Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

Geldend op 20-03-2012

[Regeling vervalt per 06-01-2014]


  • Wet van 9 juni 1994, houdende regels ter zake van de gemeentelijke basisadministratie van persoonsgegevens
  • Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

    Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

    Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, ter bevordering van de doelmatige voorziening van persoonsgegevens, in het bijzonder bij de vervulling van publiekrechtelijke taken, regels te stellen ter zake van de gemeentelijke basisadministratie van persoonsgegevens, en dat daarbij ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer uitvoering dient te worden gegeven aan artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet;

    Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

  • Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

  • Artikel 1

    In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • Onze minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

    • persoonslijst: het geheel van gegevens als bedoeld in artikel 34, eerste lid, over één persoon in een basisadministratie;

    • authentiek gegeven: een in de basisadministratie opgenomen gegeven dat bij wettelijk voorschrift als authentiek wordt aangemerkt;

    • inschrijving: de opneming van een persoonslijst in een basisadministratie;

    • ingeschrevene: degene ten aanzien van wie een persoonslijst in een basisadministratie is opgenomen;

    • ingezetene: de ingeschrevene op wiens persoonslijst niet het gegeven van zijn overlijden of van zijn vertrek uit Nederland als actueel gegeven is opgenomen;

    • gemeente van inschrijving: de gemeente waarbij een persoonslijst is opgenomen in de basisadministratie;

    • uitschrijving: de overdracht van een persoonslijst door de gemeente van inschrijving aan de volgende gemeente van inschrijving;

    • vreemdeling: degene die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld;

    • de aangifte van verblijf en adres: de aangifte, bedoeld in artikel 65;

    • de aangifte van adreswijziging: de aangifte, bedoeld in artikel 66;

    • de aangifte van vertrek: de aangifte, bedoeld in artikel 68;

    • woonadres:

      • a. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

      • b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten;

    • briefadres: het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen en waar, indien daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichtingen daarover, betrokkene bereiken;

    • adres: het woonadres, dan wel bij het ontbreken hiervan of bij toepassing van artikel 67, het briefadres;

    • burgerservicenummer: het nummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;

    • afnemer: een bestuursorgaan;

    • binnengemeentelijke afnemer: elke afnemer die een orgaan is van de gemeente waarvan het college van burgemeester en wethouders de verantwoordelijke is voor de verwerking van persoonsgegevens in de desbetreffende basisadministratie;

    • buitengemeentelijke afnemer: elke andere afnemer dan een binnengemeentelijke afnemer;

    • derde: elke andere persoon of instelling dan een afnemer en de ingeschrevene;

    • openbare lichamen: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  • Artikel 2

    Het college van burgemeester en wethouders van elke gemeente is de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens over de bevolking in een geautomatiseerde basisadministratie van persoonsgegevens.

  • Artikel 3

    • 1. De basisadministraties hebben tot doel de afnemers te voorzien van de in artikel 34 bedoelde algemene gegevens, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taken van de afnemers.

    • 2. De basisadministraties hebben mede tot doel de afnemers, bedoeld in artikel 89, te voorzien van de in artikel 34 bedoelde bijzondere gegevens, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taken van de afnemers.

    • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen algemene en bijzondere gegevens worden verstrekt aan een derde, in bij of krachtens deze wet aangewezen gevallen.

    • 4. De basisadministraties hebben mede tot doel een ingeschrevene te voorzien van de hem betreffende algemene gegevens.

  • Artikel 3a

    Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke van de algemene gegevens, bedoeld in artikel 34, eerste en tweede lid, worden aangemerkt als authentieke gegevens.

  • Artikel 3b

    • 1. De afnemer die bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisadministratie, gebruikt voor die informatie dat gegeven.

    • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

      • a. bij het gegeven een aantekening als bedoeld in artikel 54 is geplaatst;

      • b. de afnemer ten aanzien van het gegeven een mededeling als bedoeld in artikel 62 doet;

      • c. bij wettelijk voorschrift anders is bepaald;

      • d. een goede vervulling van de taak van de afnemer door de onverkorte toepassing van het eerste lid wordt belet.

  • Artikel 3c

    Een ingeschrevene aan wie door een afnemer een gegeven wordt gevraagd, waarop artikel 3b, eerste lid, van toepassing is, behoeft dat gegeven niet mede te delen, behoudens voor zover het gegeven noodzakelijk wordt geacht voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van betrokkene.

  • Artikel 4

    • 1. Onze Minister draagt zorg voor de aanleg en de instandhouding van een beveiligd netwerk voor het met behulp van telecommunicatie geautomatiseerd verzenden en ontvangen van berichten in verband met de uitvoering van deze wet.

    • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het gebruik van het netwerk voor andere berichten dan die waarvan de verzending en de ontvangst over het netwerk bij of krachtens de overige bepalingen van deze wet geregeld zijn.

    • 3. Onze Minister legt de hoofdlijnen van het beheer van het netwerk vast in een regeling die in de Staatscourant bekend wordt gemaakt.

    • 4. Al degenen die bij het beheer van het netwerk zijn betrokken, zijn verplicht de in het derde lid bedoelde regeling na te leven.

  • Artikel 5

    • 1. In dit artikel wordt verstaan onder betrokkene:

      • a. een college van burgemeester en wethouders;

      • b. een buitengemeentelijke afnemer;

      • c. een derde als bedoeld in artikel 99;

      • d. een gebruiker van het netwerk, die de in artikel 4, tweede lid, bedoelde berichten over het netwerk verzendt of ontvangt.

    • 2. Door een betrokkene worden bijdragen verstrekt in de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen categorieën van kosten in verband met de uitvoering van deze wet. Van de bij de maatregel te bepalen categorieën van kosten maken in ieder geval deel uit de kosten van het netwerk in verband met de verzending en de ontvangst van berichten over het netwerk, en de kosten van het beheer van het stelsel van gemeentelijke basisadministraties persoonsgegevens.

    • 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden de grondslagen bepaald van de bijdragen van de betrokkenen in de kosten, bedoeld in het tweede lid.

    • 4. Indien een betrokkene geen rechtspersoonlijkheid bezit, komt de bijdrage ten laste van de rechtspersoon, waartoe de betrokkene behoort.

    • 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de vaststelling en de betaling van de bijdragen, bedoeld in het tweede lid.

  • Artikel 6

    • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de technische en administratieve inrichting en werking en de beveiliging van de basisadministraties.

    • 2. Aan de regels moet in ieder geval uitvoering worden gegeven vanaf een bij of krachtens de maatregel bepaald tijdstip.

    • 3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld volgens welke uitgangspunten er een vergoeding zal plaatsvinden van de kosten die moeten worden gemaakt in verband met door het Rijk verplichte wijzigingen in de technische en administratieve inrichting en werking van de gemeentelijke basisadministraties.

  • Artikel 7

    • 1. Het college van burgemeester en wethouders is slechts bevoegd uitvoering te geven aan de in artikel 6, eerste lid, bedoelde regels met toestemming van Onze Minister.

    • 2. Aan de toestemming kunnen beperkingen worden verbonden.

  • Artikel 8

    • 1. Het college van burgemeester en wethouders dient voor een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip een verzoek in tot het verlenen van een toestemming als bedoeld in artikel 7.

    • 2. Bij of krachtens de maatregel kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het indienen van een verzoek om toestemming.

  • Artikel 9

    • 1. Onze Minister verleent geen toestemming als bedoeld in artikel 7, dan nadat een onderzoek is verricht naar de inrichting, de werking en de beveiliging van de voorzieningen waarmee het college van burgemeester en wethouders uitvoering wil geven aan de regels, bedoeld in artikel 6, eerste lid.

    • 2. Het onderzoek omvat de door Onze Minister te bepalen onderdelen van de inrichting, de werking en de beveiliging van de voorzieningen. Aan het college van burgemeester en wethouders wordt een nauwkeurige beschrijving verstrekt van de onderdelen die in het onderzoek zijn opgenomen.

    • 3. Het college van burgemeester en wethouders stelt de door Onze Minister hiertoe aangewezen personen in staat gegevens te verzamelen ten behoeve van het onderzoek.

    • 4. Toestemming wordt slechts geweigerd indien uit het onderzoek blijkt dat de inrichting, de werking of de beveiliging van de voorzieningen, op de in het onderzoek opgenomen onderdelen niet voldoet aan de regels, bedoeld in artikel 6, eerste lid.

    • 5. Indien toestemming wordt verleend, betreft het oordeel van Onze Minister dat de inrichting, de werking en de beveiliging van de voorzieningen voldoen aan de regels, bedoeld in artikel 6, eerste lid, slechts die onderdelen die in het onderzoek zijn opgenomen.

  • Artikel 10

    • 1. Het college van burgemeester en wethouders dat in het bezit is van een toestemming als bedoeld in artikel 7, draagt zorg dat de inrichting, de werking en de beveiliging van de basisadministratie voldoen aan de regels, bedoeld in artikel 6, eerste lid.

    • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het verschaffen van inlichtingen door het college van burgemeester en wethouders aan Onze Minister in verband met het aanbrengen van een verandering in de wijze van uitvoering van de regels, bedoeld in artikel 6, eerste lid.

  • Artikel 11

    • 1. Onze Minister kan na het ingevolge artikel 6, tweede lid, bepaalde tijdstip een onderzoek verrichten naar de inrichting, de werking en de beveiliging van een basisadministratie.

    • 2. Onze Minister kan voor dit tijdstip een onderzoek verrichten naar de inrichting, de werking en de beveiliging van een basisadministratie, indien het college van burgemeester en wethouders in het bezit is van een toestemming als bedoeld in artikel 7.

  • Artikel 12

    • 1. Onze Minister kan het college van burgemeester en wethouders een aanwijzing geven in verband met de uitvoering van de in artikel 6, eerste lid, bedoelde regels indien:

      • a. het college van burgemeester en wethouders niet voor het tijdstip, bedoeld in artikel 8, een in dat artikel bedoeld verzoek heeft ingediend;

      • b. uit een onderzoek als bedoeld in artikel 9 blijkt, dat de inrichting, de werking of de beveiliging van de in dat artikel bedoelde voorzieningen, op de in het onderzoek opgenomen onderdelen niet voldoet aan de regels, bedoeld in artikel 6, eerste lid;

      • c. uit een onderzoek als bedoeld in artikel 11 blijkt, dat de inrichting, de werking of de beveiliging van de basisadministratie, op de in het onderzoek opgenomen onderdelen niet voldoet aan de regels, bedoeld in artikel 6, eerste lid.

    • 2. Het college van burgemeester en wethouders is verplicht binnen een door Onze Minister te stellen termijn aan de aanwijzing te voldoen.

  • Artikel 13

    • 1. In een regeling tot wijziging van de in artikel 6, eerste lid, bedoelde regels kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders slechts bevoegd is uitvoering te geven aan de gewijzigde regels met toestemming van Onze Minister.

    • 3. Een regeling tot wijziging van de in artikel 6, eerste lid, bedoelde regels waarin de in het eerste lid bedoelde bepaling is opgenomen, wordt niet vastgesteld dan nadat de betrokken gemeenten, afnemers en derden de mogelijkheid is geboden hun zienswijze omtrent het voorstel tot wijziging naar voren te brengen.

    • 4. In een regeling tot wijziging van de in artikel 6, eerste lid, bedoelde regels, wordt bepaald op welk tijdstip de voor de uitvoering van die regeling te treffen voorzieningen moeten zijn gerealiseerd en vanaf welk tijdstip die regeling moet worden uitgevoerd.

    • 5. Onze Minister kan na het ingevolge het vierde lid bepaalde tijdstip, onderzoek verrichten naar de getroffen voorzieningen.

  • Artikel 14

    • 1. Het college van burgemeester en wethouders legt de hoofdlijnen van het beheer van de basisadministratie vast in een regeling die voor een ieder ter inzage wordt gelegd.

    • 2. Het college van burgemeester en wethouders, de in artikel 15 bedoelde bewerker en al degenen die verder bij het beheer van de basisadministratie zijn betrokken, zijn verplicht de in het eerste lid bedoelde regeling na te leven.

  • Artikel 15

    Het college van burgemeester en wethouders kan met machtiging van Onze Minister technische en administratieve werkzaamheden laten verrichten door een bewerker die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen omtrent de deugdelijke uitvoering van zijn werkzaamheden, de beveiliging van de gegevensbestanden en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

  • Artikel 16

    • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verzending en de ontvangst van berichten over het netwerk door:

      • a. een buitengemeentelijke afnemer;

      • b. een derde als bedoeld in artikel 99.

    • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verzending en de ontvangst van berichten door een buitengemeentelijke afnemer, op een andere wijze dan over het netwerk, voor zover de berichten in verband staan met de verstrekking van gegevens op grond van een besluit als bedoeld in artikel 91, eerste lid.

    • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verzending en de ontvangst van berichten door een derde als bedoeld in artikel 99, op een andere wijze dan over het netwerk, voor zover de berichten in verband staan met de verstrekking van gegevens op grond van een besluit als bedoeld in artikel 99, achtste lid.

  • Artikel 17

    • 1. Een afnemer of een derde is slechts bevoegd uitvoering te geven aan de in artikel 16 bedoelde regels met toestemming van Onze Minister.

    • 2. Aan de toestemming kunnen beperkingen worden verbonden.

    • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het indienen van een verzoek om toestemming.

  • Artikel 18

    • 1. Onze Minister verleent geen toestemming als bedoeld in artikel 17, dan nadat een onderzoek is verricht naar de inrichting en de werking van de voorzieningen waarmee de afnemer of de derde uitvoering wil geven aan de regels, bedoeld in artikel 16.

    • 2. Het onderzoek omvat de door Onze Minister te bepalen onderdelen van de inrichting en de werking van de voorzieningen. Aan de afnemer of de derde wordt een nauwkeurige beschrijving verstrekt van de onderdelen die in het onderzoek zijn opgenomen.

    • 3. De afnemer of de derde stelt de door Onze Minister hiertoe aangewezen personen in staat gegevens te verzamelen ten behoeve van het onderzoek.

    • 4. Toestemming wordt slechts geweigerd indien uit het onderzoek blijkt dat de inrichting of de werking van de voorzieningen, op de in het onderzoek opgenomen onderdelen niet voldoet aan de regels, bedoeld in artikel 16.

    • 5. Indien toestemming wordt verleend, betreft het oordeel van Onze Minister dat de inrichting en de werking van de voorzieningen voldoen aan de regels, bedoeld in artikel 16, slechts die onderdelen die in het onderzoek zijn opgenomen.

  • Artikel 19

    • 1. De afnemer of de derde die in het bezit is van een toestemming als bedoeld in artikel 17, draagt zorg dat de verzending en de ontvangst van berichten voldoen aan de regels, bedoeld in artikel 16.

    • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het verschaffen van inlichtingen door de afnemer of de derde aan Onze Minister in verband met het aanbrengen van een verandering in de wijze van uitvoering van de regels, bedoeld in artikel 16.

  • Artikel 20

    • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens de artikelen 16 en 17, tweede lid, zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen.

    • 2. Het onderzoek in het kader van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, omvat de door Onze Minister te bepalen onderdelen van de inrichting en de werking van de voorzieningen. Aan de afnemer of de derde wordt een nauwkeurige beschrijving verstrekt van de onderdelen die in het onderzoek zijn opgenomen.

    • 3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

  • Artikel 21

    Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 20, tweede lid, blijkt dat de verzending of de ontvangst van berichten, op de in het onderzoek opgenomen onderdelen niet voldoet aan de regels, bedoeld in artikel 16, is de afnemer of de derde verplicht binnen een door Onze Minister te stellen termijn aan de regels te voldoen.

  • Artikel 22

    • 1. In een regeling tot wijziging van de in artikel 16 bedoelde regels kan worden bepaald dat de afnemer of de derde slechts bevoegd is uitvoering te geven aan de gewijzigde regels met toestemming van Onze Minister.

    • 3. Een regeling tot wijziging van de in artikel 16 bedoelde regels waarin de in het eerste lid bedoelde bepaling is opgenomen, wordt niet vastgesteld dan nadat de betrokken gemeenten, afnemers en derden de mogelijkheid is geboden hun zienswijze omtrent het voorstel tot wijziging naar voren te brengen.

  • Artikel 23

    De artikelen 49 en 50 van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 23a

    • 1. Onze Minister overlegt periodiek met een representatieve vertegenwoordiging van de gemeenten, de afnemers en de derden, bedoeld in de artikelen 99 en 109, tweede lid.

    • 2. Alle onderwerpen die bij of krachtens deze wet worden geregeld, lenen zich voor overleg. In ieder geval wordt overleg gepleegd over:

      • a. wijzigingen in en aanvullingen op het bepaalde bij of krachtens deze wet;

      • b. de uitgangspunten van het te voeren kwaliteitsbeleid;

      • c. de uitgangspunten van het beheer van het netwerk en de krachtens artikel 5 in verband daarmee te verstrekken bijdragen.

    • 3. Onze Minister kan met betrekking tot het overleg nadere regels stellen.

  • Hoofdstuk 2. De bijhouding van de basisadministratie

  • Afdeling 1. De verplichtingen van het college van burgemeester en wethouders

  • § 1. De inschrijving en de uitschrijving
  • Artikel 24

    De inschrijving in een basisadministratie geschiedt op grond van de geboorteakte, de aangifte van de betrokkene of ambtshalve.

  • Artikel 25

    Op grond van de geboorteakte, opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland, waarop als geboorteplaats een plaats in Nederland is vermeld, geschiedt de inschrijving van het kind dat niet reeds is ingeschreven en waarvan ten minste één der ouders op de geboortedatum van het kind als ingezetene is ingeschreven. De inschrijving geschiedt in de basisadministratie waar de moeder als ingezetene is ingeschreven, dan wel in de basisadministratie waar de vader als ingezetene is ingeschreven, indien de moeder niet als ingezetene is ingeschreven.

  • Artikel 26
    • 1. Op grond van zijn aangifte van verblijf en adres wordt degene die niet in een basisadministratie is ingeschreven, naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derden van de tijd in Nederland verblijf zal houden en:

      • a. de Nederlandse nationaliteit bezit,

      • b. op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld, of

      • c. vreemdeling is en rechtmatig verblijf geniet als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente waar hij zijn adres heeft.

    • 2. Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor de inschrijving. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de betrokkene alsnog op grond van zijn aangifte in te schrijven, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

    • 3. Inschrijving geschiedt niet dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld.

  • Artikel 27
    • 1. Op grond van zijn aangifte van adreswijziging wordt de ingezetene die zijn adres in een andere gemeente dan de gemeente van inschrijving heeft gevestigd, in die andere gemeente in de basisadministratie ingeschreven.

    • 2. Indien een ingezetene als bedoeld in het eerste lid in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar deze zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor de inschrijving. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de ingezetene alsnog op grond van zijn aangifte in te schrijven, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

  • Artikel 28

    Degene die is ingeschreven in een basisadministratie, blijft na zijn vertrek uit Nederland of na zijn overlijden ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente waarin hij bij dat vertrek of bij dat overlijden was ingeschreven.

  • Artikel 29
    • 1. Op grond van zijn aangifte van verblijf en adres wordt de ingeschrevene die wegens vertrek uit Nederland niet als ingezetene is ingeschreven en die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derden van de tijd in Nederland verblijf zal houden en die zijn adres vestigt in een andere gemeente dan de gemeente van inschrijving, ingeschreven in de basisadministratie van die andere gemeente.

    • 2. Indien een ingeschrevene als bedoeld in het eerste lid in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de ingeschrevene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor de inschrijving. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de ingeschrevene alsnog op grond van zijn aangifte in te schrijven, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

    • 3. Inschrijving geschiedt niet dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld.

  • Artikel 29a
    • 1. Inschrijving op grond van artikel 26 of 29 vindt ten aanzien van degene die in Nederland niet als ingezetene is ingeschreven in een basisadministratie en zich in Nederland vestigt, komende vanuit Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius of Saba, niet plaats, dan nadat hij een hem betreffend verhuisbericht, verstrekt door de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in een van de openbare lichamen, waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven, heeft overgelegd.

    • 2. In het geval dat anderszins blijkt dat het vertrek van de betrokken persoon is verwerkt in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in een van de openbare lichamen waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven, of blijkt dat betrokkene daarin niet als ingezetene was ingeschreven, kan het college van burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in het eerste lid.

  • Artikel 30
    • 1. Uitschrijving geschiedt uitsluitend op grond van de mededeling van het college van burgemeester en wethouders van een andere gemeente dat heeft besloten tot inschrijving van de betrokken persoon in zijn basisadministratie. De uitschrijving geschiedt terstond na ontvangst van de mededeling. Tegen de in de eerste volzin bedoelde beslissing staat voor het college van burgemeester en wethouders geen voorziening open.

    • 2. Als datum van uitschrijving geldt de datum van inschrijving bij de volgende gemeente.

  • Artikel 31
    • 1. Indien een persoon in meer dan één basisadministratie is ingeschreven, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft of, bij het ontbreken daarvan, zijn laatste adres heeft gehad, er zorg voor dat betrokkene uitsluitend in zijn basisadministratie is ingeschreven.

  • Artikel 32
    • 1. Onze Minister van Buitenlandse Zaken kan een persoon aanwijzen die in verband met zijn bijzondere verblijfsrechtelijke status niet in aanmerking komt voor inschrijving.

    • 2. Een persoon kan worden aangewezen indien hij geen Nederlander is en behoort tot een van de volgende categorieën van personen:

      • a. de leden van diplomatieke zendingen en van consulaire posten;

      • b. de leden van het administratieve en technische personeel van diplomatieke zendingen en van consulaire posten;

      • c. de inwonende gezinsleden van de onder a en b bedoelde personen;

      • d. andere personen die krachtens internationaal recht een bijzondere verblijfsrechtelijke status hebben.

    • 3. Een persoon ten aanzien van wie een aanwijzing van kracht is, wordt niet ingeschreven.

    • 4. Een persoon ten aanzien van wie een aanwijzing van kracht wordt, terwijl hij reeds is ingeschreven, wordt aangemerkt als een ingeschrevene die wegens zijn vertrek uit Nederland niet als ingezetene is ingeschreven.

    • 5. Een aanwijzing wordt niet van kracht voordat het college van burgemeester en wethouders daarvan de in artikel 61 bedoelde mededeling heeft ontvangen.

  • Artikel 33
    • 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën worden bepaald van personen, die in verband met hun bijzondere verblijfsrechtelijke positie niet in aanmerking komen voor inschrijving.

    • 2. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde maatregel kunnen regels worden gesteld ten aanzien van een persoon die behoort tot een categorie als bedoeld in het eerste lid, omtrent:

      • a. het niet-inschrijven van de persoon;

      • b. het aanmerken van de persoon die reeds is ingeschreven als een ingeschrevene die wegens zijn vertrek uit Nederland niet als ingezetene is ingeschreven.

  • § 2. De opneming van persoonsgegevens
  • Artikel 34
    • 1. In de basisadministratie van de gemeente van inschrijving worden over de ingeschrevene uitsluitend de volgende gegevens opgenomen:

      • a. algemene gegevens:

        • 1°. gegevens over de burgerlijke staat;

        • 2°. gegevens over curatele;

        • 3°. gegevens over het gezag dat over de minderjarige wordt uitgeoefend;

        • 4°. gegevens over de nationaliteit;

        • 5°. gegevens over het verblijfsrecht van de vreemdeling;

        • 6°. gegevens over de gemeente van inschrijving en het adres in die gemeente, alsmede over het verblijf in Nederland en het vertrek uit Nederland;

        • 7°. gegevens over de administratienummers van de ingeschrevene, de ouders, de echtgenoot, de eerdere echtgenoten, de geregistreerde partner, de eerdere geregistreerde partners en de kinderen;

        • 8°. gegevens over het burgerservicenummer van de ingeschrevene;

        • 9°. gegevens over de burgerservicenummers van de ouders, de echtgenoot, de eerdere echtgenoten, de geregistreerde partner, de eerdere geregistreerde partners en de kinderen;

        • 10°. gegevens over het gebruik door de ingeschrevene van de geslachtsnaam van de echtgenoot, de eerdere echtgenoot, de geregistreerde partner of de eerdere geregistreerde partner.

      • b. bijzondere gegevens:

        • 1°. gegevens, noodzakelijk in verband met de uitvoering van de Paspoortwet;

        • 2°. gegevens, noodzakelijk in verband met de uitvoering van de Kieswet.

      • c. administratieve gegevens:

        • 1°. gegevens in verband met de inschrijving en de uitschrijving;

        • 2°. gegevens ter aanduiding van akten en andere geschriften waaruit algemene gegevens zijn verkregen, dan wel van de rechtsgrond krachtens welke gegevens over het Nederlanderschap zijn opgenomen;

        • 3°. gegevens ter aanduiding van de onjuistheid van een opgenomen algemeen gegeven of van strijd met de Nederlandse openbare orde van een opgenomen gegeven over de burgerlijke staat dan wel over een onderzoek naar die onjuistheid of strijdigheid, alsmede andere gegevens, noodzakelijk in verband met de bijhouding van de basisadministratie;

        • 4°. gegevens over de systematische verstrekking van gegevens;

        • 5°. gegevens over de niet-verstrekking van gegevens krachtens artikel 102.

    • 2. Als algemene gegevens worden de gegevens opgenomen die als zodanig zijn vermeld in bijlage I bij deze wet en voor zover het betreft de in het eerste lid, onder a, sub 5, bedoelde gegevens, nader zijn bepaald bij algemene maatregel van bestuur.

    • 3. Een algemeen gegeven dat is opgenomen, blijft opgenomen, behoudens het bepaalde in artikel 81.

    • 4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt nader bepaald welke bijzondere en welke administratieve gegevens worden opgenomen. De verwijdering en de vernietiging van deze gegevens worden bij of krachtens de maatregel geregeld.

  • Artikel 35
    • 1. In de basisadministratie van een vroegere gemeente van inschrijving worden bij de uitschrijving over de uitgeschreven persoon uitsluitend de volgende gegevens opgenomen:

      • a. verwijsgegevens:

        • 1°. gegevens over de naam en de geboorte;

        • 2°. gegevens over het administratienummer;

        • 3°. gegevens over het burgerservicenummer;

        • 4°. gegevens over de gemeente van inschrijving, over het adres in die gemeente en over de datum van inschrijving.

      • b. administratieve gegevens in verband met de verwijsgegevens.

    • 2. Bij een eerste inschrijving op grond van artikel 25 of artikel 26 van een persoon omtrent wie door een ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland in een andere gemeente dan de gemeente van inschrijving een geboorteakte is opgemaakt waarop als geboorteplaats een plaats in Nederland is vermeld, worden de gegevens, bedoeld in het eerste lid, opgenomen in de basisadministratie van die andere gemeente.

    • 3. Indien gegevens worden opgenomen op grond van het eerste lid, worden de in dat lid, onder a, sub 1° en sub 4°, bedoelde gegevens opgenomen naar de juiste staat van die gegevens bij de inschrijving in de basisadministratie van de volgende gemeente van inschrijving.

    • 4. Indien gegevens worden opgenomen op grond van het tweede lid, worden de in het eerste lid, onder a, sub 1° en sub 4°, bedoelde gegevens opgenomen naar de juiste staat van die gegevens bij de eerste inschrijving.

    • 5. Een verwijsgegeven dat in een basisadministratie is opgenomen, blijft daarin opgenomen, tenzij de betrokkene in die basisadministratie wordt ingeschreven.

    • 7. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke administratieve gegevens in verband met de verwijsgegevens worden opgenomen. De verwijdering en de vernietiging van deze gegevens worden bij of krachtens de maatregel geregeld.

    • 8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het in bepaalde gevallen niet opnemen van de in het eerste lid, onder a, sub 3°, bedoelde gegevens.

  • Artikel 36
    • 1. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich in Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a en bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b:

      • a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de burgerlijke stand in Nederland;

      • b. een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte, een besluit, een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak of een notariële akte, over het desbetreffende feit.

    • 2. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

      • a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

      • b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

      • c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

      • d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

      • e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

    • 3. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich in Nederland hebben voorgedaan en waarvan een in Nederland geaccrediteerde consulaire ambtenaar van een ander land bevoegd een akte heeft opgemaakt die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, ontleend aan die akte.

  • Artikel 36a
    • 1. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d, of e , dan wel artikel 36, derde lid, worden geen gegevens ontleend over het huwelijk of het geregistreerd partnerschap dat is gesloten tussen echtgenoten dan wel geregistreerde partners van wie ten minste één vreemdeling is, voordat het college van burgemeester en wethouders zich een door de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven verklaring heeft doen overleggen.

  • Artikel 37
    • 1. Indien aannemelijk is dat omtrent een gegeven over de familierechtelijke betrekkingen tot de ouders of de kinderen, over het huwelijk en de eerdere huwelijken, over de echtgenoot en de eerdere echtgenoten, over het geregistreerd partnerschap en de eerdere geregistreerde partnerschappen of over de geregistreerde partner en de eerdere geregistreerde partners een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c of d, kan worden verschaft, mogen deze gegevens niet aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder e, worden ontleend.

    • 4. Een wijziging van de algemene gegevens over de naam en het geslacht van een ouder, de eerdere echtgenoot, de eerdere geregistreerde partner of van een algemeen gegeven over de naam van het kind van de ingeschrevene, in verband met een rechterlijke last tot wijziging van de vermelding van het geslacht in de geboorteakte, wordt niet opgenomen op de persoonslijst van de ingeschrevene.

  • Artikel 37a

    Bij algemene maatregel van bestuur worden gevallen bepaald waarin het college van burgemeester en wethouders een afschrift van een beslissing als bedoeld in artikel 85 om op grond van artikel 37, tweede lid, een gegeven betreffende een vreemdeling niet in de basisadministratie op te nemen, toezendt aan de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000.

  • Artikel 38

    Op de persoonslijst van een persoon worden geen gegevens over zijn kind opgenomen indien:

    • a. het kind ten tijde van de eerste inschrijving van de persoon reeds is overleden en

    • b. het kind zelf geen ingeschrevene is.

  • Artikel 39

    De datum van ingang of beëindiging van de rechtsgeldigheid van een gegeven over de burgerlijke staat van de ouder, de echtgenoot, de eerdere echtgenoot, de geregistreerde partner, de eerdere geregistreerde partner of het kind, wordt slechts op de persoonslijst van de ingeschrevene opgenomen, indien die datum ligt na de datum waarop de familierechtelijke betrekking met de ingeschrevene is ontstaan.

  • Artikel 40
    • 2. Indien bij de ontlening van gegevens over een huwelijk dat is gesloten tussen echtgenoten van wie ten minste een vreemdeling is, aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d, of e , dan wel artikel 36, derde lid, op grond van de verklaring van de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 of anderszins het redelijke vermoeden bestaat dat het oogmerk van de echtgenoten, of een van beiden, niet was gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland, wordt in afwijking van het eerste lid, over de ontlening van de gegevens over het huwelijk advies van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage ingewonnen.

    • 3. Indien na het advies, bedoeld in het eerste lid, gerede twijfel blijft bestaan of het voornemen bestaat van het advies af te wijken, wordt het advies van de Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit ingewonnen.

  • Artikel 41
    • 1. De gegevens over curatele worden ontleend aan het curateleregister.

    • 2. De gegevens over het gezag dat over de minderjarige wordt uitgeoefend, worden ontleend aan het gezagsregister.

  • Artikel 42
    • 1. Gegevens over het Nederlanderschap worden opgenomen met toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Stb. 1984, 628), van andere op het Nederlanderschap betrekking hebbende wettelijke bepalingen en van verdragen waaruit het Nederlanderschap voortvloeit.

    • 2. Indien omtrent een ingeschrevene akten als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder b en c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, zijn opgenomen in het in dat lid bedoelde register, wordt aan deze akten het gegeven over het Nederlanderschap ontleend. Indien omtrent een ingeschrevene een afschrift wordt overgelegd van de in de eerste volzin bedoelde akten, uit het register, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de genoemde wet, wordt het gegeven over het Nederlanderschap aan dit afschrift ontleend.

    • 4. Indien een afschrift wordt overgelegd van een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba krachtens artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap, worden de gegevens over het Nederlanderschap aan dit afschrift ontleend.

    • 5. Gegevens over de behandeling als Nederlander, van een persoon die niet het Nederlanderschap bezit, worden opgenomen met toepassing van de Wet betreffende de positie van Molukkers (Stb. 1976, 468).

  • Artikel 43
    • 1. Gegevens over een vreemde nationaliteit worden ontleend aan een beschikking of uitspraak van een daartoe volgens het ter plaatse geldend recht bevoegde administratieve of rechterlijke instantie, die tot doel heeft tot bewijs te dienen van de betreffende nationaliteit, dan wel opgenomen met toepassing van het betreffende nationaliteitsrecht.

    • 2. Indien gegevens over een vreemde nationaliteit niet overeenkomstig het eerste lid kunnen worden verkregen, kunnen deze gegevens worden ontleend aan een geschrift van een volgens het ter plaatse geldend recht bevoegde autoriteit, dat gegevens vermeldt over die nationaliteit.

    • 3. Indien de betrokkene geen nationaliteit bezit of de nationaliteit niet kan worden vastgesteld, wordt dit gegeven opgenomen. Indien een rechterlijke uitspraak op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap is gedaan, waarbij is vastgesteld dat de betrokkene niet de Nederlandse nationaliteit bezit, wordt daarvan melding gemaakt.

  • Artikel 44

    Gegevens over het verblijfsrecht van de vreemdeling worden ontleend aan mededelingen daarover van Onze Minister van Justitie aan het college van burgemeester en wethouders.

  • Artikel 45

    Bij de inschrijving op grond van artikel 25 worden de gegevens omtrent het adres ontleend aan de persoonslijst van de moeder, dan wel, indien deze niet als ingezetene is ingeschreven, aan de persoonslijst van de vader.

  • Artikel 46
    • 1. Aan de aangifte van verblijf en adres van degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derden van de tijd in Nederland verblijf zal houden en die zijn adres heeft in de betrokken gemeente, worden gegevens betreffende het verblijf, het vorige land van verblijf en het adres ontleend.

    • 2. Indien aannemelijk is dat het gegeven betreffende het vorige land van verblijf onjuist is, wordt dit gegeven niet opgenomen.

    • 3. Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het verblijf, het vorige land van verblijf en het adres. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

    • 4. Als datum van aanvang van het verblijf in Nederland en van vestiging van het adres in de gemeente wordt de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het verblijf en adres aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan.

    • 5. De gegevens worden niet opgenomen dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld.

  • Artikel 47
    • 1. Aan de aangifte van een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, worden gegevens betreffende het adres ontleend, tenzij aannemelijk is dat hij het vermelde adres niet heeft.

    • 2. Indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres. Het is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

    • 3. Als datum van adreswijziging wordt de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens betreffende het adres aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan.

  • Artikel 48
    • 1. Aan de aangifte van vertrek van de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten Nederland zal verblijven, worden gegevens betreffende het volgende land van verblijf en het eerste adres van verblijf in dat land ontleend.

    • 2. Indien een ingezetene als bedoeld in het eerste lid in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van inschrijving ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het vertrek, het volgende land van verblijf en het eerste adres van verblijf in dat land. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de ingezetene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

    • 3. Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek aan de ingeschrevene schriftelijk mededeling is gedaan.

    • 4. Indien de ingezetene in de aangifte van vertrek meldt te gaan verblijven in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in een van de openbare lichamen, verstrekt het college van burgemeester en wethouders aan hem kosteloos een verhuisbericht, volgens een door Onze Minister vast te stellen model.

  • Artikel 49
    • 1. Indien het woonadres ontbreekt dan wel artikel 67 van toepassing is, wordt op aangifte een briefadres opgenomen.

    • 2. Met betrekking tot de ingeschrevene die in verband met zijn vertrek uit Nederland geen ingezetene is, wordt het eerste adres van verblijf in het volgende land van verblijf opgenomen.

  • Artikel 50
    • 1. Het administratienummer wordt toegekend op een door Onze Minister te bepalen wijze uit door hem beschikbaar gestelde nummers.

    • 2. Het administratienummer bevat geen informatie omtrent de persoon op wie het betrekking heeft.

    • 3. Onze Minister, onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders, draagt zorg dat het administratienummer foutloos en slechts één maal beschikbaar wordt gesteld, onderscheidenlijk wordt toegekend.

    • 4. De administratienummers van de ouders, de echtgenoot, de eerdere echtgenoten, de geregistreerde partner, de eerdere geregistreerde partners en de kinderen worden ontleend aan de desbetreffende persoonslijsten.

    • 5. De datum waarop het administratienummer van de ouder, de echtgenoot, de eerdere echtgenoot, de geregistreerde partner, de eerdere geregistreerde partner of het kind van kracht is geworden, wordt slechts op de persoonslijst van de ingeschrevene opgenomen, indien die datum ligt na de datum waarop de familierechtelijke betrekking met de ingeschrevene is ontstaan.

    • 6. Het administratienummer van een persoon die laatstelijk als ingezetene was ingeschreven in een basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in een van de openbare lichamen, wordt bij de inschrijving ontleend aan de mededeling van de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in die basisadministratie.

  • Artikel 51
    • 2. De gegevens over het burgerservicenummer van de ouders, de echtgenoot, de eerdere echtgenoten, de geregistreerde partner, de eerdere geregistreerde partners en de kinderen worden ontleend aan de desbetreffende persoonslijsten.

    • 3. De datum waarop het burgerservicenummer van de ouder, de echtgenoot, de eerdere echtgenoot, de geregistreerde partner, de eerdere geregistreerde partner of het kind van kracht is geworden, wordt slechts op de persoonslijst van de ingeschrevene opgenomen, indien die datum ligt na de datum waarop de familierechtelijke betrekking met de ingeschrevene is ontstaan.

  • Artikel 52

    De gegevens over het gebruik van de geslachtsnaam van de echtgenoot, de eerdere echtgenoot, de geregistreerde partner of de eerdere geregistreerde partner worden opgenomen op schriftelijk verzoek van de daartoe krachtens artikel 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bevoegde ingeschrevene, dan wel op grond van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

  • Artikel 53

    Met betrekking tot de ingeschrevene die geen ingezetene is, worden geen nieuwe algemene gegevens opgenomen, tenzij deze feiten betreffen die zich hebben voorgedaan in de tijd dat hij nog ingezetene was, of die bij algemene maatregel van bestuur zijn bepaald.

  • Artikel 54

    Omtrent de beslissing dat een opgenomen algemeen gegeven onjuist is of, indien het een gegeven over de burgerlijke staat betreft, in strijd is met de Nederlandse openbare orde, omtrent een onderzoek naar die onjuistheid of strijdigheid, alsmede omtrent het van toepassing zijn van artikel 53, wordt een aantekening geplaatst bij de desbetreffende gegevens.

  • Afdeling 2. De verplichtingen van instanties belast met de uitvoering van publiekrechtelijke taken

  • Artikel 55
    • 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand die in een van de onder hem berustende registers melding heeft gemaakt van een feit dat van belang is voor de bijhouding van een basisadministratie, brengt de gegevens ter zake terstond ter kennis van zijn college van burgemeester en wethouders.

    • 2. Een hem ingevolge een verdrag inzake de internationale uitwisseling van gegevens op het gebied van de burgerlijke stand toegezonden kennisgeving doet hij terstond toekomen aan zijn college van burgemeester en wethouders.

    • 3. Hij verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders dat daarom vraagt, zo spoedig mogelijk alle inlichtingen die dat college nodig heeft voor de bijhouding van de basisadministratie.

    • 4. De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage, die wegens het ontbreken van een akte in de onder hem berustende registers geen latere vermelding als bedoeld in artikel 20, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek toevoegt van een hem op grond van artikel 20e Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek toegezonden besluit, rechterlijke uitspraak of notariële akte, brengt een afschrift van dat besluit, die uitspraak of die akte ter kennis van zijn college van burgemeester en wethouders.

  • Artikel 56
    • 1. De griffier van de rechtbank te 's-Gravenhage die in het curateleregister melding heeft gemaakt van een rechterlijke uitspraak waarbij met betrekking tot een persoon een voorziening in de curatele is getroffen, doet daarvan mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van inschrijving, dan wel indien deze onbekend is, aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage, onder vermelding welke persoon het betreft en de datum waarop de rechtsgeldigheid van de voorziening ingaat.

    • 2. De in het eerste lid bedoelde griffier doet overeenkomstige mededeling van elke beslissing, houdende vernietiging van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in het eerste lid, en van beëindiging van de curatele.

    • 3. De griffier van de rechtbank die in het gezagsregister aantekening heeft gehouden van een wijziging in het gezag dat over een minderjarige wordt uitgeoefend, welke van belang is voor de bijhouding van een basisadministratie, met betrekking tot de in artikel 34, eerste lid, onder a, sub 3°, bedoelde gegevens, doet van de wijziging mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van inschrijving van de minderjarige, dan wel indien deze gemeente onbekend is, aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de rechtbank is gevestigd.

    • 4. De in het derde lid bedoelde mededeling geeft uitsluitend aan welke minderjarige het betreft, welke van de in bijlage I, onder 3, vermelde aantekeningen door de wijziging van toepassing wordt en welke niet meer van toepassing is, alsmede de datum waarop de wijziging ingaat.

  • Artikel 57
    • 1. Indien Onze Minister van Justitie in het openbaar register, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, melding heeft gemaakt van het feit dat een persoon een verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap of een verklaring van afstand van het Nederlanderschap heeft afgelegd en de verklaring door de betrokkene niet in zijn gemeente van inschrijving is afgelegd, dan wel dat een persoon door verlening het Nederlanderschap heeft verkregen of door intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, het Nederlanderschap heeft verloren, doet hij daarvan mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente in de basisadministratie waarvan de betreffende persoon is ingeschreven. De mededeling bevat de datum waarop de verklaring in ontvangst is genomen of de datum waarop het Nederlanderschap is verkregen of verloren.

    • 2. De griffier van de rechtbank te 's-Gravenhage dan wel de griffier van de Hoge Raad zendt van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak houdende de vaststelling van het Nederlanderschap of de vaststelling van het niet-bezitten van het Nederlanderschap, een afschrift aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van inschrijving, dan wel indien deze onbekend is aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage.

  • Artikel 58
    • 1. Onze Minister van Justitie doet van de gegevens over het verblijfsrecht van de vreemdeling, die voor de bijhouding van de basisadministratie van belang zijn, mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokken vreemdeling in de basisadministratie is ingeschreven.

    • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde mededeling wordt gedaan.

  • Artikel 59 [Vervallen per 26-11-2007]
  • Artikel 60

    De griffier van het betrokken gerecht zendt van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak als bedoeld in artikel 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een afschrift aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van inschrijving van de onbevoegd verklaarde, dan wel indien deze gemeente onbekend is aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage.

  • Artikel 61

    Onze Minister van Buitenlandse Zaken doet van de in artikel 32 bedoelde aanwijzing, of van de beëindiging van de aanwijzing, mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente.

  • Artikel 62
    • 1. Een afnemer die gerede twijfel heeft over de juistheid van een authentiek gegeven dat hij verstrekt heeft gekregen uit de basisadministratie, doet hiervan mededeling aan het college van burgemeester en wethouders.

    • 2. Onze Minister wijst de buitengemeentelijke afnemers aan die tevens mededeling doen in verband met andere dan authentieke gegevens die aan hen verstrekt zijn.

    • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de gevallen waarin en de wijze waarop de mededeling wordt gedaan, alsmede de kennisgeving van het college van burgemeester en wethouders aan de afnemer naar aanleiding van een mededeling, geregeld.

    • 4. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen omtrent het doen van mededeling door en de kennisgeving aan binnengemeentelijke afnemers en kan de binnengemeentelijke afnemers aanwijzen die tevens mededeling doen in verband met andere dan authentieke gegevens die aan hen verstrekt zijn.

    • 5. Voorzover een mededeling als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een gegeven dat bij of krachtens een andere wet is overgenomen uit een andere registratie, zendt het college van burgemeester en wethouders die mededeling door aan de verantwoordelijke voor de verwerking van dat gegeven in die andere registratie.

  • Artikel 63
    • 1. Een college van burgemeester en wethouders dat van de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente gegevens heeft ontvangen die van belang zijn voor de bijhouding van de basisadministratie van een andere gemeente, doet terstond mededeling van die gegevens aan het college van burgemeester en wethouders van de andere gemeente.

    • 2. Een college van burgemeester en wethouders dat van de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente een ingevolge een verdrag inzake de internationale uitwisseling van gegevens op het gebied van de burgerlijke stand toegezonden kennisgeving heeft ontvangen die van belang is voor de bijhouding van de basisadministratie van een andere gemeente, doet die kennisgeving terstond toekomen aan het college van burgemeester en wethouders van de andere gemeente.

    • 3. Een college van burgemeester en wethouders verstrekt aan een ander college van burgemeester en wethouders spontaan of op verzoek zo spoedig mogelijk alle andere inlichtingen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de taak met betrekking tot de basisadministratie.

  • Artikel 64

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen verplichtingen worden geregeld tot verschaffing aan het college van burgemeester en wethouders van de gegevens, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onder b .

  • Afdeling 3. De verplichtingen van de burger

  • Artikel 65
    • 1. Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derden van de tijd in Nederland verblijf zal houden, is verplicht zich binnen vijf dagen na de aanvang van zijn verblijf in persoon te melden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn woonadres heeft om daarbij schriftelijk aangifte van verblijf en adres te doen. Indien hij geen woonadres heeft, is hij verplicht een briefadres te kiezen en dient hij zich binnen de gestelde termijn te melden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn briefadres heeft om de bedoelde aangifte te doen.

    • 2. Hij doet in de aangifte mededeling van zijn toekomstig verblijf in Nederland, van het vorige land van verblijf en van zijn adres in de gemeente.

    • 3. Hij is verplicht bij de aangifte de inlichtingen te geven en de geschriften over te leggen ter zake van feiten betreffende zijn burgerlijke staat, zijn nationaliteit en zijn eerder verblijf in Nederland, die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisadministratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over. Indien hij zich in Nederland vestigt, komende vanuit Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius of Saba, is hij verplicht een hem betreffend verhuisbericht over te leggen, verstrekt door de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in een van de openbare lichamen, waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven.

    • 4. Ten behoeve van de in artikel 109, vierde lid, bedoelde verstrekking van gegevens aan het Centraal Bureau voor de Statistiek kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat bij de aangifte opgave wordt gedaan:

      • a. van de voorgenomen verblijfsduur in Nederland;

      • b. indien de aangifte een vrouw betreft die geen ingeschrevene is, van bij de maatregel vast te stellen gegevens over haar levend geboren kinderen.

    • 5. Tot het doen van aangifte van verblijf en adres overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid is eveneens verplicht degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derden van de tijd in Nederland verblijf zal houden, op het moment dat:

      • a. ten aanzien van hem de in artikel 32 bedoelde aanwijzing wordt beëindigd, of

      • b. hij ophoudt te behoren tot een categorie als bedoeld in artikel 33.

    • 6. In een geval als bedoeld in het vijfde lid vangt de in het eerste lid bedoelde termijn van vijf dagen aan met ingang van de dag na die waarop een in het vijfde lid bedoelde situatie is ingetreden.

    • 7. Aangifte van verblijf en adres blijft achterwege indien:

      • a. het verblijf aanvangt door geboorte en inschrijving plaatsvindt op grond van de geboorteakte,

      • b. ten aanzien van de betrokkene een aanwijzing als bedoeld in artikel 32 van kracht is,

      • c. de betrokkene behoort tot een categorie van personen als bedoeld in artikel 33, of

      • d. de betrokkene een vreemdeling is die niet is ingeschreven in een basisadministratie en geen rechtmatig verblijf geniet als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.

  • Artikel 66
    • 1. De ingezetene die zijn adres wijzigt, is verplicht binnen vijf dagen na de wijziging van het adres bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft, schriftelijk aangifte van adreswijziging te doen. Indien een ingezetene geen woonadres heeft, dient hij een briefadres te kiezen en is hij verplicht overeenkomstig het bepaalde in de vorige volzin aangifte van adreswijziging te doen.

    • 2. Hij doet in die aangifte mededeling van het nieuwe en het vorige adres.

  • Artikel 67
    • 1. Degene die zijn woonadres heeft in een instelling die is aangewezen op grond van het derde of het vierde lid kan, in afwijking van de artikelen 65, eerste lid, en 66, eerste lid, in plaats van zijn woonadres een briefadres kiezen en daarvan overeenkomstig de genoemde bepalingen aangifte doen.

    • 2. Instellingen worden slechts aangewezen indien de aard van de instelling meebrengt, dat door opneming van het adres daarvan in de basisadministratie de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen onevenredig zou kunnen worden geschaad.

    • 3. Onze Minister kan categorieën van instellingen dan wel instellingen afzonderlijk aanwijzen, voor zover het betreft:

      • a. instellingen voor gezondheidszorg;

      • b. instellingen op het gebied van de kinderbescherming;

      • c. penitentiaire instellingen.

    • 5. Het hoofd van een aangewezen instelling doet aan de betrokken personen tijdig schriftelijk mededeling van de mogelijkheid tot aangifte van een briefadres.

  • Artikel 68
    • 1. De ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten Nederland zal verblijven, is verplicht bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van inschrijving binnen vijf dagen voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek te doen.

    • 2. Hij doet in die aangifte mededeling van dat vertrek, van het volgende land van verblijf en van het eerste adres van verblijf in dat land.

    • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent bijzondere gevallen waarin het eerste lid niet van toepassing is.

  • Artikel 69

    De ingezetene is verplicht zo spoedig mogelijk aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van inschrijving alle feiten betreffende zijn burgerlijke staat en nationaliteit die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ter kennis te brengen en aan het college, desverlangd in persoon, de inlichtingen te geven en de geschriften over te leggen die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisadministratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over.

  • Artikel 70
    • 1. Degene die aangifte heeft gedaan als bedoeld in de artikelen 65 tot en met 68, is verplicht om op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desverlangd in persoon, ter zake van zijn aangifte de inlichtingen te geven en de geschriften over te leggen die van belang zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisadministratie.

    • 2. In de aangifte van een briefadres dienen de redenen voor de aangifte van een briefadres te worden medegedeeld. Bij de aangifte dient een schriftelijke verklaring van instemming te worden gevoegd van degene bij wie het briefadres wordt gehouden.

    • 3. Degene bij wie het briefadres wordt gehouden, is verplicht om op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desverlangd in persoon, ter zake van dat briefadres de inlichtingen te geven en de geschriften over te leggen die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisadministratie.

  • Artikel 71

    De ingezetene is verplicht op verzoek van het college van burgemeester en wethouders over feiten betreffende zijn burgerlijke staat en nationaliteit, desverlangd in persoon, de inlichtingen te verschaffen en de geschriften over te leggen die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisadministratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over.

  • Artikel 72

    Degene ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders het redelijke vermoeden heeft dat hij in gebreke is met het doen van een aangifte als bedoeld in de artikelen 65 tot en met 68, is verplicht om op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desverlangd in persoon, ter zake de inlichtingen te geven en de geschriften over te leggen die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisadministratie.

  • Artikel 73

    De verplichtingen, vermeld in de artikelen 65, 66 en 68 tot en met 72, rusten op:

    • a. ouders, voogden en verzorgers voor minderjarigen jonger dan 16 jaar;

    • b. ouders, voogden en verzorgers voor inwonende minderjarigen van 16 jaar of ouder, tenzij de minderjarige zelf de verplichting vervult;

    • c. curatoren voor onder curatele gestelden.

  • Artikel 74
    • 1. De verplichtingen, vermeld in de artikelen 65, 66 en 68 tot en met 72, kunnen worden vervuld door:

      • a. de ouder en zijn meerderjarige kind, indien beiden hetzelfde woonadres hebben, voor elkaar;

      • b. echtgenoten dan wel geregistreerde partners die hetzelfde woonadres hebben, voor elkaar;

      • c. elke meerderjarige voor een persoon die hem daartoe schriftelijk gemachtigd heeft;

      • d. het hoofd van een instelling voor gezondheidszorg voor een in die instelling verblijvende persoon die wegens de toestand van zijn gezondheid niet in staat kan worden geacht aan zijn verplichtingen te voldoen of een machtiging daartoe te geven, dan wel de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel of de bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad van een zodanig persoon, onder overlegging van een schriftelijke verklaring ter zake van het hoofd van de desbetreffende instelling.

    • 2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, kan het college van burgemeester en wethouders de vertegenwoordigde overeenkomstig de genoemde artikelen oproepen om in persoon te verschijnen tot het verschaffen van inlichtingen.

  • Artikel 75

    Het hoofd van een instelling of bedrijf waar personen verblijf plegen te houden, de instellingen, bedoeld in artikel 67 daaronder begrepen, doet, indien de instelling of het bedrijf ter zake door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen, op door het college van burgemeester en wethouders te bepalen tijdstippen aan het college van burgemeester en wethouders mededeling van de personen die naar redelijke verwachting in de instelling of het bedrijf voor onbepaalde tijd verblijf zullen houden dan wel gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zullen overnachten.

  • Artikel 76

    De echtgenoot, de geregistreerde partner en de nabestaanden tot en met de tweede graad van een ingezetene die in het buitenland is overleden, zijn op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene is ingeschreven, verplicht aan het college over dat overlijden, voor zover mogelijk, de inlichtingen te geven en de geschriften over te leggen die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisadministratie.

  • Artikel 77
    • 1. Degene die ingevolge deze afdeling in persoon verschijnt bij het college van burgemeester en wethouders, is verplicht desgevraagd met het oog op de vaststelling van zijn identiteit een op hem betrekking hebbend document over te leggen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

    • 2. De in artikel 73 bedoelde ouders, voogden, verzorgers en curatoren van minderjarigen of onder curatele gestelden, zijn met het oog op de vaststelling van de identiteit van de minderjarige of de onder curatele gestelde desgevraagd verplicht, deze te laten verschijnen bij het college van burgemeester en wethouders en een op de minderjarige of de onder curatele gestelde betrekking hebbend document als bedoeld in het eerste lid over te leggen.

  • Afdeling 4. De rechten van de burger

  • Artikel 78
    • 1. Het college van burgemeester en wethouders zendt binnen vier weken na een inschrijving als bedoeld in de artikelen 25 en 26, alsmede binnen vier weken nadat een ingeschrevene die geen ingezetene was weer ingezetene is geworden, aan de ingeschrevene kosteloos en in begrijpelijke vorm een volledig overzicht van zijn persoonslijst, behoudens het bepaalde in het vijfde lid.

    • 2. Bij minderjarigen jonger dan 16 jaar en bij onder curatele gestelden geschiedt de toezending aan de ouders, voogden of verzorgers onderscheidenlijk aan de curator.

    • 3. Bij de toezending wordt schriftelijk mededeling gedaan van de hoofdlijnen van de terzake van de basisadministratie geldende regels, waaronder ten minste de hoofdlijnen van de regels betreffende de identiteit van de voor de verwerking verantwoordelijke, de doeleinden van de basisadministratie, het vestigingsregister en de in de artikelen 136 tot en met 142 genoemde bestaande registers, de opgenomen gegevenscategorieën, de categorieën van ontvangers van gegevens en de rechten van de ingeschrevene.

    • 4. Degene die een aangifte van verblijf en adres doet, wordt bij die gelegenheid schriftelijk op de hoogte gesteld van het recht, bedoeld in artikel 102, eerste lid.

    • 5. Het in het eerste lid bedoelde overzicht van de persoonslijst bevat geen gegevens over de verstrekking van gegevens aan afnemers, voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de staat of de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een nadere regeling worden getroffen welke afnemers het betreft en in verband met welke aan deze afnemers opgedragen wettelijke taken het niet vermelden van het gegeven over de verstrekking noodzakelijk is.

  • Artikel 79
    • 1. Het college van burgemeester en wethouders deelt een ieder op diens verzoek schriftelijk binnen vier weken kosteloos mede of hem betreffende persoonsgegevens in de basisadministratie worden verwerkt. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, wordt de verzoeker met betrekking tot de gemeentelijke basisadministratie de in artikel 78, derde lid, bedoelde schriftelijke mededeling gedaan. Artikel 78, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

    • 2. Het college van burgemeester en wethouders verleent een ieder op diens verzoek binnen vier weken kosteloos inzage in hem betreffende gegevens in de basisadministratie. Artikel 78, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

    • 3. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt een ieder op diens verzoek binnen vier weken een, desverlangd gewaarmerkt, afschrift in begrijpelijke vorm van de hem betreffende persoonsgegevens die in de basisadministratie worden verwerkt, alsmede de beschikbare informatie over de oorsprong van die gegevens voor zover die niet van de verzoeker zelf afkomstig zijn. Artikel 78, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

    • 4. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker.

    • 5. De verzoeken, bedoeld in het eerste, het tweede en het derde lid, worden gedaan door:

      • a. ouders, voogden of verzorgers voor minderjarigen jonger dan 16 jaar;

      • b. curatoren voor onder curatele gestelden.

    • 6. Aan een verzoek als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt geen gevolg gegeven indien dat niet met een redelijke tussenpoos is gedaan ten opzichte van een eerder verzoek.

  • Artikel 80
    • 1. Het college van burgemeester en wethouders neemt op schriftelijk verzoek van de daartoe krachtens artikel 9, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek bevoegde ingeschrevene binnen vier weken op zijn persoonslijst de gegevens op over het gebruik van de geslachtsnaam van de echtgenoot, de eerdere echtgenoot, de geregistreerde partner of de eerdere geregistreerde partner.

    • 2. Het college van burgemeester en wethouders wijzigt, in afwijking van artikel 37, vierde lid, op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene die de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, binnen vier weken op zijn persoonslijst de algemene gegevens over de naam en het geslacht van een ouder of het algemeen gegeven over de naam van het kind van de ingeschrevene, in verband met een rechterlijke last tot wijziging van de vermelding van het geslacht in de geboorteakte.

    • 3. Het college van burgemeester en wethouders doet van de opneming van de gegevens terstond schriftelijk mededeling aan de verzoeker.

  • Artikel 81
    • 1. Het college van burgemeester en wethouders verwijdert op schriftelijk verzoek van de adoptiefouders van een minderjarige jonger dan 16 jaar, of op schriftelijk verzoek van een adoptiefkind van 16 jaar of ouder, binnen vier weken kosteloos van de persoonslijst van het adoptiefkind, de vóór de adoptie geldende algemene gegevens voor zover het betreft:

      • a. gegevens over de naam;

      • b. gegevens over één of beide ouders;

      • c. gegevens over de bij de adoptie verloren nationaliteit;

      • d. gegevens over de gemeente van inschrijving en het adres in die gemeente alsmede over het verblijf in Nederland en het vertrek uit Nederland.

    • 2. Het college van burgemeester en wethouders verwijdert op schriftelijk verzoek van de ouder met wie door een uitspraak van adoptie de familierechtelijke betrekkingen tot een kind zijn verbroken, binnen vier weken kosteloos van de persoonslijst van die ouder de gegevens over dat kind.

    • 3. Het college van burgemeester en wethouders verwijdert op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene binnen vier weken kosteloos van de persoonslijst van de ingeschrevene de algemene gegevens die zijn gewijzigd in verband met een rechterlijke last tot wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte of een verzoek als bedoeld in artikel 80, tweede lid, voor zover deze gegevens golden vóór de wijziging en het betreft:

      • a. gegevens over de naam;

      • b. gegevens over het geslacht;

      • c. gegevens over het gebruik van de geslachtsnaam van de echtgenoot, de eerdere echtgenoot, de geregistreerde partner of de eerdere geregistreerde partner.

    • 4. Artikel 79, vierde lid, is van toepassing op een verzoek als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid. Op een verzoek als bedoeld in het derde lid is bovendien artikel 79, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

    • 5. Het college van burgemeester en wethouders doet van de verwijdering terstond schriftelijk mededeling aan de verzoeker.

  • Artikel 82
    • 1. Het college van burgemeester en wethouders voldoet binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

    • 2. Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de eerste afdeling van dit hoofdstuk.

    • 3. De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan, voor zover noodzakelijk, met telkens acht weken worden verlengd, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens over de burgerlijke staat of de nationaliteit. Van de verlenging wordt terstond schriftelijk mededeling gedaan aan de verzoeker.

    • 5. Het college van burgemeester en wethouders doet van de uitvoering van het verzoek terstond schriftelijk mededeling aan de verzoeker.

  • Artikel 83

    Een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om:

    • a. aan een aangifte geen of slechts ten dele gevolg te geven;

    • b. een gegeven over de burgerlijke staat niet op te nemen, dan wel een geschrift daarover dat als akte is aangeboden niet als zodanig aan te merken;

    • c. een gegeven over de nationaliteit niet op te nemen;

    • d. ambtshalve over te gaan tot inschrijving, of tot opneming van gegevens in het geval dat inschrijving of opneming op grond van een aangifte had moeten geschieden;

    • e. bij een opgenomen algemeen gegeven een aantekening over de onjuistheid van dat gegeven of over de strijdigheid daarvan met de Nederlandse openbare orde te plaatsen;

    • f. niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 79 tot en met 82,

    wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

  • Artikel 84 [Vervallen per 01-09-2001]
  • Artikel 85 [Vervallen per 01-09-2001]
  • Artikel 86
  • Artikel 87 [Vervallen per 01-09-2001]
  • Hoofdstuk 3. De verstrekking van gegevens uit de basisadministratie

  • Afdeling 1. De verstrekking aan afnemers

  • § 1. Algemeen
  • Artikel 88
    • 1. Aan een afnemer worden op zijn verzoek de algemene gegevens en de verwijsgegevens verstrekt die noodzakelijk zijn voor de vervulling van zijn taak. Het verzoek behelst de gronden voor de verstrekking.

    • 2. Voor zover krachtens het bepaalde in deze afdeling een algemeen gegeven wordt verstrekt waarbij een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 54, wordt dat gegeven uitsluitend verstrekt onder mededeling van die aantekening.

    • 3. Voor zover krachtens het bepaalde in deze afdeling algemene gegevens of verwijsgegevens aan een afnemer kunnen worden verstrekt, wordt hem op zijn verzoek slechts mededeling gedaan van daarop betrekking hebbende administratieve gegevens, voor zover de verzoeker aantoont dat deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van zijn taak. Geen gegevens worden verstrekt, waaruit de verstrekking van gegevens uit de basisadministratie aan een afnemer kan worden afgeleid, voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de staat of de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een nadere regeling worden getroffen welke afnemers het betreft en in verband met welke aan deze afnemers opgedragen wettelijke taken het niet vermelden van het gegeven over de verstrekking noodzakelijk is.

    • 4. Voor zover krachtens het bepaalde in deze afdeling gegevens aan een afnemer kunnen worden verstrekt, wordt hem op zijn verzoek een gewaarmerkt afschrift van de in het verzoek aangewezen gegevens verstrekt.

  • Artikel 89
    • 1. De bijzondere gegevens, bedoeld in artikel 34, eerste lid, letter b, onder 1°, worden, voor zover noodzakelijk voor de vervulling van de taak van de betrokken afnemer, uitsluitend en op zijn verzoek aan een van de volgende afnemers verstrekt:

      • a. afnemers die betrokken zijn bij de uitvoering van de Paspoortwet;

      • b. afnemers die belast zijn met de opsporing of vervolging van strafbare feiten;

      • c. de directie van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

    • 2. De bijzondere gegevens, bedoeld in artikel 34, eerste lid, letter b, onder 2°, worden uitsluitend en op zijn verzoek verstrekt aan een afnemer die betrokken is bij de uitvoering van de Kieswet of van andere bij of krachtens wet gegeven regelingen betreffende verkiezingen, voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze regelingen.

  • § 2. Buitengemeentelijke afnemers
  • Artikel 90

    Aan een buitengemeentelijke afnemer wordt geen rechtstreekse toegang verleend tot de basisadministratie.

  • Artikel 91
    • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden wijzen van systematisch verstrekken van gegevens aan buitengemeentelijke afnemers geregeld, die alleen kunnen geschieden op grond van een besluit van Onze Minister.

    • 2. Onze Minister neemt een besluit op verzoek van een buitengemeentelijke afnemer. In het verzoek wordt vermeld op welke gegevens het verzoek betrekking heeft.

    • 3. Bij het besluit wordt in ieder geval bepaald over welke categorieën van personen gegevens worden verstrekt, welke gegevens het betreft en in welke gevallen gegevens worden verstrekt.

    • 4. Bij de bepaling van de gegevens die systematisch worden verstrekt, worden de gegevens opgenomen die in het verzoek zijn vermeld voor zover:

      • a. aan de afnemer overeenkomstig de artikelen 88 of 89 de desbetreffende gegevens kunnen worden verstrekt,

      • b. het voor de goede vervulling van de taak van de afnemer noodzakelijk is dat de verstrekking op systematische wijze plaats vindt en

      • c. het verzoek zijn grond vindt in de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift of in de taak tot het verwerken van persoonsgegevens op een wijze die toelaatbaar is ingevolge de Wet bescherming persoonsgegevens.

    • 5. Aan het besluit kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden in het belang van een zorgvuldige en een doelmatige gegevensverstrekking.

    • 6. Onze Minister legt het besluit zo spoedig mogelijk ter inzage. Van de terinzagelegging wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Daarbij wordt vermeld op welke afnemer het besluit betrekking heeft.

    • 7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden omtrent de indiening van het verzoek en de bekendmaking van het besluit.

    • 8. Aan de afnemer worden gegevens verstrekt op grond van het besluit, onverminderd de verstrekking die op grond van de artikelen 88 en 89 plaats kan vinden.

  • Artikel 92
    • 1. De verstrekking van gegevens, bedoeld in artikel 91, geschiedt over het in artikel 4 bedoelde netwerk.

    • 2. Onze Minister kan in een besluit als bedoeld in artikel 91 bepalen dat de verstrekking op een andere wijze geschiedt, indien naar zijn oordeel de doelmatigheid of een gewichtig belang van de afnemer zich verzet tegen verstrekking over het netwerk.

    • 3. De afnemer is slechts gerechtigd tot de ontvangst van de gegevens over het netwerk indien hij in het bezit is van een toestemming als bedoeld in artikel 17 of in artikel 22.

  • Artikel 93

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen beperkingen gesteld worden aan de bevoegdheid tot het systematisch verstrekken van gegevens aan buitengemeentelijke afnemers op andere wijzen dan overeenkomstig het bepaalde in artikel 91.

  • Artikel 94

    Indien het voor de vervulling van de taak van een buitengemeentelijke afnemer noodzakelijk is dat aan hem door een andere instantie op systematische wijze persoonsgegevens worden verstrekt, en deze gegevens overeenkomstig de artikelen 88 en 89 uit de basisadministraties aan hem verstrekt kunnen worden, dient de afnemer een verzoek in als bedoeld in artikel 91.

  • Artikel 95

    De verstrekking van gegevens aan een buitengemeentelijke afnemer geschiedt kosteloos, onverminderd het bepaalde in en krachtens artikel 5.

  • § 3. Binnengemeentelijke afnemers
  • Artikel 96
    • 1. Bij of krachtens gemeentelijke verordening worden de systematische verstrekking van gegevens aan binnengemeentelijke afnemers, de toegang van die afnemers tot de basisadministratie alsmede de verbanden tussen de basisadministratie en andere gegevensverzamelingen van de gemeente geregeld. Bij of krachtens deze verordening wordt in ieder geval voorzien in de verstrekking van gegevens uit de basisadministratie aan binnengemeentelijke afnemers, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taak.

    • 2. Aan het regionale politiekorps worden door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die behoort tot de regio van het desbetreffende korps, op verzoek op dezelfde voet als aan de binnengemeentelijke afnemers gegevens verstrekt.

  • Afdeling 2. De verstrekking aan derden

  • Artikel 97

    Aan een derde wordt geen rechtstreekse toegang verleend tot de basisadministratie.

  • Artikel 98
    • 1. Aan een derde wordt op schriftelijk verzoek een gewaarmerkt afschrift verstrekt van de algemene gegevens en de verwijsgegevens voor zover de verstrekking van die gegevens is voorgeschreven in een algemeen verbindend voorschrift, dan wel voor zover die gegevens noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift en worden gevraagd door een derde die uit hoofde van ambt of beroep gewoonlijk met gerechtelijke werkzaamheden is belast. Het verzoek behelst de gronden voor de verstrekking.

    • 2. Bij een verstrekking op grond van het eerste lid wordt het administratienummer niet verstrekt.

  • Artikel 99
    • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een regeling worden getroffen omtrent de systematische verstrekking van algemene en verwijsgegevens aan:

      • a. pensioenfondsen, premiepensioeninstellingen, verzekeraars die overeenkomstig een wettelijke regeling betreffende pensioenvoorzieningen belast zijn met de uitvoering van pensioenregelingen, spaarfondsen en fondsen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden,

      • b. banken, effecteninstellingen, verzekeraars en beleggingsinstellingen die aanspraken van gerechtigden op, al dan niet op termijn opvorderbare gelden, effecten of goederen op de instelling of verzekeraar moeten honoreren,

      • c. zorgverzekeraars die overeenkomstig een wettelijke regeling zorgverzekeringen aanbieden en uitvoeren,

       voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun bovengenoemde taak en voor zover de verstrekking haar grond vindt in de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift dan wel in het verwerken van persoonsgegevens op een wijze die toelaatbaar is ingevolge de Wet bescherming persoonsgegevens. De maatregel bepaalt welke fondsen, verzekeraars en instellingen voor de verstrekking in aanmerking komen. Artikel 88, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

    • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een regeling worden getroffen omtrent de systematische verstrekking van algemene en verwijsgegevens over de naam, de geslachtsnaam van de echtgenoot, de eerdere echtgenoot, de geregistreerde partner of de eerdere geregistreerde partner, het gebruik door de ingeschrevene van de geslachtsnaam van de echtgenoot, de eerdere echtgenoot, de geregistreerde partner of de eerdere geregistreerde partner, het adres, de gemeente van inschrijving, de geboortedatum, de datum van overlijden en het administratienummer aan één samenwerkingsverband van kerkgenootschappen of andere genootschappen op geestelijke grondslag, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor het verwerken van persoonsgegevens betreffende de tot de genootschappen behorende leden op een wijze die toelaatbaar is ingevolge de Wet bescherming persoonsgegevens. De maatregel bepaalt welk samenwerkingsverband voor de verstrekking in aanmerking komt. Artikel 88, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

    • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een regeling worden getroffen omtrent de systematische verstrekking van algemene en verwijsgegevens aan instellingen en voorzieningen voor onderwijs, gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taak en voor zover de verstrekking haar grond vindt in de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift dan wel in het verwerken van persoonsgegevens op een wijze die toelaatbaar is ingevolge de Wet bescherming persoonsgegevens. De maatregel bepaalt welke instellingen en voorzieningen voor de verstrekking in aanmerking komen. Artikel 88, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

    • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een regeling worden getroffen omtrent de systematische verstrekking van algemene en verwijsgegevens aan de Stichting Centraal Bureau voor Genealogie, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de bijhouding van een registratie betreffende overleden personen. Artikel 88, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

    • 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een regeling worden getroffen omtrent de systematische verstrekking van algemene en verwijsgegevens aan instellingen die tot taak hebben om een registratie in stand te houden betreffende kredieten of schulden van natuurlijke personen, voor zover in de reglementen van de instelling ten aanzien van de uitvoering van deze taak is vastgelegd dat:

      • a. gegevens in de registratie worden verwerkt ter voorkoming van overkreditering of problematische groei van schulden bij natuurlijke personen, en

      • b. gegevens uit de basisadministratie uitsluitend worden verwerkt met het oog op de verificatie van de identiteit van de betrokkene bij het aangaan van nieuwe financiële verplichtingen of een traject van schuldhulpverlening.

      De maatregel voorziet slechts in systematische verstrekking van gegevens aan een instelling voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van de bovengenoemde taak en voor zover de verstrekking haar grond vindt in de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift dan wel in het verwerken van persoonsgegevens op een wijze die toelaatbaar is ingevolge de Wet bescherming persoonsgegevens. De maatregel bepaalt welke instellingen voor de verstrekking in aanmerking komen. Artikel 88, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

    • 6. In de regeling, bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, worden regels gesteld over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

    • 7. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, wordt niet eerder gedaan dan dertig dagen nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

    • 9. Aan een in dit artikel bedoelde derde worden gegevens verstrekt op grond van het besluit, onverminderd de verstrekking die op grond van de artikelen 98 en 100 plaats kan vinden.

    • 10. Op het verstrekken van gegevens krachtens dit artikel zijn de artikelen 92 en 95 van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 100
    • 1. In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 98 en 99 kan, voor zover daarin bij of krachtens gemeentelijke verordening is voorzien, verstrekking van gegevens plaatsvinden aan:

      • a. rechtspersonen zonder winstoogmerk, voor zover de verstrekking noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen, waarbij wordt nagegaan of de verstrekking wordt gerechtvaardigd door een dringende maatschappelijke behoefte, in een juiste verhouding staat tot het doel waarvoor de gegevens worden gevraagd en dit doel niet op een minder ingrijpende wijze kan worden bereikt;

      • b. natuurlijke personen, ten behoeve van een persoonlijk, niet-commercieel belang, met voorafgaande schriftelijke toestemming van de ingeschrevene van wie gegevens worden verstrekt.

    • 2. De verstrekking kan uitsluitend betrekking hebben op algemene en verwijsgegevens over de naam, de geslachtsnaam van de echtgenoot dan wel geregistreerde partner, de eerdere echtgenoot of eerdere geregistreerde partner, het gebruik door de ingeschrevene van de geslachtsnaam van de echtgenoot dan wel geregistreerde partner, de eerdere echtgenoot of eerdere geregistreerde partner, het adres, de gemeente van inschrijving, de geboortedatum en de datum van overlijden. Artikel 88, tweede lid, is van toepassing.

  • Afdeling 2a. De verstrekking aan derden in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba

  • Artikel 100a

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een regeling worden getroffen omtrent de verstrekking van algemene, bijzondere en verwijsgegevens aan een verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in een basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in een van de openbare lichamen.

  • Afdeling 3. De rechten van de burger

  • Artikel 101

    De verstrekking aan de betrokkene van hem betreffende gegevens geschiedt ingevolge artikel 79.

  • Artikel 102
    • 1. Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het schriftelijke verzoek van de betrokkene om in de gevallen, bedoeld in de artikelen 98, 99, tweede lid, of 100, geen gegevens die opgenomen zijn op zijn persoonslijst of hem betreffende verwijsgegevens en daarmee in verband staande administratieve gegevens, aan derden te verstrekken, binnen vier weken gevolg en doet daarvan terstond schriftelijk mededeling aan de verzoeker, onder vermelding van de geldende regels ter zake. Indien het verzoek bij gelegenheid van een aangifte van verblijf en adres wordt gedaan, wordt aan dat verzoek op het moment van de inschrijving gevolg gegeven.

    • 2. In afwijking van het eerste lid worden omtrent de verzoeker in de gevallen, bedoeld in artikel 98, gegevens verstrekt, indien de persoonlijke levenssfeer daardoor niet onevenredig wordt geschaad.

    • 3. Het college van burgemeester en wethouders maakt de beschikking om krachtens artikel 98 in afwijking van het eerste lid gegevens te verstrekken, terstond bekend aan de betrokkene. Het geeft geen uitvoering aan de beschikking binnen een bij die beschikking gestelde termijn.

    • 5. Het college van burgemeester en wethouders neemt passende maatregelen om ten minste eens per jaar aan de ingezetenen het recht, bedoeld in het eerste lid, bekend te maken. De bekendmaking vindt plaats via één of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze.

  • Artikel 103
    • 1. Het college van burgemeester en wethouders deelt aan de betrokkene op diens verzoek schriftelijk binnen vier weken mede of hem betreffende gegevens in het jaar voorafgaande aan het verzoek uit de basisadministratie zijn verstrekt aan een afnemer of een derde.

    • 2. Indien zodanige verstrekking is geschied, doet het college van burgemeester en wethouders daarvan desverlangd binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk mededeling aan verzoeker. Het college van burgemeester en wethouders kan volstaan met een in algemene termen gestelde mededeling omtrent de verstrekking, tenzij het belang van de verzoeker daardoor onevenredig wordt geschaad.

    • 3. Het college van burgemeester en wethouders voldoet niet aan het in het eerste en tweede lid bedoelde verzoek, voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de staat of de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een nadere regeling worden getroffen welke afnemers het betreft en in verband met welke aan deze afnemers opgedragen wettelijke taken het niet voldoen aan het verzoek noodzakelijk is.

  • Artikel 104
    • 1. Het college van burgemeester en wethouders doet op schriftelijk verzoek van de betrokkene, indien op grond van het verzoek, bedoeld in de artikelen 81 en 82, een besluit als bedoeld in artikel 83, dan wel de uitspraak van de rechter, bedoeld in artikel 86, ten aanzien van hem gegevens zijn verbeterd, aangevuld of verwijderd, van de verbetering, de aanvulling of de verwijdering mededeling aan afnemers en derden aan wie in het jaar voorafgaand aan het verzoek en in de sedert dat verzoek verstreken tijd, de desbetreffende gegevens zijn verstrekt, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost.

    • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het college van burgemeester en wethouders ambtshalve gegevens met betrekking tot het aan de ingeschrevene toegekende burgerservicenummer heeft verbeterd, aangevuld of verwijderd.

    • 3. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan de betrokkene aan het college van burgemeester en wethouders richten tot uiterlijk acht weken nadat hij van de verbetering, de aanvulling of de verwijdering, kennis heeft kunnen nemen.

    • 4. Het college van burgemeester en wethouders doet aan de verzoeker desgevraagd opgave van degenen aan wie de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is gedaan. Artikel 103, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 105

    Een beslissing van het college van burgemeester en wethouders op een verzoek als bedoeld in de artikelen 102, eerste lid, 103 en 104 wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

  • Artikel 106 [Vervallen per 01-09-2001]
  • Afdeling 4. Overige bepalingen

  • Artikel 107 [Vervallen per 01-04-2007]
  • Artikel 108
    • 1. Het administratienummer wordt buiten de gevallen, bedoeld in de artikelen 99 en 100a, niet door een derde gebruikt. In een geval als bedoeld in artikel 99 wordt het administratienummer slechts door de derde gebruikt, voor zover dit noodzakelijk is voor een doelmatige verstrekking van de desbetreffende gegevens uit de basisadministraties aan de derde.

    • 2. Het administratienummer wordt door een afnemer niet medegedeeld aan derden. Het administratienummer wordt door een derde als bedoeld in artikel 99, niet medegedeeld aan afnemers of aan andere derden.

    • 3. In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister van Financiën het administratienummer mededelen aan een derde als bedoeld in artikel 99, voor zover:

      • a. het administratienummer medegedeeld wordt in verband met de afstemming van de gegevens van de derde op de gegevens in de basisadministraties en

      • b. de mededeling is toegestaan in een ten aanzien van de derde genomen besluit als bedoeld in artikel 99, achtste lid.

  • Artikel 109
    • 1. Een andere verstrekking van de in de basisadministratie opgenomen persoonsgegevens dan bedoeld in de afdelingen 1, 2 en 2A van dit hoofdstuk is slechts toegestaan, voor zover deze plaatsvindt voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, de persoonlijke levenssfeer daardoor niet onevenredig wordt geschaad en door de ontvanger van de persoonsgegevens de nodige voorzieningen zijn getroffen ten einde te verzekeren dat de verdere verwerking uitsluitend geschiedt ten behoeve van deze specifieke doeleinden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verstrekking van persoonsgegevens als hier bedoeld en de wijze waarop deze plaatsvindt.

    • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de verstrekking geregeld van gegevens aan het Centraal Bureau voor de Statistiek. De voordracht voor de maatregel wordt gedaan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.

    • 3. Aan het Centraal Bureau voor de Statistiek worden de administratieve gegevens verstrekt over de nummering van akten van de Nederlandse burgerlijke stand die noodzakelijk zijn voor de vervulling van zijn taak.

    • 4. Aan het Centraal Bureau voor de Statistiek worden de niet in de basisadministratie opgenomen gegevens verstrekt die de ambtenaar van de burgerlijke stand ingevolge bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels aan het college van burgemeester en wethouders verschaft ten behoeve van het Centraal Bureau voor de Statistiek, alsmede de gegevens, bedoeld in artikel 65, vierde lid.

  • Artikel 110

    Het college van burgemeester en wethouders houdt gedurende het jaar volgend op de verstrekking aantekening van de verstrekking van gegevens, tenzij de verstrekking van gegevens in de genoemde periode anderszins is te herleiden uit de basisadministratie of van de verstrekking ingevolge artikel 103, derde lid, geen mededeling wordt gedaan.

  • Artikel 111

    Indien op grond van de artikelen 79, derde lid, 88, vierde lid, 98, eerste lid, of 99, eerste of derde lid, een gewaarmerkt afschrift wordt verstrekt van gegevens ten aanzien van een vreemdeling op wiens persoonslijst geen actuele gegevens zijn opgenomen over het verblijfsrecht, dan wordt op dat afschrift mededeling gedaan van de niet-opneming op de persoonslijst van actuele gegevens over het verblijfsrecht.

  • Hoofdstuk 4. Het vestigingsregister

  • Artikel 112

    Onze Minister is de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in een vestigingsregister.

  • Artikel 113

    • 1. Van een persoon worden gegevens opgenomen in het vestigingsregister indien die persoon:

      • a. op grond van artikel 26 wordt ingeschreven in een basisadministratie,

      • b. bij de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in een van de openbare lichamen, waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven, aangifte van zijn voorgenomen vestiging in Nederland heeft gedaan, en door die verantwoordelijke daarvan mededeling wordt gedaan aan het vestigingsregister, of

      • c. aangifte van vertrek heeft gedaan en daarbij meldt te gaan verblijven in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in een van de openbare lichamen.

    • 2. Van een persoon worden geen gegevens in het vestigingsregister opgenomen indien:

      • a. omtrent de betrokkene door een ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland een geboorteakte is opgemaakt, waarop als geboorteplaats een plaats in Nederland is vermeld en

      • b. bij de inschrijving niet wordt vastgesteld dat de betrokkene verblijf in het buitenland heeft gehouden.

  • Artikel 114

    • 1. In het vestigingsregister worden over de in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a, bedoelde personen uitsluitend de volgende gegevens opgenomen:

      • a. verwijsgegevens:

        • 1°. gegevens over de naam en de geboorte,

        • 2°. gegevens over het administratienummer,

        • 3°. gegevens over het burgerservicenummer,

        • 4°. gegevens over de gemeente van inschrijving;

      • b. administratieve gegevens in verband met de verwijsgegevens.

    • 2. De in het eerste lid onder a, sub 4°, bedoelde verwijsgegevens worden opgenomen naar de juiste staat van die gegevens bij de inschrijving op grond van artikel 26.

    • 3. Een verwijsgegeven dat in het vestigingsregister is opgenomen blijft daarin opgenomen.

    • 4. Als verwijsgegevens worden de gegevens opgenomen die zijn vermeld in bijlage II, onder B, bij deze wet.

    • 5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke administratieve gegevens in verband met de verwijsgegevens worden opgenomen. De verwijdering en de vernietiging van deze gegevens worden bij of krachtens de maatregel geregeld.

  • Artikel 114a

    • 2. De over een persoon op grond van het eerste lid opgenomen gegevens worden verwijderd en vernietigd indien:

      • a. die persoon op grond van artikel 26 wordt ingeschreven in een basisadministratie,

      • b. van de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in een basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in een van de openbare lichamen bericht is ontvangen dat die persoon aldaar als ingezetene is ingeschreven, of

      • c. een jaar is verstreken na de dag van opneming van de gegevens.

  • Artikel 115

    • 1. Onze Minister verstrekt aan een college van burgemeester en wethouders spontaan of op verzoek zo spoedig mogelijk de inlichtingen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de taak met betrekking tot de bijhouding van de basisadministratie, of voor zover het betreft de personen bedoeld in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder b, tevens ten behoeve van de uitvoering van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen andere publiekrechtelijke taken.

    • 2. Een college van burgemeester en wethouders verstrekt aan Onze Minister spontaan of op verzoek zo spoedig mogelijk de inlichtingen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de taak met betrekking tot de bijhouding van het vestigingsregister.

  • Artikel 116

    De artikelen 79, 82, 83 aanhef, onder f en slot, 86, 88, 90 tot en met 95, 97 tot en met 105, 109 en 110 zijn van overeenkomstige toepassing op het vestigingsregister, met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van het college van burgemeester en wethouders.

  • Artikel 117

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de technische en administratieve inrichting en werking en de beveiliging van het vestigingsregister.

  • Artikel 118

    • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent heffingen in verband met de verstrekking van gegevens uit het vestigingsregister.

    • 2. Op grond van de in het eerste lid bedoelde regels kunnen uitsluitend heffingen ingesteld worden in verband met de verstrekking van gegevens aan derden, anders dan de verstrekking overeenkomstig artikel 99 of 100a, en in verband met de verstrekking aan de betrokkene van hem betreffende gegevens.

  • Artikel 119

    • 1. Onze Minister kan de verantwoordelijkheid voor de verwerking, bedoeld in artikel 112, overdragen aan het college van burgemeester en wethouders van een gemeente. De overdracht geschiedt slechts na instemming van het bevoegde orgaan van de gemeente.

    • 2. De taken en bevoegdheden die in of krachtens de artikelen 112 tot en met 118 zijn opgedragen en toegekend aan Onze Minister worden uitgevoerd en uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, met dien verstande dat:

      • a. de bevoegdheid tot het nemen van een besluit als bedoeld in de artikelen 91 en 99 in samenhang met artikel 116, ten aanzien van het systematisch verstrekken van gegevens uit het vestigingsregister, bij Onze Minister blijft;

      • b. de verstrekking van gegevens uit het vestigingsregister aan derden op grond van artikel 100 in samenhang met artikel 116, door Onze Minister geregeld wordt;

      • c. een bevoegdheid tot het stellen van regels krachtens de artikelen 91, 93, 95, 99, 100a en 109 in samenhang met artikel 116 en krachtens de artikelen 114, 115 en 117, bij Onze Minister blijft.

    • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de zorg voor het vestigingsregister door het college van burgemeester en wethouders. Daarbij worden regels gesteld over het toezicht van Onze Minister op de uitvoering van de regels, bedoeld in artikel 117.

  • Hoofdstuk 5. Toezicht, overgangs- en slotbepalingen

  • Afdeling 1. Toezicht en controle

  • Artikel 120
    • 1. Het College bescherming persoonsgegevens ziet in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer toe op de uitvoering van deze wet.

  • Artikel 120a
    • 1. Het college van burgemeester en wethouders laat eens per drie jaar de uitvoering van de in artikel 6, eerste lid, bedoelde regels alsmede de juistheid van de in de basisadministratie opgenomen gegevens controleren door een van de krachtens het tweede lid aangewezen bedrijven.

    • 2. Onze Minister wijst de bedrijven aan die bevoegd zijn de controle, bedoeld in het eerste en vijfde lid, uit te voeren.

    • 3. Het college van burgemeester en wethouders zendt aan Onze Minister een afschrift van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen onderdelen van de controleresultaten. Het college van burgemeester en wethouders maakt deze controleresultaten openbaar. Jaarlijks zendt Onze Minister een uittreksel van deze controleresultaten aan het College bescherming persoonsgegevens.

    • 4. Bij regeling van Onze Minister wordt geregeld welke vergoeding van de kosten van de controle zal plaatsvinden.

    • 5. Indien uit de controle, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat niet voldaan wordt aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, laat het college van burgemeester en wethouders binnen een jaar een hercontrole uitvoeren op die onderdelen die bij de eerdere controle niet voldeden aan de gestelde voorwaarden. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

    • 6. Een hercontrole als bedoeld in het vijfde lid, wordt niet vergoed.

    • 7. De krachtens het tweede lid aangewezen bedrijven, hebben ten behoeve van een controle als bedoeld in het eerste of vijfde lid toegang tot de basisadministratie. Het college van burgemeester en wethouders verleent hiertoe de nodige medewerking.

    • 8. Een ieder die is betrokken bij een controle als bedoeld in het eerste of vijfde lid is verplicht tot geheimhouding van de persoonsgegevens waarover zij de beschikking hebben gekregen, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

    • 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels betreffende de controle en hercontrole worden gesteld. In ieder geval worden nadere regels gesteld omtrent de elementen die de controle ten minste moet bevatten.

  • Afdeling 2. Overgangsbepalingen

  • § 1. De inschrijving in de basisadministratie van de in het persoonsregister opgenomen personen en de aanleg van persoonslijsten
  • Artikel 121
    • 1. Op de datum van inwerkingtreding van dit artikel vindt inschrijving plaats van de personen die in het persoonsregister, bedoeld in artikel 26, tweede lid, onder a, van het Besluit bevolkingsboekhouding (Stb. 1967, 442), zijn opgenomen.

    • 2. Het gemeentebestuur dat op deze datum in het bezit is van een toestemming als bedoeld in artikel 7, schrijft een persoon in door het aanleggen van een persoonslijst van de betrokkene en het opnemen van deze lijst in de basisadministratie.

    • 3. Het gemeentebestuur dat op deze datum nog niet in het bezit is van een toestemming als bedoeld in artikel 7, schrijft een persoon in door:

      • a. het aanleggen van een persoonslijst van de betrokkene en het opnemen van deze lijst in de basisadministratie, of:

      • b. het opnemen in de basisadministratie van de volgende gegevens, voor zover het de gegevens betreft, bedoeld in artikel 34, eerste lid:

        • 1°. de gegevens van de betrokkene die zijn vermeld op zijn persoonskaart, bedoeld in artikel 1 van het Besluit bevolkingsboekhouding;

        • 2°. het administratienummer van de betrokkene en de postcode;

        • 3°. de gegevens van de betrokkene die zijn vermeld in een kennisgeving als bedoeld in artikel 52 van het Besluit bevolkingsboekhouding.

    • 4. De op grond van het derde lid, onder b, opgenomen gegevens worden aangemerkt als de persoonslijst van de betrokkene.

  • Artikel 122

    Van iedere overeenkomstig artikel 121, derde lid, onder b , ingeschreven persoon, wordt voor het ingevolge artikel 6, tweede lid, bepaalde tijdstip, een persoonslijst aangelegd.

  • Artikel 123
    • 1. Bij de aanleg van een persoonslijst in een geval als bedoeld in het tweede lid van artikel 121, of een geval als bedoeld in het derde lid, onder a, van dat artikel, worden van de betrokkene ten minste de in artikel 34, eerste lid, bedoelde gegevens opgenomen, voor zover deze kunnen worden ontleend aan het persoonsregister.

    • 2. Bij de aanleg van een persoonslijst in een geval als bedoeld in artikel 122, worden van de betrokkene ten minste de gegevens welke zijn opgenomen in de basisadministratie, op de persoonslijst opgenomen.

    • 3. In afwijking van het eerste lid, behoeven de volgende gegevens niet te worden opgenomen:

      • a. de algemene gegevens over de kinderen die geboren zijn voor 1 januari 1966;

      • b. de datums, bedoeld in de volgende onderdelen van bijlage I:

        • 1°. het onderdeel 1, onder j;

        • 2°. de onderdelen 2 tot en met 4;

        • 3°. de onderdelen 7 en 10.

      • c. de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde bijzondere en administratieve gegevens.

    • 4. In afwijking van het tweede lid, behoeft een in het derde lid bedoeld gegeven niet te worden opgenomen, tenzij het als persoonslijst aangemerkte geheel van gegevens met betrekking tot dit gegeven is gewijzigd. In dat geval dient bij de aanleg de wijziging te worden opgenomen.

    • 5. De gegevens over het administratienummer van de betrokkene en de postcode worden bij de aanleg op de persoonslijst opgenomen.

    • 6. De gegevens over het gezag dat over de minderjarige wordt uitgeoefend worden bij de aanleg op de persoonslijst opgenomen, voor zover zij ontleend kunnen worden aan het persoonsregister of aan een kennisgeving als bedoeld in artikel 52 van het Besluit bevolkingsboekhouding.

    • 7. De gegevens over het sociaal-fiscaal nummer worden opgenomen overeenkomstig een regeling van Onze Minister.

    • 8. Het gemeentebestuur is bevoegd bij de aanleg van een persoonslijst de gegevens over het gebruik door de ingeschrevene van de geslachtsnaam van de echtgenoot, de eerdere echtgenoot, de geregistreerde partner of de eerdere geregistreerde partner op te nemen overeenkomstig de in de gemeente gebruikelijke wijze van aanschrijven van de betrokkenen.

    • 9. Het gemeentebestuur is bevoegd bij de aanleg van een persoonslijst naast de gegevens die ingevolge het eerste tot en met het zevende lid worden opgenomen, oudere gegevens op te nemen, voor zover het gegevens zijn als bedoeld in artikel 34 en mits het betreft:

      • a. gegevens die aan enig persoonsregister kunnen worden ontleend;

      • b. gegevens over het administratienummer van de betrokkene of de postcode;

      • c. gegevens over het gezag dat over de minderjarige wordt uitgeoefend, die ontleend kunnen worden aan enig persoonsregister of aan enige kennisgeving als bedoeld in artikel 52 van het Besluit bevolkingsboekhouding.

  • Artikel 124

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de aanleg van persoonslijsten.

  • Artikel 125
    • 1. Indien een gemeentebestuur gebruik gemaakt heeft van de op grond van artikel 95, derde lid, van het Besluit bevolkingsboekhouding verleende bevoegdheid om de bijhouding van de persoonskaarten stop te zetten, wordt voor de toepassing van deze paragraaf het persoonsregister geacht tevens die gegevens te bevatten, welke het gemeentebestuur op de persoonskaart had moeten vermelden, als de bijhouding niet was stopgezet.

    • 2. Bij een eerste inschrijving als bedoeld in artikel 121, derde lid, onder b , neemt het in het eerste lid bedoelde gemeentebestuur, tevens de in dat lid bedoelde gegevens op in de basisadministratie, voor zover het gegevens betreft als bedoeld in artikel 34.

  • Artikel 126

    In geval van een eerste inschrijving op grond van artikel 26 van een persoon omtrent wie vóór de inwerkingtreding van dit artikel door een ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland een geboorteakte is opgemaakt waarop als geboorteplaats een plaats in Nederland is vermeld, worden over de betrokkene:

  • Artikel 127
    • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld in verband met het opnemen van de hierna onder a en b genoemde gegevens in het vestigingsregister, van de personen die zich vóór de inwerkingtreding van dit artikel vanuit het buitenland in Nederland hebben gevestigd en die zijn ingeschreven in een basisadministratie op grond van artikel 121.

      • a. verwijsgegevens:

        • 1°. gegevens over de naam en de geboorte,

        • 2°. gegevens over het administratienummer,

        • 3°. gegevens over het sociaal-fiscaal nummer,

        • 4°. gegevens over de gemeente van inschrijving;

      • b. administratieve gegevens in verband met de verwijsgegevens.

    • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld in verband met het opnemen van de in het eerste lid onder a en b genoemde gegevens in het vestigingsregister, van de personen die zijn ingeschreven in een basisadministratie op grond van artikel 130.

    • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld in verband met het opnemen van de hierna onder a en b genoemde gegevens in de basisadministraties, van de personen die zijn ingeschreven in een basisadministratie op grond van artikel 121 of 130.

      • a. verwijsgegevens:

        • 1°. gegevens over de naam en de geboorte,

        • 2°. gegevens over het administratienummer,

        • 3°. gegevens over het sociaal-fiscaal nummer,

        • 4°. gegevens over de gemeente van inschrijving, over het adres in die gemeente en over de datum van inschrijving;

      • b. administratieve gegevens in verband met de verwijsgegevens.

    • 4. Krachtens het eerste of het tweede lid worden als verwijsgegevens de gegevens opgenomen die zijn vermeld in bijlage II, onder B, bij deze wet. Een verwijsgegeven dat krachtens een van die leden in het vestigingsregister is opgenomen blijft daarin opgenomen.

    • 5. Krachtens het derde lid worden als verwijsgegevens de gegevens opgenomen die zijn vermeld in bijlage II, onder A, bij deze wet. Een verwijsgegeven dat krachtens dat lid in een basisadministratie is opgenomen blijft daarin opgenomen, tenzij de betrokkene in die basisadministratie wordt ingeschreven.

    • 6. Bij een maatregel als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid wordt bepaald welke administratieve gegevens in verband met de verwijsgegevens worden opgenomen. De verwijdering en de vernietiging van deze gegevens worden bij of krachtens de maatregel geregeld.

  • Artikel 128

    Het gemeentebestuur is bevoegd om op de datum van inwerkingtreding van dit artikel de in het Besluit voorbereiding gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Stb. 1990, 539) bedoelde verwijsgegevens en administratieve gegevens in verband met de verwijsgegevens in de basisadministratie op te nemen, voor zover de in dat besluit bedoelde basisadministratie op die datum deze gegevens bevat.

  • Artikel 129
    • 1. De gegevens op de persoonskaart vermeld in:

      • a. vak 6, voor zover daarmee aangegeven wordt tot welk kerkgenootschap, vereniging met godsdienstig doel of levensbeschouwelijke groepering de betrokkene behoort en:

      • b. vak 23;

      worden, voor zover dit door Onze Minister is bepaald, bij de inschrijving, bedoeld in artikel 121, opgenomen op de persoonslijst van de betrokkene.

    • 2. Een gegeven uit vak 6 van de persoonskaart wordt binnen drie jaren na de inwerkingtreding van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 99, tweede lid, doch in ieder geval binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van dit artikel van de persoonslijst van de betrokkene verwijderd.

    • 3. Een gegeven uit vak 23 van de persoonskaart wordt voor een door Onze Minister te bepalen tijdstip van de persoonslijst van de betrokkene verwijderd.

    • 4. De verwijdering en de vernietiging van deze gegevens worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld.

    • 5. Een op de persoonslijst opgenomen gegeven uit vak 6 van de persoonskaart wordt slechts eenmaal gebruikt ten behoeve van de eerste gegevensverstrekking overeenkomstig de bepalingen van deze wet aan de derde, bedoeld in artikel 99, tweede lid.

    • 6. Een op de persoonslijst opgenomen gegeven uit vak 23 van de persoonskaart, betreffende de codering van de afnemer, wordt slechts eenmaal gebruikt ten behoeve van de eerste gegevensverstrekking overeenkomstig de bepalingen van deze wet aan de desbetreffende afnemer.

    • 7. Een gegeven uit vak 6 van de persoonskaart wordt, tenzij bij een verstrekking als bedoeld in artikel 99, tweede lid, niet opgenomen in enig overeenkomstig de bepalingen van deze wet te verstrekken afschrift.

  • Artikel 130 [Vervallen per 01-09-2001]
  • Artikel 131 [Vervallen per 01-09-2001]
  • Artikel 132 [Vervallen per 01-09-2001]
  • Artikel 133

    Bij een eerste inschrijving als bedoeld in deze paragraaf, is het gemeentebestuur bevoegd de gegevens over de gemeente van inschrijving en het adres in die gemeente, alsmede over het verblijf in Nederland en het vertrek uit Nederland, op te nemen overeenkomstig de gegevens in het persoonsregister.

  • § 2. De invoering van de automatisering
  • Artikel 134
    • 1. De verplichting, vermeld in artikel 2, tot het op geautomatiseerde wijze houden van de basisadministratie treedt in werking op het tijdstip dat bepaald is ingevolge artikel 6, tweede lid.

    • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de technische en administratieve inrichting en werking en de beveiliging van de basisadministratie waarvoor het in artikel 2 bedoelde college van burgemeester en wethouders niet de beschikking heeft over een toestemming als bedoeld in artikel 7 of in artikel 13.

    • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de systematische verstrekking van gegevens op grond van de artikelen 91 en 99 door het in het tweede lid bedoelde college van burgemeester en wethouders.

  • Artikel 135
    • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de uitwisseling van gegevens tussen een afnemer of een derde als bedoeld in artikel 99 enerzijds en Onze Minister van Financiën anderzijds, in verband met de afstemming van de gegevens van de afnemer of de derde op de gegevens in de basisadministraties. Daarbij kunnen regels gesteld worden omtrent de verrekening van de kosten van deze gegevensuitwisseling.

    • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de aanleg, de instandhouding en de werking van voorzieningen ten behoeve van de overdracht van berichten in verband met de uitvoering van de bepalingen bij of krachtens deze wet omtrent de gemeentelijke basisadministratie van persoonsgegevens, voor zover deze berichten niet over het in artikel 4 bedoelde netwerk worden verzonden of ontvangen.

    • 3. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.

    • 4. De in het eerste en het tweede lid bedoelde regels vervallen in ieder geval vijf jaren na de inwerkingtreding van dit artikel.

  • § 3. De bestaande registers
  • Artikel 136
    • 1. Het college van burgemeester en wethouders is ten behoeve van de uitvoering van deze wet tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen datum de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het persoonsregister.

    • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde verwerking van persoonsgegevens. Daarbij kan worden bepaald dat het persoonsregister op een andere wijze dan in de vorm van persoonskaarten kan worden aangehouden en kan de vernietiging van de persoonskaarten worden geregeld.

    • 3. Uit het persoonsregister worden geen andere gegevens verstrekt dan:

      • a. gegevens als bedoeld in artikel 34;

      • b. gegevens uit vak 23 van de persoonskaart.

    • 4. Op de verstrekking, bedoeld in het derde lid, is hoofdstuk 3, met uitzondering van de artikelen 91, 92, 94 en 99, van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 137
    • 1. Het college van burgemeester en wethouders is ten behoeve van de uitvoering van deze wet tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen datum de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het archiefregister.

  • Artikel 138
    • 1. Onze Minister is ten behoeve van de uitvoering van deze wet tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen datum de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het centraal bevolkingsregister, bedoeld in artikel 26, derde lid, onder a, van het Besluit bevolkingsboekhouding.

    • 2. Onze Minister kan de verantwoordelijkheid voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid, overdragen aan het college van burgemeester en wethouders van een gemeente. De overdracht geschiedt slechts na instemming van het bevoegde orgaan van de gemeente.

  • Artikel 139
    • 1. Onze Minister is ten behoeve van de uitvoering van deze wet tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen datum de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het persoonskaartenarchief en het schakelregister, bedoeld in artikel 26, derde lid, onder b en c, van het Besluit bevolkingsboekhouding.

    • 2. Onze Minister kan de verantwoordelijkheid voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid, overdragen aan het college van burgemeester en wethouders van een gemeente. De overdracht geschiedt slechts na instemming van het bevoegde orgaan van de gemeente.

  • Artikel 140
    • 1. De gegevens die zijn opgenomen in het schakelregister kunnen ten behoeve van de uitvoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en van andere wetten door de Sociale verzekeringsbank, ter beschikking worden gesteld aan de Sociale verzekeringsbank.

    • 2. De Sociale verzekeringsbank gebruikt de gegevens slechts ten behoeve van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde wetten.

    • 3. De Sociale verzekeringsbank deelt de gegevens niet mee aan andere afnemers of aan derden, behalve als mededeling wordt vereist ingevolge een wettelijk voorschrift of geschiedt met toestemming van de geregistreerde.

    • 4. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de terbeschikkingstelling van de gegevens.

  • Artikel 141
    • 1. Bij de eerste inschrijving van een persoon van wie in het persoonskaartenarchief een persoonskaart is opgenomen, kan het college van burgemeester en wethouders op de persoonslijst op te nemen gegevens ontlenen aan de desbetreffende persoonskaart. Bij het ontlenen van gegevens over de kinderen van de betrokkene geeft het college van burgemeester en wethouders geen toepassing aan artikel 38.

    • 2. Onze Minister, of het in artikel 139, tweede lid, bedoelde college van burgemeester en wethouders, verstrekt op verzoek van het in het eerste lid bedoelde college van burgemeester en wethouders de gegevens die zijn vermeld op de desbetreffende persoonskaart. Deze gegevens blijven berusten bij het college van burgemeester en wethouders aan wie ze zijn verstrekt. Artikel 136 is van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 142
    • 1. Er is een centraal archief van overledenen, bestaande uit de persoonskaarten, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van het Besluit bevolkingsboekhouding.

    • 2. Onze Minister is de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het centraal archief van overledenen, bedoeld in het eerste lid. Hij treft een regeling ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

  • Artikel 143
    • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent heffingen in verband met de verstrekking van gegevens uit de hierna genoemde registraties, voor zover Onze Minister de verantwoordelijke is voor de verwerking van persoonsgegevens in deze registraties:

      • a. [vervallen;]

      • b. het centraal bevolkingsregister;

      • c. het persoonskaartenarchief;

      • d. het schakelregister;

      • e. het centraal archief van overledenen.

    • 2. Op grond van de in het eerste lid bedoelde regels kunnen uitsluitend heffingen ingesteld worden in verband met de verstrekking van gegevens aan derden, anders dan de verstrekking overeenkomstig artikel 99, en in verband met de verstrekking aan de betrokkene van hem betreffende gegevens.

  • § 4. Overige bepalingen
  • Artikel 144
    • 1. Feiten die hebben plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van dit artikel en die van belang zijn voor de bijhouding van gegevens in of de verstrekking van gegevens uit de voor die inwerkingtreding gehouden bevolkingsregisters, worden afgewikkeld op de voet van het Besluit bevolkingsboekhouding, tenzij de desbetreffende gegevens op grond van deze wet worden opgenomen in of verstrekt uit de basisadministraties.

    • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden omtrent de uitvoering van het eerste lid.

  • Artikel 145
    • 1. Een twistgeding als uitvloeisel van een beroep als bedoeld in artikel 107 van het Besluit bevolkingsboekhouding dat op de datum van inwerkingtreding van dit artikel nog niet is geëindigd, wordt op de voet van dat artikel voortgezet.

    • 2. Geschillen omtrent of voortvloeiend uit de toepassing van het Besluit bevolkingsboekhouding die op de datum van inwerkingtreding van dit artikel aanhangig zijn, worden op de voet van artikel 108 van genoemd besluit beslist.

  • Artikel 146
    • 1. Het college van burgemeester en wethouders behoeft, in afwijking van hetgeen daarover krachtens artikel 6 en in artikel 110 is bepaald, geen aantekening te houden van de verstrekking van gegevens aan buitengemeentelijke afnemers en aan derden als bedoeld in artikel 99 voor zover:

      • a. de verstrekking niet plaatsvindt op grond van een besluit als bedoeld in artikel 91, eerste lid, of artikel 99, achtste lid, en

      • b. het college van burgemeester en wethouders ten tijde van de verstrekking redelijkerwijs mag aannemen, dat het belang van degene over wie gegevens worden verstrekt niet onevenredig zal worden geschaad door geen aantekening te houden.

    • 2. Het college van burgemeester en wethouders kan, bij het doen van een in artikel 103 bedoelde mededeling omtrent de verstrekking van gegevens uit de basisadministratie, volstaan met een in algemene termen gestelde mededeling omtrent de verstrekking, indien van de verstrekking overeenkomstig het eerste lid geen aantekening is gehouden.

    • 3. Het college van burgemeester en wethouders kan slechts toepassing geven aan het eerste lid gedurende drie jaren na de inwerkingtreding van dit artikel.

  • Artikel 146a

    Een persoon die op de datum van inwerkingtreding van dit artikel op grond van artikel 17, tweede lid, onder b, van het Besluit bevolkingsboekhouding niet in een persoonsregister is opgenomen, wordt gelijkgesteld met een persoon ten aanzien van wie een aanwijzing als bedoeld in artikel 32 van kracht is.

  • Artikel 146b
    • 1. De verplichtingen, bedoeld in de artikelen 3b en 62, eerste lid, zijn tot 1 januari 2010 alleen van toepassing op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen afnemers of categorieën van afnemers.

    • 2. Het recht van de ingeschrevene, bedoeld in artikel 3c, is tot 1 januari 2010 alleen van toepassing jegens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen afnemers of categorieën van afnemers.

  • Afdeling 3. Straf- en slotbepalingen

  • Artikel 147
    • 2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

  • Artikel 148

    De termijn, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Archiefwet 1995 (Stb. 276), vangt aan bij degene die op de dag van zijn overlijden ingezetene is, op die dag, en bij degene die na vertrek uit Nederland op de dag vallende honderd jaar na de geboorte niet-ingezetene is, op die dag.

  • Artikel 149 [Vervallen per 01-10-1994]
  • Artikel 150

    De Wet bevolkings- en verblijfregisters (Stb. 1948, I 393) wordt ingetrokken.

  • Artikel 151
    • 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, waarbij bepaalde artikelen of onderdelen daarvan kunnen worden uitgezonderd. Deze artikelen en onderdelen treden in werking op een nader bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

    • 2. Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister de nummering van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken daarmee in overeenstemming.

  • Artikel 152

    Deze wet kan worden aangehaald als: Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

  • Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

    Gegeven te 's-Gravenhage, 9 juni 1994

    Beatrix

    De Minister van Binnenlandse Zaken,

    D. IJ. W. de Graaff-Nauta

    De Minister van Justitie,

    A. Kosto

    Uitgegeven de twaalfde juli 1994

    De Minister van Justitie,

    A. Kosto

  • Bijlage I. De algemene gegevens

    1. Gegevens over de burgerlijke staat

    • a. Naam:

      geslachtsnaam;

      voornamen;

      adellijke titel of predikaat.

    • b. Geboorte:

      geboortedatum;

      geboorteplaats;

      geboorteland en zo nodig gebiedsdeel.

    • c. Geslacht.

    • d. Ouders:

      geslachtsnaam;

      voornamen;

      adellijke titel of predikaat;

      geslacht;

      geboortedatum;

      geboorteplaats;

      geboorteland en zo nodig gebiedsdeel.

    • e. Huwelijk dan wel geregistreerd partnerschap en eerdere huwelijken of eerdere geregistreerde partnerschappen:

      datum huwelijkssluiting of datum aangaan geregistreerd partnerschap;

      plaats huwelijkssluiting of plaats aangaan geregistreerd partnerschap;

      land en zo nodig gebiedsdeel huwelijkssluiting of aangaan geregistreerd partnerschap;

      huwelijksontbinding of ontbinding geregistreerd partnerschap en reden daarvan, dan wel nietigverklaring huwelijk of geregistreerd partnerschap;

      datum ontbinding, dan wel nietigverklaring huwelijk of geregistreerd partnerschap;

      plaats ontbinding, dan wel nietigverklaring huwelijk of geregistreerd partnerschap;

      land en zo nodig gebiedsdeel ontbinding, dan wel nietigverklaring huwelijk of geregistreerd partnerschap.

    • f. Echtgenoot dan wel geregistreerd partner en eerdere echtgenoten of geregistreerde partners;

      geslachtsnaam;

      voornamen;

      adellijke titel of predikaat;

      geslacht;

      geboortedatum;

      geboorteplaats;

      geboorteland en zo nodig gebiedsdeel.

    • g. Kinderen:

      geslachtsnaam;

      voornamen;

      adellijke titel of predikaat;

      geboortedatum;

      geboorteplaats;

      geboorteland en zo nodig gebiedsdeel.

    • h. Overlijden:

      overlijdensdatum;

      plaats overlijden;

      land en zo nodig gebiedsdeel overlijden.

    • i. Data ingang en beëindiging rechtsgeldigheid gegevens:

      datum ingang rechtsgeldigheid;

      datum beëindiging rechtsgeldigheid.

    2. Gegevens over curatele

    curatele;

    datum ingang rechtsgeldigheid curatele;

    datum beëindiging rechtsgeldigheid curatele.

    3. Gegevens over het gezag dat over de minderjarige wordt uitgeoefend

    de aantekening dat het gezag over de ingeschrevene uitsluitend door één ouder wordt uitgeoefend;

    de aantekening dat het gezag over de ingeschrevene door beide ouders wordt uitgeoefend;

    de aantekening dat het gezag over de ingeschrevene door een ouder en een derde wordt uitgeoefend;

    de aantekening dat het gezag over de ingeschrevene door één derde of twee derden tezamen wordt uitgeoefend, dan wel dat over de ingeschrevene tijdelijke of voorlopige voogdij wordt uitgeoefend;

    datum ingang rechtsgeldigheid gegeven;

    datum beëindiging rechtsgeldigheid gegeven.

    4. Gegevens over de nationaliteit

    nationaliteit of nationaliteiten, dan wel een aanduiding dat de betrokkene geen nationaliteit bezit, of een aanduiding dat de nationaliteit van de betrokkene niet kan worden vastgesteld;

    de aantekening dat op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap is vastgesteld dat de betrokkene niet de Nederlandse nationaliteit bezit;

    de aantekening dat de betrokkene op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander behandeld wordt;

    datum ingang rechtsgeldigheid gegeven;

    datum beëindiging rechtsgeldigheid gegeven.

    5. Gegevens over het verblijfsrecht van de vreemdeling

    de aantekening over het verblijfsrecht;

    datum ingang verblijfsrecht;

    datum beëindiging verblijfsrecht;

    datum mededeling gegeven.

    6. Gegevens over de gemeente van inschrijving en het adres in die gemeente alsmede over het verblijf in Nederland en het vertrek uit Nederland

    • a. Gemeente van inschrijving:

      gemeente;

      datum van vestiging in de gemeente.

    • b. Adres:

      functie van het adres;

      straatnaam en zo nodig gemeentedeel;

      huisnummer;

      aanduiding bij huisnummer;

      letter bij huisnummer;

      toevoeging bij huisnummer;

      lokatiebeschrijving en zonodig gemeentedeel;

      postcode;

      datum vestiging adres.

    • c. Verblijf in Nederland:

      datum aanvang verblijf;

      vorig land van verblijf.

    • d. Vertrek uit Nederland:

      datum vertrek;

      volgend land van verblijf;

      eerste adres van verblijf in het volgend land van verblijf.

    7. Gegevens over de administratienummers van de ingeschrevene, de ouders, de echtgenoot dan wel de geregistreerde partner, de eerdere echtgenoten of eerdere geregistreerde partners en de kinderen

    administratienummer ingeschrevene;

    administratienummer ouder;

    administratienummer echtgenoot dan wel geregistreerde partner;

    administratienummer eerdere echtgenoot;

    administratienummer eerdere geregistreerde partner;

    administratienummer kind;

    data van kracht worden van de administratienummers.

    8. Gegevens over het burgerservicenummer van de ingeschrevene

    burgerservicenummer ingeschrevene;

    datum van kracht worden van het burgerservicenummer.

    9. Gegevens over de burgerservicenummers van de ouders, de echtgenoot dan wel geregistreerde partner, de eerdere echtgenoten of geregistreerde partners en de kinderen

    burgerservicenummer ouder;

    burgerservicenummer echtgenoot dan wel geregistreerde partner;

    burgerservicenummer eerdere echtgenoot;

    burgerservicenummer eerdere geregistreerde partner;

    burgerservicenummer kind;

    data van kracht worden van de burgerservicenummers.

    10. Gegevens over het gebruik door de ingeschrevene van de geslachtsnaam van de echtgenoot, de geregistreerde partner, de eerdere echtgenoot of de eerdere geregistreerde partner

    de aantekening dat de ingeschrevene de eigen geslachtsnaam voert;

    de aantekening dat de ingeschrevene de geslachtsnaam van de echtgenoot, de geregistreerde partner, de eerdere echtgenoot of de eerdere geregistreerde partner voert;

    de aantekening dat de ingeschrevene de geslachtsnaam van de echtgenoot, de geregistreerde partner vooraf doet gaan aan de eigen geslachtsnaam;

    de aantekening dat de ingeschrevene de geslachtsnaam van de echtgenoot, de geregistreerde partner, de eerdere echtgenoot of de eerdere geregistreerde partner doet volgen op de eigen geslachtsnaam;

    datum ingang van het gegeven over het naamgebruik;

    datum beëindiging van het gegeven over het naamgebruik.

  • Bijlage II. De verwijsgegevens

    A. De verwijsgegevens, bedoeld in artikel 35 en in artikel 127, zesde lid

    1. Gegevens over de naam en de geboorte

    • a. Naam:

      geslachtsnaam;

      voornamen;

      adellijke titel of predikaat.

    • b. Geboorte:

      geboortedatum;

      geboorteplaats;

      geboorteland en zo nodig gebiedsdeel.

    2. Gegevens over het administratienummer

    het administratienummer;

    datum van kracht worden administratienummer.

    3. Gegevens over het burgerservicenummer

    het burgerservicenummer;

    datum van kracht worden burgerservicenummer.

    4. Gegevens over de gemeente van inschrijving, over het adres in die gemeente en over de datum van inschrijving

    • a. Gemeente van inschrijving:

      gemeente;

      datum van vestiging in de gemeente.

    • b. Adres:

      straatnaam;

      huisnummer;

      aanduiding bij huisnummer;

      letter bij huisnummer;

      toevoeging bij huisnummer;

      lokatiebeschrijving;

      postcode.

    B. De verwijsgegevens, bedoeld in artikel 114 en in artikel 127, vijfde lid

    1. Gegevens over de naam en geboorte

    • a. Naam:

      geslachtsnaam;

      voornamen;

      adellijke titel of predikaat.

    • b. Geboorte:

      geboortedatum;

      geboorteplaats;

      geboorteland en zo nodig gebiedsdeel.

    2. Gegevens over het administratienummer

    het administratienummer.

    3. Gegevens over het burgerservicenummer

    het burgerservicenummer.

    4. Gegevens over de gemeente van inschrijving

    gemeente van inschrijving.