkten te beoordelen.

    ad i. Onder het nieuwheidscriterium wordt verstaan:

    • -

      toepassing van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;

    • -

      het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën.

    Het betreft hier voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen.

    ad j. De looptijd van het project dient voldoende kort te zijn zodat implementatie van de projectresultaten in voldoende mate kan bijdragen aan de doelstellingen van het programma in het jaar 2000.

    Voor zover niet nader aangeduid bij de soorten projecten die voor subsidie in aanmerking komen, komen ten behoeve van het leveren van een bijdrage aan de realisering van de doelstelling van het programma, vooral in aanmerking: instellingen voor onderzoek en kennisoverdracht alsmede hoger of wetenschappelijk onderwijs, apparatenindustrie branche-organisaties, technische onderwijsinstellingen, gemeenten en woningbouwcorporaties danwel andere door de overheid gelijkwaardige toegelaten instellingen.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Woningbouw bedraagt f 1 317 000,-.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Woningbouw moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 17.

    6130 AA Sittard

    tel. 046 - 595295

Bijlage 10. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Programma rationeel gebruik van energie in verkeer en vervoer (REV)

    Het doel van het REV-programma is het leveren van een bijdrage aan het energiebesparingsbeleid van de overheid, zoals verwoord in de Vervolgnota Energiebesparing, voor wat betreft de sector Verkeer en Vervoer op het gebied van technologische ontwikkeling, innovatie en gedragsverandering. Het programma is ingedeeld in drie onderdelen:

    • 1. Ontwikkeling van zuinige transportmiddelen

      Dit onderdeel richt zich op het bevorderen van industrieel onderzoek en industriële ontwikkeling in Nederland met betrekking tot de verhoging van de energie-efficiency van wegvoertuigen.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die mede gefinancierd worden door de industrie en die betrekking hebben op:

      • -

        voortzetting van reeds eerder in het kader van het REV-programma ondersteunde ontwikkeling gericht op verhoging van het energetisch rendement van Diesel- en Otto-motoren;

      • -

        ontwikkeling van systemen bestaande uit een vorm van continu variabele transmissie en regeling ter optimalisatie van het energetisch rendement van het gehele aandrijfsysteem;

      • -

        voortzetting van reeds eerder in het kader van het REV-programma ondersteunde ontwikkeling van een vliegwielenergie-opslagsysteem;

      • -

        onderzoek en ontwikkeling, voornamelijk industrieel vóór-onderzoek, gericht op vermindering van voertuiggewicht ter verhoging van de energie-efficiency;

      • -

        ontwikkeling van energie-efficiënte mobiele werktuigen, danwel componenten daarvoor, met uitzondering van landbouwmachines.

      • -

        voortzetting van reeds eerder in het kader van het REV-progamma ondersteunde ontwikkeling gericht op een lichtgewicht auto met een zuinige aandrijflijn.

    • 2. Efficiënt gebruik van transportmiddelen

      • 2A Vervoersefficiency

        Dit onderdeel richt zich op de ontwikkeling en praktijkbeproeving van technische hulpmiddelen en systemen ten behoeve van een efficiëntere inzet van transportmiddelen. Met name dit onderdeel van het REV-programma vervult een aanvullende rol op andere door de overheid geëntameerde of ondersteunde projecten en programma's, voor wat betreft energie- en milieu-effecten.

        De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

        • -

          ontwikkelingsprojecten van geïntegreerde fleetmanagementsystemen voor het goederenvervoer en praktijkexperimenten met dergelijke reeds ontwikkelde systemen;

        • -

          kennisoverdrachtsystemen van natuur- en milieuorganisaties gericht op efficiencyverbetering in het goederenvervoer;

        • -

          samenwerkingsverbanden van containerververvoerbedrijven gericht op efficiencyverbetering, betere beladingsgraad, verdikking van goederenstromen, waardoor tevens gecombineerd vervoer mogelijk wordt; te realiseren in de context van een regionale container-afhandelingsfaciliteit;

        • -

          multi-depotplanning in de mengvoederdistributie; met betrekking tot de gehele keten van aanvoer van grondstoffen per binnenvaart, gespecialiseerde produktielokaties en distributie van produkten over de weg.

      • 2B Gedragsbeïnvloeding: ‘Koop Zuinig, Rij Zuinig’

        Dit onderdeel is er op gericht om via een planmatige en resultaatgerichte aanpak automobilisten, chauffeurs en vervoerondernemers te motiveren tot het energie- en milieubewust aanschaffen en gebruiken van personenauto's, bestel- en vrachtwagens en autobussen.

        De voornaamste projecten die in 1994 voor een bijdrage in aanmerking komen, zijn kennisoverdrachtprojecten die betrekking hebben op:

        • -

          communicatie-activiteiten van zogenaamde intermediaire organisaties in de sector verkeer en vervoer (branche- en koepelorganisaties) die worden uitgebreid c.q. aangevuld met het thema ‘Koop Zuinig, Rij Zuinig’. Daarbij zal met name een vervolg worden gegeven aan in 1993 gestarte activiteiten zoals de perfect driving competitions, campagnes van Bovag-RAI, activiteiten van Veilig Verkeer Nederland, uitgaven gekoppeld aan het rijbewijs, en acties in samenwerking met autofabrikanten en oliemaatschappijen;

        • -

          bij succesvolle resultaten van de in 1993 gestarte pilots bij grote fleetowners zullen in 1994 nieuwe pilots gestart worden. Beheerders van grote bedrijfswagenparken kunnen ondersteuning krijgen voor projecten op het gebied van energiezuinig rijden en aankopen, indien hierbij gebruik gemaakt wordt van de in het kader van ‘Koop Zuinig, Rij Zuinig’ ontwikkelde instrumenten (zoals cursussen, creatieve concepten);

        • -

          projecten gericht op aanvulling van leermiddelen voor de primaire rij-opleiding (A t/m E), alsmede leermiddelen voor de opleiding tot rij-instructeur, kunnen aangevuld worden met lesstof op het terrein van energiebewust rij- en aankoopgedrag;

        • -

          continuering van het in 1993 opgezette project ‘Adviseurs Verkeersveiligheid, Energie en Milieu’ (AVEM) bij TLN, EVO en het VCC Amsterdam ZO, alsmede uitbreiding hiervan door installering van een AVEM bij een branche-organisatie voor het openbaar vervoer;

        • -

          in vervolg op eerder gestarte projecten gericht op de uitbreiding met energie- en milieu-aspecten van cursussen en opleidingen voor fysieke distributie, komen projecten voor subsidie in aanmerking, waarbij de opleiding voor intern transport op vergelijkbare wijze wordt aangevuld met energie- en milieu-aspecten.

    • 3. Vervangende energiedragers

      Dit onderdeel richt zich op verbreding van het pakket energiedragers in het wegtransport, voornamelijk LPG. Hiermee wordt beoogd een bijdrage te leveren aan diversificatie van brandstoffen en verbetering van het milieu, vooral in stedelijke gebieden, gecombineerd met een zo hoog mogelijke energetische efficiency.

      De voornaamste projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

      • -

        onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten met betrekking tot toepassing van LPG met elektronische inspuit- en regeltechnieken, reeds eerder in het kader van het REV-programma ondersteund.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen;

    • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de doelstelling van het programma;

    • f. de mate van betrokkenheid van de industrie of organisaties van eindgebruikers;

    • g. de relevantie voor technologische clusters in Nederland;

    • h. de nieuwheid van het project;

    • i. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • j. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt

    Toelichting

    Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

    ad a. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

    ad b. Bij de beoordeling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met verbetering ten aanzien van brandstofbesparing.

    ad d. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder door de aanvrager of door anderen gegenereerde kennis en dat voor wat betreft haalbaarheids- en ontwikkelingsprojecten doublures worden vermeden.

    ad f. Bij de introductie van nieuwe technieken is het van belang dat er in een vroeg stadium betrokkenheid is van de industrie of organisaties van eindgebruikers. De voorkeur wordt dan ook gegeven aan projecten met een wezenlijke betrokkenheid van de industrie of organisaties van eindgebruikers, zowel inhoudelijk als financieel.

    ad g. Bij de beoordeling gaat de voorkeur uit naar projecten die worden ondernomen door samenwerkingsverbanden van industrie, afnemers, onderzoekinstellingen, ontwikkelbedrijven.

    ad h. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan:

    • -

      het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;

    • -

      het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën.

    Er dient sprake te zijn te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen.

    ad i. Een project wordt mede beoordeeld op basis van de mate waarin het toepasbaar is in de markt, en de mate waarin herhalingspotentieel met betrekking tot de betreffende technologische toepassing aanwezig is.

    ad j. Naast de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel, het organiseren van een workshop of het openstellen van een installatie voor bezoek van derden, wordt hierbij met name aandacht besteed aan de participatie van relevante partijen in het project.

    Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen:

    • -

      fabrikanten van transportmiddelen

    • -

      fabrikanten van componenten en systemen voor transportmiddelen

    • -

      organisaties op het gebied van verkeer en vervoer

    • -

      vervoerbedrijven

    • -

      bedrijven die goederen laten vervoeren

    • -

      instellingen voor onderzoek en

    • -

      hoger of wetenschappelijk onderwijs.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Rationeel Gebruik van Energie in Verkeer en Vervoer bedraagt:

    • -

      voor onderdeel 1 : f 2 636 000,-

    • -

      voor onderdeel 2a: f 1.250.000,-

    • -

      voor onderdeel 2b: f 475,000,-

    • -

      voor onderdeel 3 : f 561.000,-.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Rationeel Gebruik van Energie in Verkeer en Vervoer, onderdeel 1, moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 23 december 1994.

    Aanvragen met betrekking tot het programma Rationeel Gebruik van Energie in Verkeer en Vervoer, onderdelen 2a, 2b en 3, moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is te verkrijgen bij:

    Novem, postbus 8242,

    3503 RE Utrecht

    tel. 030 - 363444

Bijlage 11. Programma, bijdragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Programma toepassing windenergie in nederland (TWIN)

    Het doel van het TWIN-programma is het bevorderen van de toepassing van windenergie als duurzame energiebron en wel op zodanige wijze dat daarmee maximaal wordt bijgedragen aan het bereiken van een jaarlijkse besparing op fossiele brandstoffen van 17 PJ vanaf het jaar 2000. In het programma wordt de nadruk gelegd op versnelling van het plaatsingstempo door het tijdig beschikbaar krijgen van voldoende locaties voor windparken, op de verbetering van de prijs/prestatie-verhouding van windturbines en op het vergroten van de plaatsingsmogelijkheden van windturbine door het wegnemen van technisch-economische barrières.

    Het plaatsingstempo van windenergie in Nederland meet hierdoor toenemen tot circa 60 MW per jaar.

    De aanschaf van windturbines wordt gesteund in het kader van het Besluit subsidies windenergie (Staatsblad 1993/187 en 1994/177).

    Het programma is ingedeeld in drie onderdelen:

    • 1. Implementatie

      Dit onderdeel richt zich op het wegnemen van knelpunten bij de ontwikkeling en realisatie van windturbine-projecten.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen zijn onderzoeks- of ontwikkelings- en kennisoverdrachtprojecten die gericht zijn op het wegnemen van knelpunten bij de ontwikkeling en realisatie van een windpark. Daarbij dient het project wegens de aanpak en/of de op te lossen knelpunten nieuwe kennis op te leveren die ook van belang is voor andere windparken. Bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de verspreiding van deze kennis.

    • 2. Industriële ontwikkeling

      Dit onderdeel richt zich op het verbeteren van de prijs/prestatie-verhouding en verbetering van de plaatsbaarheid van windturbines.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids- en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten die gericht zijn op het ontwikkelen van windturbines. Vervolgfasen van reeds door Novem ondersteunde projecten staan daarbij centraal. Het gaat daarbij om de:

      • -

        verbetering van de prijs-prestatieverhouding;

      • -

        reductie van de geluidemissie;

      • -

        toename van de betrouwbaarheid;

      • -

        normontwikkeling op dit gebied.

    • 3. Techniekontwikkeling

      Dit onderdeel is gericht op het scheppen van technisch wetenschappelijke randvoorwaarden voor een voortgaande industriële ontwikkeling. Het gaat met name om het ontwikkelen van algemeen beschikbare, concrete ontwerprichtlijnen of ontwerpgereedschappen ter verbetering van de kwaliteit van windturbines in Nederland. De ontwikkelingen dienen aan te sluiten bij de behoeften op deze terreinen van Nederland.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, en kennisoverdracht-projecten die gericht zijn op:

      • -

        het ontwerpen van efficiëntere rotoren;

      • -

        het verkrijgen van beter inzicht in de belasting en vermoeiing van materialen en constructies;

      • -

        vermindering van de geluidemissie;

      • -

        verbetering van conversiesystemen;

      • -

        de ontwikkeling van internationale normen en certificatiecriteria;

      • -

        verbetering van betrouwbaarheid en onderhoudbaarheid.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen;

    • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

    • f. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • g. de mate waarin samenwerking met anderen plaats vindt;

    • h. de kostprijsverlaging van een voor het programma relevant produkt;

    • i. de nieuwheid van het project;

    • j. de mate waarin het project voorziet in kennisoverdracht van de te bereiken resultaten.

    Toelichting

    Toelichting op bovengenoemde aspecten:

    ad a. Indien de slaagkans van een project te gering wordt geacht, zal het verlenen van subsidie niet aan de orde zijn.

    Bij het vaststellen van de slaagkans van een project wordt rekening gehouden met de technische en financieel-economische haalbaarheid en factoren van planologische en bestuurlijke aard.

    ad d. Industriële ontwikkelingsprojecten dienen deel uit te maken van een ontwikkelingsplan van de betreffende onderneming.

    Projecten gericht op de techniekontwikkeling worden getoetst aan de in het ontwikkelingsplan van de betreffende aanvrager aangegeven innovatietraject(en).

    ad e. De kosten van projecten gericht op de ontwikkeling en realisatie van windparken worden gerelateerd aan de potentiële omvang van het windpark en de mate waarin de verkregen kennis van belang is voor de realisatie van andere windparken.

    ad f. De verwachte projectresultaten zullen zoveel mogelijk vooraf getoetst worden aan de behoeften van de beoogde gebruikers

    ad g. Projecten ingediend en/of uit te voeren door samenwerkingsverbanden van partijen waarvoor het programma bestemd is genieten voorkeur.

    ad j. Bij projecten in het kader van onderdeel 1 en onderdeel 3 dient kennisoverdracht deel uit te maken van het project.

    Aan de doelstellingen van het programmaonderdeel implementatie kunnen met name bijdragen projectontwikkelaars en exploitanten van windparken. Voor het onderdeel industriële ontwikkeling richt het programma zich op in Nederland gevestigde ondernemingen in de windturbinesector met een substantieel aandeel in de Nederlandse markt en aantoonbaar uitzicht op uitbreiding hiervan. Het onderdeel techniekontwikkeling richt zich behalve op deze ondernemingen, ook op ingenieurs- en adviesbureaus en instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Toepassing Windenergie in Nederland bedraagt voor het onderdeel implementatie f 400.000,-, het onderdeel industriële ontwikkeling f 400.000,-, en het onderdeel techniekontwikkeling f 2.333.000,-.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Toepassing Windenergie in Nederland moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 8242,

    3503 RE Utrecht

    tel. 030 - 363444

Bijlage 12. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. A. Nationaal onderzoekprogramma zonne-energie fotovoltaïsche conversie

    Het doel van het programma zonne-energie fotovoltaïsche conversie is het scheppen van voorwaarden voor de toekomstige inpassing van zonnecellen in de Nederlandse energievoorziening door middel van onderzoek, ontwikkeling, praktijkexperimenten, demonstratie en kennisoverdracht.

    Het programma is ingedeeld in drie onderdelen:

    • 1. Zonnecellen

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn gericht op:

      • -

        onderzoek en ontwikkeling van cellen op basis van polykristallijn silicium gericht op rendementsverbetering en kostprijsreductie van industrieel te produceren cellen.

      • -

        onderzoek aan cellen op basis van concepten gericht op lage kosten op middellange termijn. Hieronder valt onderzoek aan cellen op basis van amorf silicium gericht op verbetering van het gestabiliseerde rendement en verbeterde produktiemethoden, vooronderzoek aan alternatieve dunnefilm technologieën en onderzoek aan organische zonnecellen.

      • -

        onderzoek op het gebied van ‘hybride’ cellen zoals III/V-zonnecellen op basis van goedkope substraten, om te komen tot economisch verantwoorde concepten met hoge rendementen op lange termijn.

    • 2. Componenten en systemen

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn gericht op:

      • -

        ontwikkeling van grote fotovoltaïsche modules en van componenten ten behoeve van de bouwtechnische integratie van fotovoltaïsche panelen in daken en gevels;

      • -

        onderzoek en ontwikkeling van omvormers ten behoeve van toepassingen in netgekoppelde fotovoltaïsche systemen (PV);

      • -

        onderzoek en ontwikkeling van netgekoppelde PV-systemen ten behoeve van praktijktoepassingen;

      • -

        ontwikkeling van nieuwe economisch perspectiefrijke toepassingen, zowel in Nederland als in ontwikkelingslanden.

    • 3. Fotovoltaïsche pilot-projecten

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn gericht op decentrale netgekoppelde toepassingen van PV in de gebouwde omgeving. Hieronder vallen:

      • -

        praktijkexperimenten met PV op een aantal individuele woningen met speciale aandacht voor de integratie van PV als bouwelement in het dak;

      • -

        de voorbereiding en realisatie van grootschalige praktijk- en ontwikkelingsexperimenten ter grootte van tientallen tot enkele honderden woningen met PV waarin de beheeraspecten van het PV-systeem een punt van onderzoek is;

      • -

        de voorbereiding en realisatie van een of enkele praktijkexperimenten met PV op daken of in gevels van utiliteitsgebouwen;

      Projecten waarbij een energiedistributiebedrijf betrokken is, verdienen de voorkeur.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. het perspectief met betrekking tot de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen;

    • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

    • f. het perspectief op economische haalbaarheid van de technologie op middellange en lange termijn;

    • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;

    • i. de nieuwheid van het project;

    • j. de bijdrage aan (de opbouw van) relevante kennis, draagvlak en infrastructuur bij de doelgroepen van het NOZ-PV.

    Toelichting

    Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

    ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn.

    Demonstratieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel/economische haalbaarheid voldoende is aangetoond

    ad d. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder gegenereerde kennis en dat voor wat betreft onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten doublures worden vermeden. Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen:

    • -

      instellingen voor onderzoek en hoger wetenschappelijk onderwijs;

    • -

      industriële bedrijven betrokken bij ontwikkeling en produktie van fotovoltaïsche systemen;

    • -

      energiedistributiebedrijven en bouwbedrijven.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen voor subsidies met betrekking tot het programma Nationaal Onderzoekprogramma Zonne-energie – Fotovoltaïsche conversie bedraagt f 5 862 000,-.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Nationaal Onderzoekprogramma Zonne-energie – Fotovoltaïsche conversie moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 8242, 3503 RE Utrecht

    tel. 030 - 363444

Bijlage 13. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Nationaal onderzoekprogramma aardwarmte en energie-opslag in aquifers (NOAA)

    Het doel van het Nationaal Onderzoekprogramma Aardwarmte en energie-opslag in Aquifers is de ontwikkeling en optimalisatie van systemen voor opslag van warmte (opslagtemperatuur tussen 30 en 90°C) en koude (opslagtemperatuur tussen 6 en 20°C) en het bevorderen van de toepassing van koude-opslag.

    Daarnaast richt het programma zich op de realisatie van een praktijkexperiment diepe aardwarmte (2000–3000 m).

    Het programma is ingedeeld in twee onderdelen:

    • 1. Aardwarmte

      Dit onderdeel richt zich op het ontwikkelen van kennis met betrekking tot aardwarmtewinning.

      In 1994 komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking één praktijkexperiment op het gebied van aardwarmte, bij voorkeur met gebruikmaking van bestaande droge gas- of olieputten.

    • 2. Energie-opslag in aquifers

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie- en marktintroductieprojecten die gericht zijn op de bevordering van de implementatie van thermische energie-opslag in aquifers.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de mate waarin het project past in een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen;

    • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstelling van het programma;

    • f. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • g. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.

    Toelichting

    Toelichting op het bovengenoemde aspecten:

    ad a. Met betrekking tot de ondersteuning van haalbaarheidsstudies koudeopslag wordt de slaagkans beoordeeld op basis van de gehanteerde maximale verhouding tussen extra investeringen en verwachte energiebesparing en de kans dat bij uitvoering het project hieraan voldoet.

    ad e. Met name bij demonstratie- en marktintroductieprojecten worden de projectkosten getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ) en per hoeveelheid vermeden CO₂-emissie (gulden/ton CO₂).

    Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen: adviesbureaus en architectenbureaus, potentiële eigenaren of exploitanten van gebouwen, energiedistributiebedrijven en instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen voor subsidies met betrekking tot het Nationaal Onderzoekprogramma Aardwarmte en energieopslag in Aquifers bedraagt voor onderdeel 1 f 1.252.500,- en voor onderdeel 2 f 300 000,-

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het Nationaal Onderzoekprogramma Aardwarmte en Energie-opslag in Aquifers moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 8242,

    3503 RE Utrecht

    tel. 030 - 363444

Bijlage 14. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Nationaal onderzoekprogramma zonne-energie thermische conversie (NOZTH)

    Het hoofddoel van het programma NOZ-th is bij te dragen aan de verbetering van de prijs/prestatieverhouding van zonneboilersystemen met tenminste 40% t.o.v. prijsniveau 1991 en bevordering van de marktintroductie van zonneboilers, gericht op de in de Vervolgnota Energiebesparing geformuleerde doelstelling van 300.000 zonneboilers in 2010. Daarnaast richt het programma zich in beperkte mate op het onderzoeken, ontwikkelen en demonstreren van geavanceerde zonne-energie technologieën in energiezuinige woningbouw.

    Met bedrijven in de zonneboilerbranche en een aantal energiedistributiebedrijven is overeenstemming bereikt over de totstandkoming van een meerjarenafspraak, waarin de bijdrage van deze bedrijven aan de eerder genoemde doelstelling wordt vastgelegd. In het programma kunnen in beginsel projecten worden ondersteund die aantoonbaar gericht zijn op deze doelstellingen.

    De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

    • -

      projecten gericht op het ontwikkelen van materialen en componenten om kostprijsreductie van thermische zonne-energie toepassingen mogelijk te maken. Daarbij valt te denken aan: kunststofmaterialen, translucente isolatiematerialen, regelsystemen en pompen;

    • -

      haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten en demonstratieprojecten voor de ontwikkeling van een goedkope zonneboiler. Daarbij valt te denken aan: compacte voorverwarmers en koppeling van zonne-energie systemen aan gasgestookte voorraadtoestellen. Het gaat hierbij voornamelijk om een voortzetting van reeds eerder door Novem ondersteunde ontwikkelingen;

    • -

      praktijkexperimenten en demonstratieprojecten voor verificatie van geavanceerde thermische zonne-energietoepassingen;

    • -

      demonstratieprojecten voor de grootschalige inpassing van thermische zonne-energie in de nieuwbouw;

    • -

      marktintroductieprojecten en kennisoverdrachtprojecten ter ondersteuning van marktintroductie van nieuw ontwikkelde produkten. Het gaat hierbij om een beperkte ondersteuning van met name produkten die reeds eerder in een ontwikkelingsfase door Novem zijn ondersteund.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de mate waarin een project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen;

    • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

    • f. de nieuwheid van het project;

    • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;

    • i. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.

    Toelichting

    Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

    ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard.

    Bedrijven in de zonneboilerbranche zullen in het kader van de eerder genoemde meerjarenafspraak een ontwikkelplan opstellen over de periode die tenminste de looptijd van de meerjarenafspraak beslaat. Dit ontwikkelplan zal worden gebruikt bij de beoordeling van de slaagkans van een project van een bedrijf in de zonneboilerbranche.

    ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of produkt.

    ad h. Bij zonneboilersystemen wordt de prijs/prestatieverbetering zoals overeen te komen in genoemde meerjarenafspraak als criterium gehanteerd.

    Bij geavanceerde thermische zonne-energie toepassingen wordt er belang aan gehecht dat het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger is dan bij een referentiesysteem.

    Aan de doelstellingen van het programma kunnen met name bijdragen bedrijven en instellingen die initiatieven wensen te nemen om thermische zonne-energiesystemen te ontwikkelen en of toe te passen. Hierbij gaat het vooral om:

    • -

      fabrikanten;

    • -

      ingenieurs- en adviesbureaus;

    • -

      instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs;

    • -

      installatiebedrijven;

    • -

      beheerders van gebouwen en woningen;

    • -

      energiedistributiebedrijven.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen voor subsidies met betrekking tot het programma Nationaal Onderzoekprogramma Zonne-energie Thermische Conversie bedraagt f 1.736.000,-.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Nationaal Onderzoekprogramma Zonne-energie Thermische Conversie moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 8242,

    3503 RE, Utrecht

    tel. 030-363444

Bijlage 15. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Programma energiewinning uit afval en biomassa (EWAB)

    Het doel van het EWAB-programma is het bevorderen van de toepassing van afval en biomassa als duurzame energiebron en wel op zodanige wijze, dat daarmee maximaal wordt bijgedragen aan de besparing op het gebruik van fossiele brandstoffen. Daarbij gelden de wettelijke milieuvoorschriften en het gepubliceerde milieu- en afvalstoffenbeleid als randvoorwaarden. Het programma richt zich vooral op projecten op het gebied van haalbaarheid, technologie-ontwikkeling, demonstratie van marktintroductie.

    Het programma is ingedeeld in drie onderdelen:

    • 1. Grootschalige afvalverbranding

      Dit onderdeel richt zich op de verbranding van huishoudelijk en daarmee vergelijkbaar bedrijfsafval in grootschalige verbrandingsinstallaties op basis van roosteroventechnologie.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

      • -

        haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie- en marktintroductieprojecten die gericht zijn op het bevorderen van de energiewinning uit grootschalige afvalverbranding o.a. door introductie van rendementsverhogende technieken en maatregelen bij afvalverbrandingsinstallaties, vooral voor zover deze voortkomen uit het Plan van Aanpak ‘Energiewinning uit Grootschalige Afvalverbranding’;

      • -

        haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie- en marktintroductieprojecten die een bijdrage leveren aan de oplossing van milieuhygiënische knelpunten en de algemene graad van professionalisering van de afvalverbranding (o.a. emissiebeperking, reststoffenverwerking) voor zover deze kunnen worden beschouwd als proces-geïntegreerde technieken of maatregelen en voor zover aan de toepassing van de voorgestelde technieken een directe of indirecte energieverdienste is verbonden.

    • 2. Overige conversietechnieken

      Dit onderdeel richt zich op de omzetting van afval en biomassa in energie door middel van zowel thermische als biologische conversietechnieken (met uitzondering van de grootschalige afvalverbranding middels roosteroventechnologie). De conversie kan zowel betrekking hebben op afvalstoffen als op biomassa: huishoudelijk afval (of fracties daaruit), hout (vers hout, oud hout, resthout), bedrijfsafval, zuiveringsslib, afvalwater, agrarische residuen, mest, stro en bermgras, energiegewassen.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

      Haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie- en marktintroductieprojecten gericht op:

      • -

        schone en efficiënte verbranding;

      • -

        het meeverbranden met fossiele brandstoffen (co-combustion) in elektriciteitscentrales of bij andere toepassingen;

      • -

        vergassing (nadruk op circulerend wervelbedvergassing);

      • -

        pyrolyse (nadruk op flashpyrolyse);

      • -

        voorbewerking die nodig is om van afval een (hoogwaardige) brandstof te maken;

      • -

        stortgaswinning en -benutting;

      • -

        vergisting (nadruk op de gecombineerde vergisting van bedrijfsafval, fracties van huishoudelijk afval en mest).

    • 3. Beschikbaarheid van biomassa

      Dit onderdeel richt zich op het beschikbaar maken van verschillende vormen van schone biomassa voor de produktie van elektriciteit en/of warmte, zoals de teelt, de oogst, opslag en logistiek en de brandstofvoorbereiding van biomassa.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

      Haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie- en marktintroductieprojecten gericht op:

      • -

        logistieke aspecten, oogst-, opslag- en brandstofvoorbereidingstechnologie.

      • -

        de teelt van energiegewassen, uitsluitend voor zover dit een geïntegreerd onderdeel uitmaakt van een project dat gericht is op het beschikbaar maken van biomassa voor de elektriciteits- en/of warmtevoorziening. Van een dergelijk project dienen tenminste de oogst, opslag en brandstofvoorbereiding eveneens deel uit te maken.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen;

    • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstelling van het programma;

    • f. de nieuwheid van het project;

    • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;

    • i. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.

    Toelichting

    Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

    ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

    ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

    • -

      de mate waarin CO₂-emissie wordt vermeden(ton/jaar);

    • -

      de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies en reststoffenverwerking;

    • -

      de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffekten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.

    Gelet op samenhang tussen bepaalde emissies en het energiegebruik, geldt met name voor marktintroductieprojecten dat zij een voldoende hoog energetisch rendement dienen te hebben. De voorkeur wordt gegeven aan marktintroductieprojecten met hoogrendementsprocessen, waaronder warmte/krachtsystemen.

    ad d. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder door de aanvrager of door anderen gegenereerde kennis en dat voor wat betreft haalbaarheids- en ontwikkelingsprojecten doublures worden vermeden.

    ad e. Met name bij demonstratie- en marktintroductieprojecten worden de projectkosten getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ) en per hoeveelheid vermeden CO₂-emissie (gulden/ton CO2).

    ad f. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan:

    • -

      het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;

    • -

      het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

    • -

      (vergaande) procesintegratie.

    Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name voor ontwikkelingsprojecten.

    ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van de mate waarin een dergelijke project toepasbaar is in de markt en de mate waarin herhalingspotentieel met betrekking tot de betreffende technologische toepassing aanwezig is.

    ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek.

    ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden.

    Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen bedrijven en instellingen die initiatieven wensen te nemen om afval en/of biomassa te benutten voor energie-opwekking. Hierbij gaat het vooral om industriële bedrijven, nutsbedrijven, gemeentelijke instellingen en samenwerkingsverbanden, afvalverwerkende bedrijven, landbouwcoöperaties, bosbouwgroepen e.d., Voor technologie-ontwikkeling richt het programma zich vooral op industriële bedrijven, onderzoeksinstituten en instellingen voor hoger of wetenschappelijk onderwijs.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Energiewinning uit Afval en Biomassa bedraagt f 9 800 000,-.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Energiewinning uit Afval en Biomassa moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 december 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, Postbus 8242,

    3503 RE Utrecht

    tel. 030-363444

Bijlage 16. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Nationaal onderzoekprogramma hergebruik van afvalstoffen (NOH)

    Het doel van het NOH-programma is het bevorderen van duurzame oplossingen voor het afvalstoffenprobleem door middel van het sluiten van kringlopen door preventie en hergebruik, waardoor:

    • -

      verspilling van grondstoffen en energie wordt tegengegaan;

    • -

      minder verontreinigende stoffen in het milieu gebracht worden;

    • -

      de hoeveelheid afval verminderd wordt.

    Daarbij gelden de wettelijke milieuvoorschriften en het gepubliceerde milieu- en afvalstoffenbeleid als randvoorwaarden.

    Binnen de thema's ketenbeheer, preventie, kringlopen en hergebruik, zal het programma zich naast haalbaarheids- en onderzoeksprojecten vooral richten op het bevorderen van de toepassing en implementatie van nieuwe en reeds bekende methoden en technieken. Oriëntatie op de markt en aandacht voor knelpunten bij de marktintroductie spelen daarbij een belangrijke rol.

    Voor subsidie komen projecten in aanmerking die gericht zijn op de preventie en het hergebruik van afvalstoffen die nu en in de toekomst in relatief grote hoeveelheden in Nederland geproduceerd worden. De in aanmerking komende afval- en produktstromen moeten bovendien energetisch voldoende relevant zijn of materialen bevatten die weer als grondstof kunnen worden ingezet.

    Relevante afvalstromen binnen het NOH zijn huishoudelijk afval, kantoor-, winkel- en dienstenafval, grof huishoudelijk afval, industrieel afval en bouw- en sloopafval.

    Uitgesloten zijn projecten die zich richten op de afvalcategorieën ziekenhuisafval, verbrandingsresten van afvalverbrandingsinstallaties en poederkoolcentrales, baggerspecie, dierlijke mest, zuiveringsslib, afvalgips, jarosiet, bagger en putmodder en verontreinigde grond.

    Bij de beoordeling in hoeverre een project qua grondstoffenbesparing en qua milieu- en energieverdienste bijdraagt aan de doelstelling van het programma, wordt onder meer rekening gehouden met:

    • -

      de mate waarin het ontstaan van afvalstoffen wordt voorkomen;

    • -

      de mate waarin minder verontreinigde stoffen vrijkomen;

    • -

      de mate van benutting voor vrijkomend afval (na opwerking) door hergebruik of nuttige toepassing;

    • -

      mate waarin verspilling van grondstoffen wordt tegengegaan;

    • -

      mate waarin direct of indirect energie bespaard wordt.

    Hierbij wordt gelet op de effecten in de gehele keten. In de aanvraag dient in relatie tot de te verwachten resultaten een goede inschatting gegeven te worden van de milieu-aspecten, waaronder energie. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van het NOH-rapport 9331 ‘Kwantificering van de energiebesparing uit afvalstoffen voor de rubrieken: preventie, hergebruik/nuttige toepassing en eindverwerking’. Ten opzichte van alternatieven moet een substantiële verbetering aannemelijk gemaakt worden. Het programma is ingedeeld in twee onderdelen:

    • 1. Ketenbeheer en preventie

      Dit onderdeel richt zich op het verkrijgen van inzicht in duurzame oplossingen in de keten voor knelpunten met betrekking tot afvalstoffen.

      De nadruk ligt daarbij op de introductie van methoden en technieken voor het optimaal beheren van grondstofprodukt-afvalketens of delen daarvan. Naast het beter beheren van de totale keten, zal in delen daarvan (binnen de keten) bij producerende bedrijven preventie van het ontstaan van afvalstoffen worden gestimuleerd.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

      • -

        haalbaarheids- en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten die gericht zijn op introductie van integrale ketenanalyse. Het gaat hierbij om innovatieve projecten door bedrijven gericht op vermindering van milieubelasting als uitwerking van integraal ketenbeheer (alle milieuaspecten in de gehele levenscyclus van het produkt). Hierbij dient de introductie en toepasbaarheid van instrumenten zoals Levens Cyclus Analyse (LCA) en handboek milieugerichte produktontwikkeling (MPO) bevorderd te worden;

      • -

        afvalpreventie bij industrie. Het gaat hierbij om haalbaarheids- en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten van preventie-opties die als voorbeeld kunnen dienen voor andere bedrijven in de volgende bedrijfstakken;

      • -

        hout- en meubelindustrie, gericht op het voorkomen van houtafval door inzet van innovatieve technieken/methoden;

      • -

        kunstharsindustrie, gericht op voorkomen van het ontstaan van waterige gevaarlijke afvalstromen door inzet van innovatieve technieken/methoden;

      • -

        aardolieraffinaderijen, gericht op intern hergebruik van oliehoudende afvalstromen in het raffinageproces ter voorkoming van externe verwerking of interne verbranding.

    • 2. Kringlopen

      Dit onderdeel richt zich op het bevorderen van de introductie van zogenaamde ‘lekvrije’ kringlopen. Betrokkenheid van bedrijven, brancheverenigingen, bedrijfskolommen en indien relevant van gemeenten is van groot belang. Naast produkthergebruik behoort ook de inzet van secundair materiaal voor het oorspronkelijke produkt (retoursystemen) tot kringlopen en ook de inzet van secundair materiaal als oorspronkelijke grondstof tot het aandachtsgebied van dit onderdeel.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

      Haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten die betrekking hebben op kringlopen (of onderdelen daaruit ter bevordering van het komen tot kringlopen op langere termijn) betreffende de volgende afvalcategorieën:

      • -

        grof huishoudelijk afval. Hierbij wordt met name aandacht besteed aan de produktgroepen;

      • -

        wit- en bruingoed, o.a. ketels, boilers, geisers en TV's;

      • -

        vloerbedekking;

      • -

        tuin- en binnenmeubilair;

      • -

        bouwafval. Hierbij wordt met name aandacht besteed aan de produktgroepen;

      • -

        tussenwanden;

      • -

        gevelelementen;

      • -

        composteerbare bedrijfsafvalstoffen.

      Voorwaarde voor dergelijke projecten is de toepasbaarheid van de ingezamelde materialen en produkten. Onderdelen van kringlopen die de meeste prioriteit hebben zijn ontwerp voor hergebruik, retoursystemen en logistiek. Daarnaast mag met name voor wit- en bruingoed het totale energiegebruik voor produktie, gebruik en verwijdering van een apparaat niet toenemen als gevolg van het opnieuw in de kringloop brengen.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstelling van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • c. de aansluiting op convenanten tussen Rijksoverheid en het bedrijfsleven ter ondersteuning van de uitvoering van overheidsbeleid met betrekking tot produkten en afvalstoffen;

    • d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen;

    • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstelling van het programma;

    • f. de nieuwheid van het project;

    • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

    • h. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.

    Toelichting

    Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

    ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een beperkt risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

    ad d. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder door de aanvrager of door anderengegenereerde kennis en dat doublures worden vermeden.

    ad e. De projectkosten worden getoetst aan de te realiseren energie- en milieuverdienste van het project en de doelstelling van het betreffende onderdeel.

    ad f. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan:

    • -

      het toepassen van nieuwe danwel vernieuwende technologieën, processen en methodieken

    • -

      het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën en systemen.

    Het betreft hier voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen.

    ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of produkt.

    ad h. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het meewerken aan het schrijven van een artikel voor een vakblad en het openbaar maken van de rapportage. Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen bedrijven en branche-organisaties die activiteiten wensen te ontplooien die gericht zijn op bovengenoemde doelstelling en de hiervoor genoemde onderwerpen.

  • B. Budget 1

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het Nationaal Onderzoekprogramma Hergebruik van afvalstoffen bedraagt f 2.766.000,-.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het Nationaal Onderzoekprogramma Hergebruik van afvalstoffen moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 september 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, Postbus 8242,

    3503 RE Utrecht

    tel. 030 - 363 444

Bijlage 17. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Programma warmtevoorziening

    Het doel van het programma Warmtevoorziening is het bewerkstelligen van een zo volledig mogelijke benutting van laagwaardige warmte die vrijkomt bij de opwekking van elektriciteit (W/K) en andere thermische processen, ten behoeve van ruimteconditionering (verwarming, koeling) en warm tapwater, via collectieve voorzieningen.

    Daartoe worden demonstratie- en marktintroduktieprojecten ondersteund, die de mogelijkheden van energiebesparing door restwarmtebenutting verbreden en aantonen.

    Het programma is ingedeeld in drie onderdelen:

    • 1. Vergroting van de bedrijfstijd van decentraal opgestelde W/K-installaties

      Dit onderdeel richt zich op vergroting van de bedrijfstijd van decentraal opgestelde W/K-installaties met minimaal 1500 uur door in de perioden dat de warmtebehoefte voor ruimteverwarming laag of afwezig is, de vrijkomende warmte te benutten voor koeling waarbij zo mogelijk de warmte, resp. koude wordt opgeslagen tot de behoefte daaraan zich wel voordoet.

      In 1994 komt voor subsidie in aanmerking een demonstratie- of marktintroduktieproject dat gericht is op absorbtiekoeling, waarbij gebruik wordt gemaakt van de restwarmte van een decentraal opgestelde W/K-installatie ter vergroting van de bedrijfstijd van een uitsluitend warmte-volgende W/K-installatie. Ter verdere vergroting van de bedrijfstijd dient systeemoptimalisatie plaats te vinden door koude- of warmtebuffering met de daarbij behorende procesregeling.

    • 2. Lage temperatuursystemen

      Dit onderdeel richt zich op lage temperatuursystemen voor ruimteverwarming (LT-systemen) bij eindgebruikers. Hieronder worden verwarmingssystemen verstaan die zijn ontworpen voor een lagere aanvoer- en retourtemperatuur dan de tot nu toe gebruikelijke temperaturen (90/70 °C), bijvoorbeeld 90/50 °C of indien mogelijk 80/40 °C.

      Bij warmtelevering vanuit een stoom- en gasturbine installatie (steg), resulteert dit, bij gelijke inzet van primaire brandstof, in een vergroting van de warmteafzet, gepaard aan een verhoogde elektriciteitsproduktie. Daardoor wordt een additionele besparing bereikt.

      Toepassing van dit systeem, aangesloten op een HR-ketel, kan het gebruiksrendement op jaarbasis met 5 tot 10% verbeteren.

      In 1994 komen voor subsidie in aanmerking:

      • -

        een demonstratie- of marktintroduktieproject, gericht op het aantonen van het energetisch voordeel van lage temperatuursystemen, aangesloten op een stadsverwarmingssysteem. Het moet daarbij gaan om een groep huishoudens, groot genoeg om algemene conclusies te kunnen trekken.

      Bijzondere aandacht verdient de wijze waarop de meerkosten bij de eindgebruiker kunnen worden gecompenseerd. Hierbij kan worden gedacht aan prijsreductie per benutte primaire GJ, of aan een eenmalige bijdrage. De minimale hoogte van de meerkosten dient te worden onderzocht;

      • -

        een demonstratie- of marktintroduktieproject, gericht op het aantonen van het energetisch voordeel van lage temperatuursystemen, aangesloten op een Hoog-Rendement ketel.

    • 3. Hot-fill toepassingen

      Dit onderdeel richt zich op de toepassing van hotfill-apparatuur, vaatwasmachines, wasmachines en wasdrogers, gevoed vanuit een stadsverwarmingssysteem. Hierdoor wordt de warmte-afzet vergroot, waardoor het warmtenet beter wordt benut. Uiteindelijk verbetert hierdoor het rendement.

      In 1994 komt voor subsidie in aanmerking een demonstratie- of marktintroduktieproject, gericht op het aantonen van het energetisch voordeel van het gebruik van hot-fill apparatuur, gevoed vanuit een stadsverwarmingssysteem. Het moet daarbij gaan om een groep huishoudens, groot genoeg om algemene conclusies te kunen trekken.

      Voor de apparatuur dient gebruik te worden gemaakt worden van commercieel verkrijgbare hot-fill apparatuur dan wel van conventionele apparatuur die als hot-fill kan worden bedreven.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de mate waarin het project reproduceerbaar is en de mate waarin verwacht mag worden dat resultaten van het project -indien positief tot verdere verbreiding van de techniek zullen leiden.

    Toelichting

    Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

    ad a. De haalbaarheid van de projecten moet afdoende zijn aangetoond. Voor beoordeling van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

    ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

    • -

      de mate waarin CO2-emissie wordt vermeden (ton/jaar);

    • -

      de mate waarin emissies van andere milieuschadelijke stoffen wordt gereduceerd;

    ad d. Een schatting dient te worden gemaakt van de uiteindelijk bereikbare penetratie van een maatregel, met de daarbij behorende energiebesparing.

    Voorts worden in aanmerking genomen eventuele andere belemmerende factoren die aanwezig zijn, zelfs als het project als zodanig tot een positief resultaat leidt.

    Aan de doelstelling van het programma kunnen voor wat betreft de onderdelen 1 en 3 bijdragen met name energiedistributiebedrijven die warmte leveren voor ruimteconditionering en/of W/K-installaties exploiteren en andere exploitanten van decentrale W/K-installaties. Voor wat betreft onderdeel 2 kunnen bijdragen met name installatiebedrijven die voorzieningen ontwerpen en uitvoeren voor warmte/koude-transport en -distributie.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Warmtevoorziening bedraagt f 900.000,-

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Warmtevoorziening moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 17,

    6130 AA Sittard

    tel. 046 - 595295

Bijlage 18. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Programma brandstofcellen

    Het doel van het Programma Brandstofcellen is het bevorderen van onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van de uiteindelijke marktintroductie van brandstofceltechnologie en brandstofcelsystemen in Nederland.

    Het betreft met name brandstofcellen op basis van gesmolten carbonaat met externe en interne reforming (ER-MCFC en IR-MCFC), alsmede de vaste oxyde brandstofcel (SOFC).

    Het programma richt zich vooral op projecten op het gebied van onderzoek, haalbaarheid, technologie-ontwikkeling en praktijkexperimenten.

    Het programma is ingedeeld in vier onderdelen:

    • 1. ER-MCFC

      Dit onderdeel richt zich op de toetsing van het in 1993 uitgevoerde deel van het lopende ER-MCFC programma en de uitvoering van de consolidatie en evaluatie benevens het opstellen van een ontwikkelplan voor een gewijzigd vervolg van het lopende ER-MCFC programma.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheids- en ontwikkelingsprojecten.

      In aansluiting hierop kunnen projectvoorstellen worden ingediend die betrekking hebben op een uit te voeren toetsing van de aannamen met betrekking tot de configuratie van de stacks in het MCFC-brandstofcelsysteem en de daaraan gekoppelde gewenste eigenschappen (o.a. drukbestendigheid) van de matrix in de stack.

      In aanmerking komen onderzoek- en ontwikkelingsprojecten.

    • 2. IR-MCFC

      Dit onderdeel richt zich op de voortzetting van de opschaling van de 1 kW stack tot de 10 kW. Dit houdt met name de test per eind 1994 in van een tripelcel met 1000 cm⁲ platen en de aanvang van de uitvoering van het plan voor de aanpak van de Corrosie-MCFC.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor subsidie in aanmerking komen, zijn onderzoek- en ontwikkelingsprojecten gericht op voortzetting van lopende, reeds eerder door Novem ondersteunde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten ten behoeve van gesmolten carbonaatcellen met interne reforming van brandstofgas (IR-MCFC) leidend tot een cellenstapeling met een nominaal vermogen van 10 kW, materiaalverbetering en corrosie-onderzoek aan scheidingsplaten.

    • 3. SOFC

      Dit onderdeel richt zich op het verkennen van mogelijkheden en het testen van alternatieven voor de lage temperatuur vlakke plaat SOFC-cel, aansluitend op de geslaagde test van de 4-Watt cel.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die gericht zijn op voortzetting van lopend reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling leidend tot een commercialiseerbare, bij lagere temperatuur werkende SOFC (± 850 °C) van het vlakke plaat concept.

    • 4. Brandstofcelsystemen

      Dit onderdeel richt zich op het verkrijgen van systeemkennis en het analyseren en wegnemen van knelpunten in de componenten van brandstofcelsystemen. De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids- en ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten gericht op het verkrijgen van voor Nederland nieuwe kennis van brandstofcelsystemen voor stationaire toepassingen, alsmede het analyseren en oplossen van knelpunten in de componenten van deze systemen.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van het overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject van de aanvrager of van anderen;

    • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

    • f. de nieuwheid van het project;

    • g. de relevantie voor technologische clusters in Nederland.

    Toelichting

    Toelichting op bovengenoemde aspecten:

    ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie echter niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen de slaagkans van een project wordt naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

    ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

    • *

      de mate waarin CO₂-emissie wordt vermeden;

    • *

      de mate waarin het project bijdraagt aan de huidige situatie op het gebied van emissies.

    ad d. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder door de aanvrager of door anderen gegenereerde kennis en dat voor wat betreft haalbaarheids- en ontwikkelings- projecten doublures worden vermeden.

    ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste in termen van brandstofbesparing en vermindering van schadelijke emissies.

    ad f. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan:

    • *

      het toepassen van nieuwe danwel vernieuwende technologieën;

    • *

      het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

    • *

      nieuwe combinaties van bestaande technologieën die tot een hoger rendement en zo mogelijk geringere emissie leiden.

    Er dient sprake te zijn van voor Nederland in voldoende mate grensverleggende toepassingen; dit geldt met name voor ontwikkelingsprojecten.

    ad g. Bij de beoordeling gaat de voorkeur uit naar projecten die worden ondernomen door samenwerkingsverbanden van industrie, afnemers, onderzoeksinstellingen en bedrijven gespecialiseerd in de ontwikkeling van betreffende technieken.

    Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen instellingen voor onderzoek/ontwikkeling en wetenschappelijk onderwijs, industriële ontwikkelaars en fabrikanten van componenten en systemen, potentiële investeerders in en exploitanten van brandstofcelsystemen voor energieproduktie.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Brandstofcellen bedraagt f 11 535 000,-.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Brandstofcellen onderdeel 1 moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 december 1994.

    De aanvragen met betrekking tot het programma Brandstofcellen onderdelen 2, 3 en 4 moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 8242,

    3503 RE Utrecht

    tel.: 030 - 363444

Bijlage 19. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. A. Programma ondergrondse kolenvergassing (OKV)

    Doel van het programma is het vergroten van het procestechnologisch inzicht in het verloop van massa- en warmteoverdracht en de gevolgen daarvan op het omringende gesteente bij het ondergrondse vergassingsproces en het vergroten van het inzicht in de vorming en het gedrag van de ondergrondse vergassingsruimte, inclusief het dek- en vloergesteente, onder Europese omstandigheden.

    In 1994 komt voor subsidie in aanmerking een project gericht op het ontwikkelen van modellen waarin de vorming van de vergasserruimte in de verschillende stadia van groei in afhankelijkheid van de diverse relevante parameters beschreven wordt. Daarbij moet worden uitgegaan van reeds binnen het NOK (Nationaal Onderzoekprogramma Kolen) en dit programma ontwikkelde kennis en modellen voor simulatie van het vergassingsproces en de vorming en groei van de vergasserruimte. Uitgaande van diezelfde kennis, dient specifiek onderzoek naar de stabiliteit van de vergassingsholte en de petrofysische en mineralogische eigenschappen van het nevengesteente en de kool te worden uitgevoerd. De ontwikkelde modellen worden daarmee verder verfijnd, terwijl tevens op basis daarvan modellen voor sturing en beoordeling van het vergassingsproces als zodanig en de groei van de vergasserruimte ontwikkeld worden.

    Overige beoordelingscriteria

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstelling van dit programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • c. het project dient ingepast te kunnen worden in het werk ten behoeve van de door de Europese Gemeenschap ondersteunde veldtest voor ondergrondse kolenvergassing in Spanje;

    • d. het dient derhalve als zodanig in de voorbereiding en uitvoering daarvan een begeleidende en ondersteunende taak te vervullen;

    • e. het onderzoek moet een passende voortzetting zijn van het vergroten van het inzicht in de toepassing van deze techniek onder Midden- en Noord-Europese omstandigheden.

    Toelichting

    Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

    ad a. De haalbaarheid zal worden beoordeeld aan de hand van de resultaten en parametervariatie van eerder uitgevoerde tests. De aanwezige (en getoonde) expertise van de aanvrager op genoemde ontwikkelingsterreinen zal hierbij mede betrokken worden.

    Ad c. en d. Beoordeling zal plaatsvinden aan de hand van de samenwerking van de aanvrager met de uitvoerder van eerder genoemde veldtest.

    Aan de doelstelling van het programma kunnen instituten voor onderzoek en hoger onderwijs bijdragen.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Ondergrondse Kolenvergassing bedraagt f 550.000,-.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Ondergrondse Kolenvergassing moeten zijn ontvangen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 17,

    6130 AA Sittard

    tel. 046 - 595 295

Bijlage 19 I. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Programma nieuwe energie conversie-technologieën (NECT)

    Het doel van het NECT-programma is het identificeren en doen uitvoeren van de ontwikkeling van nieuwe energie conversie-technologieën en -systemen voor decentrale toepassing, die significant beter kunnen worden dan de concurrerende optie.

    Het betreft voornamelijk gasconversie-technologieën die op termijn nieuwe (stationaire) toepassingen kunnen genereren in de sectoren energievoorziening, gebouwde omgeving en industrie. Het programma richt zich vooral op projecten op het gebied van onderzoek, haalbaarheid, technologie-ontwikkeling, praktijkexperimenten en demonstratie. Het NECT-programma is ingedeeld in vier onderdelen:

    • 1. Verkenningen

      Dit onderdeel richt zich op het onderkennen en/of verduidelijken van mogelijk relevante nieuwe energieconversie-technologieën, nieuwe combinaties en systemen en het onderbouwen van een beslissing tot het starten van een ontwikkeling. Het gaat daarbij vooral om gasconversie, zoals aardgas, biogas, laag calorisch gas en waterstof. De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten gericht op bovenstaand doel.

    • 2. Verbranding

      Dit onderdeel richt zich op het bereiken van hogere rendementen en zo mogelijk lagere emissies m.n. NOx, bij verbranding met behulp van verbeterde en/of nieuwe verbrandingstechnologieën. Het gaat daarbij vooral om gasconversie, zoals aardgas, biogas, laag calorisch gas en waterstof. De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks-, ontwikkelings- en daarop aansluitende demonstratieprojecten en praktijkexperimenten gericht op:

      • -

        voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek, onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van verbetering van materialen voor keramische branders en ontwikkeling van verbrandingskatalysatoren;

      • -

        benutting van de mogelijkheden voor verbetering van de verbranding door voor- en/of nageschakelde gasbewerking gecombineerd met een (aangepaste) brander;

      • -

        voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek naar modellering van stroming, verbranding en emissies bij keramische branders en van vlamstabilisatie;

      • -

        voortzetting van lopende ontwikkelingen van stralingsbranders voor toepassing in de apparaten die in het programma in onderzoek of ontwikkeling zijn, danwel een energiebesparing van apparaten bewerkstelligen; - voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van de beheersing van de geluidsproduktie door branders in apparaten.

    • 3. Nieuwe Combinaties

      Dit onderdeel richt zicht op het identificeren en ontwikkelen tot aan marktintroductie van nieuwe en verbeterde combinaties van energie-conversiesystemen waardoor een hoger rendement en zo mogelijk lagere emissies bereikt kunnen worden.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten gericht op:

      • -

        -het bepalen van de randvoorwaarden inclusief een gevoeligheidsanalyse voor een combinatie van brandstofcellen en gasturbine; aangesloten dient te worden bij dit programma en bij het programma "Brandstofcellen";

      • -

        componenten ten behoeve van optimalisatie van systemen die functioneren met een (variërend) mengsel van verschillende gassoorten.

    • 4. Warmte en/of Kracht

      Dit onderdeel richt zich op het verbeteren van rendement en milieukarakteristieken van conversie-technologieën die gewenste warmte (koude) en/of kracht genereren.

      De twee belangrijkste technologieën zijn gasturbines en warmtepompen. De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor subsidie in aanmerking komen, zijn ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten gericht op:

      • -

        voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van de Heron-turbine met name gericht op het toepassen van chemische recuperatie, verbetering van de brander en vaststellen van de prestatie in een praktijksituatie;

      • -

        voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van de OPRA-turbine met name gericht op het vaststellen van de prestatie in een praktijksituatie en verbeteringen door onder andere een verbeterde lagering;

      • -

        voortzetting van de lopende ontwikkelingen en verkenningen op het gebied van de warmtepompen; dit betreft met name de continue-gasfase chemische warmtepomp, nieuwe stofparen voor de absorptiewarmtepomp en de hybride warmtepomp;

      • -

        het verduidelijken van het technisch en economisch perspectief van een hoogtoerige compressiewarmtepomp en op basis daarvan stimuleren van eventueel verdere ontwikkeling.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de relevantie voor andere doelstellingen van het overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject van de aanvrager of van anderen;

    • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

    • f. de nieuwheid van het project;

    • g. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt; h. de relevantie voor technologische clusters in Nederland.

    Toelichting

    Toelichting op bovengenoemde aspecten:

    ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen de slaagkans van een project wordt naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

    ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

    • -

      de mate waarin CO2-emissie wordt vermeden

    • -

      de mate waarin het project bijdraagt aan de verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies.

    ad d. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder door de aanvrager of door anderen gegeneerde kennis en dat voor wat betreft haalbaarheids- en ontwikkelingsprojecten doublures worden vermeden.

    ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste in termen van brandstofbesparing en vermindering van schadelijke emissies.

    ad f. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan:

    • -

      het toepassen van nieuwe danwel vernieuwende technologieën;

    • -

      het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

    • -

      nieuwe combinaties van bestaande technologieën die tot een hoger rendement en zo mogelijk geringere emissie leiden.

    Er dient sprake te zijn van voor Nederland in voldoende mate grensverleggende toepassingen; dit geldt met name voor ontwikkelingsprojecten.

    ad g. Hierbij kan worden gedacht aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor bezoek van derden.

    ad h. Bij de beoordeling gaat de voorkeur uit naar projecten die worden ondernomen door samenwerkingsverbanden van industrie, afnemers, onderzoekinstellingen, ontwikkelbedrijven. Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen instellingen voor onderzoek/ontwikkeling en wetenschappelijk onderwijs, industriële ontwikkelaars en fabrikanten van componenten, apparaten en systemen, advies- en ingenieursbureaus, potentiële investeerders.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Nieuwe Energie Conversietechnologieën (NECT) bedraagt ƒ. 6.200.000.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma Nieuwe Energie Conversietechnologieën moeten zijn ontvangen in de periode van 1 augustus 1994 tot en met 30 november 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

    Novem, postbus 8242, 3503 RE Utrecht

    tel.: 030 - 363444

Bijlage 19 II. Programma, bedragen en perioden, bedoeld in artikel 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling energieprogramma's [Vervallen per 11-06-2005]

  • A. Programma nox-emissiebeperking bij gasgestookte warmte/kracht-installaties Het doel van het programma NOx-emissiebeperking bij gasgestookte warmte/kracht-installaties is het leveren van een bijdrage aan een verantwoorde verlaging van de NOx-emissie van gasgestookte warmte/kracht-installaties. Het programma is ingedeeld in twee onderdelen:

    • 1. Bestaande gasmotorinstallaties

      Dit onderdeel richt zich op het verkrijgen van inzicht in de mogelijkheden om de NOx-emissie van reeds in bedrijf zijnde gasmotorinstallaties terug te dringen en op het inzichtelijk maken van de technische en financiële consequenties daarvan.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor subsidie in aanmerking komen zijn:

      • -

        praktijkexperimenten en demonstratieprojecten waarbij sprake is van een gasmotorinstallatie, die voor 1990 in bedrijf genomen is, een NOx-emissie heeft van meer dan 800 g/GJ, een rest-levensduur heeft van minimaal 5 jaar en waarbij voorzieningen worden getroffen om de NOx-emissie aanzienlijk te reduceren;

      • -

        onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die gericht zijn op het vervaardigen van componenten die kunnen bijdragen aan verlaging van de NOx-emissie van in bedrijf zijnde gasmotorinstallaties.

    • 2. Nieuwe gasmotoren Dit onderdeel richt zich op het stimuleren van ontwikkelingen die erop gericht zijn om het emissiegedrag van nieuw op te stellen motoren te verbeteren.

      De voornaamste soorten projecten die in 1994 voor subsidie in aanmerking komen zijn:

      • -

        praktijkexperimenten die het effect op het emissiegedrag kunnen aantonen van:

        verbeteringen van het motorontwerp; externe DeNOx-systemen (met name katalysatorsystemen); verbeteringen van motormanagementsystemen.

      • -

        onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die gericht zijn op vervaardigen van componenten die kunnen bijdragen aan het verbeteren van het emissiegedrag van nieuw op te stellen gasmotoren.

        De subsidie voor praktijkexperimenten in het kader van onderdeel 2 zal betrekking hebben op de extra investeringen die nodig zijn om het verbeterde emissiegedrag te realiseren.

    Overige beoordelingsaspecten

    De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstelling van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

    • a. de slaagkans van het project;

    • b. de milieuverdienste van het project;

    • c. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstelling van het programma;

    • d. de relevantie voor andere doelstellingen van het overheidsbeleid en aansluiting op internationale ontwikkelingen;

    • e. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;

    • f. de mate waarin het project reproduceerbaar is en de mate waarin verwacht mag worden dat resultaten van het project -indien positief- tot verdere verbreiding van de techniek zullen leiden;

    • g. de mate waarin bij demonstratieprojecten en praktijkexperimenten relevante kennisoverdracht mogelijk is.

    Toelichting

    Toelichting op bovengenoemde aspecten:

    ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

    ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met de mate waarin andere emissies ten gevolge van de reductie van de NOx-emissie veranderen.

    ad f. Voor wat betreft onderdeel 1 wordt bezien in hoeverre de te demonstreren techniek toepasbaar is, zulks gelet op aard en aantal van de reeds aanwezige onderscheidene typen gasmotoren in Nederland. Voor wat betreft nieuw op te stellen gasmotoren (onderdeel 2) wordt gekeken naar de toepasbaarheid in de Nederlandse situatie.

    Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen gebruikers van gasmotoren, gebruikers en leveranciers van componenten alsmede onderzoeks- en ontwikkelingsinstellingen.

  • B. Budget

    Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1994 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma NOx-emissiebeperking bij gasgestookte warmte/kracht-installaties bedraagt voor onderdeel 1 ƒ 350.000 en voor onderdeel 2 ƒ 175.000.

  • C. Aanvraagperiode

    Aanvragen met betrekking tot het programma NOx-emissiebeperking bij gasgestookte warmte/kracht-installaties moeten zijn ontvangen in de periode van 1 augustus 1994 tot en met 31 december 1994.

    Nadere informatie is verkrijgbaar bij: Novem, postbus 17, 6130 AA Sittard tel. 046-595296

  • ^ [1]

    Dit budget wordt beschikbaar gesteld door de Ministers van Economische Zaken en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.