Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Toepassing van het nieuwe Nederlands-Amerikaanse belastingverdrag van 18 december [...] verdrag en halfjaarlijkse rapportage aan de Staten-Generaal[Regeling vervallen per 21-08-2010 met terugwerkende kracht tot en met 13-08-2010.]

Geldend van 04-05-1994 t/m 12-08-2010

Toepassing van het nieuwe Nederlands-Amerikaanse belastingverdrag van 18 december 1992, procedure voor het aannemelijk maken van verdragsgerechtigdheid, Triangular cases, centraal meldpunt voor eventuele vragen over de toepassing van het verdrag en halfjaarlijkse rapportage aan de Staten-Generaal

Inleiding [Vervallen per 21-08-2010]

1. Algemeen [Vervallen per 21-08-2010]

In artikel 26 van de Overeenkomst tussen Nederland en de VS van Amerika van 18 december 1992, zoals gewijzigd bij het Protocol van 13 oktober 1993 (boekwerk IFZ nr. 50.00.00); in het vervolg: het Verdrag) worden nadere eisen gesteld aan personen die aanspraak willen maken op toepassing van het Verdrag. Deze nadere voorwaarden gelden zowel ten aanzien van inwoners van Nederland die aanspraak willen maken op toepassing van het Verdrag door de VS van Amerika, als voor inwoners van de VS van Amerika die aanspraak willen maken op toepassing van het Verdrag door Nederland (zie uitvoeringsregeling nr. IFZ93/1292 van 30 september 1993 en mededeling 23, nr. IFZ93/1331 van 20 december 1993). In deze resolutie wordt alleen ingegaan op de situatie waarbij inwoners van Nederland aanspraak willen maken op toepassing van het Verdrag door de VS van Amerika.

Een persoon die op de voet van artikel 4 van het Verdrag wordt aangemerkt als inwoner van Nederland en inkomen verkrijgt uit de VS van Amerika, is alleen gerechtigd tot de voordelen van het Verdrag indien wordt voldaan aan een van de in artikel 26 neergelegde toetsen, dan wel indien een beroep op de zogenoemde vangnetbepaling door de Amerikaanse bevoegde autoriteiten is gehonoreerd. Aan in Nederland woonachtige natuurlijke personen en de Nederlandse Staat, of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, worden in artikel 26 geen nadere voorwaarden voor de verdragsgerechtigdheid gesteld. Van andere dan de hiervoor genoemde Nederlandse personen die aanspraak maken op de voordelen van het Verdrag kan door de Amerikaanse belastingautoriteiten worden verlangd, dat aannemelijk wordt gemaakt, dat zij op basis van een van de toetsen van artikel 26 gerechtigd zijn tot die voordelen.

Aan personen die voldoen aan de in artikel 26 van het Verdrag gestelde nadere voorwaarden voor vedragsgerechtigdheid en die uit de VS van Amerika rente- of royalty-inkomsten ontvangen die zijn toe te rekenen aan een vaste inrichting van die personen in een derde staat (zogenoemde triangular cases) worden in artikel 12, lid 8, en in artikel 13, lid 6, van het Verdrag nadere eisen gesteld ingeval die personen, ter zake van deze inkomensbestanddelen aanspraak willen maken op een vrijstelling van bronbelasting in de VS van Amerika. Ook in deze gevallen kan door de Amerikaanse belastingautoriteiten worden verlangd dat de betrokken personen aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 12, lid 8, respectievelijk artikel 13, lid 6.

De verdragsluitende partijen hebben onderkend dat het leveren van bewijs een zware administratieve last kan leggen op belastingplichtigen. De bevoegde autoriteiten hebben daarom in onderling overleg een procedure ontwikkeld die door belastingplichtige kan worden gebruikt voor het verstrekken van de informatie benodigd om de gerechtigdheid tot de verdragsvoordelen in de VS van Amerika (bij de inhoudingsplichtige en de belastingdienst) aannemelijk te maken. Daarbij is ernaar gestreefd te komen tot een relatief eenvoudige procedure, waarbij bovendien de frequentie van de plicht tot informatieverstrekking voor belastingplichtigen zoveel mogelijk is beperkt. Deze procedure geldt vooralsnog tot eind 1997.

Voor Nederlandse belastingplichtigen is het formulier ‘IB 93 USA’ ontwikkeld (zie bijlage 1) dat dient te worden beschouwd als hulpmiddel om verdragsgerechtigdheid in de VS van Amerika te kunnen onderbouwen. Bij het invullen van dit formulier kan gebruik worden gemaakt van het in bijlage I bij het formulier opgenomen doorloopschema (zie bijlage 2). Het formulier ‘IB 93 USA’ wordt na invulling en ondertekening door belastingplichtige geviseerd door de in zijn geval bevoegde Inspecteur van de Belastingdienst. De door de bevoegde Inspecteur ondertekende zgn. ‘artikel-26-verklaring’ kan door de belastingplichtige worden gebruikt om in de VS van Amerika (bij de inhoudingsplichtige en de belastingdienst) aannemelijk te maken dat hij gerechtigd is tot de voordelen van het Verdrag.

Het exemplaar van de artikel-26-verklaring voor de Amerikaanse belastingautoriteiten dient vergezeld te worden door een door belastingplichtige ingevulde list van geschatte jaarlijkse ontvangsten aan dividend-, interest- en royalty-inkomen uit al zijn Amerikaanse bronnen gezamenlijk (deze lijst is gevoegd achter het eerste exemplaar van het formulier ‘IB 93 USA’). Deze lijst wordt niet door de bevoegde Inspecteur geviseerd. Daarnaast dient het exemplaar van de artikel-26-verklaring voor de Amerikaanse bevoegde autoriteiten vergezeld te worden door een door de bevoegde Inspecteur ingevulde lijst van ‘verklaringen en bij de visering van het formulier ‘IB 93 USA’ gebruikte bewijsmiddelen‘ (zie bijlage 3). In die gevallen waar geen visering van de gebruikte bewijsmiddelen is vereist, dient de Inspecteur door middel van een vink aan te geven dat er geen reden is om te veronderstellen dat er een relevante wijziging in feiten en omstandigheden heeft plaatsgevonden sedert het moment waarop visering wel heeft plaatsgevonden en dient hij voorts door middel van een vink aan te geven welke bewijsmiddelen hij destijds wel heeft geviseerd. Een kopie van de door de bevoegde Inspecteur ingevulde lijst van ‘verklaringen en bij de visering van het formulier “IB 93 USA” gebruikt bewijsmiddelen’ dient te worden gedeponeerd in het op de eenheid aanwezige dossier van belastingplichtige. Deze informatie kan immers van belang zijn bij een eventueel later verzoek om inlichtingen van de Amerikaanse bevoegde autoriteiten. Elke afgegeven artikel-26-verklaring zal door de bevoegde Inspecteur worden voorzien van een dergelijke lijst van ‘verklaringen en bij de visering van het formulier “IB 93 USA” gebruikte bewijsmiddelen’. Voor alle duidelijkheid zij nog opgemerkt dat niet alle op de lijst vermelde mogelijke bewijsstukken behoeven te worden overgelegd. Uiteraard moet wel sprake zijn van voldoende materiaal om de aanspraak op verdragsgerechtigdheid te kunnen onderbouwen; hoe beter het bewijs, hoe kleiner de kans dat de Amerikaanse bevoegde autoriteiten de toekenning van verdragsvoordelen opnieuw ter discussie zullen stellen.

Het is niet zo dat de Amerikaanse fiscus zonder meer gehouden is aan een door de Nederlandse Inspecteur afgegeven artikel-26-verklaring. Zoals gebruikelijk, is het de VS van Amerika, zijnde de staat waarvan een fiscale tegemoetkoming wordt gevraagd, die uiteindelijk bepaalt of de verdragsvoordelen inderdaad worden toegekend. In dit opzicht biedt de artikel-26-verklaring dus geen garantie voor verdragsgerechtigdheid. Wel mag de inhoudingsplichtige, tenzij hij beter weet of behoort te weten, afgaan op een artikel-26-verklaring, hetgeen betekent dat die inhoudingsplichtige is gevrijwaard van navorderingen en sancties ingeval de Amerikaanse fiscus bij toetsing achteraf tot de conclusie komt dat er geen sprake was van verdragsgerechtigdheid. Voorts is de verklaring uiteraard ook bedoeld als hulpmiddel voor de Amerikaanse fiscus zelf om tot een (positief) oordeel te kunnen komen in gevallen waarin men het verlenen van verdragsvoordelen (achteraf) wil toetsen. De verwachting is echter dat verschillen van inzicht slechts in incidentele gevallen zullen ontstaan.

Door een ieder, anderen dan in Nederland woonachtige natuurlijke personen en de Nederlandse Staat, of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, die een verzoek doet om toekenning van de verdragsvoordelen en voor iedere inhoudingsplichtige dient, indien men van dit hulpmiddel gebruik wil maken, een afzonderlijk formulier ‘IB 93 USA’ te worden ingevuld.

2. Geldigheidsduur van de verklaring en periodieke toetsing [Vervallen per 21-08-2010]

De verklaring is geldig voor het gehele kalenderjaar waarvoor deze is afgegeven, tenzij zich in de loop van dat kalenderjaar voor het afgeven van deze verklaring relevante wijzigingen in feiten en omstandigheden voordoen.

Indien zich geen relevante wijzigingen in feiten en omstandigheden voordoen, zal belastingplichtige niet elk jaar opnieuw, door middel van het overleggen van bewijsstukken jegens de bevoegde Inspecteur aannemelijk hoeven te maken dat hij tot de voordelen gerechtigd is; er vindt slechts een periodieke toetsing plaats. Indien zich geen relevante wijzigingen in feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, zal de bevoegde Inspecteur de verklaring jaarlijks verlengen. Ten behoeve van de periodieke toetsing dient een verzoek tot afgifte van de artikel-26-verklaring alleen in de volgende gevallen vergezeld te gaan van de onderliggende bewijsstukken:

  • indien voor de eerste maal een beroep wordt gedaan op een van de toetsen van artikel 26 of op de afgifte van een artikel-26-verklaring op basis van een door de Amerikaanse bevoegde autoriteiten gehonoreerd beroep op de in artikel 26, lid 7, neergelegde vangnetbepaling, en, voorzover van toepassing, indien voor de eerste maal ter zake van uit de VS van Amerika ontvangen rente- of royalty-inkomsten op basis van artikel 12, lid 8, respectievelijk artikel 13, lid 6, wordt verzocht om een vrijstelling van bronbelasting in de VS van Amerika en in elk derde daarop volgende jaar waarvoor om de afgifte van een artikel-26-verklaring wordt verzocht; dan wel

  • in elk jaar waarin zich een relevante wijziging in de feiten en omstandigheden heeft voorgedaan en in elk derde daarop volgende jaar waarvoor om de afgifte van een artikel-26-verklaring wordt verzocht.

Ook voor die jaren waarvoor de bewijsstukken niet behoeven te worden overgelegd aan de bevoegde Inspecteur dient de verzoeker deze bewijsstukken op een zodanige wijze in zijn administratie beschikbaar te houden dat hij de desbetreffende stukken op verzoek alsnog binnen 1 maand aan de Inspecteur kan overleggen.

De onderliggende bewijsstukken kunnen, indien de Amerikaanse bevoegde autoriteiten daarom verzoeken, op de voor het uitwisselen van inlichtingen gebruikelijke wijze (door tussenkomst van de Belastingdienst/FIOD, Inlichtingendienst/Wederzijdse Bijstand, Postbus 1603, 2003 BR Haarlem) en onder de gebruikelijke voorwaarden worden toegezonden aan de Amerikaanse bevoegde autoriteiten.

3. Afhandeling van het formulier ‘IB 93 USA’ en Centraal meldpunt [Vervallen per 21-08-2010]

In de navolgende onderdelen van deze aanschrijving wordt een toelichting gegeven op de afhandeling van het formulier ‘IB 93 USA’ door de Belastingdienst. Opgemerkt zij dat het formulier en het bijbehorende doorloopschema (bijlage I bij het formulier ‘IB 93 USA’; bij deze resolutie gevoegd als bijlage 2) zijn gebaseerd op een gestileerde weergave van de inhoud van artikel 26 van het Verdrag en op de tekst van artikel 12, lid 8, en artikel 13, lid 6, van het Verdrag. Ten behoeve van de eenvoud is afgezien van een uitputtende behandeling van de tekst van artikel 26 en de tekst van de artikelen 12 en 13. De toelichting is bedoeld nadere duidelijkheid te bieden voor de meer gecompliceerde situaties waarover de tekst van het Verdrag, het memorandum van overeenstemming, de briefwisselingen van 18 december 1992 en 13 oktober 1993, het formulier en het daarin opgenomen doorloopschema geen c.q. onvoldoende duidelijkheid verschaffen.

De toelichting sluit nauw aan bij het formulier ‘IB 93 USA’ en het bijbehorende doorloopschema en dient in samenhang daarmee te worden gelezen. De in de toelichting gebruikte nummers verwijzen naar de onderdelen en vragen opgenomen in het bijbehorende doorloopschema.

Mochten er vraagpunten blijven bestaan, waarover noch deze toelichting, noch de tekst van het Verdrag, de tekst van het memorandum van overeenstemming of de briefwisselingen van 18 december 1992 en 13 oktober 1993 uitsluitsel geeft, dan kan de Inspecteur zich wenden tot:

de Directie Internationale Fiscale Zaken

van het Ministerie van Financiën,

Postbus 20201,

2500 EE Den Haag,

telefoonnummer: 070 - 3428366.

Daarnaast is de Directie Internationale Fiscale Zaken ook als centraal meldpunt aangewezen voor eventuele vragen van Inspecteurs op ander onderdelen van het Verdrag, waarover noch de tekst van het Verdrag, de tekst van de memorandum van overeenstemming of de briefwisselingen van 18 december 1992 en 13 oktober 1993, noch de nota van toelichting, noch de nadere uitleg gegeven tijdens de behandeling van het Verdrag in de Staten-Generaal uitsluitsel geeft.

Na visering van de overlegde bewijsstukken stuurt de bevoegde Inspecteur het eerste exemplaar van de door hem ondertekende artikel-26-verklaring, tezamen met de door belastingplichtige ingevulde lijst van geschatte jaarlijkse ontvangsten aan dividend-, interest- en royalty-inkomen uit al zijn Amerikaanse bronnen gezamenlijk (deze lijst is gevoegd achter het eerste exemplaar van het formulier ‘IB 93 USA’) en door de bevoegde inspecteur ingevulde lijst van ‘verklaringen en bij de visering van het formulier “IB 93 USA” gebruikte bewijsmiddelen’ (zie bijlage 3), naar de Belastingdienst/FIOD, Inlichtingsdienst/Wederzijdse Bijstand, Postbus 1603, 2003 BR Haarlem, die deze documenten zal doorgeleiden naar de Amerikaanse belastingautoriteiten. De bevoegde Inspecteur retourneert het tweede en het vierde exemplaar van de door hem ondertekende artikel-26-verklaring aan belastingplichtige. Belastingplichtige gebruikt het tweede exemplaar om zijn verdragsgerechtigdheid jegens inhoudingsplichtige aannemelijk te maken. De bevoegde Inspecteur deponeert het derde exemplaar in het op de eenheid aanwezige dossier van belastingplichtige.

4. Termijn afhandeling verzoeken [Vervallen per 21-08-2010]

De afhandeling van het ‘IB 93 USA’ formulier door de Belastingdienst dient te worden gerealiseerd binnen een termijn van uiterlijk 8 weken na de datum van ontvangst bij de Belastingdienst van het desbetreffende door de belastingplichtige ingevulde en ondertekende formulier plus vereiste bijlagen. Als de vereiste bijlage(n) ontbreken, wordt belastingplichtige per ommegaande bericht. Indien de afhandeling van het ‘IB 93 USA’ formulier niet binnen de daartoe gestelde termijn kan plaatsvinden dient de bevoegde Inspecteur de belastingplichtige hiervan tijdig onder vermelding van de reden voor de optredende vertraging bij de behandeling schriftelijk op de hoogte te stellen.

In die gevallen waarbij van tevoren vaststaat op welke datum belastingplichtige de uit de VS van Amerika afkomstige inkomensbestanddelen ontvangt en waarbij derhalve van tevoren vaststaat op welke datum het formulier ‘IB 93 USA’, indien belastingplichtige daarvan gebruik wil maken, uiterlijk aan de inhoudingsplichtige ter beschikking gesteld moet zijn, doet belastingplichtige er uiteraard verstandig aan om zijn verzoek om afgifte van een artikel-26-verklaring tijdig in te dienen.

5. Halfjaarlijkse rapportage aan de Staten-Generaal [Vervallen per 21-08-2010]

In verband met de aan de Staten-Generaal toegezegde halfjaarlijkse rapportage over de toepassing van het Verdrag worden de desbetreffende eenheden van de belastingdienst verzocht de Directie Grote Ondernemingen te Diemen twee keer per jaar, te weten in mei en oktober, te informeren over in de uitvoeringspraktijk naar voren gekomen aandachtspunten en/of knelpunten inzake de toepassing van het Verdrag, alsmede over eventuele onduidelijkheden die in de praktijk bij het gebruik van het formulier IB 93 USA, het bijbehorende doorloopschema en deze aanschrijving blijken. Naast deze kwalitatieve rapportage worden de desbetreffende eenheden van de belastingdienst tevens verzocht om in mei en oktober van elk jaar aan de Directie Grote Ondernemingen te Diemen een lijst over te leggen waarop is aangegeven het totale aantal tijdens de afgelopen zes maanden bij de desbetreffende eenheden ingediende verzoeken tot afgifte van een artikel-26-verklaring, hoeveel daarvan binnen 1 maand, respectievelijk 2 maanden, konden worden afgedaan, hoeveel van het totale aantal in deze periode ontvangen verzoeken zijn toegewezen en, zo ja, op grond van welke toets, hoeveel van deze verzoeken zijn afgewezen en, zo ja, voor welke toets deze afwijzing heeft plaatsgevonden, hoeveel van deze verzoeken nog niet zijn afgedaan en tenslotte hoeveel van elk van deze drie categorieën zijn voorgelegd aan de Directie Internationale Fiscale Zaken van het Ministerie.

De Directie Grote Ondernemingen te Diemen zal deze gegevens uiterlijk eind mei en eind oktober doorsturen naar de Directie Internationale Fiscale Zaken.

Ten behoeve van deze kwalitatieve en kwantitatieve rapportage is een standaard rapportageformulier opgesteld (zie bijlage 4).

6. Gehanteerde uitdrukkingen [Vervallen per 21-08-2010]

In het navolgende worden enkele in het Verdrag gehanteerde, en bij het invullen van het formulier en bij het gebruik van het in bijlage 2 opgenomen doorloopschema van belang zijnde, uitdrukkingen nader omschreven.

Bruto inkomen

De uitdrukking bruto inkomen betekent omzet minus de directe kosten van het verkochte produkt, zoals directe kosten inkoop en directe loonkosten.

Aftrekbare betalingen

De uitdrukking aftrekbare betalingen omvat alle betalingen die bij de vaststelling van het onzuiver inkomen als kosten in aanmerking genomen mogen worden, met uitzondering van de directe kosten van het verkochte produkt (welke uitdrukking omvat directe kosten van inkoop en directe loonkosten) en met uitzondering van overige betalingen voor de aankoop, het gebruik of het recht tot gebruik van lichamelijke zaken die voortvloeien uit de normale bedrijfsuitoefeningen en beloningen voor diensten in de vestigingsstaat van het lichaam, mits ‘at arm’s length’ (zie artikel 26, lid 5, onder c). In de praktijk zal de uitdrukking aftrekbare betalingen met name interest- en royaltybetalingen omvatten.

Certificaten van aandelen

Certificaten van aandelen kunnen worden beschouwd dezelfde rechten te bezitten als de aandelen waarvoor zij in de plaats treden, inclusief de stemrechten van die aandelen (zie art. 26, lid 8, onder b en punt I van de op 13 oktober 1993 door de Regeringen van de verdragsluitende Staten ondertekende briefwisseling (hierna: briefwisseling)).

Gekwalificeerde persoon

De uitdrukking ‘gekwalificeerde persoon’ ziet op in Nederland dan wel de VS van Amerika woonachtige natuurlijke persoenen, de Nederlandse en Amerikaanse overheid, andere in Nederland of in de VS van Amerika woonachtige personen die op grond van de in de onderdelen I, II, III, IV of VI beschreven toetsen aanspraak kunnen maken op de voordelen van het Verdrag, alsmede op staatsburgers van de VS van Amerika (zie art. 26, lid 8, onder g).

Lidstaat van de Europese Gemeenschap

Onder het begrip ‘lidstaat van de Europese Gemeenschap’ wordt zowel Nederland, als iedere ander lidstaat van de Europese Unie verstaan waarmee Nederland en de VS van Amerika een algemeen belastingverdrag zijn overeengekomen. In de praktijk betekent dit, dat dit begrip alle lidstaten van de Europese Unie omvat met uitzondering van Portugal (zie art. 26, lid 8, onder h).

Inwoner van een lidstaat van de Europese Gemeenschap

Als ‘inwoner van een lidstaat van de Europese Gemeenschap’ wordt globaal gesproken aangemerkt de persoon, die in een lidstaat van de Europese Unie woont of is gevestigd én die

  • als gekwalificeerd persoon in de zin van het Nederlands-Amerikaanse Verdrag voor verdragstoepassing in aanmerking zou komen als hij, ware die lidstaat Nederland geweest, op grond van de beginselen van artikel 4 geacht zou worden inwoner van Nederland te zijn, én

  • die anderszins gerechtigd is (met name m.b.t. inwonerschap en ‘beneficial ownership’) tot de voordelen van het verdrag tussen de staat waarvan hij in werkelijkheid inwoner is en de VS van Amerika. Aan de in dat verdrag opgenomen bepaling inzake de beperking van de voordelen hoeft die persoon niet te voldoen, tenzij die bepaling elementen bevat die niet in artikel 26 zijn opgenomen (zie art. 26, lid 8, onder i en punt VII van de briefwisseling).

Toelichting op formulier ‘IB 93 USA’ [Vervallen per 21-08-2010]

  • 1. Belastingplichtige dient bij vraag 1 naam, adres, telefoonnummer en Landelijk Vast Nummer op te geven. De artikel-26-verklaring kan slechts worden afgegeven aan personen die inwoner van Nederland zijn in de zin van artikel 4 van het Verdrag. Dit dient te worden gecontroleerd alvorens het verzoek om een verklaring verder wordt behandeld.

    Volledigheidshalve zij opgemerkt dat een belastingplichtige niet verplicht is om bij een verzoek om toekenning van de verdragsvoordelen gebruik te maken van het formulier ‘IB 93 USA’.

  • 2. Indien reeds eerder een artikel-26-verklaring ten behoeve van een belastingplichtige is afgegeven, dan behoeft die belastingplichtige niet bij elk volgend verzoek tot afgifte van een artikel-26-verklaring opnieuw, door middel van het overleggen van de onderliggende bewijsstukken, jegens de bevoegde Inspecteur aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 26, en, in voorkomende gevallen, aan de voorwaarden van artikel 12, lid 8, respectievelijk artikel 13, lid 6, van het Verdrag (zie inleiding, punt 2.2 (geldigheidsduur van de verklaring en periodieke toetsing)).

    Het geval kan zich voordoen, dat een belastingplichtige niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 26 en zich met een beroep op artikel 26, lid 7 – de vangnetbepaling – tot de Amerikaanse belastingautoriteiten heeft gewend met een verzoek de voordelen van het Verdrag alsnog toe te kennen (zie onderdeel X). Indien de Amerikaanse belastingautoriteiten zo’n verzoek om toepassing van de vangnetbepaling hebben ingewilligd, dan zal, overeenkomstig de mogelijkheid tot verlenging van een door de bevoegde Inspecteur reeds eerder afgegeven artikel-26-verklaring op basis van een van de in artikel 26 neergelegde toetsen (zie inleiding, punt 2.2 (geldigheidsduur van de verklaring en periodieke toetsing)) een daaropvolgend verzoek om afgifte van een artikel-26-verklaring door de Inspecteur worden gehonoreerd, mits zich sinds de beslissing van de Amerikaanse bevoegde autoriteiten geen relevant wijziging in feiten en omstandigheden hebben voorgedaan en mits de schriftelijke bevestiging van die beslissing wordt overgelegd. In dit geval moet worden getoetst of zich sedert de positieve beslissing van de Amerikaanse bevoegde autoriteiten geen relevante wijzigingen in feiten en omstandigheden hebben voorgedaan. Deze artikel-26-verklaring kan door belastingplichtige in de VS van Amerika (jegens de inhoudingsplichtige en de belastingdienst) worden gebruikt om aannemelijk te maken dat hij gerechtigd is tot de voordelen van het Verdrag.

  • 3/4. Hetgeen belastingplichtige heeft verklaard bij vraag 3 en 4 van het formulier moet (periodiek) worden getoetst. Deze controle zal moeten plaatsvinden aan de hand van de door belastingplichtige verstrekte stukken. Zie de inleiding (punt 2.2) voor de frequentie waarin de verzoeken tot afgifte van een artikel-26-verklaring vergezeld dienen te gaan van de onderliggende bewijsstukken. Bij de meeste onderdelen is aangegeven aan de hand van welke stukken belastingplichtige aannemelijk kan maken, dat aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. In plaats daarvan zijn andere stukken evenwel toegestaan.

    Ofschoon volgens de tekst van artikel 26 in voorkomende gevallen moet worden uitgegaan van gegevens in het lopende belastingjaar, kan, bij invulling van het formulier, worden uitgegaan van gegevens van het voorafgaande belastingjaar. Dit tenzij verzoeker weet, dan wel redelijkerwijs kan verwachten, dat zich in het lopende belastingjaar wijzigingen hebben voorgedaan, danwel zullen voordoen, welke van invloed zouden kunnen zijn op de op basis van dit formulier door de bevoegde Inspecteur af te geven verklaring.

  • 5. Ingeval ook vraag 5 is ingevuld zal tevens (periodiek) moeten worden getoetst of de door belastingplichtige uit de VS van Amerika ontvangen rente- of royalty-inkomsten inderdaad niet zijn toe te rekenen aan een vaste inrichting van verzoeker en een derde staat. Indien deze inkomensbestanddelen wel aan zulk een vaste inrichting zijn toe te rekenen dient (periodiek) te worden getoetst of wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 12, lid 8, respectievelijk artikel 13, lid 6. Ook deze controle zal moeten plaatsvinden aan de hand van door belastingplichtige te verstrekken stukken (zie inleiding, punt 2.2 (geldigheidsduur van de verklaring en periodieke toetsing)).

Toelichting op de afzonderlijke onderdelen van het in bijlage 2 opgenomen doorloopschema [Vervallen per 21-08-2010]

De in hoofdstuk 4.1 tot en met 4.11 gehanteerde nummeringen volgt die van de afzonderlijke onderdelen van het doorloopschema.

Onderdeel I. De directe beurstoets; artikel 26, eerste lid, onder c, i [Vervallen per 21-08-2010]

  • 1. De voornaamste aandelensoort moet zijn genoteerd op een erkende effectenbeurs in Nederland of de VS van Amerika.

    In het algemeen zullen de gewone aandelen van een lichaam kunnen worden aangemerkt als de voornaamste aandelensoort, aangezien deze aandelen doorgaans de vereiste meerderheid van het totale aantal stemmen in en van de waarde van het lichaam zullen vertegenwoordigen. Mocht geen van de aandelensoorten als zodanig kunnen worden aangemerkt, dan worden de aandelensoorten in aanmerking genomen, die tezamen meer dan 50 procent van het stemrecht in en van de waarde van het lichaam vertegenwoordigen.

    Ingeval er naast deze voornaamste aandelensoort sprake is van een aandelensoort die recht geeft op een ten opzichte van de gewone aandelen onevenredig hoger aandeel, door middel van dividend, afkoopsommen of op andere wijze, in het inkomen dat het dividenduitdelende lichaam met behulp van bepaalde activa of activiteiten in zijn staat van vestiging realiseert (een zgn. disproportionate class of shares), dan bestaan er twee voornaamste aandelensoorten. In zo’n geval dienen beide voornaamste aandelensoorten afzonderlijk te voldoen aan het noteringsvereiste. Aandelen in portefeuille worden voor de bepaling van het stemrechtcriterium niet meegeteld.

    Het verdrag biedt de bevoegde autoriteiten van beide staten de mogelijkheid om in onderling overleg vast te stellen welke gewicht aan de geplaatste aandelen moet worden toegekend, ingeval een lichaam aandelen met een beperkt stemrecht heeft geëmitteerd (artikel 26, achtste lid, onder a). Indien deze situatie zich voordoet, dient het geval ter beroordeling aan de Directie internationale Fiscale Zaken van het Ministerie te worden voorgelegd.

  • 2. De voornaamste aandelensoort moet in voldoende mate en regelmatig worden verhandeld op een of meer erkende effectenbeurzen.

    Maandelijks dient ten minste een meer dan minimale handel in de voornaamste aandelensoort plaats te vinden en jaarlijks moet in totaal ten minste 6% van de in dat jaar gemiddeld geplaatste aandelen van die soort worden verhandeld op een of meer van de erkende effectenbeurzen (artikel 26, achtste lid, onder d en f). Indien de voornaamste aandelensoort uit meer dan een aandelensoort bestaat, kan in beginsel voor het geheel worden bezien of wordt voldaan aan dit vereiste. Indien er twee voornaamste aandelensoorten zijn (ingeval er ook sprake is van een disproportionate class of shares), dan geldt dat voor beide voornaamste aandelensoorten afzonderlijk aan dit vereiste moet worden voldaan.

    Indien uit bewijsstukken blijkt dat de wijze waarop een aandeel wordt verhandeld slechts plaatsvindt om aan het omzetvereiste te voldoen, dan dient het lichaam zo nodig deze bewijzen te weerleggen (artikel XXIV Memorie van Overeenstemming; hierna: MvO). Is het lichaam daartoe niet in staat, dan worden de desbetreffende transacties niet meegeteld bij de bepaling van de omvang van de handel.

    Voor de toepassing van de beursttoets worden als erkende effectenbeurzen aangemerkt de door de Securities and Exchange Commission (SEC) erkende Amerikaanse beurzen, de Amsterdamse Effectenbeurs, de Amerikaanse NASDAQ en de parallelmarkt van de Amsterdamse Effectenbeurs, alsmede de beurzen van Frankfurt, Londen, Parijs, Brussel, Hamburg, Madrid, Milaan, Sydney, Tokyo en Toronto (artikel XXII MvO en punt VI van de briefwisseling).

    Bij ‘lichamen met een kleine kring van aandeelhouders’ worden de NASDAQ en de parallelmarkt echter niet als erkende effectenbeurzen aangemerkt. De handel in aandelen van dergelijke lichamen die op deze beurzen plaatsvindt, wordt niet meegeteld bij toepassing van de directe beurstoets van onderdeel I. Van een ‘lichaam met een kleine kring van aandeelhouders’ is sprake, indien ten minste 50% van de voornaamste aandelensoort wordt gehouden door andere dan gekwalificeerde personen of inwoners van lidstaten van de Europese Unie dien, alleen of tezamen met gelieerde lichamen, ieder meer dan 5% van die aandelen gedurende ten minste 30 dagen in het belastingjaar bezitten (artikel 26, achtste lid, onder d en e).

Onderdeel II. De indirecte beurstoets; artikel 26, eerste lid, onder c, ii of iii [Vervallen per 21-08-2010]

  • 1. Lichamen die direct of indirect worden beheerst door beursgenoteerde lichamen voldoen aan de indirecte beurstoets, indien meer dan 50% van het totale aantal stammen en van de waarde van alle aandelen onmiddellijk of middellijk wordt gehouden door ten hoogste vijf lichamen die in een van beide staten zijn gevestigd en voldoen aan de voorwaarden van de directe beurstoets van onderdeel I (artikel 26, eerste lid, onderdeel c, ii) of

  • 2. Wordt niet aan het 50%-criterium van vraag 1 voldaan, dan voldoet het lichaam toch aan de indirecte beurstoets, indien ten minste 30% van het totale aantal stemmen en van de waarde van de aandelen onmiddellijk of middellijk wordt gehouden door ten hoogste vijf in Nederland gevestigde lichamen die voldoen aan de voorwaarden van de directe beurstoets van onderdeel I (artikel 26, eerste lid, onder c, iii, A) en

  • 3. Ten minste 70% onmiddellijk of middellijk wordt gehouden door ten hoogste vijf lichamen die zijn gevestigd in de VS van Amerika of een van de lidstaten van de Europese Unie (waaronder Nederland) en waarvan de voornaamste aandelensoorten in voldoende mate en regelmatig worden verhandeld op een of meer erkende effectenbeurzen (artikel 26, eerste lid, onder c, iii, B).

  • 4. Waar een belang in een lichaam niet rechtstreeks wordt gehouden, moeten bij toepassing van de indirecte beurstoets alle lichamen, die zijn geschakeld tussen de ter beurze genoteerde moeder en de kleindochter die om een artikel-26-verklaring verzoekt, zijn gevestigd in de VS van Amerika, Nederland, of een andere lidstaat van de Europese Unie (artikel 26, achtste lid, onder k). Een kleindochter zal voor het verkrijgen van verdragsvoordelen geen beroep op de indirecte beurstoets kunnen doen, indien de aandelen worden gehouden via tussenschakeling van een lichaam gevestigd in een ander dan de genoemde landen.

    Een uitzondering op het voorgaande is mogelijk bij verwerving van een groep van dochter- en kleindochterondernemingen, waarbij het belang in een daarbij verkregen Nederlandse kleindochter tijdelijk wordt gehouden van een niet-kwalificerend lichaam in een derde staat. Indien uit een reorganisatieplan blijkt dat de verworven kleindochter binnen een redelijke overgangstermijn aanspraak kan maken op verdragstoepassing op grond van de indirecte beurstoets zal voor de tussenliggende periode een beroep op verdragstoepassing voor de verkregen kleindochter kunnen worden gehonoreerd op grond van de vangnetbepaling (artikel XXV van de MvO). Voor de vangnetbepaling zij verwezen naar onderdeel X.

  • 5. Aan de indirecte beurstoets wordt niet voldaan, indien er sprake is van een zogenoemd doorstroomlichaam, waarvan tevens de Nederlandse heffingsgrondslag in te sterke mate wordt uitgehold. Een doorstroomlichaam wordt omschreven als een onderneming die aftrekbare betalingen verricht tot een bedrag van nagenoeg alle – 90% of meer van de – ontvangen interest, royalty’s en soortgelijke opbrengsten (artikel 26, achtste lid, onder m). Dit 90%-criterium is dus niet beperkt tot de ontvangsten vanuit de VS van Amerika. Indien is komen vast te staan dat sprake is van een doorstroomlichaam, dan voldoet zo’n lichaam pas dan niet aan de indirecte beurstoets als bovendien aan de hand van de indirecte beurstoets voor doorstroomlichamen (onderdeel III) is komen vast te staan, dat het lichaam zijn heffingsgrondslag in te sterke mate afroomt.

    Lichamen die als bank of verzekeringsmaatschappij actief zijn, zijn van het begrip doorstroomlichamen uitgesloten, indien het lichaam wordt bestuurd door gelieerde, gekwalificeerde personen. Een lichaam is als bank actie, indien regelmatig stortingen worden ontvangen van of leningen worden verstrekt aan het publiek (d.w.z. aan andere dan gelieerde vennootschappen). Een lichaam is als verzekeringsmaatschappij actief, indien het bruto-inkomen voornamelijk bestaat uit verzekerings- en herverzekeringspremies en uit beleggingsinkomsten die aan die premies zijn toe te rekenen (artikel XIII MvO).

Onderdeel III. De indirecte beurstoets voor doorstroomlichamen; artikel 26, eerste lid, onder c, iv [Vervallen per 21-08-2010]

  • 2. Verwezen wordt naar de toelichting op vraag 2 van onderdeel IV.

  • 3. Verwezen wordt naar de toelichting op vraag 3 van onderdeel IV.

  • 4. Verwezen wordt naar de toelichting op vraag 4 van onderdeel IV.

Met betrekking tot de vragen 1, 2, 3 en 4 zij het volgende opgemerkt.

Anders dan bij de aandeelhouderstoets van onderdeel IV is er bij doorstroomlichamen slechts sprake van een uitholling van de heffingsgrondslag, indien

  • de aftrekbare betalingen worden gedaan aan gelieerde ondernemingen, waarbij

  • deze aftrekbare betalingen bij deze gelieerde ondernemingen zijn onderworpen aan een belastingheffing van minder dan 50% van het algemeen geldende Nederlandse tarief voor de vennootschapsbelasting (artikel 26, vijfde lid, onder d); dus minder dan 17%.

Er is in dit verband niet slechts van gelieerdheid sprake bij een deelneming in het bestuur, beheer of vermogen van de onderneming. Uitdrukkelijk is aangegeven, dat het begrip gelieerdheid in dit verband tevens van toepassing is in de situatie waarin er een schuldverhouding bestaat, waarbij de schuldvordering de houder daarvan het recht geeft deel te nemen in het bestuur, beheer of vermogen van de onderneming die de schuldvordering heeft uitgegeven, of indien de houder in de praktijk deelneemt in dat bestuur, beheer of vermogen (artikel XIV MvO).

Voor alle duidelijkheid zij er op gewezen dat, voor de toepassing van de indirecte beurstoets voor doorstroomlichamen, betalingen aan niet-gelieerde ondernemingen, alsmede betalingen aan gelieerde ondernemingen die zijn onderworpen aan een belastingheffing van ten minste 50% van het algemeen geldende Nederlandse tarief voor de vennootschapsbelasting, de grondslag niet uithollen (artikel 26, vijfde lid, onder d). Bij een beoordeling of de heffingsgrondslag wordt uitgehold, worden dergelijke betalingen derhalve niet als aftrekbare betalingen meegenomen.

Onderdeel IV. De aandeelhouderstoets; artikel 26, eerste lid, onder d [Vervallen per 21-08-2010]

  • 1. Het belang in de persoon die een beroep op de verdragsvoordelen doet dient onmiddellijk of middelijk voor meer dan 50% te worden gehouden door gekwalificeerde personen. Betreft dit een lichaam met een in aandelen verdeeld kapitaal dan moet het belang van gekwalificeerde personen daarin meer dan 50% van het totale aantal stemmen en van de waarde van alle aandelen omvatten (artikel 26, eerste lid, onder d, i).

    Ingeval ook sprake is van een disproportionate class of shares (zie onderdeel I, punt 1), dan dienen de gekwalificeerde personen ook voor die aandelensoort afzonderlijk aan het bezitsvereiste van meer dan 50% te voldoen.

    Aan beleggingsinstellingen in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt de mogelijkheid geboden om de omvang van het door inwoners van Nederland gehouden belang in de beleggingsinstelling aan te tonen aan de hand van de gegevens die op grond van het eerste lid, onderdeel b, van dat artikel beschikbaar zijn voor de teruggaaf van buitenlandse bronbelasting op dividend en interest (artikel XI MvO).

  • 2. Belastingplichtige voldoet aan deze toets indien hij onmiddellijk of middellijk aftrekbare betalingen verricht aan anderen dan gekwalificeerde personen tot een bedrag van minder dan 50% van het bruto-inkomen (artikel 26, vijfde lid, onder a, i).

  • 3. Wordt 50% of meer van het bruto-inkomen gebruikt voor het doen van aftrekbare betalingen, dan is toch aan deze toets voldaan, indien onmiddellijk of middellijk tot een bedrag van minder dan 70% van het bruto-inkomen aftrekbare betalingen worden verricht aan anderen dan gekwalificeerde personen (artikel 26, vijfde lid, onder a, ii, A) én

  • 4. Tot een bedrag van minder dan 30% van het bruto-inkomen, onmiddellijk of middellijk, aftrekbare betalingen worden verricht aan anderen dan gekwalificeerde personen of inwoners van lidstaten van de Europese Unie (artikel 26, vijfde lid, onder a, ii, B).

Voor de bepaling van het bruto-inkomen wordt in beginsel uitgegaan van het bruto-inkomen van het belastingjaar voorafgaande aan het belastingjaar waarin wordt verzocht om een artikel-26-verklaring. Om te voorkomen dat een onderneming als gevolg van schommelingen in het inkomen door incidentele verliezen in een bepaald belastingjaar niet aan deze voorwaarden voldoet, mag bij deze toets ook worden uitgegaan van het gemiddelde bruto-inkomen van de vier voorafgaande belastingjaren (artikel 26, vijfde lid onder b).

Onderdeel V. De EU-aandeelhouderstoets; artikel 26, vierde lid [Vervallen per 21-08-2010]

  • 1. Aan deze toets die alleen ziet op de verdragsvoordelen van artikel 10, 11, 12 en 13 wordt voldaan, indien meer dan 30% van het totale aantal stemmen en van de waarde van alle aandelen middellijk of onmiddellijk wordt gehouden door gekwalificeerde persoen die inwoner zijn van Nederland (artikel 26, vierde lid, onder a, i) én

  • 2. Meer dan 70% van het totale aantal stemmen en van de waarde van alle aandelen middellijk of onmiddellijk wordt gehouden door gekwalificeerde personen en door personen die inwoner zijn van lidstaten van de Europese Unie (artikel 26, vierde lid, onder a, ii).

    Ingeval ook sprake is van een disproportionate class of shares (zie onderdeel I, punt 1), dan dienen de in punt 1 bedoelde in de Nederland woonachtige gekwalificeerde personen, onderscheidenlijk de in punt 2 bedoelde gekwalificeerde personen en personen die inwoner zijn van lidstaten van de Europese Unie, voor deze aandelensoort afzonderlijk te voldoen aan het bezitsvereiste van meer dan 30%, respectievelijk van meer dan 70%.

    Een inwoner van een andere EU-lidstaat dan Nederland mag slechts als aandeelhouder worden meegeteld, indien de uit de VS van Amerika aan een inwoner van Nederland betaalde inkomsten niet naar een gunstiger tarief worden belast, dan wanneer deze inkomsten zouden zijn betaald aan een inwoner van de desbetreffende lidstaat.

    Om te bepalen of een aandeelhouder uit een andere EU-lidstaat mag worden meegeteld, is het dus van belang te weten welk soort inkomen vanuit de VS van Amerika is ontvangen. Vervolgens moet worden nagegaan of de door de VS van Amerika in de relatie met Nederland over die inkomenssoort toegepaste bronheffing gunstiger is, dan de bronheffing die de VS van Amerika toepast onder het belastingverdrag met de woonstaat van de EU-aandeelhouder. Een vergelijkend overzicht van de bronheffingspercentages op dividenden, inkomsten van vaste inrichtingen, interest en royalty’s is als bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen (artikel 26, vierde lid, onder b).

  • 3. Verwezen wordt naar de toelichting op vraag 2 van onderdeel IV.

  • 4. Verwezen wordt naar de toelichting op vraag 3 van onderdeel IV.

  • 5. Verwezen wordt naar de toelichting op vraag 4 van onderdeel IV.

Onderdeel VI. De toets voor vrijgestelde organisaties; artikel 26, eerste lid, onder e [Vervallen per 21-08-2010]

  • 1. Aan deze toets kunnen niet-winstbeogende instellingen voldoen, die van belastingheffing naar het inkomen zijn vrijgesteld. Het zal doorgaans lichamen betreffen die op de voet van artikel 5 of 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van belastingheffing zijn vrijgesteld (artikel 26, eerste lid, onder e). Echter, ook instellingen als bedoeld in artikel 36 van het Verdrag, die niet belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting omdat zij geen onderneming drijven (vergelijk niet nijvere stichtingen) kunnen hieronder vallen.

  • 2. Meer dan de helft van de gerechtigden, leden of deelnemers, zo die er zijn, moeten gekwalificeerde personen zijn (artikel 26, eerste lid, onder e). Voor de toepassing van artikel 26, eerste lid, onder e, kan een van de hiervoor bedoelde personen worden beschouwd als een gekwalificeerde persoon indien deze persoon in Nederland een adres heeft.

Instellingen die ten doel hebben uitkeringen te doen aan werknemers bij pensionering of invaliditeit of andere met een dienstbetrekking samenhangende uitkering, zijn in ieder geval verdragsgerechtigd indien de organisatie die bijdraagt in de fondsvorming van zo’n pensioenfonds zelf voor verdragsvoordelen in aanmerking komt. (artikel 26, achtste lid, onder j).

In mededeling nr. 23 van 20 december 1993 (IFZ93-1331) is aangegeven welke procedure een in Nederland gevestigde, alhier van belastingheffing vrijgestelde organisatie moet volgen om te worden aangemerkt als een organisatie als bedoeld in artikel 36 van het Verdrag.

Onderdeel VII. De activiteitentoets; artikel 26, tweede lid [Vervallen per 21-08-2010]

  • 1. Voor de vraag of een persoon betrokken is bij de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten wordt uitgegaan van de activiteiten van het bedrijf van de persoon die verdragsvoordelen claimt. Een persoon is betrokken bij de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten, indien die persoon daarbij als dan niet als vennoot direct betrokken is (artikel 26, tweede lid, onder d en e).

    Het is niet vereist dat de persoon die om een artikel-26-verklaring verzoekt, zelf in Nederland betrokken is bij de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten. Er zijn namelijk vijf mogelijkheden om de activiteiten van bedrijven, waarmee de persoon die verdragstoepassing claimt is verbonden, aan die persoon toe te rekenen (artikel 26, tweede lid, onder d en e zie punt 4 hierna).

    Het beleggen en het beheren van beleggingen (waaronder bij voorbeeld concernfinancieringen en portfolio beleggingen) worden niet beschouwd als het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten tenzij het activiteiten van een bank of verzekeraar betreffen, welke worden uitgeoefend in hun normale bedrijfsuitoefening (artikel 26, tweede lid onder a en punt III van de briefwisseling; zie voor de begrippen bank en verzekeringsmaatschappij onderdeel II, punt 5).

  • 2. De inkomengenererende activiteit in de VS van Amerika moet een onderdeel vormen van of een aanvulling zijn op de bedrijfsmatige activiteiten van de persoon die het inkomen in Nederland ontvangt (artikel 26, tweede lid, onder a, i, en b).

    Deze eis vormt geen belemmering voor een Nederlands lichaam om in de VS van Amerika te diversificeren in andere takken van bedrijvigheid, mits die enigermate verwant zijn aan de activiteiten van het eigen bedrijf.

    Mocht de diversificatie betrekking hebben op een geheel nieuwe, bedrijfsvreemde activiteiten en het daarmee verkregen inkomen niet samenhangen met de activiteiten van de ontvangende persoon in Nederland, dan kan een verzoek om verdragstoepassing worden voorgelegd aan de belastingautoriteiten van de VS van Amerika op grond van de vangnetbepaling (zie onderdeel X hierna).

  • 3. De activiteiten van de ontvanger van het inkomen moeten voorts, indien het inkomen wordt verkregen van een in de VS van Amerika gevestigd lichaam waarin de ontvanger zelf, dan wel een met hem verbonden persoon in de zin van lid 2, onder e, iii tot en met vii, aandelen bezit, of van een vaste inrichting van de ontvanger in de VS van Amerika, wezenlijk van omvang zijn (artikel 26, tweede lid, onder a, i, c en artikel XV MvO). Dit vereiste van een wezenlijke omvang geldt echter niet wanneer het aandelenbezit voor de ontvanger inkomen van bijkomstige aard genereert. Met andere woorden, in de volgende situaties behoeft niet te worden voldaan aan het wezenlijkheidsvereiste en is het derhalve voldoende indien de vragen 1 en 2 van onderdeel VII positief zijn beantwoord:

    • 1. Het inkomen uit de VS van Amerika wordt niet ontvangen van een in de VS van Amerika gevestigd lichaam waarin de ontvanger zelf, dan wel een met hem verbonden persoon in de zin van lid 2, onder e, iii tot en met vii, aandelen bezit;

    • 2. Het inkomen uit de VS van Amerika wordt wel ontvangen van een in de VS van Amerika gevestigd lichaam waarin de ontvanger zelf, dan wel een met hem verbonden persoon in de zin van lid 2, onder e, iii tot en met vii, aandelen bezit, maar het aandelenbezit genereert voor de ontvanger inkomen van bijkomstige aard; of

    • 3. Het inkomen uit de VS van Amerika wordt niet ontvangen van een vaste inrichting van de ontvanger in de VS van Amerika.

    Of sprake is van wezenlijke activiteiten kan in beginsel op subjectieve wijze worden getoetst. Om in deze situaties aan belastingplichtige zekerheid te bieden kunnen ook de hierna onder punt 4 tot en met 8 opgenomen kwantitatieve toetsen worden toegepast.

  • 4. Om te beoordelen of de activiteiten wezenlijk van omvang zijn, worden in de toetsen van punt 4 tot en met 8 de activiteiten van de ontvanger van het inkomen in Nederland afgezet tegen de activiteiten van het inkomensgenererende bedrijf in de VS van Amerika. De activiteiten van de laatste worden meegeteld naar rato van het belang dat in dit bedrijf wordt gehouden.

    Bij toepassing van deze toets worden aan de minimale omvang van de activiteiten van de Nederlandse persoon nadere voorwaarden gesteld, welke zijn uitgedrukt in een drietal verhoudingsgetallen. De waarde van de activa (vraag 4), het bruto-inkomen (vraag 5) en de loonkosten van het bedrijf (vraag 6) in de staat van de ontvanger van het inkomen (Nederland) worden daartoe bezien in verhouding tot deze elementen van het bedrijf in de staat waar het inkomen wordt gegenereerd (de VS van Amerika). De Nederlandse activiteiten, gemeten aan de hand van deze drie criteria, moeten elk ten minst 7,5% bedragen van de activiteit in de VS van Amerika.

    Voor ieder van de drie ratio’s wordt uitgegaan van de gegevens van het voorafgaande belastingjaar, maar indien een ratio niet voldoet aan het 7,5%-criterium, dan mag het gemiddelde van de voorafgaande drie jaar worden genomen.

    Het gemiddelde van de drie ratio’s moet echter meer dan 10% zijn (artikel 26, tweede lid, onder c en artikel XV MvO; vraag 7).

    Zoals reeds bij punt 1 vermeld, bestaat de mogelijkheid om in Nederland verrichte activiteiten van verbonden personen toe te rekenen aan de persoon die verdragsvoordelen claimt (artikel 26, tweede lid, onder e). Het betreft de volgende mogelijkheden:

    • de Nederlandse activiteiten van een lichaam (de moeder) dat de zeggenschap heeft in lichaam dat verdragsvoordelen claimt (de dochter), kunnen worden toegerekend aan de dochter (artikel 26, tweede lid, onder e, iii);

    • de Nederlandse activiteiten van ten hoogste vijf lichamen die deel uitmaken van een groep die de zeggenschap heeft in een persoon die aanspraak maakt op verdragstoepassing, kunnen aan die persoon worden toegerekend (artikel 26, tweede lid, onder e, iv). voor een groep is het zo mogelijk te participeren in een Nederlandse joint venture, die inkomsten uit de VS van Amerika ontvangt waarvoor verdragstoepassing wordt gevraagd.

      De in Nederland verrichte activiteiten van de afzonderlijke lichamen die deel uitmaken van de groep mogen alleen aan de joint venture worden toegerekend, indien deze een onderdeel vormen van of direct verband houden met de door die lichamen in Nederland in het kader van die joint venture verrichte activiteiten. De hier vereiste samenhang is nauwer dan de samenhang waarvan onder punt 2 sprake is;

    • de Nederlandse activiteiten die worden verricht door een lichaam dat onderdeel is van een groep van ondernemingen die een fiscale eenheid vormen of zouden kunnen vormen als de ondernemingen in Nederland zouden zijn gevestigd, kunnen worden toegerekend aan het lichaam dat verdragsvoordelen claimt (artikel 26, tweede lid, onder e, v). In dit geval kunnen de in Nederland verrichte activiteiten van groepsleden worden toegerekend aan het Nederlandse lichaam dat verdragsinkomsten uit de VS van Amerika ontvangt zonder rekening te houden met de plaats van vestiging of de plaats van oprichting van de groepsleden;

    • de Nederlandse activiteiten van een persoon (de dochter), waarin een groep van ten hoogste vijf lichamen (moeders) de zeggenschap heeft, kunnen worden toegerekend aan die vijf moeders (artikel 26, tweede lid, onder e, vi);

    • de Nederlandse activiteiten van een persoon (een zuster) kunnen worden toegerekend aan de persoon die verdragsvoordelen claimt, indien de zeggenschap in beide lichamen wordt gehouden door dezelfde moeder of door een groep van ten hoogste vijf moeders (artikel 26, tweede lid, onder e, vii).

    In de twee laatste situaties is er sprake van een groep van houdstervennootschappen. Deze groep behoeft niet alleen te bestaan uit gekwalificeerde personen maar daarvan kunnen tevens deel uitmaken inwoners van een andere EU-lidstaat of een andere staat waarmee Nederland een regeling heeft die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen.

    De lijst van staten waarmee Nederland op dit moment een regeling heeft die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen is opgenomen in bijlage 6.

    Wellicht ten overvloede zij opgemerkt, dat de activiteiten kunnen worden toegerekend aan de persoon die verdragvoordelen claimt, naar rato van het belang dat door, dan wel in die persoon wordt gehouden (artikel XII MvO).

    Van zeggenschap is in vorengenoemde situaties sprake, indien de moeder (of de groep van moeders) als uiteindelijke gerechtigde, een middellijk of onmiddellijk belang houdt dat meer dan 50% van het totale aantal stemmen in en van de waarde van de (klein)dochter vertegenwoordigt. Met middellijke belangen wordt rekening gehouden indien in elke schakel het belang in het onderliggende lichaam groter is dan 50%. De door de afzonderlijke leden van de groep gehouden onmiddellijke belangen dienen ten minste 10% van het totale aantal stemmen in en van de waarde van de dochter te vertegenwoordigen (artikel 26, tweede lid, onder f en g).

    Onderdeel XV van het Memorandum van overeenstemming bij het Verdrag bevat een voorbeeld van de wijze waarop de toerekening van activiteiten dient te geschieden.

  • 8. Bij de berekening van de ratio’s onder punt 4 tot en met 7 mogen alleen de in Nederland verrichte activiteiten in aanmerking worden genomen bij de persoon die verdragstoepassing claimt. Het is evenwel mogelijk de activiteiten die in andere lidstaten van de Europese Unie worden verricht mee te tellen, mits die activiteiten een onderdeel vormen van of direct verband houden met het in Nederland uitgeoefende bedrijf (artikel 26, tweede lid, onder h). De vereiste samenhang is nauwer dan de onder punt 2 genoemde samenhang, waar ook sprake kan zijn van aanvullende activiteiten. Zowel de via een vaste inrichting, als de door verbonden personen in andere EU-lidstaten verrichte activiteiten kunnen worden meegeteld. De onder punt 4 beschreven toerekeningsregels (artikel 26, tweede lid, onder e, iii t/m vii) zijn ook hier van toepassing.

    Indien wordt geopteerd voor het meetellen van de EU-activiteiten, moeten de vragen 4 tot en met 7 worden beantwoord, waarbij de omvang van de EU-activiteiten wordt gerelateerd aan de omvang van de activiteit van het inkomengenererende bedrijf in de VS van Amerika (artikel 26, tweede lid, onder h). De vereiste ratio’s van de vragen 4, 5 en 6 dienen in dat geval te worden gesteld op 50% (De EU-activiteit moet per ratio ten minste 50% bedragen van de VS-activiteit). Het gemiddelde van de drie ratio’s, zoals bedoeld in vraag 7, dient in dit geval op 60% te worden gesteld. Daarnaast moeten ook de vragen 4 tot en met 6 worden beantwoord, waarbij de omvang van de Nederlandse activiteiten wordt gerelateerd aan de omvang van de totale EU-activiteiten. De vereiste ratio’s van de vragen 4 tot en met 6 dienen in dat geval te worden gesteld op tenminste 15%.

  • 9. Indien de inkomengenererende activiteit in de VS van Amerika niet samenhangt met de activiteiten van de persoon die het inkomen in Nederland ontvangt of indien laatstbedoelde activiteiten niet wezenlijk zijn (vragen 2 tot en met 8), dan kan wellicht toch aanspraak worden gemaakt op een artikel-26-verklaring, indien dat inkomen van bijkomstige aard is (artikel 26, tweede lid, onder a, ii en d).

    Het inkomen dan vanuit de VS van Amerika wordt verkregen, staat in dat geval los van de activiteiten van het eigen bedrijf en kan bijvoorbeeld voortvloeien uit de tijdelijke belegging van overtollige kasmiddelen.

    Mocht een inwoner van Nederland in andere EU-lidstaten bedrijfsmatig actief zijn en uit de VS van Amerika inkomsten van bijkomstige aard verkrijgen die mede uit deze EU-activiteiten voortvloeien, dan mag het inkomen van bijkomstige aard niet meer dan vier keer zo groot zijn als het inkomen dat geacht zou worden van bijkomstige aard te zijn, indien alleen van de in Nederland verrichte activiteiten zou zijn uitgegaan (artikel 26, tweede lid, onder d). Een voorbeeld waarbij deze limiet een rol kan spelen is de volgende situatie. Om met betrekking tot dividenden afkomstig van zijn Amerikaanse dochtervennootschap een beroep te kunnen doen op de activiteitentoets, neemt een in Nederland gevestigd lichaam ook de activiteiten van zijn in het Verenigd Koninkrijk gevestigde zustervennootschap in aanmerking. Het Nederlandse lichaam heeft 10 mln. aan overtollige kasmiddelen; het in het Verenigd Koninkrijk gevestigde lichaam 20 mln. Het Nederlandse lichaam wil tijdelijk beleggen in Amerikaanse obligaties. Het lichaam kan, wil het ter zake van de met die belegging te realiseren incidentele inkomsten een beroep kunnen doen op de verdragsvoordelen op grond van de activiteitentoets, in theorie tot maximaal vier maal het bedrag van zijn eigen overtollige kasmiddelen, te weten (4 x 10 mln. =) 400 mln., als zodanig beleggen, maar is in de praktijk beperkt tot een belegging van maximaal 30 mln., het gezamenlijke bedrag aan overtollige kasmiddelen.

Onderdeel VIII. De toets voor hoofdkantoren; artikel 26, derde lid [Vervallen per 21-08-2010]

  • 1. De genoemde functies zijn bedoeld als aanduiding van de soorten werkzaamheden die een hoofdkantoor geacht wordt te verrichten. De werkzaamheden waarnaar in deze bepaling wordt verwezen moeten worden verricht in Nederland. De opsomming is niet uitputtend.

    De werkzaamheden mogen mede omvatten, maar niet hoofdzakelijk bestaan uit concernfinanciering (artikel 26, derde lid, onder a). Om dit vast te stellen behoeft niet alleen te worden uitgegaan van een vergelijking van het bedrag van het bruto-inkomen dat het hoofdkantoor voor de verschillende werkzaamheden ontvangt. De beoordeling van dit criterium behoeft niet alleen plaats te vinden aan de hand van de bruto-inkomensstroom, maar kan tevens plaatsvinden aan de hand van andere elementen, zoals het aantal personeelsleden, de loonkosten verbonden aan de diverse door het hoofdkantoor verrichte functies en de totale omvang van de activa (artikel XXVIII MvO).

    Het hoofdkantoor moet in Nederland gevestigd zijn en moet als zodanig een reële betekenis hebben binnen de groep. Dit betekent, dat de werkzaamheden van het hoofdkantoor voor de concernonderdelen wezenlijk dienen te zijn in vergelijking met dezelfde werkzaamheden die door gehele multinationale groep voor die concernonderdelen worden verricht. Onderdeel XVIII van het MvO biedt een voorbeeld ter verduidelijking.

  • 2. Een directe aandeelhoudersrelatie tussen het hoofdkantoor en de groepsleden, waarvoor het hoofdkantoor activiteiten verricht, is niet vereist. Men is vrij in zijn keuze bij de samenstelling van de groep van vijf landen (artikel 26, derde lid onder b).

  • 3. Om aan het 10%-vereiste te voldoen mogen landen worden samengeteld, waarbij de samengetelde landen als één van de vijf landen mogen worden meegeteld. De VS van Amerika hoeven niet één van deze vijf landen te zijn (artikel 26, derde lid, onder b).

  • 6. De toets voor hoofdkantoren is niet bedoeld voor (regionale) hoofdkantoren die geheel afhankelijk zijn van een in een derde land gevestigd hoofdkantoor, dat de algemene leiding van de groep uitoefent (artikel 26, derde lid, onder e; zie tevens het voorbeeld in onderdeel XVIII van het MvO).

  • 7. Voor de vraag of de uit de VS van Amerika verkregen inkomsten samenhangen met de activiteiten van de groep zij verwezen naar onderdeel VII, punt 2 en voor bijkomstige voordelen naar onderdeel VII, punt 9.

Onderdeel IX. De toets voor scheep- en luchtvaartondernemingen; artikel 26, zesde lid [Vervallen per 21-08-2010]

In beginsel geldt voor scheep- en luchtvaartondernemingen die in het internationale verkeer werkzaam zijn dat ook zij aanspraak kunnen maken op verdragstoepassing op grond van een van de hiervoor besproken toetsen van artikel 26. Specifiek voor dit soort ondernemingen bevat deze toets nog een andere, alternatieve mogelijkheid om voor verdragstoepassing in aanmerking te komen, die aansluit bij de door de VS van Amerika onder de nationale wetgeving verleende vrijstelling voor inkomsten uit internationaal verkeer. De door de VS van Amerika nationaal gestelde voorwaarden zijn op onderdelen ruimer en kennen bijvoorbeeld een aandeelhouderstoets waarbij ook aandeelhouders die inwoner zijn van een derde staat in aanmerking kunnen worden genomen, indien die derde staat, op basis van wederkerigheid, een vrijstelling verleent voor de door een Amerikaans lichaam of een onderdaan van de VS van Amerika gerealiseerde scheep- en luchtvaartwinsten. De voorwaarden in de Amerikaanse nationale wetgeving zijn in de toets voor scheep- en luchtvaartondernemingen opgenomen.

Onderdeel X. De vangnetbepaling; artikel 26, zevende lid [Vervallen per 21-08-2010]

De belastingplichtige die niet voldoet aan de voorwaarden van een van de voorgaande toetsen kan zich tot de Amerikaanse belastingautoriteiten wenden met een verzoek om toepassing van de vangnetbepaling. De Amerikaanse belastingautoriteiten zullen bij hun beslissing op dit verzoek laten meewegen of een van de voornaamste redenen voor de vestiging in Nederland het verkrijgen van verdragsvoordelen betreft.

Teneinde op dit punt meer duidelijkheid te verschaffen is in onderdeel XIX van het MvO een niet-limitatieve lijst opgenomen met factoren die de bevoegde autoriteiten bij de beoordeling zullen hanteren. Van belang is onder meer de duur van de vestiging in Nederland, het doel van de vestiging, het aanspraak maken op bijzondere fiscale voordelen, de wijze waarop de inkomsten worden gegenereerd en de vraag of vanuit de woonstaat van de meerderheid van de aandeelhouders vergelijkbare verdragsvoordelen zouden kunnen worden gevraagd.

Mochten de Amerikaanse belastingautoriteiten in het kader van de vangnetbepaling de verdragsvoordelen aan en inwoner van Nederland willen onthouden, dan is dit eerst mogelijk na raadpleging van de Nederlandse belastingautoriteiten.

Voor lichamen waarvan een deel van het inkomen voortvloeit uit beleggingen in de andere staat – voor Nederland valt onder meer te denken aan beleggingsinstellingen – zijn in onderdeel XX van het MvO bijzondere voorwaarden opgenomen om onder de vangnetbepaling alsnog voor verdragstoepassing in aanmerking te komen.

Voorts zijn in onderdeel XXI van het MvO richtlijnen neergelegd voor de toepassing van de vangnetbepaling op personen die niet meer voldoen aan een van de toetsen als gevolg van het vrije verkeer van kapitaal en personen in de Europese Unie.

Indien het verzoek van belastingplichtige om toekenning van de verdragsvoordelen op grond van de vangnetbepaling door de Amerikaanse belastingautoriteiten is ingewilligd, dan kan belastingplichtige de daarop volgende jaren, een verzoek indienen om afgifte van een artikel-26-verklaring, zoals in punt 2 van het onderdeel Toelichting op formulier ‘IB 93 USA’ van deze resolutie is aangegeven. Dit verzoek wordt uiteraard beoordeeld met inachtneming van de beantwoording van vraag 4 van het formulier ‘IB 93 USA’.

Onderdeel XI. De triangular cases bepaling; artikel 12, lid 8, en artikel 13, lid 6 [Vervallen per 21-08-2010]

  • 1. Indien de belastingplichtige niet voldoet aan een van de in artikel 26 van het Verdrag neergelegde toetsen (zie onderdelen I tot en met IX) en zijn beroep op toekenning van de vangnetbepaling (zie onderdeel X) niet door de Amerikaanse bevoegde autoriteiten is gehonoreerd, dan komt die belastingplichtige niet in aanmerking voor toekenning van de verdragsvoordelen en dus ook niet voor een vrijstelling van Amerikaanse bronbelasting ter zake van door belastingplichtige uit de VS van Amerika ontvangen rente- of royalty-inkomsten die zijn toe te rekenen aan een vaste inrichting van belastingplichtige in een derde staat.

  • 2. Indien de door belastingplichtige uit de VS van Amerika ontvangen rente- of royalty-inkomsten zijn toe te rekenen aan een vaste inrichting van de belastingplichtige in een derde staat, dan dient te worden beoordeeld of wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 12, lid 8, respectievelijk artikel 13, lid 6.

  • 3. De door belastingplichtige uit de VS van Amerika ontvangen rente- of royalty-inkomsten die zijn toe rekenen aan een vaste inrichting van belastingplichtige in een derde staat komen in aanmerking voor een vrijstelling van Amerikaanse bronbelasting indien de naar Nederlandse maatstaven vastgestelde (totale) winst van die vast inrichting (het bedrag waarvoor belastingplichtige in Nederland een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting is toegekend) is onderworpen aan een belastingheffing van ten minste 17,5%.

  • 4. Ook indien de naar Nederlandse maatstaven vastgestelde winst van die vaste inrichting in een derde staat (het bedrag waarvoor belastingplichtige in Nederland een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting is toegekend) is onderworpen aan een belasting van minder dan 17,5% komt belastingplichtige ter zake van zijn uit de VS van Amerika ontvangen rente- of royalty-inkomsten die zijn toe te rekenen aan die vaste inrichting in aanmerking voor een vrijstelling van Amerikaanse bronbelasting, mits:

    • de door belastingplichtige uit de VS van Amerika ontvangen rente-inkomsten worden verkregen in samenhang met door die vaste inrichting in die derde staat verrichte bedrijfsmatige activiteiten (reële activiteiten), dan wel deze rente-inkomsten voor de vaste inrichting van bijkomstige aard zijn, onderscheidenlijk

    • de door belastingplichtige uit de VS van Amerika ontvangen royalty-inkomsten worden verkregen als vergoeding voor het gebruik van of het recht tot gebruik van immateriële eigendommen welke door de vast inrichting zelve zijn voortgebracht of ontwikkeld.

    Het beleggen en het beheren van beleggingen (waaronder bij voorbeeld portfolio beleggingen, maar ook concernfinanciering worden begrepen) worden niet beschouwd als het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten tenzij het bank- of verzekeringsactiviteiten betreffen, welke worden uitgeoefend door een bank of verzekeringsmaatschappij (artikel 26, tweede lid onder a en punt III van de briefwisseling; zie voor de begrippen bank en verzekeringsmaatschappij onderdeel II, punt 5).

    Voor de vraag wanneer sprake is van rente-inkomsten verkregen in samenhang met, respectievelijk rente-inkomsten die bijkomstig aan aard zijn, zij verwezen naar onderdeel VII, punt 2, onderscheidenlijk onderdeel VII, punt 9.

    Indien de naar Nederlandse maatstaven vastgestelde winst van die vaste inrichting in een derde staat (het bedrag waarvoor belastingplichtige in Nederland een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting is toegekend) is onderworpen aan een belasting van minder dan 17,5% en indien:

    • de door belastingplichtige uit de VS van Amerika ontvangen rente-inkomsten niet worden verkregen in samenhang met door die vaste inrichting in die derde staat verrichte bedrijfsmatige activiteiten (reële activiteiten), dan wel deze rente-inkomsten voor de vast inrichting niet van bijkomstige aard zijn, onderscheidenlijk

    • de door belastingplichtige uit de VS van Amerika ontvangen royalty-inkomsten niet worden verkregen als vergoeding voor het gebruik van of het recht tot gebruik van immateriële eigendommen welke door de vaste inrichting zelve zijn voortgebracht of ontwikkeld,

    dan mag de VS van Amerika de uit de VS van Amerika afkomstige, aan die vaste inrichting toe te rekenen rente- en royalty-inkomsten in de belastingheffing betrekken en wel tot ten hoogste 15% van het bruto bedrag daarvan.

    Daarbij is aldus niet van belang of op grond van bepaalde omstandigheden een deel van de winst van de vaste inrichting in aanmerking moet worden genomen bij het Nederlandse hoofdkantoor. Te denken valt in dit verband bijvoorbeeld aan het bepaalde in het protocol bij het belastingverdrag Nederland-Zwitserland (ad artikel 4, onderdeel 6), op grond waarvan bij de verdeling van het inkomen tussen vaste inrichting en hoofdkantoor vooraf 10% tot 20% wordt toegerekend aan het hoofdkantoor. Ook als op grond van dergelijke bepaling in het kader van de verdeling van het inkomen tussen het hoofdkantoor en de vaste inrichting bijvoorbeeld 10% in Nederland wordt belast, blijft de grondslag waarover de VS van Amerika de bronheffing van 15% mag inhouden het volledige bruto bedrag van de aan de vaste inrichting toerekenbare interest- of royaltybetaling. In dergelijke situaties keur ik echter goed dat een met het voor de verdeling van het inkomen tussen hoofdkantoor en vaste inrichting in aanmerking genomen percentage van het inkomen dat ter belastingheffing aan Nederland is toegewezen overeenkomend percentage van de door de VS van Amerika geheven bronbelasting op de gebruikelijke wijze kan worden verrekend met de Nederlandse belasting die over het aan Nederland toegewezen deel van het inkomen is verschuldigd.

Bijlage 1 [Vervallen per 21-08-2010]

1st copy for the American tax authorities [Vervallen per 21-08-2010]

1st copy for the american tax authorities

This form (hereafter referred to as form ‘IB 93 USA’) may be filled in by the beneficial owner of items of income from US sources (in the following: ‘the applicant’) to demonstrate to the withholding agent (unless that agent has actual knowledge or reason to know otherwise) and to the US tax authorities that the conditions of article 26, and, if appropriate, those of article 12, paragraph 8, or article 13, paragraph 6, of the Convention of 18 December 1992 between the Netherlands and the United States of America for the avoidance of double taxation are satisfied and that the applicant is entitled to the benefits of the Convention.

Important!

Before filling in this form, please read the instructions on the back of the fourth copy.

Note: this form is intended only for residents of the Netherlands other than

  • individuals (article 26, paragraph 1, subparagraph a of the Convention)

  • the State or a political subdivision thereof or a local authority thereof (article 26, paragraph 1, subparagraph b of the Convention).

NB: The flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’, parts I -X is simplified version of the text of article 26. The flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’, part XI is based on the text of article 12, paragraph 8, and article 13, paragraph 6, of the Convention. Please consult the flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’ and the full text of the Convention when filling in this form. Any further questions can be addressed to the Inspector in whose jurisdiction the applicant is a resident. Data of the immediately preceding taxable year may be used when filling in this form, unless the applicant knows or has reason to know that changes will occur or have occurred in the facts and circumstances during the taxable year under consideration, which changes might affect the issuing of a statement for the taxable year under consideration.

Please do not forget to fill in the list of estimated annual amounts of United States source passive income for which treaty benefits are claimed. This list is attached to the first copy of this form.

1. Full name, address, telephone number and ‘Landelijk Vast nummer’ (fiscal number) of applicant:

...............................................................

...............................................................

(in capital letters)

2.

  • a. o. The applicant does not meet one of the tests laid down in paragraphs 1 through 6 of article 26 (see question 4), but instead has obtained a favourable determination from the US competent authority for the application of the safety-valve provision laid down in article 26, paragraph 7, of the Convention. (See point 3 of the instructions on the back of the fourth copy)

    Go to question 3.

  • b. o. A previous statement was issued for the applicant by the competent Dutch Inspector stating that the conditions of article 26 and, if appropriate, the conditions of article 12, paragraph 8, or article 13, paragraph 6, of the Convention are satisfied.

    Go to question 3.

  • c. o. The applicant has not obtained a favourable determination from the US competent authority for the application of the safety-valve provision, nor was a previous statement issued for the applicant by the competent Dutch Inspector. Go to question 4.

    (please tick as appropriate)

3. Have there been any important changes in facts and circumstances since the date on which the previous statement was issued by the competent Dutch Inspector, or, if no such previous statement was issued, since the favourable determination has been obtained from the US competent authority, which could affect the issuing of a (subsequent) statement, or which could affect the test on which the issuing of a statement has been, or will be, based? (Please tick as appropriate)

  • o No. In the situation where a previous statement was issued by the competent Dutch Inspector, please tick questions 4 and/or, if appropriate, question 5 of this form in the same manner as was done in the form requesting the issuing of the previous statement.

  • o Yes. Go to question 4 and, if appropriate, 5 (See however point 4 and 5 of the instructions on the back of the fourth copy)

4.

The applicant satisfies the conditions as laid down in article 26 of the Convention in:

(Please tick as appropriate)

o

Paragraph 1, subparagraph c, i

(direct stock-exchange test)

See part

I.

o

Paragraph 1, subp. c, ii or iii

(indirect stock-exchange test)

See part

II.

o

Paragraph 1, subparagraph c, iv

(indirect stock-exchange test for conduit companies)

See part

III.

o

Paragraph 1, subparagraph d

(shareholder test)

See part

IV.

o

Paragraph 4,

(EC shareholder test)

See part

V.

o

Paragraph 1, subparagraph e

(exempt organisations)

See part

VI.

o

Paragraph 2

(activity test)

See part

VII.

o

Paragraph 3

(head-office test)

See part

VIII.

o

Paragraph 6

(test for shipping and air transport companies)

See part

IX.

5. The applicant satisfies the conditions of one of the tests mentioned under question 4, or has obtained a favourable determination from the US competent authority for application of the safety-valve provision (question 2), and derives interest of royalty income from the United States of America that is:

(please tick as appropriate)

  • a. o. not attributable to a permanent establishment of the applicant in a third state and thus not subject to tax in the United States of America, or

  • b. o. attributable to a permanent establishment of the applicant in a third state and not subject to tax in the United States of America, since the applicant, in the case of interest income, satisfies the conditions of article 12, paragraph 8, and, in the case of royalty income, satisfies the conditions of article 13, paragraph 6, of the Convention, or

  • c. o. attributable to a permanent establishment of the applicant in a third state and subject to tax in the United States of America at a rate of no more than 15 percent, since the applicant, in the case of interest income, does not satisfy the conditions of article 12, paragraph 8, respectively, in the case of royalty income, does not satisfy the conditions of article 13, paragraph 6, of the Convention.

Place .......................................

Date ..............................................

Signature of the applicant

...............................................................

(do not write below this line)

Statement by the competent dutch inspector [Vervallen per 21-08-2010]

I state that, to the best of my knowledge, the above information, the attached list of the applicable statements and of the actual documentation reviewed, and the facts and circumstances which have been presented to support this statement are correct and adequate. This statement is valid only for the whole of the calendar year 19 . However, it will become invalid at the moment that during this calendar year a change in facts or circumstances causes the applicant to be entitled to the treaty benefits no longer.

Date: .................................................

Signature: ..........................................

(Stamp)

List of estimated annual amounts of United States source passive income for which treaty benefits are claimed

Passive income information

(please tick as appropriate)

Type of passive income expected to be derived from the United States during the calendar year for which this form ‘IB 93 USA’ has been issued.

  • 0 Dividends

    Estimated annual amount

    • 0 Under $ 100,00

    • 0 $100,00 to $ 500,00

    • 0 $ 500,000 to $ 1,000,000

    • 0 over $ 1,000,000

  • 0 Interest

    Estimated annual amount

    • 0 Under $ 100,00

    • 0 $100,00 to $ 500,00

    • 0 $ 500,000 to $ 1,000,000

    • 0 over $ 1,000,000

  • 0 Royalties

    Estimated annual amount

    • 0 Under $ 100,00

    • 0 $100,00 to $ 500,00

    • 0 $ 500,000 to $ 1,000,000

    • 0 over $ 1,000,000

Types and amounts of passive income received from the United States during the calendar years preceding the calendar year for which this form ‘IB 93 USA’ has been issued and for which treaty benefits were claimed:

Year

Type

Amount

The third preceding year

Dividends

$

 

Interest

$

 

Royalties

$

The second preceding year

Dividends

$

 

Interest

$

 

Royalties

$

The first preceding year

Dividends

$

 

Interest

$

 

Royalties

$

2nd copy for the person liable to withhold tax [Vervallen per 21-08-2010]

2nd copy for the person liable to withhold tax

This form (hereafter referred to as form ‘IB 93 USA’) may be filled in by the beneficial owner of items of income from US sources (in the following: ‘the applicant’) to demonstrate to the withholding agent (unless that agent has actual knowledge or reason to know otherwise) and to the US tax authorities that the conditions of article 26, and, if appropriate, those of article 12, paragraph 8, or article 13, paragraph 6, of the Convention of 18 December 1992 between the Netherlands and the United States of America for the avoidance of double taxation are satisfied and that the applicant is entitled to the benefits of the Convention.

Important!

Before filling in this form, please read the instructions on the back of the fourth copy.

Note: this form is intended only for residents of the Netherlands other than

  • individuals (article 26, paragraph 1, subparagraph a of the Convention)

  • the State or a political subdivision thereof or a local authority thereof (article 26, paragraph 1, subparagraph b of the Convention).

NB: The flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’, parts I -X is simplified version of the text of article 26. The flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’, part XI is based on the text of article 12, paragraph 8, and article 13, paragraph 6, of the Convention. Please consult the flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’ and the full text of the Convention when filling in this form. Any further questions can be addressed to the Inspector in whose jurisdiction the applicant is a resident. Data of the immediately preceding taxable year may be used when filling in this form, unless the applicant knows or has reason to know that changes will occur or have occurred in the facts and circumstances during the taxable year under consideration, which changes might affect the issuing of a statement for the taxable year under consideration.

1. Full name, address, telephone number and ‘Landelijk Vast nummer’ (fiscal number) of applicant:

...............................................................

...............................................................

(in capital letters)

2.

  • a. o. The applicant does not meet one of the tests laid down in paragraphs 1 through 6 of article 26 (see question 4), but instead has obtained a favourable determination from the US competent authority for the application of the safety-valve provision laid down in article 26, paragraph 7, of the Convention (See point 3 of the instructions on the back of the fourth copy)

    Go to question 3.

  • b. o. A previous statement was issued for the applicant by the competent Dutch Inspector stating that the conditions of article 26 and, if appropriate, the conditions of article 12, paragraph 8, or article 13, paragraph 6, of the Convention are satisfied.

    Go to question 3.

  • c. o. The applicant has not obtained a favourable determination from the US competent authority for the application of the safety-valve provision, nor was a previous statement issued for the applicant by the competent Dutch Inspector. Go to question 4.

    (please tick as appropriate)

3. Have there been any important changes in facts and circumstances since the date on which the previous statement was issued by the competent Dutch Inspector, or, if no such previous statement was issued, since the favourable determination has been obtained from the US competent authority, which could affect the issuing of a (subsequent) statement, or which could affect the test on which the issuing of a statement has been, or will be, based? (Please tick as appropriate)

  • o No. In the situation where a previous statement was issued by the competent Dutch Inspector, please tick questions 4 and/or, if appropriate, question 5 of this form in the same manner as was done in the form requesting the issuing of the previous statement

  • o Yes. Go to question 4 and, if appropriate, 5 (See however point 4 and 5 of the instructions on the back of the fourth copy)

4. The applicant satisfies the conditions as laid down in article 26 of the Convention in:

(Please tick as appropriate)

o

Paragraph 1, subparagraph c, i

(direct stock-exchange test)

See part

I.

o

Paragraph 1, subp. c, ii of iii

(indirect stock-exchange test)

See part

II.

o

Paragraph 1, subparagraph c, iv

(indirect stock-exchange test for conduit companies)

See part

III.

o

Paragraph 1, subparagraph d

(shareholder test)

See part

IV.

o

Paragraph 4,

(EC shareholder test)

See part

V.

o

Paragraph 1, subparagraph e

(exempt organisations)

See part

VI.

o

Paragraph 2

(activity test)

See part

VII.

o

Paragraph 3

(head-office test)

See part

VIII.

o

Paragraph 6

(test for shipping and air transport companies)

See part

IX.

5. The applicant satisfies the conditions of one of the tests mentioned under question 4, or has obtained a favourable determination from the US competent authority for application of the safety-valve provision (question 2), and derives interest of royalty income from the United States of America that is:

(please tick as appropriate)

  • a. o. not attributable to a permanent establishment of the applicant in a third state and thus not subject to tax in the United States of America, or

  • b. o. attributable to a permanent establishment of the applicant in a third state and not subject to tax in the United States of America, since the applicant, in the case of interest income, satisfies the conditions of article 12, paragraph 8, and, in the case of royalty income, satisfies the conditions of article 13, paragraph 6, of the Convention, or

  • c. o. attributable to a permanent establishment of the applicant in a third state and subject to tax in the United States of America at a rate of no more than 15 percent, since the applicant, in the case of interest income, does not satisfy the conditions of article 12, paragraph 8, respectively, in the case of royalty income, does not satisfy the conditions of article 13, paragraph 6, of the Convention.

Place .......................................

Date ...............................................

Signature of the applicant

...............................................................

(do not write below this line)

Statement by the competent dutch inspector [Vervallen per 21-08-2010]

I state that, to the best of my knowledge, the above information, as well as the facts and circumstances which have been presented tot support this statement are correct and adequate. This statement is valid only for the whole of the calendar year 19 . However, it will become invalid at the moment that during this calendar year a change in facts or circumstances causes the applicant to be entitled to the treaty benefits no longer.

Date: .................................................

Signature: ..........................................

(Stamp)

3rd copy for the Dutch tax authorities [Vervallen per 21-08-2010]

3rd copy for the dutch tax authorities

This form (hereafter referred to as form ‘IB 93 USA’) may be filled in by the beneficial owner of items of income from US sources (in the following: ‘the applicant’) to demonstrate to the withholding agent (unless that agent has actual knowledge or reason to know otherwise) and to the US tax authorities that the conditions of article 26, and, if appropriate, those of article 12, paragraph 8, or article 13, paragraph 6, of the Convention of 18 December 1992 between the Netherlands and the United States of America for the avoidance of double taxation are satisfied and that the applicant is entitled to the benefits of the Convention.

Important!

Before filling in this form, please read the instructions on the back of the fourth copy.

Note: this form is intended only for residents of the Netherlands other than

  • individuals (article 26, paragraph 1, subparagraph a of the Convention)

  • the State or a political subdivision thereof or a local authority thereof (article 26, paragraph 1, subparagraph b of the Convention).

NB: The flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’, parts I -X is simplified version of the text of article 26. The flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’, part XI is based on the text of article 12, paragraph 8, and article 13, paragraph 6, of the Convention. Please consult the flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’ and the full text of the Convention when filling in this form. Any further questions can be addressed to the Inspector in whose jurisdiction the applicant is a resident. Data of the immediately preceding taxable year may be used when filling in this form, unless the applicant knows or has reason to know that changes will occur or have occurred in the facts and circumstances during the taxable year under consideration, which changes might affect the issuing of a statement for the taxable year under consideration.

1. Full name, address, telephone number and ‘Landelijk Vast nummer’ (fiscal number) of applicant:

...............................................................

...............................................................

(in capital letters)

2.

  • a. o. The applicant does not meet one of the tests laid down in paragraphs 1 through 6 of article 26 (see question 4), but instead has obtained a favourable determination from the US competent authority for the application of the safety-valve provision laid down in article 26, paragraph 7, of the Convention (See point 3 of the instructions on the back of the fourth copy)

    Go to question 3.

  • b. o. A previous statement was issued for the applicant by the competent Dutch Inspector stating that the conditions of article 26 and, if appropriate, the conditions of article 12, paragraph 8, or article 13, paragraph 6, of the Convention are satisfied.

    Go to question 3.

  • c. o. The applicant has not obtained a favourable determination from the US competent authority for the application of the safety-valve provision, nor was a previous statement issued for the applicant by the competent Dutch Inspector. Go to question 4.

    (please tick as appropriate)

3. Have there been any important changes in facts and circumstances since the date on which the previous statement was issued by the competent Dutch Inspector, or, if no such previous statement was issued, since the favourable determination has been obtained from the US competent authority, which could affect the issuing of a (subsequent) statement, or which could affect the test on which the issuing of a statement has been, or will be, based? (Please tick as appropriate)

  • o No. In the situation where a previous statement was issued by the competent Dutch Inspector, please tick questions 4 and/or, if appropriate, question 5 of this form in the same manner as was done in the form requesting the issuing of the previous statement

  • o Yes. Go to question 4 and, if appropriate, 5 (See however point 4 and 5 of the instructions on the back of the fourth copy)

4. The applicant satisfies the conditions as laid down in article 26 of the Convention in:

(Please tick as appropriate)

o

Paragraph 1, subparagraph c, i

(direct stock-exchange test)

See part

I.

o

Paragraph 1, subp. c, ii or iii

(indirect stock-exchange test)

See part

II.

o

Paragraph 1, subparagraph c, iv

(indirect stock-exchange test for conduit companies)

See part

III.

o

Paragraph 1, subparagraph d

(shareholder test)

See part

IV.

o

Paragraph 4,

(EC shareholder test)

See part

V.

o

Paragraph 1, subparagraph e

(exempt organisations)

See part

VI.

o

Paragraph 2

(activity test)

See part

VII.

o

Paragraph 3

(head-office test)

See part

VIII.

o

Paragraph 6

(test for shipping and air transport companies)

See part

IX.

5. The applicant satisfies the conditions of one of the tests mentioned under question 4, or has obtained a favourable determination from the US competent authority for application of the safety-valve provision (question 2), and derives interest of royalty income from the United States of America that is:

(please tick as appropriate)

  • a. o. not attributable to a permanent establishment of the applicant in a third state and thus not subject to tax in the United States of America, or

  • b. o. attributable to a permanent establishment of the applicant in a third state and not subject to tax in the United States of America, since the applicant, in the case of interest income, satisfies the conditions of article 12, paragraph 8, and, in the case of royalty income, satisfies the conditions of article 13, paragraph 6, of the Convention, or

  • c. o. attributable to a permanent establishment of the applicant in a third state and subject to tax in the United States of America at a rate of no more than 15 percent, since the applicant, in the case of interest income, does not satisfy the conditions of article 12, paragraph 8, respectively, in the case of royalty income, does not satisfy the conditions of article 13, paragraph 6, of the Convention.

Place .......................................

Date ......................................................

Signature of the applicant

...............................................................

(do not write below this line)

Statement by the competent dutch inspector [Vervallen per 21-08-2010]

I state that, to the best of my knowledge, the above information, as well as the facts and circumstances which have been presented tot support this statement are correct and adequate. This statement is valid only for the whole of the calendar year 19 . However, it will become invalid at the moment that during this calendar year a change in facts or circumstances causes the applicant to be entitled to the treaty benefits no longer.

Date: .................................................

Signature: ..........................................

(Stamp)

4th copy for the applicant [Vervallen per 21-08-2010]

4th copy for the applicant

This form (hereafter referred to as form ‘IB 93 USA’) may be filled in by the beneficial owner of items of income from US sources (in the following: ‘the applicant’) to demonstrate to the withholding agent (unless that agent has actual knowledge or reason to know otherwise) and to the US tax authorities that the conditions of article 26, and, if appropriate, those of article 12, paragraph 8, or article 13, paragraph 6, of the Convention of 18 December 1992 between the Netherlands and the United States of America for the avoidance of double taxation are satisfied and that the applicant is entitled to the benefits of the Convention.

Important!

Before filling in this form, please read the instructions on the back of the fourth copy.

Note: this form is intended only for residents of the Netherlands other than

  • individuals (article 26, paragraph 1, subparagraph a of the Convention)

  • the State or a political subdivision thereof or a local authority thereof (article 26, paragraph 1, subparagraph b of the Convention).

NB: The flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’, parts I -X is simplified version of the text of article 26. The flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’, part XI is based on the text of article 12, paragraph 8, and article 13, paragraph 6, of the Convention. Please consult the flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’ and the full text of the Convention when filling in this form. Any further questions can be addressed to the Inspector in whose jurisdiction the applicant is a resident. Data of the immediately preceding taxable year may be used when filling in this form, unless the applicant knows or has reason to know that changes will occur or have occurred in the facts and circumstances during the taxable year under consideration, which changes might affect the issuing of a statement for the taxable year under consideration.

1. Full name, address, telephone number and ‘Landelijk Vast nummer’ (fiscal number) of applicant:

...............................................................

...............................................................

(in capital letters)

2.

  • a. o. The applicant does not meet one of the tests laid down in paragraphs 1 through 6 of article 26 (see question 4), but instead has obtained a favourable determination from the US competent authority for the application of the safety-valve provision laid down in article 26, paragraph 7, of the Convention (See point 3 of the instructions on the back of the fourth copy)

    Go to question 3.

  • b. o. A previous statement was issued for the applicant by the competent Dutch Inspector stating that the conditions of article 26 and, if appropriate, the conditions of article 12, paragraph 8, or article 13, paragraph 6, of the Convention are satisfied.

    Go to question 3.

  • c. o. The applicant has not obtained a favourable determination from the US competent authority for the application of the safety-valve provision, nor was a previous statement issued for the applicant by the competent Dutch Inspector. Go to question 4.

    (please tick as appropriate)

3. Have there been any important changes in facts and circumstances since the date on which the previous statement was issued by the competent Dutch Inspector, or, if no such previous statement was issued, since the favourable determination has been obtained from the US competent authority, which could affect the issuing of a (subsequent) statement, or which could affect the test on which the issuing of a statement has been, or will be, based? (Please tick as appropriate)

  • o No. In the situation where a previous statement was issued by the competent Dutch Inspector, please tick questions 4 and/or, if appropriate, question 5 of this form in the same manner as was done in the form requesting the issuing of the previous statement

  • o Yes. Go to question 4 and, if appropriate, 5 (See however point 4 and 5 of the instructions on the back of the fourth copy)

4. The applicant satisfies the conditions as laid down in article 26 of the Convention in:

(Please tick as appropriate)

o

Paragraph 1, subparagraph c, i

(direct stock-exchange test)

See part

I.

o

Paragraph 1, subp. c, ii or iii

(indirect stock-exchange test)

See part

II.

o

Paragraph 1, subparagraph c, iv

(indirect stock-exchange test for conduit companies)

See part

III.

o

Paragraph 1, subparagraph d

(shareholder test)

See part

IV.

o

Paragraph 4,

(EC shareholder test)

See part

V.

o

Paragraph 1, subparagraph e

(exempt organisations)

See part

VI.

o

Paragraph 2

(activity test)

See part

VII.

o

Paragraph 3

(head-office test)

See part

VIII.

o

Paragraph 6

(test for shipping and air transport companies)

See part

IX.

5. The applicant satisfies the conditions of one of the tests mentioned under question 4, or has obtained a favourable determination from the US competent authority for application of the safety-valve provision (question 2), and derives interest of royalty income from the United States of America that is:

(please tick as appropriate)

  • a. o. not attributable to a permanent establishment of the applicant in a third state and thus not subject to tax in the United States of America, or

  • b. o. attributable to a permanent establishment of the applicant in a third state and not subject to tax in the United States of America, since the applicant, in the case of interest income, satisfies the conditions of article 12, paragraph 8, and, in the case of royalty income, satisfies the conditions of article 13, paragraph 6, of the Convention, or

  • c. o. attributable to a permanent establishment of the applicant in a third state and subject to tax in the United States of America at a rate of no more than 15 percent, since the applicant, in the case of interest income, does not satisfy the conditions of article 12, paragraph 8, respectively, in the case of royalty income, does not satisfy the conditions of article 13, paragraph 6, of the Convention.

Place .......................................

Date ......................................................

Signature of the applicant

...............................................................

(do not write below this line)

Statement by the competent dutch inspector [Vervallen per 21-08-2010]

I state that, to the best of my knowledge, the above information, as well as the facts and circumstances which have been presented tot support this statement are correct and adequate. This statement is valid only for the whole of the calendar year 19 . However, it will become invalid at the moment that during this calendar year a change in facts or circumstances causes the applicant to be entitled to the treaty benefits no longer.

Date: .................................................

Signature: ..........................................

(Stamp)

Instructions for the filling in and further processing of form ‘IB 93 USA’

1. A separate form ‘IB 93 USA’ must be used for each person claiming application of the Convention and for each withholding agent. The first copy of the form ‘IB 93 USA’ (the copy for the American tax authorities) must always be accompanied by the list of the estimated annual amounts of United States source passive income for which treaty benefits are claimed, which list is attached to the fist copy (to be filled in by the applicant) and by a list of the applicable statements and of the actual documentation reviewed by the Inspector (to be filled out by the competent Dutch Inspector).

2. Start filling in form ‘IB 93 USA’ at question 1.

3. If the US competent authority has previously agreed to grant treaty benefits on the basis of article 26, paragraph 7 (the safety-valve provision), written confirmation of this decision by the US competent authority has to be submitted if this has not already been done.

4. If the applicant does not meet one of the tests in question 4, see part X of the flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’ on how to apply for a determination by the US competent authority for the application of article 26, paragraph 7.

5. If the applicant does not meet one of the tests in question 4, but instead has obtained a favourable determination from the US competent authority for the application of the safety-valve provision and if the changes in facts and circumstances referred to in question 3 are such that they could affect the validity of this favourable determination, then the previously obtained favourable determination is no longer valid.

For an advance approval of the safety-valve provision based on the changed facts and circumstances you must submit a request for that purpose to the US competent authority.

6. Before filling in question 4 of this form, determine which test can be used as a basis for a request for the application of the Convention.

The flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’, parts I–IX can be used as a guide. These parts do not have to be filled in; simply follow the instructions after each question. Before filling in question 5 of this form, proceed in the same manner. In that case the flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’, part XI can be used as a guide.

7. All four copies of the completed and signed form ‘IB 93 USA’ (including the completed list of estimated annual amounts of passive United States source income for which treaty benefits are claimed, which list is attached to the first copy of this form) should be sent to the competent Dutch Inspector. In cases where questions 2, 4 and 5 of this form have been filled in for the first time, the applicant should enclosed with his request for the issuing of a statement documentary evidence in support of his claim to treaty benefits (see parts I through XI of the flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’). However, if question 3 of this form has been answered in the affirmative, the applicant should again enclose the documentary evidence. Furthermore, documentary evidence must be enclosed once every three years, starting with the first year in which a request for the issuing of a statement has been submitted, or, if appropriate, starting with the year in which question 3 of this form has been answered in the affirmative.

In cases where documentary evidence need not be enclosed, the applicant should however have the documentary evidence readily available and must submit it to the Inspector upon request. The documentary evidence may be sent by the Netherlands competent authority (Belastingdienst/FIOD, Inlichtingendienst), Wederzijdse Bijstand, Postbus 1603, 2003 BR Haarlem) to the US competent authority on the latter’s request.

8. Once the information provided has been verified, the Inspector sends the first copy of the form ‘IB 93 USA’ signed by him, together with the completed list of estimated annual amounts of passive United States source income for which treaty benefits are claimed (this list is attached to the first copy of the form and will not be verified by the Inspector) and by the listing of the applicable statements and of the actual documentation reviewed by the Inspector to the Belastingdienst/FIOD, Inlichtingendienst/Wederzijdse Bijstand, Postbus 1603, 2003 BR Haarlem, who will pass this documentation on to the American tax authorities. The Inspector sends the second and fourth copy of the form ‘IB 93 USA’ back to the applicant and he retains the third copy for his own files. The applicant passes on the second copy to the withholding agent. This statement can be used to demonstrate to the United States withholding agent (unless that agent has actual knowledge or reason to know otherwise) that, the conditions of article 26 and, if appropriate, those of paragraph 8 of article 12 and those of paragraph 6 of article 13 of the Convention have been satisfied.

In the case of dividend-income, a reduction of or an exemption of American withholding tax can be obtained by claiming treaty benefits with the withholding agent.

In the case of other income, a reduction of or an exemption of American withholding tax can be obtained only if the American 1001 form, or other appropriate form, is submitted to the withholding agent.

9. Blank copies of form ‘IB 93 USA’ and of the annex thereto (the flow chart) can be obtained free of charge from the Belastingdienst/Logistiek Centrum, Postbus 9050, 7300 GM Apeldoorn, The Netherlands.

Bijlage 2 [Vervallen per 21-08-2010]

Annex I. To form ‘IB 93 USA’ (flow chart) [Vervallen per 21-08-2010]

This flow chart may be used when filling in form ‘IB 93 USA’. The questions in parts I–X of this flow chart present the text of article 26 of the convention in simplified form and those in part XI present the text of article 12, paragraph 8, and article 13, paragraph 6, of the Convention in a simplified form. If the questions are unclear, please consult the text of the Convention, the Memorandum of Understanding and, if appropriate, the exchange of letters signed by the Governments of the Contracting States on 13 October 1993 (in the following: the exchange of letters). Wherever possible, the flow chart includes references to the relevant provisions of article 26 and to article 12, paragraph 8, and article 13, paragraph 6, of the Convention, and to the relevant provisions of the Memorandum of Understanding and the exchange of letters.

Any further questions can be addressed to the Inspector in whose jurisdiction you are resident.

Important

Data of the immediately preceding taxable year may be used, unless the applicant knows or has reason to know that changes will occur or have occurred in the facts and circumstances during the taxable year under consideration, which changes might affect the issuing of a statement for the taxable year under consideration.

The following terms are relevant when going through parts I–XI of this flow chart:

Share certificates

Share certificates will be considered to have the same rights as the rights attached to the shares which they replace, including the voting rights thereof. (see article 26, paragraph 8, subparagraph b and part I of the exchange of letters).

Deductible payments

The term ‘deductible payments’ includes all payments which may be deducted when determining the taxable income, with the exception of the direct costs of goods sold (which term includes direct costs of goods purchased and direct payroll expenses) and with the exception of other payments for the purchase, use of or the right to use tangible property in the ordinary course of business or remuneration for services performed in the state of residence of the company making the payments provided they are at arm’s length (see article 26, paragraph 5, subparagraph c).

Gross income

The term ‘gross income’ means gross receipts less direct costs of goods sold, which latter term includes direct costs of goods purchased and direct payroll expenses.

Qualified persons

The term ‘qualified persons’ refers to individuals resident in The Netherlands or in the United States of America, to the United States of America or The Netherlands or a political subdivision or local authority thereof, and to other persons resident in The Netherlands or the United States of America which may claim benefits under the Convention on the basis of parts I, II, III, IV or VI of this flow chart as well as citizens of the United States of America (see article 26, paragraph 8, subparagraph g).

Member State of the European Community

The term ‘member state of the European Community’ refers to The Netherlands and any other EC member state with which The Netherlands and United States of America have concluded a comprehensive income tax Convention. In practice this means that the term includes all member states of the European Community except Portugal (see article 26, paragraph 8, subparagraph h).

Resident of a member state of the European Community

The term ‘resident of a member state of the European Community’ refers in general to a person which

  • would be considered as a qualified person for the application of the Convention within the meaning of the Dutch-American Convention if it, had its state of residence been The Netherlands, would be considered to be a resident of The Netherlands under the principles of article 4, and

  • is otherwise entitled to benefits under the convention especially with respect to residency and beneficial ownership between the state in which it is actually resident and the United States of America. (See article 26, paragraph 8, subparagraph i, and part VII of the exchange of letters).

I. The direct stock-exchange test [Vervallen per 21-08-2010]

(for companies listed on the stock exchange)

Answer the following questions to determine whether the conditions of article 26, paragraph 1, subparagraph c, i, of the Convention are satisfied.

1.

Is the principal class of shares listed on a recognised stock exchange in The Netherlands or the United States of America? (See paragraph 8, subparagraphs a, b, d and e.)

(The principal class of shares is generally the ordinary shares of the company, provided that this class of shares represents the majority of the voting power and value of the company)

If not, go to part II.

 

I

V

Yes

I

V
   

2.

Is the principal class of shares traded regularly and substantially on one or more recognised stock exchanges? (See paragraph 8, subparagraph f.)

(In the preceding taxable year at least 6% of the average number of outstanding shares must have been traded and each month there must have been trade in more than de minimus quantities. In addition to trade on the Dutch and American stock exchanges, trade on the Frankfurt, London, Paris, Brussels, Hamburg, Madrid, Milan, Sydney, Tokyo and Toronto stock exchanges may also be taken into account.)

If not, go to part II.

 

I

V

Yes

I

V
   

3.

The company satisfies the conditions of paragraph 1, subparagraph c, i, of article 26 of the Convention.

 

You may indicate this in question 4 of form ‘IB 93 USA’ and sign the form.

 

Please enclose documentary evidence in support of your entitlement to treaty benefits, such as for example:

 

– with respect to the principal class of shares, including any disproportionate class of shares, documents showing:

 

* a description of the class of shares and the number of outstanding shares of this class;

 

* letters from the recognised stock exchanges confirming the company’s temporary or definite listing;

 

* proof that the aggregate yearly trading of the shares, as published in the Official List or its equivalent in the United States of America, or its equivalent in any other relevant country where the stock is traded, exceeded 6 percent and that there has been a monthly trade in the principal class of shares in more than de minimus quantities;

 

– if the company’s stock is traded only on the parallel market of the Amsterdam stock exchange or NASDAQ, a statement that the company has no knowledge or reason to know that its stock is closely held, within the meaning of subparagraph e of paragraph 8 of article 26.

 

– other relevant documents.

II. The indirect stock-exchange test [Vervallen per 21-08-2010]

(for subsidiaries of companies listed on the stock exchange)

Answer the following questions to determine whether the conditions of article 26, paragraph 1, subparagraph c, ii or iii, of the Convention are satisfied.

1.

Is more than 50% of the aggregate vote and value of all shares owned directly or indirectly by five or fewer companies, resident of The Netherlands or the United States of America, which meet the direct stock-exchange test in part I?

If yes, go to question 4.

 

I

V

No

I

V
   

2.

Is at least 30% of the aggregate vote and value of all shares owned directly of indirectly by five or fewer companies, resident of The Netherlands which meet the direct stock-exchange test in part I?

If not, go to part IV.

 

I

V

Yes

I

V
   

3.

Is at least 70% of the aggregate vote and value of all shares owned directly or indirectly by five or fewer companies which are residents of the United States of America or of one of the EC member states, including The Netherlands, the principal class of shares of which is traded regularly and substantially on one or more recognised stock exchanges? (See part I)

If not, go to part IV.

 

I

V

Yes

I

V
   

4.

If the shares referred to in questions 1, 2 and 3 are indirectly owned by a company listed on the stock exchange, are then the other intermediary companies in the chain of ownership residents of the United States of America or of one of the EC member states, including The Netherlands?

(See paragraph 8, subparagraph k.)

If not, go to part IV.

 

I

V

Yes

I

V
   

5.

Are deductible payments made in an amount of less than 90% of interest, royalties and similar payments received (See paragraph 8, subparagraph m.)

If not, go to part III.

 

I

V

Yes

I

V
   

6.

The company satisfies the conditions of paragraph 1, subparagraph c, ii or iii, of article 26 of the Convention. You may indicate this in question 4 of form ‘IB 93 USA’ and sign the form.

 

Please enclose documentary evidence in support of your entitlement to treaty benefits, such as for example:

 

– with respect to each company relied on in meeting either the 50% threshold or the 30% and 70% thresholds, documents showing:

 

* the company’s name, country of residence, and percentage of vote and value that it owns directly and/or indirectly in the applicant, including the name and country of residence of any intermediary company between that company and the applicant;

 

* a description of the principal class of shares of the company (including any disproportionate class of shares) and the number of outstanding shares of the class(es);

 

* letters from the recognised stock exchanges confirming the company’s temporary of definite listing;

 

* proof that the aggregate yearly trading of the principal class of shares, as published in the Official List or its equivalent in the United States of America, or its equivalent in any other relevant country where the stock is traded, exceeded 6 percent and that there has been a monthly trade in the principal class of shares in more than de minimus quantities.

 

– if the company’s stock is traded only on the parallel market of the Amsterdam stock exchange or NASDAQ, a statement that the company has no knowledge or reason to know that its stock is closely held, within the meaning of subparagraph e of paragraph 8 of article 26.

 

– a copy of the profit and loss account showing of the applicant showing the amount of interest and royalty payments made and received, including a calculation that shows that such payments are made in an amount of less than 90 percent of similar payments received.

 

– other relevant documents.

III. Indirect stock-exchange test for conduit companies [Vervallen per 21-08-2010]

(for subsidiaries of companies listed on the stock exchange which make deductible payments in an amount equal to or more than 90% of interest, royalties and similar payments received)

Answer the following questions to determine whether the conditions of article 26, paragraph 1, subparagraph c, iv, of the Convention are satisfied.

1.

Are all the associated enterprises receiving deductible payments from the applicant liable to a rate of tax of 50 per cent or more of the general rate of corporation tax applicable in The Netherlands?

(See paragraph 5, subparagraphs a, i, and d.)

If yes, go to point 5.

 

I

V

No

I

V
   

2.

Is less than 50% of the gross income used directly or indirectly to make deductible payments to associated enterprises which do not qualify for application of the Convention? (See paragraph 5, subparagraphs a, i, and d.)

(for the purposes of this test only payments made to associated enterprises which are liable to a tax rate of less than 50% of the general rate of corporation tax applicable in The Netherlands are considered to be deductible payments)

If yes, go to point 5.

 

I

V

No

I

V
   

3.

Is less than 70% of the gross income used directly or indirectly to make deductible payments to associated enterprises which do not qualify for application of the Convention? (See paragraph 5, subparagraph a, ii, and d.)

(for the purposes of this test only payments made to associated enterprises which are liable to a tax rate of less than 50% of the general rate of corporation tax applicable in The Netherlands are considered to be deductible payments)

If not, go to part IV.

 

I

V

Yes

I

V
   

4.

Is less than 30% of the gross income used directly or indirectly to make deductible payments to associated enterprises which are not qualified persons nor residents of EC member states?

(See paragraph 5, subparagraph a, ii, and d.)

(for the purposes of this test only payments made to associated enterprises which are liable to a tax rate of less than 50% of the general rate of corporation tax applicable in The Netherlands are considered to be deductible payments)

If not, go to part IV.

 

I

V

Yes

I

V
   

5.

The company satisfies the conditions of paragraph 1, subparagraph c, iv, of article 26 of the Convention.

 

You may indicate this in question 4 of form ‘IB 93 USA’ and sign the form.

 

Please enclose documentary evidence in support of your entitlement to treaty benefits, such as for example:

 

– documents referred to in the indirect stock-exchange test statement.

 

– the tax returns showing that the conditions of either the 50 percent income test or the 70/30 percent gross income tests have been satisfied, including the name and country of residence of each associated enterprise relied upon to meet these tests.

 

– information on the tax rate to which the recipient was liable with respect to these deductible payments.

 

– other relevant documents.

IV. The shareholder test [Vervallen per 21-08-2010]

(for persons with a majority of Dutch or American shareholders)

Answer the following questions to determine whether the conditions of article 26, paragraph 1, subparagraph d of the Convention are satisfied.

1.

Is more than 50% of the beneficial interest directly or indirectly owned by qualified persons?

If not, go to part V.

 

I

V

Yes

I

V
   

2.

Is less than 50% of the gross income used directly of indirectly to make deductible payments to persons which are not qualified persons? (See paragraph 5, subparagraph a, i.)

If yes, go to point 5.

 

I

V

No

I

V
   

3.

Is less than 70% of the gross income used directly or indirectly to make deductible payments to persons which are not qualified persons?

(See paragraph 5, subparagraph a, ii.)

If not, go to part V.

 

I

V

Yes

I

V
   

4.

Is less than 30% of the gross income used directly or indirectly to make deductible payments to persons other than qualified persons or residents of EC member states?

If not, go to part V.

 

I

V

Yes

I

V
   

5.

The person satisfies the conditions of paragraph 1, subparagraph d of article 26 of the Convention. You may indicate this in question 4 of form ‘IB 93 USA’ and sign the form.

 

For investment organisations within the meaning of article 28 of the 1969 Corporation Tax Act please see the special provision in part XI of the Memorandum of Understanding.

 

Please enclose documentary evidence in support of your entitlement to treaty benefits, such as for example:

 

– for investment organisations within the meaning of article 28 of the 1969 Corporation Tax Act, the information described in paragraph XI of the Memorandum of Understanding.

 

– for all other companies, with respect to each qualified person relied on in meeting the 50 percent threshold, documents showing: the person’s name, country of residence, and percentage of vote and value of shares (including any disproportionate class of stock) that it owns directly and/or indirectly in the applicant.

 

– with respect to each qualified person (other than an individual, state, political subdivision, local authority, or United States citizen) documents similar to those required to meet the conditions under parts I, II and III of this flow chart to substantiate such person’s status as a qualified person.

 

– with respect to an applicant company whose stock is owned by a trust or with respect to an applicant that is a trust (other than an exempt pension trust or an exempt organisation organised in the form of a trust), a copy of the trust agreement and proof that the trust and/or beneficiaries are subject to tax on the income for which treaty benefits are claimed.

 

– tax returns showing the applicant’s gross income for the preceding four years.

 

– a copy of the profit and loss account showing the deductible payments made and received.

 

– a calculation showing that the conditions of either the 50 percent income test or the 70/30 percent gross income tests have been satisfied, including the name and country of residence of each person relied upon to meet these tests.

 

– other relevant documents.

V. The EC shareholder test [Vervallen per 21-08-2010]

(for companies with a majority of American, Dutch or other EC shareholders)

Answer the following questions to determine whether the conditions of article 26, paragraph 4 of the Convention are satisfied.

1.

Is more than 30% of the aggregate vote and value of all shares directly or indirectly owned by qualified persons, resident of The Netherlands?

If not, go to part VI.

 

I

V

Yes

I

V
   

2.

Is more than 70% of the aggregate vote and value of alle shares directly or indirectly owned by qualified persons and persons which are residents of an EC member state (including The Netherlands)?

(A resident of an EC member state may be taken into account only if the income paid to The Netherlands from the United States of America is not taxed at a more favourable rate than if this income was paid to the shareholder’s member state; see paragraph 4, subparagraph b.)

If not, go to part VI.

 

I

V

Yes

I

V
   

3.

Is less than 50% of the gross income used directly or indirectly to make deductible payments to persons which are not qualified persons? (See paragraph 5, subparagraph a, i.)

If yes, go to point 6.

 

I

No

I

V V
   

4.

Is less than 70% of the gross income used directly or indirectly to make deductible payments to persons which are not qualified persons? (See paragraph 5, subparagraph a, ii.)

If not, go to part VI.

 

I

V

Yes

I

V
   

5.

Is less than 30% of the gross income used directly or indirectly to make deductible payments to persons other than qualified persons or residents of EC member states? (See paragraph 5, subparagraph a, ii.)

If not, go to part VI.

 

I

V

Yes

I

V
   

6.

The company satisfies the conditions of paragraph 4 of article 26 of the Convention, which entitles it to the benefits of article 10 (Dividends), 11 (Branch Tax), 12 (Interest) and 13 (Royalties) of the Convention. You may indicate this in question 4 of form ‘IB 93 USA’ and sign the form.

 

Please enclose documentary evidence in support of your entitlement to treaty benefits, such as for example:

 

– documents referred to in the shareholder test statement, substituting with respect to the ownership requirements 30 percent and 70 percent for 50 percent. Note: if there is a disproportionate class of shares of the company seeking treaty benefits, the same information with respect to that class of shares.

 

– information on the type of income that is expected to be received from the United States.

 

– other relevant documents.

   

VI. The test for exempt organisations [Vervallen per 21-08-2010]

(for not-for-profit organisations exempt from tax in the Netherlands)

Answer the following questions to determine whether the conditions of article 26, paragraph 1, subparagraph e of the Convention are satisfied.

1.

Is the organisation in question a not-for-profit organisation which is exempt from income tax in the Netherlands?

(This may include pension funds, private foundations, trade unions and trade associations; see paragraph 8, subparagraph j.)

If not, go to VII.

 

I

V

Yes

I

V
   

2.

Are more than half of the beneficiaries, members or participants in the organisation qualified persons

or

in the case of an organisation the purpose of which is to provide retirement, disability, or other employment benefits, are the funds provided by an organisation which is itself eligible for application of the Convention?

If not, go to part X.

 

I

V

Yes

I

V
   

3.

The company satisfies the conditions of paragraph 1, subparagraph e of article 26 of the Convention. You may indicate this in question 4 of form ‘IB 93 USA’ and sign the form.

 

Please enclose documentary evidence in support of your entitlement to treaty benefits, such as for example:

 

– documents proving that more than half of its beneficiaries, members, or participants are qualified persons.

 

– documents proving that the exempt organisation is a pension fund, a pension trust, or a similar entity, whose sponsoring organisation is entitled to benefits under the Convention.

 

– other relevant documents.

VII. The activity test [Vervallen per 21-08-2010]

(for persons operating a business in the Netherlands and EC member states directly or via related companies)

Answer the following questions to determine whether the conditions of article 26, paragraph 2 of the Convention are satisfied.

1.

Is the person in question itself or together with associated companies described in paragraph 2, subparagraph e, iii through vii, engaged in the active conduct of a trade or business in The Netherlands? (See paragraph 2, subparagraphs a and e.)

If not, go to part VIII.

 

I

V

Yes

I

V
   

2.

Is the income derived by this person from the United States of America derived in connection with the business activities carried on in The Netherlands?

(Income is derived in connection with, if the activity in the United States of America which generates the income forms a part of or is complementary to the activities in The Netherlands; see paragraph 2, subparagraph a, i, and b.)

If not, go to question 9.

 

I

V

Yes

I

V
   

3.

Is the income derived from the United States of America derived from a person in which either the applicant itself, or an associated person described in paragraph 2, subparagraph e, iii through vii, owns shares, other than shares that generate incidental income, or is the income derived through a United States permanent establishment of the applicant?

If not, go to point 10.

 

I

V

Yes

I

V
   

4.

In the preceding taxable year was the value of the Dutch business assets of this person or of associated persons, described in paragraph 2, subparagraph e, iii through vii, operating in The Netherlands, either together or separately, more than 7.5% of the value of the assets with which the income is generated in the United States of America? (See paragraph 2, subparagraphs c, i, e, f and g, and the Memorandum of Understanding XV.)

(The value of the assets of associated persons and of the assests used in the United States of America are taken into account pro rata to the interest held in the person in question. If the 7.5% ratio was not met in the preceding tax year, the average of the three preceding years may be used instead.

This also applies to questions 5 and 6.)

If not, go to question 8.

 

I

V

Yes

I

V
   

5.

In the preceding taxable year was the gross income of this person or of associated persons, as meant in paragraph 2, subparagraph e, iii through vii, operating in The Netherlands which was obtained from the business activities carried on in The Netherlands, either together or separately, more than 7.5% of the gross income obtained from the business activities carried on in the United States of America? (See paragraph 2, subparagraphs c, ii, e, f and g.)

(The gross income of associated persons and the gross income in the United States of America is taken into account pro rata to the interest held in the person in question.)

If not, go to question 8.

 

I

V

Yes

I

V
   

6.

In the preceding taxable year were the payroll expenses of the business activities of this person or of associated persons, described in paragraph 2, subparagraph e, iii through vii, for services performed in The Netherlands, either together or separately, more than 7.5% of the payroll expenses for services performed in the United States of America? (See paragraph 2, subparagraph c, iii, e, f and g.)

(The payroll expenses of associated persons and the payroll expenses for services performed in the United States of America are taken into account pro rata to the interest held in the person in question.)

If not, go to question 8.

 

I

V

Yes

I

V
   

7.

Is the average of the ratios calculated for questions 4, 5 and 6 more than 10%? (See paragraph 2, subparagraph c.)

If yes, go to point 10.

 

I

V

No

I

V
   

8.

Does the person or do the associated persons, as meant in paragraph 2, subparagraph e, iii through vii, also carry on activities in other EC member states which are a component part of or are directly related to the business activities carried on in The Netherlands

and

are the ratios referred to in questions 4, 5 and 6 more than 50% and is the ratio referred to in question 7 more than 60% if the assets, the gross income and the

payroll expenses related to the activities carried on in other EC member states are also taken into account? (See paragraph 2, subparagraph c)

and

are the ratios referred to in questions 4, 5 and 6 more than 15% if the assets, the gross income and the payroll expenses related to the business activities carried on in The Netherlands are compared to the assets, the gross income and the payroll expenses related to the activities carried on in the other EC member states? (See paragraph 2, subparagraph h).

If yes, go to point 10.

 

I

V

No

I

V
   

9.

Is the income derived from the United States of America incidental to the business activities carried on in The Netherlands? (See paragraph 2, subparagraphs a, ii, and d.)

If not, go to part VIII.

 

I

V

Yes

I

V
   

10.

The person satisfies the conditions of paragraph 2 of article 26 of the Convention. You may indicate this in question 4 of form ‘IB 93 USA’ and sign the form.

 

Please enclose documentary evidence in support of your entitlement to treaty benefits, such as for example:

 

– a description of the connection between the income derived from the United States of America and the business activities carried on in The Netherlands.

 

– a copy of the profit and loss account containing the information necessary to demonstrate satisfaction of the substantiality tests and supporting calculations.

 

– a chart or diagram showing the Dutch, EC and United States operations of the applicant, including interests in any joint venture and/or partnership and any branches; the type of income from sources within the United States derived by each of these operations and a description of the line of business of each of these operations.

 

– if the applicant elects to attribute to it the activities of another company or group of companies resident in The Netherlands or an EC member state, documents providing:

 

* the name and country of residence of each company; and

 

* the basis under subparagraph e of paragraph 2 of article 26 on which attribution is permitted and proof that the various requirements for attribution under subparagraphs e and h of paragraph 2 have been met.

 

– other relevant documents.

VIII. The headquarter company test [Vervallen per 21-08-2010]

(for headquarter companies of multinational groups of companies)

Answer the following questions to determine whether the conditions of article 26, paragraph 3 of the Convention are satisfied.

1.

Does the headquarter company, carry out a substantial part of the supervision and administration of a multinational group of companies and are these activities carried out in The Netherlands?

(See paragraph 3, subparagraph a and the Memorandum of Understanding XVIII.)

(A significant number of the following functions must be carried out:

corporate financing – the activities of the headquarter company may not consist principally of these activities – pricing, marketing, internal auditing, internal communication and management.)

If not, go to part IX.

 

I

V

Yes

I

V
   

2.

Does the group consist of corporations which are residents of and are actively engaged in business activities carried on in at least five countries of five groups of countries? (See paragraph 3, subparagraph b.)

If not, go to part IX.

 

I

V

Yes

I

V
   

3.

Is at least 10% of the group’s gross income derived from each of the five countries or five groups of countries?

(If this requirement is not met, the average gross income for the preceding four years may be used.)

If not, go to part IX.

 

I

V

Yes

I

V
   

4.

Is less than 50% of the group’s gross income derived from each country (except for The Netherlands)? (See paragraph 3, subparagraph c.)

(If this requirement is not met, the average gross income for the preceding four years may be used.)

If not, go to part IX.

 

I

V

Yes

I

V
   

5.

Is 25% or less of the headquarter company’s gross income derived from the United States of America? (See paragraph 3, subparagraph d.)

(If this requirement is not met, the average gross income for the preceding four years may be used.)

If not, go to part IX.

 

I

V

Yes

I

V
   

6.

Does the headquarter company have independent discretionary authority to carry out the functions mentioned in question 1 and does the headquarter company exercise this authority? (See paragraph 3, subparagraph e.)

If not, go to part IX.

 

I

V

Yes

I

V
   

7.

Is the income derived from the United States of America derived in connection with the group’s business activities

or

is it incidental to the group’s business activities?

(See paragraph 3, subparagraph g.)

If not, go to part IX.

 

I

V

Yes

I

V
   

8.

The person satisfies the conditions of paragraph 3 of article 26 of the Convention. You may indicate this in question 4 of form ‘IB 93 USA’ and sign the form.

 

Please enclose documentary evidence in support of your entitlement to treaty benefits, such as for example:

 

– excerpts from the articles of association and/or the annual accounts showing that the nature of the headquarter company’s authority and activities satisfy the requirements of subparagraph a of paragraph 3 of article 26 of the Convention.

 

– evidence that the headquarter company was engaged in a number of the following functions; pricing, marketing, internal auditing, internal communications and management.

 

– a description of the structure of the multinational group, with information on the residence, ownership and business activities of the corporations for which the headquarter company carries out activities.

 

– a copy of the group’s profit and loss account, with an overview of the source of the gross income, showing that the 10 percent, the 50 percent and the 25 percent gross income tests have been met.

 

– a comparison of the rate of taxation of the applicant to the rate at which an active trade or business would be subject.

 

– a description showing the nature of the income derived from the United States of America.

 

– other relevant documents.

IX. The test for shipping and air transport enterprises [Vervallen per 21-08-2010]

Answer the following questions to determine whether the conditions of article 26, paragraph 6 of the Convention are satisfied.

1.

Does the person in question derive profits from operating ships or aircraft in international traffic?

(Profits as referred to in article 8 of the Convention.)

If not, go to part X.

 

I

V

Yes

I

V
   

2.

Is more than 50% of the interest in the person in question owned directly or indirectly by qualified persons?

If yes, go to point 6.

 

I

V

No

I

V
   

3.

Is more than 50% of the interest in the person in question owned directly or indirectly by qualified persons or by individuals who are residents of a third state?

If yes, go to question 5.

 

I

V

No

I

V
   

4.

Is the person in question a company whose shares are primarily and regularly traded on an established securities market in a third state?

If not, go to part X.

 

I

V

Yes

I

V
   

5.

Does this third state grant exemption for the profits mentioned in question 1 to American citizens and corporations under the same conditions as the exemption granted for these profits by the United States of America?

If not, go to part X.

 

I

V

Yes

I

V
   

6.

The person satisfies the conditions of section 6 of article 26 of the Convention. You may indicate this in question 4 of form ‘IB 93 USA’ and sign the form.

 

Please enclose documentary evidence in support of your entitlement to treaty benefits, such as for example:

 

– a description of the applicant’s activities or interests in the United States and the nature of any benefits derived under article 8 of the Convention.

 

– with respect to each qualified person relied on in meeting the 50 percent threshold, documents showing: the person’s name, country of residence, and the percentage of the value of the applicant’s stock that it owns directly and/or indirectly.

 

– with respect to each qualified person (other than an individual, state, political subdivision, local authority, or United States citizen) documents similar to those required to meet the conditions under parts I, II and III of this flow chart to substantiate such person’s status as a qualified person.

 

– with respect to each third state individual resident relied on in meeting the 50 percent threshold, documents showing the individual’s name, country of residence, and percentage of the value of the applicants stock that the individual owns directly and/or indirectly.

 

– with respect to an applicant that is primarily and regularly traded on an established securities market in a third state:

 

* a letter from the third country established securities market confirming the company’s temporary or definite listing.

 

* documents showing the monthly or annual trading in applicant’s shares.

 

– documents supporting that each applicable third state grants an equivalent exemption to United States citizens and legal entities for shipping and air transportation profits.

 

– other relevant documents.

X. The safety-valve provision [Vervallen per 21-08-2010]

(for persons who do not meet one of the preceding tests)

The tax authorities of the United States of America may grant the benefits of the Convention to a person who does not meet one of the preceding tests. A guideline in the decision will be whether one of the principal objectives of the establishment, acquisition or maintenance of this person or the conduct of its operations is or was to obtain benefits under the Convention. A request for an advance approval of the safety-valve provision may be submitted to the competent authority of the United States of America. (See paragraph 7 and the Memorandum of Understanding XIX and XXI.)

I

V

A person who desires to obtain an advance approval for application of paragraph 7 of article 26 of the Convention must submit a request to that purpose to the competent authority of the United States of America (Assistant Commissioner (International), Attention: Tax Treaty Division, Internal Revenue Service, PO Box 23598, Washington DC 20026, United States of America) who must consult the competent authority of The Netherlands, being the Directorate for International Fiscal Affairs of the Ministry of Finance before rejecting such a request. You are requested to indicate at question 2 of form ‘IB 93 USA’ that a favourable determination has been obtained from the US competent authority and to enclose the written confirmation of such a favourable determination and the facts and circumstances on which this favourable determination is based, so that the Inspector is able to determine whether there has been a change in faces and circumstances since the favourable determination was obtained.

XI. The triangular cases provision [Vervallen per 21-08-2010]

(for persons who derive interest or royalties form the United States of America)

1.

Does the person in question meet one of the tests of parts I through IX, or has the person in question obtained a favourable determination from the American competent authorities for application of the safety-valve provision (paragraph 7 of article 26 of the Convention; see part X), with respect to the interest- or royalty income derived from the United States of America?

If not, the applicant is not entitled to treaty benefits with respect to this interest- or royalty-income.

 

I

V

Yes

I

V
   

2.

Is the interest- or royalty income attributable to a permanent establishment of the applicant in a third state? (See paragraph 8 of article 13 and paragraph 6 of article 13)

If not, you may tick question 5a of form ‘IB 93 USA’.

 

I

V

Yes

I

V
   

3.

Are the profits of the permanent establishment subject to a tax rate of at least 50% of the general rate of corporation tax applicable in The Netherlands?

If yes, you may tick question 5b of form ‘IB 93 USA’.

 

I

V

No

I

V
   

4.

– In the case of interest-income, is this income derived in connection with or incidental to the active conduct of a trade or business carried on by the permanent establishment? (See paragraph 8 of article 12)

– In the case of royalty-income, is this income received as a compensation for the use of, or the right to use, intangible property produced or developed by the permanent establishment? (See paragraph 6 of article 13)

If yes, you may tick question 5b of form ‘IB 93 USA’.

 

I

V

No

I

V
   

5.

The United States of America may subject this interest- or royalty income to a rate of tax of no more than 15% of the gross amount of such income.

 

You have to indicate this by ticking question 5c of form ‘IB 93 USA’.

 

If question 5b of form ‘IB 93 USA’ has been ticked, please enclose documentary evidence in support of your entitlement to treaty benefits, such as for example:

 

– a description of the third country permanent establishment’s active trade or business.

 

– documents establishing the third country’s tax rate.

 

– documents showing the relationship of the United States interest income to the third country permanent establishment’s active trade or business.

 

– proof that the permanent establishment itself produced or developed intangible property.

 

– other relevant documents.

Bijlage 3 [Vervallen per 21-08-2010]

Listing of the applicable statements and of the actual documentation reviewed (to be filled in by the competent Dutch Inspector) [Vervallen per 21-08-2010]

I. Direct Stock-Exchange test [Vervallen per 21-08-2010]

a. Tick which statements are applicable

  • 1. 0 the listing test is met.

  • 2. 0 the trading test is met.

  • 3. 0 the applicant is not a closely held company that is listed only on the parallel market or NASDAQ.

b. Documentation reviewed

  • 1. 0 there is no reason to assume that there has been a change in facts and circumstances since the previous form ‘IB 93 USA’ was issued by the competent Dutch Inspector.

    TICK WHICH OF THE FOLLOWING DOCUMENTATION WAS NOW, OR IN THE CASE OF b.1 IN THE PAST, REVIEWED:

    with respect to the principal class of shares, including any disproportionate class of shares, documents showing:

  • 2. 0 a description of the principal class of shares (including any disproportionate class of shares) and the number of outstanding shares of the class(es);

  • 3. 0 a letter from the recognised stock exchange confirming the company’s temporary or definite listing;

  • 4. 0 proof that the aggregate yearly trading of the principal class of shares, as published in the Official List or its equivalent in the United States of America, or its equivalent in any other relevant country where the stock is traded, exceeded 6 percent and that there has been a monthly trade in the principal class of shares in more than de minimus quantities;

    if the company’s stock is traded only on the parallel market of the Amsterdam stock exchange or NASDAQ:

  • 5. 0 a statement that the company has no knowledge or reason to know that its stock is closely held, within the meaning of subparagraph e of paragraph 8 of article 26.

  • 6. 0 other relevant documents.

    Please list which other relevant documents were reviewed:

    • 1. ..........................................................

    • 2. ..........................................................

    • 3. ..........................................................

II. Indirect Stock Exchange test [Vervallen per 21-08-2010]

a. Tick which statements are applicable

  • 1. 0 the 50 percent threshold is met.

  • 2.

    • 0 a. the 30 percent threshold is met.

    • 0 b. the 70 percent threshold is met.

    • 0 c. no shares are owned through intermediaries.

    • 0 d. all intermediaries are resident in the United States or the EC.

  • 3. 0 the applicant is not a conduit.

  • 4. 0 the publicly traded shareholders are not listed on the parallel market or NASDAQ, or, if so listed, are not closely held.

b. Documentation reviewed

  • 1. 0 there is no reason to assume that there has been a change in facts and circumstances since the previous form ‘IB 93 USA’ was issued by the competent Dutch Inspector.

    Tick which of the following documentation was now, or in the case of b.1 in the past, reviewed:

    with respect to each company relied on in meeting either the 50% threshold or the 30% and 70% thresholds, documents are showing:

  • 2. 0 the company’s name, country of residence, and percentage of vote and value that it owns directly and/or indirectly in the applicant, including the name and country of residence of any intermediary company between that company and the applicant;

  • 3. 0 a description of the principal class of shares of the company (including any disproportionate class of shares) and the number of outstanding shares of the class(es);

  • 4. 0 a letter from the recognised stock exchange confirming the company’s temporary or definite listing;

  • 5. 0 proof that the aggregate yearly trading of the principal class of shares, as published in the Official List or its equivalent in the United States of America, or its equivalent in any other relevant country where the stock is traded, exceeded 6 percent and that there has been a monthly trade in the principal class of shares in more than the minimus quantities.

    if the company’s stock is traded only on the parallel market of the Amsterdam stock exchange or NASDAQ:

  • 6. 0 a statement that the company has no knowledge or reason to know that its stock is closely held, within the meaning of subparagraph e of paragraph 8 of article 26.

  • 7. 0 a copy of the profit and loss account of the applicant showing the amount of interest and royalty payments made and received, including a calculation that shows that such payments are made in an amount of less that 90 percent of similar payments received.

  • 8. 0 other relevant documents.

    Please list which other relevant documents were reviewd:

    • 1. ..........................................................

    • 2. ..........................................................

    • 3. ..........................................................

III. Indirect Stock-Exchange test for Conduit Companies [Vervallen per 21-08-2010]

a. Tick which statements are applicable

  • 1. 0 the company is a conduit company.

  • 2. 0 the indirect stock-exchange test is met (also fill out the indirect stock-exchange test statement under II).

  • 3. the conduit base reduction test is met by using:

    • 0 a. the 50 percent gross income test;

    • 0 b. the 70/30 percent gross income test.

b. Documentation reviewed

  • 1. 0 there is no reason to assume that there has been a change in facts and circumstances since the previous form ‘IB 93 USA’ was issued by the competent Dutch Inspector.

    Tick which of the following documentation was now, or in the case of b.1 in the past, reviewed:

  • 2. 0 documents referred to in the indirect stock-exchange test statement under II.

  • 3. 0 the tax returns showing that the conditions of either the 50 percent gross income test or the 70/30 percent gross income tests have been satisfied, including the name and country of residence of each associated enterprise relied upon to meet these tests.

  • 4. 0 information on the tax rate to which the recipient was liable with respect to these deductible payments.

  • 5. 0 other relevant documents.

    Please list which other relevant documents were reviewed:

    • 1. ..........................................................

    • 2. ..........................................................

    • 3. ..........................................................

IV. Shareholder test [Vervallen per 21-08-2010]

a. Tick which statements are applicable

  • 1. 0 the 50 percent threshold is met.

  • 2. 0 the 50 percent threshold is met for any disproportionate class of shares.

  • 3. the base reduction test is met by using:

    • 0 a. the 50 percent gross income test;

    • 0 b. the 70/30 percent gross income test.

b. Documentation reviewed

  • 1. 0 there is no reason to assume that there has been a change in facts and circumstances since the previous form ‘IB 93 USA’ was issued by the competent Dutch Inspector.

    Tick which of the following documentation was now, or in the case of b.1 in the past, reviewed:

  • 2. 0 for investment organisations within the meaning of article 28 of the 1969 Corporation Tax Act, the information described in paragraph XI of the Memorandum of Understanding.

  • 3. 0 for all other companies, with respect to each qualified person relied on in meeting the 50 percent threshold, documents showing: the person’s name, country of residence, and percentage of vote and value of shares (including any disproportionate class of shares) that it owns directly and/or indirectly in the applicant.

  • 4. 0 with respect to each qualified person (other than an individual, state, political subdivision, local authority, or United States citizen) documents similar to those required to meet the conditions under parts I, II and III of the flow chart in annex I to form ‘IB 93 USA’ to substantiate such person’s status as a qualified person.

  • 5. 0 with respect to an applicant company whose stock is owned by a trust or with respect to an applicant that is a trust (other than an exempt pension trust or an exempt organisation organised in the form of a trust), a copy of the trust agreement and proof that the trust and/or beneficiaries are subject to tax on the income for which treaty benefits are claimed.

  • 6. 0 tax returns showing the applicant’s gross income for the preceding four years.

  • 7. 0 a copy of the profit and loss account showing the deductible payments made and received.

  • 8. 0 a calculation showing that the conditions of either the 50 percent gross income test or the 70/30 percent gross income tests have been satisfied, including the name and country of residence of each person relied upon to meet these tests.

  • 9. 0 other relevant documents.

    Please list which other relevant documents were reviewed:

    • 1. ..........................................................

    • 2. ..........................................................

    • 3. ..........................................................

V. Ec shareholder test [Vervallen per 21-08-2010]

a. Tick which statements are applicable

  • 1. 0 the 30 percent threshold is met.

  • 2. 0 the 30 percent threshold is met for any disproportionate class of shares.

  • 3. 0 the 70 percent threshold is met.

  • 4. 0 the 70 percent threshold is met for any disproportionate class of shares.

  • 5. the base reduction test is met by using:

    • 0 a. the 50 percent gross income test.

    • 0 b. the 70/30 percent gross income test.

b. Documentation reviewed

  • 1. 0 there is no reason to assume that there has been a change in facts and circumstances since the previous form ‘IB 93 USA’ was issued by the competent Dutch Inspector.

    Tick which of the following documentation was now, or in the case of b.1 in the past, reviewed:

  • 2. 0 documents referred to in the shareholder test statement, substituting with respect to the ownership requirements 30 percent and 70 percent for 50 percent. Note: if there is a disproportionate class of shares of the company seeking treaty benefits, the same information with respect to that class of shares.

  • 3. 0 information on the type of income that is expected to be received from the United States.

  • 4. 0 other relevant documents.

    Please list which other relevant documents were reviewed:

    • 1. ..........................................................

    • 2. ..........................................................

    • 3. ..........................................................

VI. Test for Exempt Organisations [Vervallen per 21-08-2010]

a. Tick which statements are applicable

  • 1. 0 a not for profit organisation/exempt from Dutch income tax.

  • 2. 0 the 50 percent threshold is met.

  • 3. 0 is organised by and organisation eligible for treaty benefits.

b. Documentation reviewed

  • 1. 0 there is no reason to assume that there has been a change in facts and circumstances since the previous form ‘IB 93 USA’ was issued by the competent Dutch Inspector.

    Tick which of the following documentation was now, or in the case of b.1 in the past, reviewed:

  • 2. 0 statement that the organisation is a not-for-profit organisation and generally tax exempt in the Netherlands.

  • 3. 0 documents proving that more than half of its beneficiaries, memberes or participants are qualified persons.

  • 4. 0 documents proving that the exempt organisation is a pension fund, a pension trust, or a similar entity, whose sponsoring organisation is entitled to benefits under the Convention.

  • 5. 0 other relevant documents.

    Please list which other relevant documents were reviewed:

    • 1. ..........................................................

    • 2. ..........................................................

    • 3. ..........................................................

VII. Activity test [Vervallen per 21-08-2010]

a. Tick which statements are applicable

  • 1. 0 the applicant or an associated person is engaged in active trade or business in The Netherlands.

  • 2. 0 the United States income is derived in connection with the Dutch active trade or business.

  • 3. 0 the United States income is derived through a permanent establishment of the applicant in the United States.

  • 4. 0 the United States income is derived through a United States subsidiary of the applicant or of an associated person.

  • 5. the substantiality safe harbours are met.

    • 0 a. the value of business assets ratio is met.

    • 0 b. the gross income test is met.

    • 0 c. the payroll expense ratio is met.

    • 0 d. the average ratio is met.

  • 6. 0 the substantiality safe harbours are met by using the business assets, gross income and payroll expenses of the applicant and of associated persons operating in The Netherlands.

  • 7. 0 the substantiality safe harbours are met by using the business assets, gross income and payroll expenses of the applicant and associated persons carrying on activities in other EC-countries.

  • 8. the incidental to Dutch trade or business test is met.

b. Documentation reviewed

  • 1. 0 there is no reason to assume that there has been a change in facts and circumstances since the previous form ‘IB 93 USA’ was issued by the competent Dutch Inspector.

    Tick which of the following documentation was now, or in the case of b.1 in the past, reviewed:

  • 2. 0 a description of the connection between the income derived from the United States of America and the business activities carried on in The Netherlands.

  • 3. 0 a copy of the profit and loss account containing the information necessary to demonstrate satisfaction of the substantiality tests and supporting calculations.

  • 4. 0 a chart or diagram showing the Dutch, EC and United States operations of the applicant, including interests in any joint venture and/or partnership and any branches; the type of income from sources within the United States derived by each of these operations and a description of the line of business of each of these operations.

    if the applicant elects to attribute to it the activities of another company or group of companies resident in The Netherlands or an EC member state, documents providing:

  • 5. 0 the name and country of residence of each company, and

  • 6. 0 the basis under subparagraph e of paragraph 2 of article 26 on which attribution is permitted and proof that the various requirements for attribution under subparagraph e and h of paragraph 2 have been met.

  • 7. 0 other relevant documents.

    Please list which other relevant documents were reviewed:

    • 1. ..........................................................

    • 2. ..........................................................

    • 3. ..........................................................

VIII. Headquarter Company test [Vervallen per 21-08-2010]

a. Tick which statements are applicable

  • 1. 0 substantial supervision and administration by headquarter company.

  • 2. 0 active trades or businesses in five countries or groups of countries.

  • 3. 0 the 10 percent gross income test is met.

  • 4. 0 the 50 percent maximum gross income test is met.

  • 5. 0 the United States 25 percent gross income limit is met.

  • 6. 0 headquarter company discretionary authority exercised.

  • 7. 0 the profits of applicant are taxed in the same manner as the profits of a company engaged in active trade or business in The Netherlands.

  • 8. 0 the United States income is derived ‘in connection with’ or is ‘incidental’ to the group’s business activities.

b. Documentation reviewed

  • 1. 0 there is no reason to assume that there has been a change in facts and circumstances since the previous form ‘IB 93 USA’ was issued by the competent Dutch Inspector.

    Tick which of the following documentation was now, or in the case of b.1 in the past, reviewed:

  • 2. 0 excerpts from the articles of association and/or the annual accounts showing that the nature of the headquarter company’s authority and activities satisfy the requirements of subparagraph a of paragraph 3 of article 26 of the Convention.

  • 3. 0 evidence that the headquarter company was engaged in a number of the following functions; pricing, marketing, internal auditing, internal communications, and management.

  • 4. 0 a description of the structure of the multinational group, with information on the residence, ownership and business activities of the corporation for which the headquarter company carries out activities.

  • 5. 0 a copy of the group’s profit and loss account, with an overview of the source of the gross income, showing that the 10 percent, the 50 percent and the 25 percent gross income tests have been met.

  • 6. 0 a comparison of the rate of taxation of the applicant to the rate at which an active trade or business would be subject.

  • 7. 0 a description showing the nature of the income derived from the United States of America.

  • 8. 0 other relevant documents.

    Please list which other relevant documents were reviewed:

    • 1. ..........................................................

    • 2. ..........................................................

    • 3. ..........................................................

IX. Test for Shipping and Air Transport [Vervallen per 21-08-2010]

a. Tick which statements are applicable

  • 1. 0 the exemption from United States taxation is sought only for profits from international shipping and air transport.

  • 2. 0 the 50 percent threshold is met by qualified persons and/or by individuals resident of a third state that grants reciprocal exemption.

  • 3. 0 the applicant’s shares are primarily and regularly traded on an established securities market in a third state that grants reciprocal exemption.

b. Documentation reviewed

  • 1. 0 there is no reason to assume that there has been a change in facts and circumstances since the previous form ‘IB 93 USA’ was issued by the competent Dutch Inspector.

    Tick which of the following documentation was now, or in the case of b.1 in the past, reviewed:

  • 2. 0 a description of the applicant’s activities or interests in the United States and the nature of any benefits derived under article 8 of the Convention.

  • 3. 0 with respect to each qualified person relied on in meeting the 50 percent threshold, documents showing: the person’s name, country of residence, and the percentage of the value of the applicant’s stock that it owns directly and/or indirectly.

  • 4. 0 with respect to each qualified person (other than an individual state, political subdivision, local authority, or United States citizen) documents similar to those required to meet the conditions under parts I, II and III of the flow chart in annex II to form ‘IB 93 USA’ to substantiate such person’s status as a qualified person.

  • 5. 0 with respect to each third state individual resident relied on in meeting the 50 percent threshold, documents showing the individual’s name, country of residence, and percentage of the value of the applicants stock that the individual owns directly and/or indirectly.

    with respect to an applicant that is primarily and regularly traded on an established securities market in a third state:

  • 6. 0 a letter from the third country established securities market confirming the company’s temporary or definite listing.

  • 7. 0 documents showing the monthly or annual trading in applicant’s shares.

  • 8. 0 documents supporting that each applicable third state grants an equivalent exemption to United States citizens and legal entities for shipping and air transportation profits.

  • 9. 0 other relevant documents.

    Please list which other relevant documents were reviewed:

    • 1. ..........................................................

    • 2. ..........................................................

    • 3. ..........................................................

XI. Triangular Cases Provision [Vervallen per 21-08-2010]

a. Tick which statements are applicable

  • 1. 0 the applicant meets one of the tests of article 26 (please attach the relevant statement).

  • 2. 0 the United States interest or royalty income is attributable to a third country permanent establishment.

  • 3. 0 the income tax in the third country on the profits attributable to the permanent establishment is 50 percent or more of the general rate or corporation tax applicable in The Netherlands.

  • 4. 0 the United States interest income is derived in connection with or incidental to the active trade or business of the permanent establishment.

  • 5. 0 the United States royalty income is received as a compensation for the use of, or the right to use, intangible property produced or developed by the permanent establishment.

b. Documentation reviewed

  • 1. 0 there is no reason to assume that there has been a change in facts and circumstances since the previous form ‘IB 93 USA’ was issued by the competent Dutch Inspector.

    Tick which of the following documents was now, or in the case of b.1 in the past, reviewed:

  • 2. 0 a description of the third country permanent establishment’s active trade or business.

  • 3. 0 documents establishing the third country’s rate.

  • 4. 0 documents showing the relationship of the United States interest income to the third country permanent establishment’s active trade or business.

  • 5. 0 proof that the permanent establishment itself produced or developed intangible property.

  • 6. 0 other relevant documents.

    Please list which other relevant documents were reviewed:

    • 1. ..........................................................

    • 2. ..........................................................

    • 3. ..........................................................

Bijlage 4 [Vervallen per 21-08-2010]

Rapportageformulier toepassing belastingverdrag Nederland–Verenigde Staten van Amerika [Vervallen per 21-08-2010]

In verband met een toezegging aan de beide Kamers der Staten-Generaal dat zij halfjaarlijks zullen worden gerapporteerd over in de uitvoeringspraktijk naar voren gekomen aandachtspunten en/of knelpunten inzake de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika van 18 december 1992, alsmede over onduidelijkheden bij het gebruik van het formulier ‘IB 93 USA’, verzoek ik u per eenheid van de belastingdienst twee keer per jaar, te weten in mei en oktober van elk jaar, de navolgende informatie over het afgelopen half jaar aan de Directie Grote Ondernemingen, Postbus 22957, 1100 DL Amsterdam ZO toe te zenden.

1. Naam eenheid

....................

2. Periode waarover wordt gerapporteerd

..... tot en met ....., 19..

3. Hoeveel verzoeken om afgifte van een zogenoemde artikel 26-verklaring heeft u

 

a. in de onder punt 1 genoemde periode ontvangen; en

..... stuks

b. hoeveel daarvan konden binnen 8 weken worden afgedaan; en

..... stuks

c. hoeveel daarvan konden binnen 1 maand worden afgedaan.

..... stuks

4. De verzoeken hadden betrekking op:

Totale aantal

Waarvan Toegewezen zonder overleg met IFZ

Waarvan Toegewezen na overleg met IFZ

Waarvan Afgewezen zonder overleg met IFZ

Waarvan Afgewezen na overleg met IFZ

Waarvan Nog niet afgedaan a.g.v. overleg met IFZ

Waarvan Nog niet afgedaan

 

A

B

           

a. de directe beurstoets (onderdeel II van het doorloopschema):

               

b. de indirecte beurstoets (onderdeel III van het doorloopschema):

               

c. de indirecte beurstoets voor doorstroomlichamen (onderdeel IV van het doorloopschema):

               

d. de aandeelhouderstoets (onderdeel V van het doorloopschema):

               

e. de EU-aandeelhouderstoets (onderdeel VI van het doorloopschema):

               

f. de toets voor vrijgestelde organisaties (onderdeel VII van het doorloopschema)

               

g. de activiteitentoets (onderdeel VII van het doorloopschema):

               

h. de toets voor hoofdkantoren (onderdeel IX van het doorloopschema):

               

i. de toets voor scheep- en luchtvaartondernemingen (onderdeel X van het doorloopschema):

               

j. een verificatie van de feiten en omstandigheden die van belang zijn bij een verzoek aan de VS om toekenning van de vangnetbepaling (onderdeel XI van het doorloopschema):

               

k. een ‘verlenging’ van de goedgunstige beslissing van de VS inzake toekenning van de vangnetbepaling:

               

l. een toepassing van artikel 12, lid 8 (onderdeel XII van het doorloopschema):

               

m. een toepassing van artikel 13, lid 6 (onderdeel XII van het doorloopschema):

               

5. Bent u bij het gebruik van het formulier ‘IB 93 USA’ aangelopen tegen onduidelijkheden die u zonder overleg met IFZ heeft kunnen oplossen?

  • o JA Kunt u de onduidelijkheden kort omschrijven?

    ...............................................................

    ...............................................................

    ...............................................................

    ...............................................................

  • o NEEN

6. Bent u in uw uitvoeringspraktijk waar het betreft het belastingverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika van 18 december 1992 aangelopen tegen knelpunten of punten die nadere aandacht behoeven, anders dan punten betreffende artikel 26, artikel 12, lid 8, of artikel 13, lid 6?

  • o JA

  • o NEEN

    Zo ja, zijn deze knelpunten of aandachtspunten aan IFZ voorgelegd?

  • o JA

    Bij brief d.d. ............... nr. ..... inzake ..........

    Bij brief d.d. ............... nr. ..... inzake ..........

    Bij brief d.d. ............... nr. ..... inzake ..........

  • o NEEN

    Zo neen, kunt u deze knelpunten of aandachtspunten kort omschrijven?

    ...............................................................

    ...............................................................

    ...............................................................

Bijlage 5 [Vervallen per 21-08-2010]

Bijlage bij Onderdeel V. De EU-aandeelhouderstoets

Onder de EU-aandeelhouderstoets dient 70% van de aandelen middellijk of onmiddellijk eigendom te zijn van gekwalificeerde personen en van personen die inwoner zijn van lidstaten van de EU. Als inwoner van EU-lidstaten mogen slechts personen worden meegerekend van staten die een algemeen belastingverdrag hebben met de VS van Amerika en het dividend, het inkomen onderworpen aan de belastingheffing van vaste inrichtingen, de interest of de royalty’s onder het desbetreffende verdrag niet ongunstiger worden belast dan onder het Verdrag tussen Nederland en de VS van Amerika. Dit betekent dat als aandeelhouder uit andere EU-lidstaten mogen worden meegeteld:

  • in geval van uit de VS van Amerika afkomstig dividend de inwoners van:

    België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk;

    Spanje, maar bij deelnemingsdividenden slechts indien ten minste 25% van het totale aantal stemmen in het Amerikaanse lichaam eigendom is van het Nederlandse lichaam dat verdragstoepassing claimt;

    Italië, als Spanje, maar slechts bij een belang van ten minste 50% in het Amerikaanse lichaam;

    Denemarken, Ierland en Luxemburg, als Spanje, maar slechts bij een belang van ten minste 95% in het Amerikaanse lichaam;

  • in geval van in de VS van Amerika aan de belastingheffing van vaste inrichtingen onderworpen inkomen de inwoners van:

    België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk;

  • in geval van uit de VS van Amerika afkomstige interest de inwoners van:

    Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk;

    België, in geval van interest betaald op handelskredieten, bankleningen en deposito’s;

    Griekenland en Ierland, maar slechts indien niet meer dan 50% van het totale aantal stemmen in het Amerikaanse eigendom is van het ontvangende lichaam;

    Italië, in geval van interest betaald op door de staat gegarandeerde leningen;

    Spanje, in geval van interest betaald door de overheid of daarmee verbonden instellingen, interest betaald op bankleningen met een looptijd langer dan 5 jaar, of interest betaald op handelskredieten verstrekt in verband met de aankoop van industriële, commerciële, of wetenschappelijke uitrusting;

  • in geval van uit de VS van Amerika afkomstige royalty’s de inwoners van:

    België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Ierland, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk;

    Frankrijk, in geval van royalty’s betaald in verband met het gebruik of de verkoop van auteursrechten.

Bijlage 6 [Vervallen per 21-08-2010]

Bijlage bij Onderdeel VII. De activiteitentoets

Staten waarmee Nederland een regeling heeft die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen (artikel XVI MvO en punt IV van de briefwisseling).

Aruba,

Australië,

België,

Brazilië,

Bulgarije,

Canada,

China,

Denemarken,

Duitsland,

Finland,

Filippijnen,

Frankrijk,

Griekenland,

Hongarije,

Ierland,

India,

Indonesië,

Israël,

Italië,

Japan,

Luxemburg,

Maleisië,

Malta,

Marokko,

Nederlandse Antillen,

Nieuw-Zeeland,

Noorwegen,

Oostenrijk,

Pakistan,

Polen,

Portugal,

Roemenië, Singapore,

Spanje,

Sri Lanka,

Suriname,

Thailand,

Tsjechoslowakije,

Turkije,

Verenigd Koninkrijk,

Zambia,

Zimbabwe,

Zuid-Afrika,

Zuid-Korea,

Zweden.