Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Examenstof klassieke taal en letterkunde 1996[Regeling vervallen per 31-12-2004.]

Geldend van 25-06-1994 t/m 30-12-2004

Literaire genres voor het centraal examen en het staatsexamen klassieke taal en letterkunde 1996

De minister van onderwijs en wetenschappen,

Gelet op artikel 7 van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. en artikel 11 van het Besluit staatsexamens v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. 1978, in samenhang met de examenprogramma's Klassieke Talen eindexamen v.w.o. en staatsexamen v.w.o. (Stcrt. 1987, 246);

Besluit:

Artikel 1. Literaire genres centraal en schriftelijk examen [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1 De literaire genres voor het centraal examen klassieke taal en letterkunde, alsmede voor het schriftelijk gedeelte van het staatsexamen klassieke taal en letterkunde, zijn in 1996:

    • a. Griekse taal en letterkunde:

      • epiek;

      • kernauteur: Homerus (Odyssee);

    • b. Latijnse taal en letterkunde:

      • epiek;

      • kernauteur: Vergilius (Aeneis).

  • 2 Het lektuurpensum voor de in het eerste lid genoemde genres en de daarop afgestemde leerstof worden vastgesteld als aangegeven in de als bijlagen bij deze regeling gevoegde syllabi.

Artikel 2. Literaire genres mondeling examen [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1 De literaire genres voor het mondeling gedeelte van het staatsexamen klassieke taal en letterkunde zijn in 1996:

    • a. Griekse taal en letterkunde:

      • historisch proza;

      • kernauteur: Herodotos;

    • b. Latijnse taal en letterkunde:

      • filosofisch proza;

      • kernauteur: Seneca.

  • 2 Als syllabi met betrekking tot deze beide literaire genres gelden de syllabi die zijn uitgebracht ten behoeve van het centraal examen en het schriftelijk gedeelte van het staatsexamen voor het jaar 1995 (Uitleg OenW-Regelingen 1993, 16).

Artikel 3. Bekendmaking [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling en de bijbehorende bijlagen zullen in Uitleg OenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 4. Inwerkingtreding [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OenW-Regelingen, waarin deze regeling is bekendgemaakt.

De

minister

van onderwijs en wetenschappen,

dr. ir. J.M.M. Ritzen

Bijlage 1 [Vervallen per 31-12-2004]

Vergilius

1. Het pensum [Vervallen per 31-12-2004]

Er is bij de selectie van het pensum vooral aandacht gegeven aan de volgende aspecten:

  • Het pensum is representatief voor de Aeneis als literair kunstwerk.

  • De selectie illustreert het cultuurhistorisch belang van het werk voor de Auguste5sche tijd en voor de 2000 jaar daarna.

  • Verder is de selectie gericht op de volgende drie thema's:

    • a. Literair: verteltechnieken, Homerus-imitatio, receptie.

    • b. Politiek ideologisch: teleologische geschiedschrijving, typologie, relatie met Augusteische ideologie.

    • c. Filosofisch/religieus: de rol van het Fatum/Jupiter, ideeën ontleend aan Stoa, Plato, Epicurisme, traditionele opvattingen over goden en onderwereld.

De met * gemarkeerde passages worden in vertaling gelezen; de tussen haakjes geplaatste passages worden aanbevolen als achtergrond bij de bovengenoemde thema's.

Boek I

1

33

prooemium

(prooemia van Ilias en Odyssee)

81

101

de storm.

Od. 5.291-332, Ov. Met. 11.474ff.)

180

209

toespraak van Aeneas tot zijn makkers.

(Od. 12.208-213)

*223

304

Venus' klacht en Jupiter's profetie.

418

440

Aeneas' aankomst in Carthago; de stad in aanbouw.

*441

493

afbeeldingen van scènes uit de Trojaanse oorlog.

494

508

komst van Dido.

*594

612

Aeneas begroet Dido.

613

630

Dido verwelkomt Aeneas.

(Od. 10.325-330)

Boek II

1

56

het paard van Troje; Laocoön.

*57

198

Sinon.

199

249

vervolg Laocoön.

(Vondel's Gijsbreght)

506

558

dood van Priamus.

Boek IV

1

89

Dido ‘gewond’ door de liefde.

*90

128

Juno en Venus.

129

172

de jacht en het ‘huwelijk’.

*173

195

Fama.

*219

237

bevel van Jupiter aan Mercurius.

*279

295

Aeneas' besluit om te vertrekken.

296

396

Dido en Aeneas.

437

449

Aeneas vergeleken met een eik.

*522

552

Dido's eenzame wake.

*584

629

Dido's vervloeking.

642

666

Dido's dood.

*693

705

Iris.

(Ovidius' Heroides VII)

Boek VI

*77

97

profetie van de Sibylle.

264

294

verschrikkingen aan de ingang van de onderwereld.

(Lucretius. de Rerum Natura 3.65–93)

450

476

een zwijgende Dido.

(Od. 11.541-567)

*547

607

de Tartarus.

*679

702

Anchises.

703

723

de zielen wachtend bij de Lethe.

*724

751

Anchises' filosofische explicatie: loutering en wedergeboorte.

788

807

Augustus, een tweede Hercules.

847

853

het eigene van Grieken en Romeinen.

893

901

de poorten van de slaap.

Boek VIII

*90

106

aankomst in ‘Rome’; Euander en Pallas.

*337

369

wandeling door ‘Rome’.

619

634

de nieuwe wapenrusting; op het schild: de wolvin.

*675

731

op het schild: Actium en Augustus.

Boek X

*1

80

godenvergadering: Jupiter, Venus en Juno.

81

95

Juno.

96

115

Jupiter onpartijdig.

*460

509

Turnus doodt Pallas.

(II. 16.431–449, 855–867; 17.192–208, Hector doodt Patroclus).

Boek XII

*791

842

Juno zwicht.

919

952

Aeneas doodt Turnus.

(II. 22.326–371, Achilles doodt Hector.)

De kandidaat kan tekstbegripvragen beantwoorden die betrekking hebben op de inhoud en de vorm van een voorgelegde tekst uit het pensum; thematiek en hoofdlijnen van dat pensum worden bekend verondersteld.

Een Latijnse tekst uit het pensum wordt in principe niet geannoteerd: wel kan de context kort worden omschreven. Het gebruik van een Latijn-Nederlands woordenboek is toegestaan.

2. Ontstaan en ontwikkeling van het epische genre [Vervallen per 31-12-2004]

2.1 De term epiek is een verzamelnaam voor alle verhalende literatuur.

De belangrijkste vorm van epiek was lange tijd die van het epos: een lang verhalend gedicht over legendarische personen en gebeurtenissen.

De geschiedenis van dit genre begint met Homerus' Ilias en Odyssee. De belangrijkste Latijnse epische dichters zijn Vergilius en Ovidius.

De voornaamste kenmerken van het Griekse en Romeinse epos zijn de volgende:

  • Inhoud: Belangrijke historische/mythologische gebeurtenissen. De personages zijn helden van een hoge sociale status (koningen, legeraanvoerders) en goden, die rechtstreeks in de handeling ingrijpen en daaraan ook zelf deelnemen.

  • Vorm: De zanger/dichter hanteert een verheven, door lange traditie gevormde stijl. De gebruikte versmaat is de dactylische hexameter.

  • Aristoteles stelt in zijn Poëtica de eis dat het epos één handeling omvat, waarvan de gebeurtenissen een duidelijke samenhang vertonen, dat het zich concentreert op één personage en dat het van hoog moreel gehalte is. Aan deze eis, die duidelijk aan het Homerische epos is ontleend, voldoen de meeste epen; de belangrijkste uitzondering in de Latijnse literatuur is Ovidius.

  • In het epos zijn de twee basisvormen van het vertellen in combinatie aanwezig: de ‘verslaggevende’ vertelling door de alwetende zanger/dichter en de ‘dramatische’ vertelling door de directe weergave van de woorden van de handelende personen.

2.2 Ontstaan en ontwikkeling van het Griekse epos

Ilias en Odyssee, toegeschreven aan Homerus, zijn in de achtste eeuw ontstaan als resultaat van een lange orale epische traditie. Sinds de Myceense tijd hadden beroepszangers epen gecomponeerd en mondeling aan hun opvolgers doorgegeven. Beide epen staan aan het eind van deze traditie van orale poëzie.

De kandidaat kan vragen beantwoorden m.b.t. het gelezen pensum waarbij de inhoud van de Ilias en de Odyssee en de (voor)geschiedenis van de Trojaanse oorlog bekend verondersteld worden, voor zover deze relevant zijn voor het pensum.

Tijdens het Hellenisme (derde eeuw v.Chr.) krijgt het genre epos een ander karakter. Alexandrijnse geleerden schreven epische poëzie bestemd voor een select publiek, dat met de oudere literatuur zeer vertrouwd was en vooral belangstelling had voor de manier waarop de dichters de traditie vernieuwden en varieerden. Terwijl bij Homerus het menselijk handelen in belangrijke mate door de goden werd bepaald, komt er nu ook aandacht voor psychologische factoren.

De Alexandrijnse dichters hebben grote invloed uitgeoefend op de Romeinse dichters; het geleerde karakter van hun virtuoze poëzie en de aandacht voor menselijke emoties vinden we terug in de epen van met name Vergilius en Ovidius.

2.3 Ontstaan en ontwikkeling van het Romeinse epos

In Rome werd het Homerisch epos geïntroduceerd door Livius Andronicus; hij vertaalde de Odyssee in het Latijn, ten behoeve van het onderwijs.

De Latijnse dichters werden zich al spoedig bewust van hun eigen artistieke vermogens en gingen een openlijke wedijver aan met de door hen bewonderde Griekse voorbeelden. Hun gedichten laten een bewuste verwevenheid zien met de Griekse literaire traditie, alsook een eigen originaliteit, die er steeds op gericht is de Griekse dichters te evenaren en te overtreffen.

Q. Ennius schreef in de tweede eeuw v.C. een historisch epos over de geschiedenis van Rome: Annales. Hierin behandelt hij de gebeurtenissen vanaf Aeneas' vlucht uit Troje tot zijn eigen tijd. In het begin van dit epos stelt hij zich voor als alter Homerus; de Griekse dichter was hem in een droom verschenen en had hem als zijn reïncarnatie aangewezen.

Vanaf de 1e eeuw werden in Rome ook didactische epen geschreven, qua vorm verwant aan het mythologisch/historisch epos. Zo geeft T. Lucretius Carus (ca. 94–55) in zijn De Rerum Natura de leer van de Griekse filosoof Epicurus in dichtvorm weer. Lucretius heeft grote invloed gehad op Vergilius, die zijn bewonderde voorganger regelmatig citeert en soms bestrijdt.

Het Romeinse epos bereikte zijn hoogtepunt in de dichter P. Vergilius Maro (70–19 v.Chr.). Een bijzondere plaats neemt de Metamorphosen van P. Ovidius Naso (43 v.Chr.-17 n.Chr.) in. Dit epos is een kaleidoscopisch geheel van 250 korte, vooral mythologische, verhalen over ‘gedaanteverwisselingen’, vanaf de schepping van de wereld tot en met de apotheose van Julius Caesar.

De kandidaat kan naar aanleiding van een voorgelegde tekst vragen beantwoorden waarbij de onder 2.2 en 2.3 geschetste ontwikkeling bekend verondersteld wordt.

3. Historische data [Vervallen per 31-12-2004]

In de Aeneis komen vaak verwijzingen voor naar de vroege geschiedenis van Rome (o.a. de stichting van Rome en de Punische oorlogen). Vooral de overgang van republiek naar principaat en de regeerperiode van keizer Augustus spelen in de Aeneis een rol van betekenis:

  • Rome's groei van stad tot wereldmacht;

  • patronus/cliens relatie,

  • het einde van de burgeroorlogen in de eerste eeuw v.C. met de slag van Actium (Octavianus'overwinning op Antonius en Cleopatra);

  • Octavianus wordt princeps senatus; heeft als imperator absolute macht, krijgt in 27 v.C. de eretitel Augustus;

  • Pax Augusta; strijd tegen corruptie en uitbuiting van de provincies;

  • herstel van de oude mores;

  • ondersteuning van de ideologie in architectuur en sculptuur (Ara Pacis en Forum Augusti); ook bij schrijvers vindt Augustus steun (Horatius, Vergilius, Ovidius).

Als illustratie van het bovengenoemde moet (in vertaling) gelezen worden:

  • Tacitus, Ann. I 1-4; Horatius, Carm. I 37.

  • Aanbevolen lectuur: P. Zanker, The Power of Images in the Age of Augustus, Ann Arbor 1988, hoofdstuk 4 en 5.

De kandidaat is in staat in een voorgelegde tekst de relatie met bovengenoemde historische gegevens te herkennen en te expliciteren.

4. P. Vergilius Maro [Vervallen per 31-12-2004]

4.1 Biografie

Vergilius werd geboren in 70 v.C. bij Mantua, in Gallia Cisalpina, dat pas in 49 v.C. het Romeins burgerrecht kreeg; zijn vader had een boerenbedrijf. Hij ontving onderwijs in Cremona, Milaan en Rome (retorica) Vergilius ambieerde geen politieke loopbaan, maar volgde in Napels een tijd lang onderwijs in het Epicurisme. Hij kende ook het werk van Lucretius.

Vanaf Vergilius' geboorte was het Romeinse rijk bijna continu het toneel van (burger)oorlogen en bloedige conflicten, hetgeen een duidelijke weerklank in zijn werk heeft gevonden.

In 19 v.Chr. ondernam Vergilius een reis naar Griekenland om zijn Aeneis te voltooien; door ziekte keerde hij voortijdig terug en overleed in Brindisi.

4.2 Werken

In 39 publiceert Vergilius de Bucolica, 10 herdersgedichten ook eclogae genoemd, waarin hij de pastorale wereld vermengt met de historische realiteit. De beroemdste ecloga is de vierde, waarin de geboorte van een kind wordt voorspeld, met wiens komst het Gouden Tijdperk zal terugkeren. Over de vraag wie het kind is bestaan verschillende opvattingen. De christenen zagen er al vroeg een aankondiging van de Messias in.

Tijdens het schrijven van de Bucolica raakt Vergilius bevriend met de invloedrijke Maecenas, die hem later bij Augustus introduceert.

In 29 v.C. publiceert Vergilius de Georgica, een gedicht over het boerenbedrijf in 4 boeken. Hij droeg het op aan Maecenas Vergilius schreef het in de dertiger jaren, een periode van grote politieke onrust na de moord op Caesar en van strijd om de macht tussen Octavianus en Antonius. Na de slag bij Actium was er naast vrees nu ook hoop dat er eindelijk een eind zou komen aan alle oorlogen en dat de jonge Octavianus vrede zou kunnen brengen. Aan het eind van het eerste boek bidt Vergilius vurig tot de goden: laat deze jongeman hulp brengen aan de chaotische wereld!

In de Georgica ligt de nadruk op het eenvoudige geluk van het harde boerenbestaan (labor), als metafoor voor het menselijk leven. Vergilius sluit daarmee aan bij het morele révell van Augustus.

Als illustratie van deze gegevens over het leven en werk van Vergilius moet (in vertaling) gelezen worden:

  • Vergilius Bucolica 1 en 4

  • Georgica 1 466–514.

De kandidaat is in staat in een voorgelegde tekst bovengenoemde gegevens over leven en werk van Vergilius te herkennen en te expliciteren.

5. De Aeneis [Vervallen per 31-12-2004]

5.1

De Aeneis is een mythologisch/historisch epos, waarin nauwe verbindingen worden gelegd met de Augusteïsche tijd. Het gedicht vertelt de lotgevallen van Aeneas, zoon van Venus en de Trojaanse vorst Anchises, die het door de Grieken veroverde Troje ontvlucht op zoek naar een nieuw vaderland. Geleid door het fatum reist hij via Carthago naar het Italische Latium, van waaruit zijn nakomelingen Rome zullen stichten. Het verhaal is een bewuste voortzetting van Homerus, maar dan gezien vanuit het perspectief van de verslagen Trojanen. De handeling begint op het moment dat de Trojaanse vloot schipbreuk lijdt bij Sicilië. Aeneas belandt op de Noordkust van Afrika, waar Dido bezig is Carthago te bouwen. Tijdens een feest vertelt Aeneas haar de gebeurtenissen van de voorafgaande zes jaar. Tussen beiden ontstaat een vurige liefde, maar de goden herinneren Aeneas aan zijn goddelijke opdracht en hij vertrekt. Uit wanhoop pleegt Dido zelfmoord. In het zevende jaar van zijn zwerftocht bereikt Aeneas tenslotte het beloofde Latium. De oorlog met de inheemse Italische volkeren, met als inzet het huwelijk met prinses Lavinia en de macht over Latium, beslaat de tweede helft van het gedicht. Het epos eindigt met Aeneas' overwinning op Turnus, de aanvoerder van de Latijnen en verloofde van Lavinia.

5.2

De keuze van Venus' zoon als stamvader van de Romeinen stemt overeen met oudere tradities en sluit aan bij de door Caesar gepropageerde afstamming van het Julische Huis. Het mythische verleden waarin de Aeneis zich afspeelt is op vele manieren verbonden met het historische heden van de Augusteïsche tijd, die hierdoor wordt voorgesteld als de vervulling van de gehele voorafgaande geschiedenis. In deze teleolo gische geschiedschrijving is de Pax Augusta het einddoel van een door de goden en het fatum beschikte ontwikkeling.

5.3

Een belangrijk kenmerk van de Romeinse literatuur is de creatieve wedijver met de grote Griekse voorbeelden (imitatio/aemulatio). Vergilius' belangrijkste model is Homerus, zoals direct blijkt uit de opbouw van zijn gedicht: de boeken 1–6 zijn een navolging van de Odyssee (zwerftocht), de boeken 7–12 volgen de structuur van de Ilias (oorlog). De Homerus-imitatio betreft vergelijkingen, scènes en typologische verbin dingen tussen personages. Zo is het slotduel tussen Aeneas en Turnus een bewuste navolging van het gevecht tussen Hector en Achilles, waarbij Turnus de rol van Hector wordt toebedeeld. De navolging is niet tot overeenkomsten beperkt. Het, Homerische model wordt door Vergilius vooral gebruikt om verschillen te benadrukken.

5.4 Interpretaties van de Aeneis

Bij de opvattingen over de ‘auteursintentie’ zijn twee uitersten te onderscheiden. (a) De Aeneis is een lofzang op het Romeinse imperium, beschrijft de vervulling van Rome's goddelijke opdracht tot wereldheerschappij (b) De Aeneis is een aanklacht tegen de waanzin van oorlog en de ‘corruption of power’, benadrukt de individuele slachtoffers (Dido, Turnus, Aeneas) die het stichten van het imperium heeft gekost. Genuanceerder is de interpretatie van Lyne, die naast de objectieve, ‘epische’ stem van de verteller tegenstemmen onderscheidt die de ‘lofzang’ nuanceren door ook de individuele opofferingen ten gunste van het grotere algemeen belang te benadrukken.

Nadere informatie hierover is te vinden in R.O.A.M. Lyne, Further Voices in Vergil's Aeneid, Oxford 1987.

De kandidaat kan in teksten uit het pensum voorbeelden van imitatio/aemulatio t.o.v. een voorgelegde vertaalde tekst uit Homerus herkennen en expliciteren.

De kandidaat is globaal bekend met de belangrijkste interpretaties van de Aeneis en kan deze kennis toepassen bij de inhoudelijke interpretatie van teksten uit het pensum of andere vertaalde teksten uit de Aeneis.

6. De filosofische en religieuze achtergrond [Vervallen per 31-12-2004]

Elementen uit de volgende filosofische stromingen zijn van belang voor de interpretatie van het pensum.

6.1. Plato

Plato's wereldbeeld is dualistisch: er is ónze wereld en er is de onzichtbare, onsterfelijke, goddelijke wereld van de Ideeën, de ware vormen. In de mens is het lichaam het aardse, sterfelijke element en de ziel het goddelijke, onsterfelijke. Tijdens het leven is de ziel opgesloten in het lichaam als in een gevangenis en heeft daardoor zijn zuivere staat verloren. Na een reinigingsproces (straffen) in de onderwereld keert de ziel in een ander lichaam terug op aarde (reincarnatie). Sommigen die vlekkeloos geleefd hebben komen na hun dood in het Elyseum (eilanden der gelukzaligen)

6.2. Stoa

Het wereldbeeld van de Stoa is monistisch: er is een eenheid in de natuur, bewerkt door en opgebouwd uit vuur: een vurige adem (sacer spiritus) heeft de dingen tot stand gebracht. Alles is dus ‘van vuur’; dit vuur is identiek met Ratio (Rede, Denkkracht): alles zit rede-lijk in elkaar.

Er is geen toeval; de Ratio is tegelijk Fatum, werkt doelbewust en ziet vooruit, verdient de naam Providentia en zelfs Deus.

De mens die een deel is van de natuur is een met ratio begiftigd wezen; zijn opdracht is secundum naturam vivere: leven volgens de natuur i.e. de ratio.

De mens moet er naar streven een vir sapiens te worden; op weg naar dat (bijna onbereikbare) doel is hij proficiens, iemand die langzaam vordert.

Het hoogste goed (summum bonum), dat tevens geluk betekent, is het streven naar virtus (morele kwaliteit, gerichtheid op het goede); deugden als fortitudo, temperantia, clementia en pietas ondersteunen dit streven.

Leven volgens de ratio betekent ook het buitensluiten van emoties, zoals medelijden, woede, afgunst: leven in een toestand van apatheia.

6.3. Epicurisme

De Griekse filosoof Epicurus definieert het menselijk geluk als onverstoorbaarheid en verzet zich daarom tegen vrees voor goddelijk ingrijpen en angst voor een leven na de dood. Deze angsten zijn onnodig: Epicurus ontkent het bestaan van goden niet maar deze bemoeien zich niet met de wereld en de mensen en er bestaat geen onderwereld. Zijn wereldbeeld is materialistisch: atomen en lege ruimte. Alles is stoffelijk, ook de mens; de ziel valt met het lichaam na de dood in atomen uiteen. Als illustratie van de opvattingen van het Epicurisme moet (in vertaling) gelezen worden Lucretius De rerum natura 3.978–1023.

De kandidaat kan in een voorgelegde tekst de invloed van deze filosofische stromingen herkennen en tevens aangeven hoe deze filosofische ideeën in een bepaalde context worden toegepast.

6.4 Fatum – Jupiter

Een grote rol in de Aeneis speelt het Fatum: het vaste verloop der dingen is inexorabile en ineluctabile, niet te vermurwen en onontkoombaar. Fatum (fari-spreken) is (goddelijke) uitspraak, (goddelijke) wil. Bij Vergilius zijn Jupiter en het Fatum een twee-eenheid: Jupiter kent het Fatum en laat het gebeuren. In 1.279 spreekt hij zich uit: Imperium sine fine dedi; de macht van Rome is zijn wil. Aeneas vervult het Fatum; gaandeweg wordt zijn bestemming hem duidelijk, met name na zijn blik op de toekomst in boek 6; aan het eind van boek 8 neemt hij het schild waarop de toekomstige geschiedenis van Rome staat afgebeeld op zijn schouders (attollens umero famamque et fata nepotum, 8.731).

Het Fatum bekommert zich om Rome en leidt tot de Pax Augusta. Het Fatum, positief ten aanzien van Rome, bekommert zich niet om individuen, zoals Dido en Turnus. Hun persoonlijk fatum is ondergeschikt aan het uiteindelijke doel. Deze fata zijn vaak bitter en wreed en vormen de sombere ondertoon in de Aeneis.

6.5 De overige goden

In tegenstelling tot Jupiter hebben de andere goden persoonlijke belangen en rancunes. Juno's wrok tegen de Trojanen wordt in de Aeneis de sturende kracht van het verhaal. Zij kent het Fatum maar zal zo lang mogelijk tegenwerken (at trahere atque moras tantis licet addere rebus, 7.315). Uiteindelijk verzoent Juno zich, zodat Rome's bestaan gebaseerd is op de eensgezindheid van alle goden (sit Romana potens Itala virtute propago, 12.818).

Apollo heeft in de Aeneis een bijzondere plaats: Aeneas wordt met hem vergeleken in boek 4, hij staat centraal op het schild in boek 8, de Sibylle in boek 6 is de profetes van Apollo en hij wordt in één adem genoemd met het Fatum in boek 3: fata viam invenient aderitque vocatus Apollo, 3.395). Deze rol moet worden verklaard uit de speciale band Augustus-Apollo: de god heeft bij Actium geholpen en kreeg een tempel op de Palatijn.

De kandidaat kan n.a.v. een voorgelegde passage vragen beantwoorden over de rol van het Fatum, Jupiter en de overige goden in de Aeneis.

7. Receptie [Vervallen per 31-12-2004]

Uit de receptiegeschiedenis van de Aeneis worden drie onderwerpen gekozen:

  • a. De val van Troje (boek II): imitatie en contaminatie van citaten en van figuren in Vondels Gijsbreght.

  • b. De relatie Dido en Aeneas (boek IV): ironisering en omkering bij moderne dichters als J.Brodsky, W.J.Otten en Hans Berghuis.

  • c. De katabasis (boek VI): allegorisering in Dante's Divina Commedia.

Hiertoe dienen te worden gelezen uit het eerste bedrijf van de Gijsbreght de verzen 296–414 en voorts het vierde en vijfde bedrijf. Van de Divina Commedia van Dante dienen (in vertaling) te worden gelezen de canto's 1 t/m 5 van het Inferno.

Literatuur:

  • (a en c) Rudi van der Paardt, De goddelijke Mantuaan. Vergilius in de Nederlandse letterkunde, Leiden 1987.

  • (b) Guus Middag, lk ben een napraatpapagaai, Amsterdam 1990.

  • (c) Colin Hardie, Virgil in Dante, in: Charles Martindale (ed.), Virgil and his Influence, Bristol 1984, p. 37–69.

De kandidaat is in staat in bovengenoemde teksten uit Vondel en Dante de relatie met Vergilius' Aeneis te expliciteren en toe te lichten hoe daar de aan Vergilius' Aeneis ontleende elementen voor eigen doeleinden zijn gebruikt.

De kandidaat is in staat in Nederlandse gedichten uit de twintigste eeuw en in het Nederlands vertaalde gedichten uit de twintigste eeuw die een aanwijsbare relatie met de Vergiliaanse Dido/Aeneas-thematiek hebben, deze relatie te expliciteren en te analyseren.

8. Taal, stijl, verteltechniek en metriek [Vervallen per 31-12-2004]

De omschrijving door de CEVO van de minimumkennis op het gebied van morfologie en syntaxis vormt het uitgangspunt bij de annotatie van de te vertalen tekst. Daarnaast worden de volgende grammaticale, stilistische, narratieve en metrische verschijnselen bekend verondersteld.

8.1 Taal

  • Verkorte vormen:

    genit. plur. –um (Danaum, divum) di/ dii, mi/ mihi vormen afgeleid van de perf. stam (amarunt, amasse, implessem) pers. fut.(tiere/patieris)

  • verba verbonden met een dat./acc./abl. zonder prepositie

  • dativus:dat. finalis (it clamor caelo) dat. auctoris

  • accusativus:acc. respectus (tusae pectora)

  • Predicatief gebruik van adiectiva en participia (premit altum corde dolorem)

  • simplex pro composito

  • collectief gebruik van substantiva

8.2 Stijl (figuren)

  • litotes

  • hyperbool

  • metonymie

  • metafoor

  • allegorie

  • vergelijking

  • ironie

  • tricolon

  • polysyndeton en asyndeton

  • zeugma

  • alliteratie

  • chiasme

  • enallage

  • retorische vraag

8.3 Verteltechniek

  • verteltijd/ vertelde tijd

  • retro-/ prospectieve verhaalelementen

  • vertelperspectief

  • commentaar van de verteller

  • subjectieve/ objectieve stijl

  • pathos

  • ringcompositie

  • epische vergelijkingen:

  • primaire functie: illustratie van een onderdeel van het verhaal.

  • secundaire functie: aan de vertelling toegevoegde waarde zoals pathos, vooruitwijzing, leitmotiv.

  • het tertium comparationis.

  • thema (algemene grondgedachte) en motief (herhaald en betekenisvol element; bijv. ‘zoektocht naar de vader’)

8.4 Metriek

Hexameter, elisie, basisregels prosodie

De kandidaat kan een tekst uit Vergilius' Aeneis vertalen, deze tekst is geannoteerd, maar de bovengenoemde morfologische en syntactische verschijnselen worden in principe bekend verondersteld. Het gebruik van een Latijn-Nederlands woordenboek is toegestaan.

De kandidaat kan in een tekst bovengenoemde begrippen uit de stilistiek en verteltechniek herkennen en analyseren en eventueel de functie ervan aangeven.

De kandidaat kan een dactylische hexameter scanderen; de cesuren worden niet bekend verondersteld.

Bijlage 2 [Vervallen per 31-12-2004]

Homerus

1. Het pensum [Vervallen per 31-12-2004]

Centraal in het pensum staan de ontmoetingen van Odysseus:

  • tijdens zijn zwerftocht, met onbekenden (Kalypso, Nausikaä, Kykloop, Sirenen)

  • bij zijn terugkeer, met vertrouwden (Eurnaios, Telemachos, Eurykleia, Penelope).

De volgende teksten moeten gelezen worden. Bij de teksten in de tweede kolom kan volstaan worden met een behandeling in vertaling.

In het Grieks In vertaling Onderwerp

1.1-95

 

aanhef/godenvergadering

 

5.1-148

godenvergadering

5.149-227

 

Kalypso

 

6.1-109

Nausikaä

6.110-250

 

Nausikaä

 

9.216-465

Kykloop

12.153-200

 

Sirenen

 

14.1-108

Eumaios

14.109-190

 

Eumaios

16.1-45

 

Telemachos

16.154-219

 

Telemachos

19.349-393

 

Eurykleia

19.467-502

 

Eurykleia

23.85-240

 

Penelope

De kandidaat kan vragen beantwoorden die betrekking hebben op de inhoud en de vorm van een voorgelegde tekst uit het pensum; thematiek en hoofdlijnen van het pensum worden bekend verondersteld.

Een Griekse tekst wordt niet geannoteerd; wel kan de context kort worden omschreven. Het gebruik van een Grieks-Nederlands woordenboek is toegestaan.

2. Genre en kernauteur [Vervallen per 31-12-2004]

2.1 Epiek

  • Algemeen: lange verhalende gedichten over goden en helden; verhalencycli rond bepaalde helden of steden.

  • Homeros: verhalen, geconcentreerd rond de Trojaanse oorlog en de terugkeer van Odysseus: idealisering van de heldentijd.

  • orale poëzie:

    • rondtrekkende zangers; hun maatschappelijke functie;

    • hun goddelijke inspiratiebron;

    • parallellen met moderne orale epiek.

Ter illustratie moet (in vertaling) gelezen worden: Hom. Od. 8.62–92 en Od. 8.470–498.

Nadere gegevens over de aard en functie van epiek zijn bijvoorbeeld te vinden in S.R. Slings, De dichter als bewaker van het verleden, Bzzlletin 175, april 1990, p. 3–11.

De kandidaat kan bovengenoemde begrippen en verschijnselen hanteren bij de beantwoording van vragen betreffende het pensum en secundaire literatuur.

2.2 Homeros en ontstaan van Ilias en Odyssee

Ten aanzien van het ontstaan van de Ilias en de Odyssee en de persoon van Homeros zelf bestaan meer vragen dan antwoorden. Al in de oudheid wist men niet precies waar en wanneer hij leefde en of de Ilias en Odyssee wel allebei van zijn hand waren. Sinds de achttiende eeuw is hier nog de ‘Homerische kwestie’ bijgekomen: de controverse tussen Unitariërs en Analytici.

Tenslotte heeft de ‘oral poetry’ school een nieuwe vraag opgeworpen: Zijn de Ilias en Odyssee, zoals wij ze nu kennen, mondeling of schriftelijk ontstaan?

De kandidaat kan naar aanleiding van een voorgelegde tekst inzicht tonen in de vragen die bestaan met betrekking tot de persoon van Homeros en het ontstaan en de overlevering van Ilias en Odyssee.

2.3 Historisch/archeologisch kader

  • historisch:
    • oikos als kleinschalige economische eenheid

    • gastvriendschap en gastgeschenken

    • leiderschap en opvolging

  • archeologisch:

    • wereld van Ilias en Odyssee: elementen uit late bronstijd (burchten, lineair B) en uit de ijzertijd (crematie, kleinschalige clanmaatschappij.)

De kandidaat kan bovengenoemde begrippen hanteren bij de beantwoording van vragen betreffende het pensum en secun daire literatuur.

Nadere informatie over de historische en archeologische achtergrond is bijv. te vinden in D.G. Yntema, Homerus en de archeologie, Bzzlletin 175, april 1990, p. 12–19 en in M.I. Finley, The World of Odysseus, Harmondsworth²) 1978.

2.4 Rol van de goden

De Homerische goden zijn onsterfelijk en verouderen niet. Ze leven op de Olympos (6.41–46). Ze zijn antropomorf, vertonen menselijke emoties (bijv. medelijden).

Hun maatschappij lijkt op die van de mensen; de andere goden zijn ondergeschikt aan Zeus (vgl. Kalypso en Poseidon in boek 5).

De goden grijpen van tijd tot tijd in de gebeurtenissen in en volgen de verrichtingen van de stervelingen. Ze kunnen aan hen verschijnen (meestal in menselijke gedaante, vgl. 6.22–24), hun gedachten, moed of een verhaal inblazen (1.10, 6.140), hen verfraaien (6.229–235) en misleiden (16.194–200). In de Odyssee is het vooral Athene die als een soort beschermengel Odysseus en Telemachos voortdurend met raad en daad terzijde staat. Ook kan ze als een regisseur de loop van de gebeurtenissen sturen (begin boek 6).

De goden kunnen de stervelingen ook ellende bezorgen. Dit gebeurt niet willekeurig, maar op grond van iemands lot. In de Odyssee wordt het (nieuwe?) idee verkondigd dat stervelingen zich door hun daden meer leed op de hals halen dan nodig is, d.w.z. dan hun toegedacht door het lot (1.32–43).

De kandidaat kan begrip van de functie van de goden in de Ilias en Odyssee demonstreren aan de hand van een gelezen of een ongelezen tekst.

2.5 De Ilias en de voorgeschiedenis van de Trojaanse oorlog

  • Parisoordeel

  • schaking van Helena

  • Trojaanse oorlog

  • hoofdelementen uit de Ilias:

    • conflict Achilleus / Agamemnon

    • Hektor / Andromache

    • rol van Patroklos; zijn dood

    • dood van Hektor

    • Priamos / Achilleus

De kandidaat kan vragen, waarbij bovengenoemde elementen een rol spelen, beantwoorden zonder dat deze elementen zijn toegelicht.

2.6 Overzicht van de inhoud van de Odyssee

  • Godenvergadering

  • Telemachos in Pylos en Sparta

  • Tweede godenvergadering

  • Odysseus/Kalypso

  • schipbreuk

  • ontvangst bij de Faiaken

  • retrospectie: de avonturen

  • aankomst op Ithaka

  • ontmoetingen met Eumaios, Telemachos, Eurykleia

  • wedstrijd boogschieten

  • dood van de vrijers

  • herkenning Penelope

  • herkenning Laërtes

De kandidaat is in zoverre vertrouwd met de inhoud van de Odyssee dat hij in staat is passages uit de Odyssee, eventueel voorafgegaan door een korte inleiding die de context aangeeft, te plaatsen binnen het totale werk.

3. Receptie [Vervallen per 31-12-2004]

Voor de receptie van de Odyssee is gekozen voor een thematische benadering met het accent op:

  • enkele ontmoetingen van Odysseus die in het pensum voorkomen: Nausikaä, Sirenen, Kykloop en Penelope

  • het thema van de terugkeer.

Deze thema's zijn zowel in de literatuur als in de beeldende kunst vaak gebruikt. In beide kunstvormen kan een verband gelegd worden met de tijd van de kunstenaar of met een stroming waartoe hij gerekend wordt. Ook hier is een keuze gemaakt:

  • de 17e eeuwse Hollandse schilderkunst (allegorisch/moraliserend)

  • het postmodernisme van de 20ste eeuw (ironie en allusie)

  • de Nederlandse literatuur van vlak na de oorlog. De symboliek van de terugkeer (bevrijding c.q. vervreemding) die in alle—vooral slechte- tijden voorkomt, is in de Nederlandse literatuur dan een opvallend thema.

De kandidaat kan aan de hand van een literaire tekst of een afbeelding van een kunstwerk aangeven in welke van de bovengenoemde receptietradities het werk staat. Hiertoe kan hij specificeren welke elementen uit de bovengenoemde thema's uit de Odyssee zijn gebruikt en welke nieuwe lading deze krijgen in het betreffende werk.

De literaire teksten betreffen alleen teksten uit de Nederlandse literatuur, eventueel in samenvatting.

Nadere informatie over de receptie van Homeros is o.a. te vinden in:

  • Caroline Fisser, Homerus in beeld: De receptie van Homerus in de beeldende kunst, in: Receptie van de klassieken III, Amsterdam 1991, p. 12–45.

  • Rudi van der Paardt, Sporen van de dichter. Invloed van Homerus sinds Tachtig, in Mythe en Metamorfose, Amsterdam 1991, p. 9–28.

4. Vormgeving [Vervallen per 31-12-2004]

4.1. Metriek

  • -

    de dactylische hexameter

  • -

    variatie in vormen, gebruikt om te voldoen aan de eisen die het metrum stelt:

  • -

    metrische diectasis (òρóων)

  • -

    apocope (κáßßαλε, κáδ)

  • -

    metrische verlenging (Οϋλυμπoς naast Ολυμπος )

  • -

    het naast elkaar voorkomen van vormen met enkele en met dubbele medeklinker (Oδυσσευ'ς naast Oδυσευ'ς , Ěλλαßον naast Ěλαßον)

  • -

    nevenvormen (Ěταρος naast Ěταîρος )

De kandidaat kan een dactylische hexameter scanderen; de cesuren worden niet bekend verondersteld.

De kandidaat kan de onder 4.1 genoemde verschijnselen in een gelezen of ongelezen tekst herkennen.

4.2 Morfologie

Bekend verondersteld wordt de door de CEVO vastgestelde minimumkennis op het gebied van morfologie en syntaxis. Daarnaast moeten de volgende elementen uit het Homerisch taaleigen bekend zijn:

  • algemeen

    • -

      niet-gecontraheerde en anders dan in het Attisch gecontraheerde vormen (νóος , στεα, -ευ in plaats van -ου)

    • -

      patronymica op -ίων, -ίδης , -ιάδης

    • -

      voorzetsel in anastrofe (6.160: του Ěκ = έκ του)

  • verbum

    • -

      iteratief suffix in historische tijden (-σκ-)

    • -

      tmesis

    • -

      facultatief augmentgebruik

    • -

      uitgangen:

      • 2de pers.sg. med.: -εαι/-ηαι; -εο/-ευ

      • coniunctivus met “dubbele” uitgang: -ω + μι, -ης + θα, -η + σι (ν) (6.189: έθέ λησιν)

      • 3de pers.pl.: -ν = -ησαν (πλήσθεν, Ěσταν)

      • dualisuitgangen: -τον -σθον

        -την -σθην

      • infinitivusuitgangen: -μεν, -μεναι en -εμεν, εμεναι

    • -

      coniunctivus met korte themavocaal

    • -

      afwijkende vormen van εíμí, εíμι, οíδα en φημí

    • -

      aoristus mixtus (έδύσετο, íξον)

de volgende van het Attisch afwijkende vormen:

γíγνομαι

 

γέγονα, γεγάμεν, γεγαώç

   

δείδοικα, δείδια

δύναμαι

έδυνησάμην

 

Ěρχομαι

ήλ (υ)θον

 

κíνυμαι

Ěκιον

 

κτεíνω

Ěκταν(ον)

 

κυνέω

Ěκυσα

 
   

μέμονα, μέμαμεν, μεμάασι, μεμαώς

ŏρνυμι

ώρσα

ŏρωρα

 

ώρορον

 

ŏρνυμαι

ώρμην

 

πεíθω

 

πεποιθώς

(έ)ρύομαι

 

εĭρυμαι

τέρπομαι

έτάρπην

 

τεύχω

 

τέτυγμαι

 

Ěτλην

τέτλαμεν, τετληώς

φράζω

έπέφραδον

 

φράζομαι

έφρασ(σ) άμην

 
 

έφράσθην

 

nomina

  • -

    uitgangen:

    • *

      gen.s.: -οιο, -αο/-εω

    • *

      gen.pl.: -άων, -έων

    • *

      dat.pl.: -ησ ι(ν), -ης, -οισι(ν), -εσ(σ)ι(ν)

    • *

      dualisuitgangen

    • *

      verbuiging van νηύς en Ζεύς

  • -

    suffixen: -θι, -δε, -σε, -θεν, -φι

pronomina:

  • -

    pronomina personalia

    van het Attisch afwijkende vormen als έ, μιν, σφιν, οí, τοι, σφι(σιν)

  • -

    pronomina possessiva

  • -

    lidwoord met demonstratieve betekenis

  • -

    pronomina relativa beginnend met τ

  • -

    pronomina rel. indefinita: ŏτ(τ)ευ, ŏτεψ ŏτεων, άσσα

  • -

    pronomina interrogativa: τεΰ, τέψ τέων

  • -

    pronomina indefinita: τευ, τεψ τεων

4.3 Syntaxis

  • -

    κε/κ' / X' /κεν = άν

  • -

    het gebruik van κε/άν is minder gereguleerd dan in het Attisch.

De kandidaat kan een tekst uit de Ilias of de Odyssee vertalen; deze tekst is, waar nodig, geannoteerd, maar de genoemde morfologische en syntactische verschijnselen worden in principe bekend verondersteld. Het gebruik van een Grieks-Nederlands woordenboek is toegestaan.

4.4 Stijl(figuren)

  • -

    epitheton ornans

  • -

    ringcompositie

  • -

    typische scene

  • -

    ironie:bewust (Een personage zegt met opzet iets anders dan wat hij werkelijk bedoelt.)

onbewust (Een personage zegt onbewust iets dat voor de lezer/toehoorder een heel andere betekenis heeft.)

4.5 Verteltechniek

  • 1. Commentaar van de verteller

    bijv. Od. 1.8; 6.66–67.

  • 2. Prospectieve en retrospectieve verhaalelementen

    bijv. 1.16–19; 6.4–12; 19.394–466.

  • 3. Woorden en gedachten van goden kunnen de structuur van het verhaal verduidelijken.

    bijv. 5.1–52; 6.113–114.

  • 4. Homerische vergelijkingen:

    • -

      primaire functie: illustratie van een onderdeel van het verhaal.

    • -

      secundaire functie: aan de vertelling toegevoegde waarde zoals pathos, vooruitwijzing, Leitmotiv.

      bijv. 6.102–109; 6.130–136; 6.232–235; 16.216–218.

    • -

      het tertium comparationis.

    • -

      de voor de Odyssee typische “omkeer” vergelijking (man vergeleken met vrouw, meester met dienaar).

      bijv. 16.17–21; 23.233–239.

  • 5. Thema (algemene grondgedachte) en motief (herhaald en betekenisvol element; bijv. de uitgestelde herkenning in boek 16, 19 en 23; gastvrijheid (de goede en de slechte gastheer in resp. Eumaios en Polyphemos).

Nadere informatie over de bovengenoemde begrippen uit de verteltechniek is o.a. te vinden in Irene J.F.de Jong, In betovering gevangen, Amsterdam 1992.

De kandidaat kan in een tekst bovengenoemde begrippen en stilistische verschijnselen herkennen, analyseren en de functionaliteit ervan aangeven.