Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Onderwerpen centraal en schriftelijk examen aardrijkskunde 1995–1996[Regeling vervallen per 31-12-2004.]

Geldend van 25-06-1994 t/m 30-12-2004

Onderwerpen centraal en schriftelijk examen aardrijkskunde 1995–1996

De minister van onderwijs en wetenschappen,

Gelet op artikel 7 van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o., artikel 11 van het Besluit staatsexamens v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. 1978, artikel 1, juncto de bijlagen 1a en 1b van de Regeling examenprogramma's aardrijkskunde v.w.o. en h.a.v.o. (Uitleg OenW-Regelingen 1992, 15) en het examenprogramma aardrijkskunde eindexamen m.a.v.o. en v.b.o. en het staatsexamen m.a.v.o.;

Besluit:

Artikel 1. Onderwerpen centraal en schriftelijk examen aardrijkskunde v.w.o. [Vervallen per 31-12-2004]

De onderwerpen voor het centraal (schriftelijk) examen v.w.o. in het schooljaar 1995/1996 zijn:

  • A. (sociale geografie van het Koninkrijk der Nederlanden)

    • A1. Het Nederlandse landschap – Veenlandschap (circulaire DGVO 13.200 van 20 mei 1985)

    • A2. Het Nederlandse landschap – Zeekleilandschap (circulaire DGVO 13.200 van 20 mei 1985)

    • A3. Bevolkingsgeografie (circulaire VO/AV 87-04 van 9 juli 1987)

    • A4. Milieugeografie van Nederland:

      • Nederland en de internationale milieuproblemen (bijlage 1 bij deze regeling)

    • A5. De Nederlander en de milieugebruiksruimte (bijlage 2 bij deze regeling)

  • B. (de overige onderwerpen)

    • B1. Marokko (bijlage III bij regeling VO/AV/BE-894375 van 16 april 1989, Uitleg OenW-Regelingen 1989, 11).

    • B2. De voormalige USSR (bijlage 1 bij regeling VO/BOB-92078336 van 6 januari 1993, Uitleg OenW-Regelingen 1993, 2).

Artikel 2. Onderwerpen centraal en schriftelijk examen aardrijkskunde h.a.v.o. [Vervallen per 31-12-2004]

De onderwerpen voor het centraal (schriftelijk) examen h.a.v.o. in het schooljaar 1995/1996 zijn:

  • A. (sociale geografie van het Koninkrijk der Nederlanden):

    • A1. Het Nederlandse landschap – Veenlandschap (circulaire DGVO 13.200 van 20 mei 1985)

    • A2. Het Nederlandse landschap – Zeekleilandschap (circulaire DGVO 13.200 van 20 mei 1985)

    • A3. Bevolkingsgeografie (circulaire VO/AV 87-04 van 9 juli 1987)

    • A4. Nederland Distributieland: Mainports (bijlage 3 bij deze regeling)

  • B. (overig onderwerp):

Artikel 3. Onderwerpen centraal en schriftelijk examen aardrijkskunde m.a.v.o. en v.b.o.-C/D [Vervallen per 31-12-2004]

De onderwerpen voor het centraal (schriftelijk) examen aardrijkskunde m.a.v.o. en v.b.o.-C/D in het schooljaar 1995/1996 zijn:

  • I. Stedelijke gebieden in Nederland (bijlage 2 bij regeling VO/AVV/OB/VO2 – 90061128 van 27 juli 1990, Uitleg OenW- Regelingen 1990, 18d).

  • II. Spanje, (bijlage bij regeling VO/BOB-93016313 van 7 mei 1993, Uitleg OenW-Regelingen 1993, 14).

  • III. Turkije, land in ontwikkeling (bijlage 2 bij regeling VO/AVV/OB/VO2-91075975, van 2 september 1991, Uitleg OenW-Regelingen 1991, 20).

Artikel 4. Bekendmaking [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling met bijlagen zal in Uitleg OenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 5. Inwerkingtreding [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OenW-Regelingen, waarin deze regeling is bekendgemaakt.

Artikel 6. Citeertitel [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling wordt aangehaald als:

Onderwerpen centraal en schriftelijk examen aardrijkskunde 1995–1996.

De

minister

van onderwijs en wetenschappen,

dr. ir. J.M.M. Ritzen

Bijlage 1. Examenstructuur ‘Nederland en de internationale milieuproblemen’ [Vervallen per 31-12-2004]

Onderwerp voor het c.e. v.w.o. vanaf 1996

A. Omschrijving van de examenstof [Vervallen per 31-12-2004]

Het betreft:

  • 1. Het begrip milieuprobleem.

  • 2. De processen die de kwaliteit van het fysiek milieu in Nederland bedreigen, waardoor er sprake is van milieuproblemen in Nederland.

  • 3. De processen die ingrijpen in het fysiek milieu van een aantal regio's in Nederland.

  • 4. Processen die op verschillende ruimtelijke schaalniveaus milieuproblemen veroorzaken in Nederland.

  • 5. De maatschappelijke en ruimtelijke effecten van milieuproblemen in Nederland.

  • 6. Beleidsmaatregelen die tot doel hebben om milieuproblemen in Nederland op te lossen.

B. Nadere uitwerking van de examenstof [Vervallen per 31-12-2004]

Van de kandidaten wordt verwacht dat zij:

  • 1. Een beschrijving kunnen geven van de volgende processen:

    • verandering van klimaat

    • verzuring

    • vermesting

    • verdroging

    • verspreiding

  • 2. Het begrip milieu kunnen onderverdelen in de compartimenten:

    • grondstoffen

    • bodem

    • oppervlaktewater

    • grondwater

    • atmosfeer

  • 3. De milieuproblemen in Nederland kunnen indelen naar ingreep:

    • verontreiniging (iets toevoegen aan het milieu)

    • uitputting (iets onttrekken aan het milieu)

    • aantasting (structuurverandering binnen het milieu zonder dat er sprake is van toevoeging of onttrekking)

  • 4. De volgende ruimtelijke schaalniveaus kennen en van elkaar kunnen onderscheiden:

    • lokaal

    • regionaal

    • fluviaal

    • continentaal

    • mondiaal

C. Benaderingswijze [Vervallen per 31-12-2004]

De kandidaten moeten in staat zijn om voor een aantal regio's in Nederland de processen die de milieuproblemen veroorzaken te beschrijven, te analyseren en te evalueren.

De benaderingswijze hierbij is als volgt:

  • 1.

    • a. De kandidaten kunnen voor deze regio's beschrijven hoe het proces ingrijpt in het fysiek milieu van deze regio's, en welke compartimenten erbij betrokken zijn.

    • b. De kandidaten kunnen de maatschappelijke en ruimtelijke effecten beschrijven van de milieuproblemen in Nederland.

  • 2. De kandidaten moeten voor de processen een verklaring kunnen geven op het juiste ruimtelijke schaalniveau.

  • 3. De kandidaten kunnen een oordeel geven over beleidsmaatregelen die tot doel hebben om de milieuproblemen in Nederland op te lossen.

A. Verandering van klimaat [Vervallen per 31-12-2004]

Dit proces moet door de kandidaten worden beschreven, geanalyseerd en geëvalueerd voor:

  • de regio Laag-Nederland.

Toelichting:

Door de verandering van het klimaat zal de zeespiegel gaan stijgen, waardoor het gebied lager dan 1 meter n.a.p. met overstroming te maken kan krijgen. De compartimenten grondstoffen, bodem, oppervlaktewater en grondwater zijn hierbij betrokken. Deze aantasting van het milieu speelt op het mondiale schaalniveau.

B. Verzuring [Vervallen per 31-12-2004]

Dit proces moet door de kandidaten worden beschreven, geanalyseerd en geëvalueerd voor:

  • regio 1 de Randstad

  • regio 2 de zandgronden in Nederland.

Toelichting:

Deze verontreiniging van het milieu speelt op het continentale en het regionale schaalniveau. De Randstad heeft te maken met verzuring door het verkeer, de industrie, waaronder olieraffinaderijen en de conventionele electriciteitscentrales. De zandgronden verzuren door de intensieve veehouderij. De compartimenten atmosfeer, bodem en oppervlaktewater hebben te maken met deze verontreiniging.

C. Vermesting [Vervallen per 31-12-2004]

Dit proces moet door de kandidaten worden beschreven, geanalyseerd en geëvalueerd voor:

  • regio 1 de zandgronden in Nederland

  • regio 2 Waddenzee en IJsselmeer

Toelichting:

Deze verontreiniging van het milieu speelt op het fluviale en het regionale niveau. De intensieve landbouw zorgt voor een eutrofiëring van het grondwater en het oppervlaktewater.

D. Verdroging [Vervallen per 31-12-2004]

Dit proces moet door de kandidaten worden beschreven, geanalyseerd en geëvalueerd voor:

  • regio 1 de hoogveengebieden en de aangrenzende zandgronden in Nederland.

Toelichting:

Deze uitputting van het milieu speelt op het regionale schaalniveau. De hoogveengebieden verdrogen door de wateronttrekking door de landbouw op de aangrenzende zandgronden. De bodem en de grondstoffen zijn de betrokken compartimenten.

E. Verspreiding [Vervallen per 31-12-2004]

Dit proces moet door de kandidaten worden beschreven, geanalyseerd en geëvalueerd voor:

  • de regio De stroomgebieden van Maas, Rijn en Schelde

Toelichting:

Dit proces speelt op het fluviale schaalniveau. De menselijke activiteiten in de stroomgebieden van Maas, Rijn en Schelde veroorzaken deze vorm van verontreiniging. De betrokken compartimenten zijn de bodem, het oppervlaktewater en de waterbodem.

D. Centrale begrippen [Vervallen per 31-12-2004]

Alleen begrippen die specifiek zijn voor dit onderwerp zijn vermeld. Relevante termen en begrippen, die naar de gangbare mening van onderwijsgevenden tot de vaste geografische basiskennis behoren, worden bekend verondersteld.

Algemeen:

fysiek milieu, milieuproblemen, duurzame ontwikkeling, beleid, verzuring, vermesting, verdroging, verspreiding, economisch systeem, ecosysteem.

Per proces:

  • A. Verandering van klimaat:

    broeikaseffect, ozonlaag, atmosfeer, stratosfeer, troposfeer, fossiele brandstoffen, broeikasgassen als CO2, CFK's, CH4, NOx, zeespiegelstijging, ozon.

  • B. Verzuring:

    intensieve landbouw, veevoedercomplex, nutriënten, nutriëntenbalans, eutrofiëring, verzurende stoffen als SO2, NOx, NH4, droge depositie, natte depositie, aërosollen, conventionele electriciteitscentrale, verkeersintensiteit, katalysator.

  • C. Vermesting:

    stikstof, fosfor, kalium, kunstmest, intensieve landbouw, natte- en droge ecosystemen, chemische verwering (zie ook verzuring).

  • D. Verdroging:

    grondwaterstand, soortenrijkdom, inklinking, drinkwatervoorziening.

  • E. Verspreiding:

    zware metalen, cadmium, koper, regiem, piekflow, ontbossingen, afvallozing, waterbodem, koelwater, slibaanvoer.

Bijlage 2. Examenstructuur ‘de nederlander en de milieugebruiksruimte’ [Vervallen per 31-12-2004]

Onderwerp voor het c.e. v.w.o. vanaf 1996

A. Omschrijving van de examenstof: [Vervallen per 31-12-2004]

Het betreft hier:

  • 1. De begrippen milieugebruiksruimte, milieugebruiksruimte per inwoner en duurzame ontwikkeling.

  • 2. De relatie tussen welvaartsniveau en de omvang van de milieugebruiksruimte.

  • 3. De factoren die de omvang van de milieugebruiksruimte beïnvloeden, zoals onder andere de bevolkingsgroei, de technologische ontwikkeling en milieuverstoringen.

  • 4. De maatregelen die nodig zijn om de milieugebruiksruimte te behouden, uitgaande van het begrip duurzame ontwikkeling.

B. Nadere uitwerking van de examenstof [Vervallen per 31-12-2004]

Van de kandidaten wordt verwacht dat zij:

  • 1. Weten dat de milieugebruiksruimte bestaat uit vier componenten, nl.:

    • energie;

    • zoetwater;

    • landbouwgrond;

    • niet-vernieuwbare grondstoffen.

  • 2. Kunnen beschrijven en verklaren hoe een inwoner van Nederland deze componenten gebruikt en beslag legt op milieugebruiksruimte in Nederland en buiten Nederland.

  • 3. De milieugebruiksruimte per inwoner van Nederland kunnen vergelijken met die van een ontwikkelingsland en zich hierover een mening kunnen vormen.

C. Benaderingswijze [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1. De kandidaten moeten in staat zijn om de veranderingen in de omvang van de milieugebruiksruimte per inwoner te beschrijven, te analyseren en evalueren als gevolg van menselijke activiteiten in Nederland.

  • 2. Ze moeten de effecten op de verschillende componenten kunnen nagaan en de gevolgen voor de omvang van de milieugebruiksruimte in ontwikkelingslanden kunnen beschrijven, analyseren en evalueren.

  • 3. De kandidaten moeten een oordeel kunnen geven over de ongelijke verdeling van de mondiale milieugebruiksruimte en over de mogelijkheden om de ongelijkheid te verkleinen en de milieugebruiksruimte te vergroten.

    • A. Intensieve veehouderij in Nederland, betrekking hebbend op de componenten:

      • landbouwgrond in Z.O.-Azië

      • zoetwater en grondwater in Nederland

    • B. Energieverbruik door huishoudens in Neder- land, betrekking hebbend op de componenten:

      • niet-vernieuwbare energiebronnen in het Midden-Oosten.

      • de niet-vernieuwbare natuurlijke hulpbron lucht in Nederland, te weten de verontreiniging door CO2 en SO2

    • C. De voedselconsumptie in Nederland, betrekking hebbend op de component:

      • landbouwgrond in West Afrika

D. Centrale begrippen [Vervallen per 31-12-2004]

Alleen begrippen die specifiek zijn voor dit onderwerp zijn vermeld. Relevante termen en begrippen, die naar de gangbare mening van onderwijsgevenden tot de vaste geografische basiskennis behoren, worden bekend verondersteld.

Mineralenbalans, uitputting van de bodem, bodemerosie, relatieve afstand, technologische ontwikkeling, verwoestijning, ontbossing, bestrijdingsmiddelen, overbemesting, exportgewassen, wereldmarkt.

N.B. 1 [Vervallen per 31-12-2004]

Deze examenstructuur heeft nauwe relaties met de examenstructuur ‘Nederland en de internationale milieuproblemen.’ De examenstructuren worden wel onderscheiden, maar het is niet de bedoeling om ze gescheiden te behandelen.

N.B. 2 [Vervallen per 31-12-2004]

Deze examenstructuur heeft nauwe relaties met de examenstructuur ‘Nederland en de internationale milieuproblemen.’ De examenstructuren worden wel onderscheiden, maar het is niet de bedoeling om ze gescheiden te behandelen.

Voor dit milieu-geografische onderwerp moeten kandidaten een aantal vaardigheden geoefend hebben die ook op het c.e. getoetst kunnen worden. De belangrijkste zijn:

  • 1. De kandidaten moeten in staat zijn om via een gestruktureerd stappenplan een ruimtelijk probleem te onderzoeken. De daarbij te volgen stappen zijn: beschrijven, analyseren, evalueren. In de laatste stap komt ook het element waardenbesef en oordeelsvermogen aan bod.

  • 2. De kandidaten moeten verbanden kunnen leggen tussen ontwikkelingen op verschillende ruimtelijke schaalniveaus.

  • 3. De kandidaten moeten om kunnen gaan met informatie uit velerlei bronnen; daarbij staan kaarten centraal.

Bijlage 3. Examenstructuur ‘mainports: nederland distributieland’ [Vervallen per 31-12-2004]

Onderwerp voor het c.e. h.a.v.o. vanaf 1996

A. Omschrijving van de examenstof [Vervallen per 31-12-2004]

Het betreft:

  • 1. De begrippen mainport en distributie.

  • 2. De ontwikkeling van de mainports Rotterdam en Schiphol en de factoren die daarbij op de vier ruimtelijke schaalniveaus (regionaal, nationaal, europees en mondiaal) een rol spelen.

  • 3. Economische en milieufactoren m.b.t. plannen voor de uitbouw van de mainports Rotterdam en Schiphol.

B. Nadere uitwerking van de examenstof [Vervallen per 31-12-2004]

1. Algemeen

Van de kandidaten wordt verwacht dat zij:

  • mainports kunnen omschrijven als knooppunten in een internationaal netwerk van verkeers- en vervoersstromen van goederen, personen en informatie;

  • kennis hebben van de hoge eisen die gesteld worden aan infrastruktuur en logistiek;

  • in algemene termen de ontwikkeling van mainports in verband kunnen brengen met de toenemende internationalisering van de economie.

2. Specifiek m.b.t. Rotterdam en Schiphol

Van de kandidaten wordt verwacht dat zij kennis hebben van:

  • elementaire topografie m.b.t. beide mainports;

  • de ruimtelijke inrichting van beide mainports in hoofdlijnen;

  • omvang, aard en richting van de verkeers- en vervoersstromen;

  • de mainports als knooppunten in infrastruktuur: transportassen en informatie;

  • de direkte en afgeleide bedrijvigheid en werkgelegenheid; toegevoegde waarde;

  • plannen voor versterking van de positie van beide mainports in hoofdlijnen.

C. Benaderingswijze [Vervallen per 31-12-2004]

  • A. Bij het verklaren en beoordelen van de ontwikkeling van de mainports Rotterdam en Schiphol dient gebruik gemaakt te worden van de volgende factoren:

    • op regionaal niveau: de mogelijke belangentegenstelling tussen enerzijds de afzonderlijke gemeenten en intergemeentelijke samenwerking anderzijds;

    • op nationaal niveau: het ruimtelijk beleid t.a.v. beide mainports, alsmede het infrastruktuurbeleid (Betuwelijn, Rotterdam Airport, TGV, Schiphollijn);

    • op Europees niveau: de concurrentie van zeehavens (zone Le Havre – Hamburg) en van Westeuropese luchthavens; de mogelijke effecten van een verschuiving van het economisch zwaartepunt in Europa naar het zuiden en oosten; de effecten van de Kanaaltunnel;

    • op mondiaal niveau: de mogelijke effecten van een verandering in het wereldhandelspatroon richting Pacific (Global Shift).

  • B. Bij het afwegen van economische en milieufactoren, die in het geding zijn bij de uitbouw van beide mainports, zijn de kandidaten in staat de volgende factoren in hun afweging te betrekken:

    • de economische betekenis van de mainports Rotterdam en Schiphol (bijdrage aan nationaal inkomen; toegevoegde waarde; werkgelegenheid, direkt en indirekt);

    • de milieuvervuiling (geluidshinder, luchtvervuiling, aantasting landschap) zowel plaatselijk als afgeleid en veroorzaakt door verkeer, lokale economische activiteiten en ruimteconsumptie;

    • alternatieve plannen, al dan niet milieuvriendelijker.

  • C. De kandidaten moeten in staat zijn m.b.t. de hierboven beschreven ontwikkelingen via een systematische aanpak tot een verantwoord oordeel te komen. Ze doen dat m.b.v. de stappen: beschrijven, analyseren, evalueren.

D. Centrale begrippen [Vervallen per 31-12-2004]

Alleen begrippen die specifiek zijn voor dit onderwerp zijn vermeld. Relevante termen en begrippen die naar de gangbare mening van onderwijsgevenden tot de vaste geografische basiskennis behoren, worden bekend verondersteld.

Mainport, distributiecentrum, overslag, achterland, logistiek, infrastruktuur (materieel en immaterieel), inland-knooppunt, Global Shift, schaalvoordeel, agglomeratie-effect, toegevoegde waarde, open-skies verdrag, nimby-syndroom, electronische snelweg.

E. Topografie [Vervallen per 31-12-2004]

Met betrekking tot Rotterdam:

Havensteden West-Europa:

Rotterdam, Amsterdam, Antwerpen, Duinkerken, Zeebrugge, Hamburg, Wilhelmshaven, Bremen, Le Havre, Londen, Felixtowe.

Wateren:

Noordzee, Europageul, Nieuwe Waterweg, Nieuwe Maas, Lek, Merwede, Hollands Diep, Schelde-Rijnkanaal, Maas, Waal, Rijn, Main, Main-Donaukanaal, Mittellandkanaal.

Met betrekking tot Schiphol:

Luchthavens West-Europa:

Frankfurt, Londen, Parijs, Brussel.

N.B. [Vervallen per 31-12-2004]

Voor dit economisch-geografische onderwerp moeten kandidaten een aantal vaardigheden geoefend hebben die ook op het c.e. getoetst kunnen worden. De belangrijkste zijn:

  • 1. De kandidaten moeten in staat zijn om via een gestructureerd stappenplan een ruimtelijk probleem te onderzoeken. De daarbij te volgen stappen zijn: beschrijven, analyseren, evalueren. In de laatste stap komt ook het element waardenbesef en oordeelsvermogen aan bod.

  • 2. De kandidaten moeten verbanden kunnen leggen tussen ontwikkelingen op verschillende ruimtelijke schaalniveaus.

  • 3. De kandidaten moeten om kunnen gaan met informatie uit velerlei bronnen; daarbij staan kaarten centraal.