Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas

Geldend van 01-01-2013 t/m heden

Besluit van 21 april 1994, houdende het van kracht verklaren voor de gemeenschappelijke Maas in Nederland van het Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.00. Toepassingsgebied

Dit reglement is van toepassing op de Gemeenschappelijke Maas. Hieronder worden verstaan de tot de Maas behorende wateren:

  • a. van de grens bij grenspaal 45 (Lixhe) tot de grens bij grenspaal 49 (Klein Ternaaien) met inbegrip van het - als gevolg van de werken bedoeld in artikel 2, paragraaf 1, onder f, van het op 24 februari 1961 te Brussel gesloten verdrag tot verbetering van de verbinding tussen het Julianakanaal en het Albertkanaal - rechtgetrokken en genormaliseerde gedeelte en met uitzondering van de twee meest benedenstrooms gelegen afgesneden rivierbochten; en

  • b. van de grens bij grenspaal 106 (Smeermaas-Borgharen) tot de grens bij grenspaal 126 (Kessenich-Stevensweert).

Artikel 1.01. Betekenis van enige uitdrukkingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • a. schip: elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water;

  • b. motorschip: een schip dat gebruik maakt van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, met uitzondering van een schip waarvan de motor slechts wordt gebruikt voor het zich verplaatsen over een kleine afstand of ter verbetering van zijn bestuurbaarheid wanneer het wordt gesleept of geduwd;

  • c. zeilschip: een schip dat uitsluitend door middel van zijn zeilen wordt voortbewogen. Een schip dat door middel van zijn zeilen wordt voortbewogen en tegelijkertijd zijn motor gebruikt is een motorschip;

  • d. sleep: een samenstel van één of meer motorschepen en één of meer op tros daaraan verbonden andersoortige schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen, waarbij de motorschepen dienen voor het voortbewegen dan wel voor het voortbewegen en het sturen van de andersoortige schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen;

  • e. gekoppeld samenstel: een samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het motorschip dat dient voor het voortbewegen en het sturen van het samenstel;

  • f. drijvend werktuig: een drijvende constructie (bouwsel), met mechanische werktuigen, die (dat) is bestemd om op vaarwegen of in havens te worden gebruikt;

  • g. klein schip: een schip waarvan de lengte minder dan 20 m bedraagt, waartoe als de lengte wordt aangemerkt de afstand van de voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste vaste deel van de romp, zonder de boegspriet, de papegaaistok en het trimvlak, zulks met uitzondering van:

    • - een schip dat is gebouwd of ingericht om andere dan kleine schepen te slepen, te assisteren, te duwen of langszijde vastgemaakt mede te voeren;

    • - een schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren;

  • h. samenstel:

    • - een sleep;

    • - een duwstel;

    • - een gekoppeld samenstel;

    • - een samenstel van één of meer motorschepen en een alleenvarend motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel;

  • i. snelle motorboot: een race-, glij- of speedboot dan wel soortgelijk klein schip dat met een snelheid van meer dan 20 km/u vaart of kan varen;

  • j. vaarweg: alle wateren bedoeld in artikel 1.00;

  • k. vaarwater: het gedeelte van de vaarweg dat feitelijk door de scheepvaart kan worden gebruikt;

  • l. bevoegde autoriteit: de ambtenaar of ambtenaren bedoeld in de bijlage I.

Artikel 1.02. De schipper

  • 1 In dit reglement wordt onder de schipper verstaan degene die een schip of een samenstel voert.

  • 2 De schipper is verantwoordelijk voor de naleving van de bepalingen van dit reglement, tenzij uit die bepalingen blijkt, dat de naleving aan anderen is opgedragen.

  • 3 De schipper van een schip dat deel uitmaakt van een samenstel moet de aanwijzingen van de schipper van het samenstel opvolgen. Hij moet evenwel, ook wanneer zulke aanwijzingen niet worden gegeven, alle maatregelen nemen, die voor het op juiste wijze voeren van zijn schip door de omstandigheden worden geboden.

Artikel 1.03. Verplichtingen van de bemanning

De leden van de bemanning van een schip moeten de aanwijzingen opvolgen die hun door de schipper binnen de grenzen van diens verantwoordelijkheid worden gegeven. Zij moeten medewerken aan de naleving van de bepalingen van dit reglement.

Artikel 1.04/1.05. Voorzorgsmaatregelen en afwijking van het reglement

De schipper moet in het belang van de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart en naargelang de omstandigheden waarin een schip of een samenstel zich bevindt, alle maatregelen nemen die volgens de goede zeemanschap geboden zijn, zelfs indien hij daarvoor moet afwijken van de bepalingen van dit reglement of wanneer er geen uitdrukkelijke voorschriften voorzien zijn.

Artikel 1.06. Gebruik van de vaarweg

  • 1 Een schip of een samenstel mag niet deelnemen aan de scheepvaart indien:

    de lengte meer is dan 100 m, de breedte meer is dan 12 m, of de diepgang meer is dan 2,80 m.

  • 2 In geval van vloed, van waterschaarste, van werken of van maatregelen genomen in het algemeen belang kunnen de afmetingen voorzien in het eerste lid door de bevoegde autoriteit verminderd worden.

  • 3 De bevoegde autoriteit kan van dit artikel ontheffing verlenen.

Artikel 1.07. Belading

  • 1 Een schip mag niet deelnemen aan de scheepvaart indien het zodanig is beladen, dat het inzinkt tot over het vlak door de onderkant van de inzinkingsmerken die voor de vaarweg van kracht zijn.

  • 2 Een schip mag niet deelnemen aan de scheepvaart indien door de wijze van belading of door het aantal personen aan boord de stabiliteit in gevaar wordt gebracht, of het zicht vanuit de stuurhut wordt belemmerd.

Artikel 1.08

(niet overgenomen).

Artikel 1.09. Sturen van een schip

  • 1 Een schip mag slechts deelnemen aan de scheepvaart, indien het bestuurd wordt door een daartoe bekwaam en tenminste 16 jaar oud persoon.

  • 2 De bepaling betreffende de leeftijd geldt niet:

    • - voor een zeilschip met een lengte van minder dan 7 m;

    • - voor een door spierkracht voortbewogen schip.

  • 3 In afwijking van het eerste lid mag een snelle motorboot slechts deelnemen aan de scheepvaart indien deze bestuurd wordt door een daartoe bekwaam en tenminste 18 jaar oud persoon of door een bekwaam persoon van tenminste 16 jaar oud bijgestaan door een stuurbekwaam persoon van tenminste 18 jaar oud.

  • 4 Indien een snelle motorboot wordt gebruikt voor het trekken van één of meerdere waterskiërs moet de bestuurder worden vergezeld van een medeopvarende van tenminste 15 jaar oud.

  • 5 De bestuurder van een snelle motorboot is verplicht tijdens het varen te zijn gezeten op de voor de bestuurder bestemde zitplaats.

  • 6 Een schip mag slechts deelnemen aan de scheepvaart, indien diegene die het sturen verricht in de gelegenheid is alle in de stuurhut binnenkomende of van daar uitgaande inlichtingen en aanwijzingen te vernemen en te geven. In het bijzonder dient hij naar alle zijden een voldoende vrij direct of indirect uitzicht te hebben en in de gelegenheid te zijn geluidsseinen te horen; indien dit niet mogelijk is, dient een uitkijk of luisterpost die hem inlicht aanwezig te zijn.

Artikel 1.10. Scheepsbescheiden

  • 1 Aan boord van een schip, bestemd of gebezigd voor het vervoer van goederen, moeten de volgende bescheiden aanwezig zijn:

    • a. het certificaat van onderzoek voor het schip of het document dat hiervoor in de plaats treedt;

    • b. de meetbrief van het schip.

  • 2 Deze bescheiden moeten telkens op verzoek van de bevoegde autoriteit worden getoond.

Artikel 1.11. Reglement aan boord

  • 1 Aan boord van een schip moet een bijgewerkt exemplaar van dit reglement aanwezig zijn.

  • 2 Dit artikel is niet van toepassing op een schip, niet zijnde een klein schip, zonder bemanningsverblijf noch op een klein open schip.

Artikel 1.12. Buiten boord uitsteken van voorwerpen; verlies van voorwerpen; hindernissen

  • 1 Een schip mag geen voorwerpen hebben uitsteken, tenzij daarmede geen hinder of gevaar voor de scheepvaart en geen schade aan andere schepen en aan kunstwerken kan worden veroorzaakt.

  • 2 Een schip moet de ankers waarvan geen gebruik wordt gemaakt geheel voorhalen. Een stokanker moet binnenboord worden geplaatst.

  • 3 Indien een schip een voorwerp verliest waardoor een belemmering van of een gevaar voor de scheepvaart kan ontstaan moet de schipper daarvan onverwijld kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit en daarbij zo nauwkeurig mogelijk de plaats aangeven waar het voorwerp is verloren. Zo mogelijk moet hij bovendien deze plaats met een kenteken aanduiden.

  • 4 Indien een schip een hindernis in de vaarweg aantreft moet de schipper daarvan onverwijld kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit en daarbij zo nauwkeurig mogelijk de plaats aangeven waar de hindernis is aangetroffen.

Artikel 1.13. Bescherming van verkeerstekens

  • 1 Een schip mag geen installaties van verkeerstekens gebruiken om daaraan te meren of daaraan te verhalen. Het mag deze installaties noch de daarop aangebrachte verkeerstekens beschadigen of ze ongeschikt maken voor hun bestemming.

  • 2 Indien een schip een verkeersteken heeft verplaatst of beschadigd, moet de schipper onverwijld daarvan kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit.

  • 3 De schipper is verplicht het in het ongerede of beschadigd zijn van verkeerstekens onverwijld ter kennis van de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit te brengen.

Artikel 1.14. Beschadiging van waterstaatswerken

Indien een schip een waterstaatswerk heeft beschadigd, moet de schipper onverwijld daarvan kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit.

Artikel 1.15. Verbod tot het te water doen geraken van voorwerpen of stoffen

  • 1 Het is verboden in de vaarweg voorwerpen of stoffen te werpen, te laten vallen, te gieten of te laten afvloeien die een hindernis of een gevaar voor de scheepvaart of voor de andere gebruikers van de vaarweg zouden kunnen vormen of die het water zouden kunnen verontreinigen.

  • 2 Het is verboden in de vaarweg petroleumprodukten of afval in welke vorm dan ook, of mengelingen daarvan, in de vaarweg te werpen, te gieten of te laten afvloeien.

  • 3 Zo bij ongeluk voorwerpen of stoffen vermeld in het eerste of het tweede lid in het water geraken dan dient daarvan onmiddellijk kennis te worden gegeven in het kantoor van een der beheerders van de vaarweg of aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit. Daarbij dient zo nauwkeurig mogelijk opgegeven te worden: de aard van deze voorwerpen of stoffen en de plaats waar zij te water zijn geraakt.

Artikel 1.16

(niet overgenomen).

Artikel 1.17. Vastgevaren of gezonken schepen; aangifte van ongevallen

  • 1 Indien een schip is vastgevaren of gezonken moet de schipper zo spoedig mogelijk daarvan kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit. De schipper of, ingeval deze een ander lid der bemanning daartoe opdracht geeft, dit bemanningslid, moet aan boord of in de nabijheid van de plaats van het ongeval blijven, zolang de bevoegde autoriteit hem niet heeft toegestaan zich te verwijderen.

  • 2 Tenzij dit klaarblijkelijk niet nodig is, moet de schipper, onverminderd de verplichting de bij de artikelen 3.27 en 3.41 bedoelde lichten en dagtekens te tonen, zo spoedig mogelijk naderende schepen laten waarschuwen op daarvoor geschikte plaatsen en op zodanige afstand van de plaats van het ongeval, dat de schippers van deze schepen tijdig de nodige maatregelen kunnen nemen.

Artikel 1.18. Verplichting tot vrijmaking van het vaarwater

  • 1 Indien een schip dat is vastgevaren of gezonken dan wel een door een schip verloren voorwerp het vaarwater geheel of gedeeltelijk verspert of dreigt te versperren, moet de schipper de nodige maatregelen nemen om het vaarwater zo spoedig mogelijk vrij te maken.

  • 2 Een overeenkomstige verplichting geldt voor de schipper wiens schip dreigt te zinken of onmanoeuvreerbaar wordt.

Artikel 1.19. Aanwijzingen

  • 1 De bevoegde autoriteit kan ter verzekering van de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart aan de schipper een aanwijzing geven.

  • 2 De schipper is verplicht aan deze aanwijzing gevolg te geven.

Artikel 1.20. Verlenen van medewerking aan ambtenaren

  • 1 De schipper moet aan de bevoegde autoriteit de nodige medewerking verlenen, in het bijzonder het onmiddellijk aan boord komen van hem vergemakkelijken, teneinde hem in staat te stellen zich ervan te vergewissen of de bepalingen van dit reglement worden nageleefd.

  • 2 De bestuurder van een snelle motorboot is verplicht het certificaat bedoeld in art. 2.02, vierde lid, op hun eerste vordering aan de met de handhaving van dit reglement belaste ambtenaren ter inzage te verstrekken.

Artikel 1.21

(niet overgenomen).

Artikel 1.22. Voorschriften van tijdelijke aard

De schipper moet de voorschriften van tijdelijke aard naleven die in bijzondere gevallen met het oog op de veiligheid en de goede orde van de scheepvaart door de bevoegde autoriteit worden vastgesteld en die door middel van een bekendmaking zijn afgekondigd. Hierbij kan worden afgeweken van bepalingen van dit reglement.

Artikel 1.23. Melden van en toestemming voor evenementen

  • 1 Het is verboden een sportevenement, een festiviteit of een ander evenement te doen plaats hebben zonder dit tijdig tevoren bij de bevoegde autoriteit te melden.

  • 2 Indien een gebeurtenis, zoals bedoeld in het eerste lid, de veiligheid van de scheepvaart in gevaar kan brengen of ze kan doen stremmen, is het verboden deze zonder toestemming van de bevoegde autoriteit te doen plaats hebben.

Hoofdstuk 2. Kentekens

Artikel 2.01. Kentekens van schepen, met uitzondering van kleine schepen

  • 1 Een schip mag niet deelnemen aan de scheepvaart, indien niet op de romp of op duurzaam bevestigde borden of platen zijn aangebracht:

    • a. hetzij de naam van het schip die ook een kenspreuk kan zijn, hetzij de naam van de instelling waaraan het schip toebehoort of de gebruikelijke afkorting daarvan, al dan niet gevolgd door een nummer, aan beide zijden van het schip en op motorschepen bovendien op een zodanige plaats, dat deze aanduiding van achteren zichtbaar is;

    • b. de thuishaven van het schip, hetzij aan beide zijden van het schip hetzij aan de achterzijde.

  • 2 De kentekens, bedoeld in het eerste lid, moeten zijn aangebracht in lichte kleur op donkere ondergrond of in donkere kleur op lichte ondergrond in goed leesbare en onuitwisbare Latijnse letters en Arabische cijfers met een hoogte voor de naam van tenminste 20 cm en voor de overige aanduidingen van tenminste 15 cm en met een breedte en een stamdikte die in goede verhouding tot de hoogte staan.

  • 3 Dit artikel is niet van toepassing op een klein schip.

Artikel 2.02. Kentekens van kleine schepen

  • 1 Een klein schip mag niet deelnemen aan de scheepvaart, indien hierop niet zijn aangebracht:

    • a. hetzij de naam van het schip die ook een kenspreuk kan zijn, hetzij de naam van de instelling waaraan het schip toebehoort of de gebruikelijke afkorting daarvan, al dan niet gevolgd door een nummer, aan de buitenzijde van het schip in lichte kleur op donkere ondergrond of in donkere kleur op lichte ondergrond in goed leesbare en onuitwisbare Latijnse letters en Arabische cijfers;

    • b. de naam en de woonplaats van de eigenaar op een in het oog vallende plaats aan de binnen- of de buitenzijde van het schip.

  • 2 Op een bijboot van een schip behoeft echter, aan de binnen- of de buitenzijde, slechts een zodanig kenteken te zijn aangebracht, dat daaruit kan worden opgemaakt wie de eigenaar is.

  • 3 Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het eerste lid, onder b, niet van toepassing op een door spierkracht voortbewogen schip noch op een zeilschip met een lengte van minder dan 7 m.

  • 4 Onverminderd de bepalingen van het eerste lid moet een snelle motorboot ook nog voorzien zijn van een bijzonder kenteken dat is aangebracht aan weerszijden van de romp en toegekend is door:

    • a. ofwel in Nederland door de Dienst Wegverkeer;

    • b. ofwel in België door het betrokken Bestuur van één der Gewesten.

    Aan boord van een varende snelle motorboot moet het certificaat of document van het aan de eigennaar uitgereikte kenteken aanwezig zijn.

    De afmetingen van de letters en cijfers moeten bedragen:

    • i. in het geval bedoeld onder a: hoogte tenminste 150 mm, breedte 100 mm, stamdikte 20 mm;

    • ii. in het geval bedoeld onder b: hoogte 210 mm, breedte 120 mm, stamdikte 40 mm.

    Het voornoemde kenteken moet duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn; het moet licht van kleur zijn op donkere ondergrond of donker van kleur op lichte ondergrond.

Artikel 2.02a. Uitrusting en constructie van kleine schepen

  • 1 Een varend klein schip, niet bestemd of gebezigd voor het vervoer van goederen, moet aan boord hebben:

    • a. een of meer pagaaien of roeispanen;

    • b. voor iedere persoon aan boord, binnen handbereik, hetzij een reddingsgordel, een reddingskussen of een reddingsvest;

    • c. een touw van 30 meter;

    • d. een of meer meertouwen van 10 m;

    • e. een anker of een dreg;

    • f. een hoosvat of een handpomp;

    • g. een misthoorn of toeter;

    • h. een goedgekeurde poederblusser indien het een motorschip is.

  • 2 Onverminderd het eerste lid mag een snelle motorboot slechts deelnemen aan de scheepvaart indien deze tevens voldoet aan de volgende eisen:

    • a. de stuurinrichting moet deugdelijk en doelmatig zijn;

    • b. de inrichting van de boot en van de motor moet zodanig zijn dat gevaar voor brand of ontploffing en hinder voor de omgeving door rook, damp of walm wordt voorkomen;

    • c. de (afgewerkte) uitlaatgassen moeten door een behoorlijk geluiddempende inrichting worden afgevoerd;

    • d. de boot moet zijn voorzien van een technische inrichting waardoor bij het onderbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand komen.

Hoofdstuk 3. Optische tekens van schepen

Artikel 3.01. Toepassing

  • 3 De artikelen 3.28 en 3.42 zijn eveneens van toepassing op een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting die is vastgevaren.

  • 4 Wanneer het zicht dit vereist, moeten de voor des nachts voorgeschreven lichten ook des daags worden gevoerd.

Artikel 3.01a. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. toplicht: een wit krachtig licht dat schijnt over een boog van de horizon van 225° en wel aan elke zijde van het schip van recht vooruit tot 22°30' achterlijker dan dwars;

  • b. boordlichten: een groen helder licht aan stuurboordszijde en een rood helder licht aan bakboordszijde die elk schijnen over een boog van de horizon van 112°30' en wel elk aan zijn zijde van het schip van recht vooruit tot 22°30' achterlijker dan dwars;

  • c. heklicht: een wit helder of gewoon licht dat schijnt over een boog van de horizon van 135° en wel aan elke zijde van het schip over 67°30' van recht achteruit;

  • d. rondom schijnend licht: een licht dat schijnt over een boog van de horizon van 360°;

  • e. hoogte:

    • - hetzij: de hoogte boven het vlak door de onderkant der inzinkingsmerken ter plaatse van de grootst toegelaten diepgang, zoals deze ingevolge de voorschriften omtrent het vlak van de grootst toegelaten diepgang van binnenschepen voor het schip is vastgesteld voor de Rijn of daarmede volgens die voorschriften gelijkgestelde vaarwegen;

    • - hetzij: voor een schip dat niet is voorzien van inzinkingsmerken: de hoogte boven het bovenste doorlopende dek of bij gebreke hieraan boven het potdeksel.

Artikel 3.02. Lichten

Voor zover niet anders wordt bepaald, moeten de lichten die een schip ingevolge dit reglement moet voeren gelijkmatig, ononderbroken licht geven.

Artikel 3.03. Borden en vlaggen

  • 1 Voor zover niet anders wordt bepaald, moeten de borden en vlaggen die een schip ingevolge dit reglement moet voeren rechthoekig zijn.

  • 2 Zij mogen niet vervuild en de kleuren mogen niet verbleekt zijn.

  • 3 De afmetingen moeten zodanig zijn dat een goede zichtbaarheid wordt verzekerd; aan deze voorwaarde wordt in ieder geval geacht te zijn voldaan, indien de lengte en de hoogte elk tenminste 0,60 m bedragen.

Artikel 3.04. Cylinders, bollen, kegels en ruiten

  • 1 De cylinders, bollen, kegels en ruiten die een schip ingevolge dit reglement moet voeren mogen niet vervuild en de kleuren mogen niet verbleekt zijn. Zij kunnen worden vervangen door voorwerpen die op een afstand dezelfde vorm vertonen.

  • 2 De afmetingen moeten zodanig zijn dat een goede zichtbaarheid wordt verzekerd; aan deze voorwaarde wordt in ieder geval geacht te zijn voldaan, indien de afmetingen tenminste als volgt zijn:

    • a. voor cylinders: een hoogte van 80 cm en een middellijn van 50 cm;

    • b. voor bollen: een middellijn van 60 cm;

    • c. voor kegels: een hoogte van 60 cm en een middellijn van het grondvlak van 60 cm, zodanig dat de middellijn van het grondvlak niet meer is dan de hoogte;

    • d. voor ruiten: een lengte van de verticale middellijn van 80 cm en van de horizontale middellijn van 50 cm, zodanig dat de lengte van de horizontale middellijn niet meer is dan die van de verticale middellijn.

Artikel 3.05. Verboden tekens

  • 1 Een schip mag geen andere tekens voeren of tonen dan die welke in dit reglement worden vermeld en mag niet deze tekens voeren of tonen onder andere omstandigheden dan die welke in dit reglement zijn voorzien.

  • 2 Een schip mag voor het wisselen van berichten met andere schepen of met de wal geen tekens gebruiken die leiden tot verwarring met de in dit reglement vermelde tekens.

Artikel 3.06. Noodlichten

Indien de lichten die een schip ingevolge dit reglement moet voeren niet kunnen werken, moet het schip deze onverwijld door noodlichten vervangen. Ingeval een krachtig licht wordt voorgeschreven, mag echter het noodlicht helder, en in geval een helder licht wordt voorgeschreven, mag het noodlicht gewoon zijn. Zo spoedig mogelijk moeten wederom lichten van de voorgeschreven sterkte in gebruik gesteld worden.

Artikel 3.07. Verboden lichten, verlichting of zoeklichten dan wel vlaggen, borden of andere voorwerpen

  • 1 Een schip mag geen lichten, verlichting of zoeklichten dan wel vlaggen, borden of andere voorwerpen doen zichtbaar zijn, die kunnen leiden tot verwarring met de in dit reglement vermelde tekens dan wel de waarneembaarheid of de herkenning daarvan kunnen bemoeilijken.

  • 2 Een schip mag zijn lichten dan wel zijn verlichting of zijn zoeklichten niet op zodanige wijzen gebruiken, dat zij door verblinding gevaar of hinder voor de scheepvaart kunnen veroorzaken.

Artikel 3.08. Lichten van alleenvarende motorschepen

  • 1 Een alleenvarend motorschip moet voeren:

    • a. een toplicht op het voorschip in de lengte-as van het schip op een hoogte van tenminste 5 m. Deze hoogte mag worden verminderd tot 4 m, indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;

    • b. boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip en tenminste 1 m lager dan het toplicht;

    • c. een heklicht op het achterschip in de lengte-as van het schip op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt.

  • 2 Een alleenvarend motorschip mag een tweede toplicht voeren achter het toplicht op het voorschip in de lengte-as van het schip en tenminste 3 m hoger, zodanig dat de horizontale afstand tussen de beide lichten tenminste driemaal de verticale afstand bedraagt.

  • 3 Dit artikel is niet van toepassing op een klein schip.

Artikel 3.09. Lichten van slepen

  • 1 Het motorschip aan de kop van een sleep moet voeren:

    • a. twee toplichten op het voorschip, in de lengte-as van het schip, in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het bovenste op de in artikel 3.08, eerste lid onder a, voorgeschreven hoogte en het onderste voorzover mogelijk tenminste 1 m hoger dan de boordlichten;

    • b. boordlichten die voldoen aan artikel 3.08, eerste lid onder b;

    • c. een geel helder of gewoon licht op het achterschip in de lengte-as van het schip, dat schijnt over dezelfde boog van de horizon als het heklicht, voorgeschreven bij artikel 3.08, eerste lid onder c, en dat is aangebracht op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor de gesleepte lengten achter het schip.

  • 2 Een schip van een sleep dat niet is het motorschip, bedoeld in het eerste lid, moet voeren: een wit helder rondom schijnend licht op een hoogte van tenminste 5 m. Deze hoogte mag worden verminderd tot 4 m, indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt.

    Indien echter een lengte in een sleep is samengesteld uit meer dan twee langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de buitenzijden dit licht of deze lichten voeren.

  • 3 Het schip of de schepen die de laatste lengte van een sleep vormen moeten, behalve het licht of de lichten voorgeschreven bij het tweede lid, voeren een heklicht dat voldoet aan artikel 3.08, eerste lid onder c.

    Indien echter de laatste lengte van een sleep is samengesteld uit meer dan twee langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de buitenzijden deze lichten voeren.

    Indien de laatste lengte van een sleep uit kleine schepen bestaat, wordt voor de toepassing van dit lid geen rekening met deze kleine schepen gehouden.

  • 4 Dit artikel is niet van toepassing op een klein schip dat slechts kleine schepen sleept of op een klein schip dat wordt gesleept.

Artikel 3.10

(niet overgenomen).

Artikel 3.11. Lichten van gekoppelde samenstellen

Een gekoppeld samenstel moet voeren:

  • a. een toplicht op elk schip. Echter mag op een schip dat geen motorschip is, in plaats van dit licht, worden gevoerd een wit helder rondom schijnend licht, op een geschikte plaats en niet hoger dan het toplicht van het motorschip of de toplichten van de motorschepen.

    Deze lichten moeten voldoen aan artikel 3.08, eerste lid onder a, resp. aan artikel 3.09, derde lid;

  • b. boordlichten aan de buitenzijden van het samenstel, voor zover mogelijk op onderling dezelfde hoogte en tenminste 1 m lager dan het laagste licht, bedoeld onder a. Deze lichten moeten overigens voldoen aan artikel 3.08, eerste lid onder b;

  • c. een heklicht op elk schip.

Dit licht moet voldoen aan artikel 3.08, eerste lid onder c.

Dit artikel is niet van toepassing op een klein schip dat slechts langszijde daarvan vastgemaakte kleine schepen voortbeweegt of, langszijde van een ander schip vastgemaakt, wordt voortbewogen.

Artikel 3.12. Lichten van zeilschepen

  • 2 Dit artikel is niet van toepassing op een klein schip.

Artikel 3.13. Lichten van kleine schepen

  • 1 Een alleenvarend klein motorschip moet voeren:

    • a. een toplicht in de lengte-as van het schip, tenminste 1 m hoger dan de boordlichten.

      Dit licht moet echter, in plaats van een krachtig licht, een helder licht zijn;

    • b. boordlichten. Zij mogen gewone lichten zijn. Zij moeten worden aangebracht,

      • - hetzij: zoals voorgeschreven bij artikel 3.08, eerste lid onder b;

      • - hetzij: onmiddellijk naast elkaar of in één lantaarn verenigd in de lengte-as van het schip aan of nabij de boeg;

    • c. een heklicht op het achterschip, op zodanige hoogte dat het voor een oploper goed zichtbaar is. Dit licht behoeft niet te worden gevoerd, indien, in plaats van het onder a bedoelde toplicht, een wit helder rondom schijnend licht wordt gevoerd.

  • 1bis Een alleenvarend klein open motorschip met een lengte van minder dan 7 m waarvan de hoogst bereikbare snelheid niet meer is dan 13 km per uur mag, in plaats van de bij het eerste lid voorgeschreven lichten, een wit gewoon rondom schijnend licht voeren.

  • 2 Een klein motorschip dat slechts kleine schepen sleept dan wel langszijde daarvan vastgemaakte kleine schepen voortbeweegt moet de bij het eerste lid voorgeschreven lichten voeren.

  • 3 Een klein schip dat wordt gesleept dan wel langszijde van een ander schip vastgemaakt wordt voortbewogen moet een wit gewoon rondom schijnend licht voeren. Dit lid is niet van toepassing op de bijboot van een schip.

  • 4 Een klein zeilschip moet voeren:

    • - hetzij boordlichten en een heklicht, zodanig dat de boordlichten naast elkaar of in één lantaarn verenigd in de lengte-as van het schip aan of nabij de boeg en het heklicht op het achterschip zijn aangebracht.

      De boordlichten mogen gewone lichten zijn;

    • - hetzij boordlichten en een heklicht, verenigd in één lantaarn, aan of nabij de top van de mast waar deze het best kan worden gezien. Dit mag een gewoon licht zijn;

    • - hetzij, indien de lengte van het schip minder dan 7 m bedraagt, een wit gewoon rondom schijnend licht op een zodanige hoogte, dat het van alle zijden zichtbaar is.

      Het schip moet dan bovendien bij het naderen van een ander schip, bij gevaar voor aanvaring, een tweede wit gewoon licht tonen.

  • 5 Een klein door spierkracht voortbewogen schip moet een wit gewoon rondom schijnend licht voeren.

Artikel 3.14-3.17

(niet overgenomen).

Artikel 3.18. Bijkomende lichten van schepen die onmanoeuvreerbaar worden

  • 1 Een schip dat onmanoeuvreerbaar wordt moet als bijkomend licht zo nodig tonen:

    een rood gewoon rondom schijnend licht waarmede heen en weer wordt gezwaaid. Een klein schip mag echter een wit licht tonen.

  • 2 Het schip moet zo nodig tevens de reglementaire geluidsseinen geven dan wel deze geven tegelijkertijd met het tonen van de in het eerste lid bedoelde lichten.

Artikel 3.19

(niet overgenomen).

Artikel 3.20. Lichten van stilliggende schepen

  • 1 Een schip dat direct of indirect aan de oever gemeerd ligt moet voeren:

    een wit gewoon rondom schijnend licht aan de zijde van het vaarwater op een hoogte van tenminste 3 m.

  • 2 Een klein schip dat stilligt, met uitzondering van de bijboot van een schip, moet voeren:

    een wit gewoon rondom schijnend licht waar dit het best kan worden gezien.

  • 3 De in dit artikel bedoelde lichten behoeven niet te worden gevoerd door een schip

    • a. dat ligt in een gedeelte van de vaarweg, aangewezen door de bevoegde autoriteit;

    • b. dat ligt in een gedeelte van de vaarweg waar varen niet mogelijk dan wel verboden is;

    • c. dat direct of indirect aan de oever gemeerd ligt en vanwege aldaar aanwezige verlichting voldoende zichtbaar is;

    • d. dat op een veilige ligplaats ligt.

  • 4 Dit artikel is niet van toepassing op de schepen, bedoeld in artikel 3.27.

Artikel 3.21-3.26

(niet overgenomen).

Artikel 3.27. Lichten van in bedrijf zijnde drijvende werktuigen en van vastgevaren of gezonken schepen

  • 1 Een in bedrijf zijnd drijvend werktuig en een schip dat in het vaarwater werken uitvoert dan wel peilingen of metingen verricht moeten voeren:

    • a. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:

      twee groene heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;

    • b. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:

      een rood rondom schijnend licht op dezelfde hoogte als het bovenste van de onder a voorgeschreven groene lichten en van dezelfde lichtsterkte als die lichten;

      of, in het geval dat deze schepen tevens tegen hinderlijke waterbeweging beschermd willen worden:

      c. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:

      een rood helder of gewoon rondom schijnend licht en een wit helder of gewoon rondom schijnend licht in een verticale lijn, met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het bovenste rood en het onderste wit;

      d. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:

      een rood rondom schijnend licht op dezelfde hoogte als het onder c voorgeschreven rode licht en van dezelfde lichtsterkte als dit licht.

      Deze lichten moeten zijn aangebracht op een zodanige hoogte, dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.

  • 2 Een vastgevaren of gezonken schip moet de bij het eerste lid onder c en d voorgeschreven lichten voeren. Indien een gezonken schip zodanig ligt dat daarop de lichten niet kunnen worden aangebracht, moeten deze op roeiboten of op een andere doelmatige wijze zijn geplaatst.

  • 3 De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de verplichting tot het voeren van de bij het eerste lid voorgeschreven lichten.

Artikel 3.28. Bijkomende lichten van schepen, waarvan de ankers een gevaar voor de scheepvaart kunnen vormen

  • 1 Een schip waarvan een anker zodanig is uitgezet, dat het een gevaar voor de scheepvaart kan vormen, moet als bijkomend licht voeren:

    een tweede wit gewoon rondom schijnend licht ongeveer 1 m loodrecht onder het in artikel 3.20 bedoelde licht.

  • 2 Een schip moet het anker bedoeld in het eerste lid aanduiden door:

    een boei voorzien van een wit gewoon rondom schijnend licht.

Artikel 3.29. Dagtekens van slepen

  • 1 Het motorschip aan de kop van een sleep moet voeren:

    een gele cylinder die aan de bovenzijde en aan de benedenzijde is voorzien van twee banden, zwart en wit, de witte banden aan de uiteinden van de cylinder, en die is aangebracht in verticale stand op het voorschip op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.

  • 2 Indien een sleep verscheidene motorschepen bevat, die niet in kiellinie varen moet elk van deze schepen de bij het eerste lid voorgeschreven cylinder voeren.

  • 3 Het schip of de schepen die de laatste lengte van een sleep vormen moeten voeren: een gele bol, op een geschikte plaats en zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.

    Indien echter de laatste lengte van een sleep is samengesteld uit meer dan twee langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de buitenzijden deze bol voeren. Indien de laatste lengte van een sleep uit kleine schepen bestaat, wordt voor de toepassing van dit lid geen rekening met deze kleine schepen gehouden.

  • 4 Dit artikel is niet van toepassing op een klein schip dat slechts kleine schepen sleept of op een klein schip dat wordt gesleept.

Artikel 3.30. Dagteken van schepen die tegelijkertijd door middel van zeilen en een motor worden voortbewogen

Een schip dat tegelijkertijd door middel van zijn zeilen en een motor wordt voortbewogen moet voeren:

een zwarte kegel met de punt naar beneden, zo hoog mogelijk, op een plaats waar hij het best kan worden gezien.

Artikel 3.31-3.34

(niet overgenomen).

Artikel 3.35. Bijkomende dagtekens van schepen die onmanoeuvreerbaar worden

  • 1 Een schip dat onmanoeuvreerbaar wordt moet als bijkomend dagteken zo nodig tonen:

    een rode vlag waarmee heen en weer wordt gezwaaid. De vlag mag worden vervangen door een bord van dezelfde kleur.

  • 2 Het schip moet zonodig tevens de reglementaire geluidsseinen geven dan wel deze geven tegelijkertijd met het tonen van de in het eerste lid bedoelde tekens.

Artikel 3.36-3.40

(niet overgenomen).

Artikel 3.41. Dagtekens van in bedrijf zijnde drijvende werktuigen en van vastgevaren of gezonken schepen

  • 1 Een in bedrijf zijnd drijvend werktuig en een schip dat in het vaarwater werken uitvoert dan wel peilingen of metingen verricht moeten voeren:

    • a. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:

      twee groene ruiten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;

    • b. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:

      een rode bol op dezelfde hoogte als de bovenste van de onder a voorgeschreven groene ruiten;

      of, in het geval dat deze schepen tevens tegen hinderlijke waterbeweging beschermd willen worden:

    • c. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:

      een bord waarvan de bovenste helft rood en de onderste helft wit is dan wel twee borden in een verticale lijn, het bovenste rood en het onderste wit;

    • d. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:

      een rood bord op dezelfde hoogte als het rood-witte bord of als het rode bord, voorgeschreven onder c.

      Deze tekens moeten zijn aangebracht op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn. De borden mogen worden vervangen door vlaggen van dezelfde kleur.

  • 2 Een vastgevaren of gezonken schip moet de bij het eerste lid onder c en d voorgeschreven tekens voeren. Indien een gezonken schip zodanig ligt dat daarop de tekens niet kunnen worden aangebracht, moeten deze op roeiboten of op een andere doelmatige wijze zijn geplaatst.

  • 3 De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de verplichting tot het voeren van de bij het eerste lid voorgeschreven tekens.

Artikel 3.42. Bijkomend dagteken van ankers van schepen die een gevaar voor de scheepvaart kunnen vormen

Een schip waarvan één of meer ankers zodanig zijn uitgezet, dat zij een gevaar voor de scheepvaart kunnen vormen, moet dit anker of elk van deze ankers aanduiden door een gele boei.

Artikel 3.43-3.44

(niet overgenomen).

Artikel 3.45. Bijkomend teken van schepen van toezichthoudende ambtenaren

Een schip van toezichthoudende ambtenaren mag als bijkomend teken een blauw gewoon rondom schijnend flikkerlicht tonen.

Hetzelfde geldt voor een brandweerboot, die hulp biedt of daartoe op weg is.

Artikel 3.46. Noodtekens

  • 1 Een in nood verkerend schip, dat hulp wil inroepen, moet de volgende seinen, hetzij afzonderlijk hetzij een combinatie hiervan, tonen dan wel geven:

    • - een vlag of ieder ander geschikt voorwerp waarmee in het rond wordt gezwaaid;

    • - een licht waarmee in het rond wordt gezwaaid;

    • - vuurpijlen, lichtkogels, parachutelichten of rookbommen dan wel vlammen;

    • - een vlag met daarboven of daaronder een bol of een daarop gelijkend voorwerp;

    • - reeksen klokslagen of herhaalde lange stoten.

  • 2 Een schip, dat medische hulp wil inroepen, mag geven: vier korte stoten, gevolgd door één lange stoot.

Artikel 3.47-3.54

(niet overgenomen).

Hoofdstuk 4. Geluidsseinen van schepen

Artikel 4.01. Algemene bepalingen

  • 1 De te gebruiken geluidsseinen zijn de volgende:

    • - zeer korte stoot: geluidssein met een tijdsduur van ongeveer een kwart seconde;

    • - korte stoot: geluidssein met een tijdsduur van ongeveer 1 seconde;

    • - lange stoot: geluidssein met een tijdsduur van ongeveer 4 seconden;

    • - klokslag: sein met de scheepsklok.

    De tijdruimte tussen twee opeenvolgende stoten bedraagt ongeveer 1 seconde. Een reeks zeer korte stoten wordt gevormd door ten minste 6 stoten, elk durende ongeveer een kwart seconde waarbij de tijdruimte tussen de opeenvolgende stoten ongeveer een kwart seconde bedraagt.

  • 2 Geluidsseinen, niet zijnde klokslagen, moet

    • a. een motorschip, met uitzondering van een klein schip, geven door middel van een mechanisch werkende geluidsinstallatie die voldoende hoog is opgesteld en vrij staat naar voren en voor zover mogelijk ook naar achteren, die goed functioneert;

    • b. een schip, niet zijnde een motorschip, en een klein motorschip geven door middel van een mechanisch werkende geluidsinstallatie dan wel een geschikte scheepstoeter of hoorn.

  • 3 Een motorschip moet gelijktijdig met een geluidssein een geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. Dit lid is niet van toepassing op een klein schip en het geldt niet voor klokslagen of reeksen klokslagen.

  • 4 Bij een samenstel mogen de geluidsseinen slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.

  • 5 Een schip moet een reeks klokslagen ongeveer vier seconden doen duren.

  • 6 Een schip mag in plaats van een reeks klokslagen een reeks slagen van metaal op metaal geven.

Artikel 4.02. Geven van geluidsseinen

  • 1 Een schip, met uitzondering van een klein schip, moet zo nodig zijn handelingen door de volgende geluidsseinen kenbaar maken:

    • - één lange stoot: Attentie.

    • - één korte stoot: Ik ga stuurboord uit.

    • - twee korte stoten: Ik ga bakboord uit.

    • - drie korte stoten: Ik sla achteruit.

    • - vier korte stoten: Ik kan niet manoeuvreren.

    • - reeks zeer korte stoten: Er dreigt gevaar voor aanvaring.

  • 2 Een klein schip moet zonodig het attentiesein en het sein "Ik kan niet manoeuvreren" geven en het mag zonodig één der overige algemene geluidsseinen geven.

Artikel 4.03. Verboden geluidsseinen

Een schip mag slechts van de geluidsinstallatie dan wel van de scheepstoeter of de hoorn gebruik maken voor het geven van de geluidsseinen welke in dit reglement worden vermeld en deze geluidsseinen niet geven onder andere omstandigheden dan die welke in dit reglement zijn voorzien.

Hoofdstuk 5. Verkeerstekens

Artikel 5.01. Vaststelling van de verkeerstekens

  • 1 Bijlage II bepaalt welke verkeerstekens voor het verkeer op de vaarweg kunnen worden aangebracht. Deze verkeerstekens bevatten een verbod of een gebod dan wel een aanbeveling of een inlichting. Bijlage II bepaalt eveneens de betekenis van die tekens.

    Bijlage III bepaalt welke verkeerstekens ter markering van het vaarwater of van obstakels daarin kunnen worden aangebracht.

  • 2 Een schip is verplicht gevolg te geven aan een verkeersteken dat een verbod of een gebod bevat en rekening te houden met een verkeersteken dat een aanbeveling of een inlichting bevat dan wel dat dient ter markering van het vaarwater of van obstakels daarin.

Artikel 5.02. Aanbrengen of verwijderen van verkeerstekens

  • 1 Een verkeersteken als bedoeld in artikel 5.01 kan in het belang van de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart dan wel in het belang van andere gebruikers van de vaarweg worden aangebracht door of vanwege de bevoegde autoriteit.

  • 2 Het is een ander dan de bevoegde autoriteit of de door hem aangewezen personen verboden een verkeersteken aan te brengen of te verwijderen, dan wel een voorwerp, van welke aard ook, dat het verkeer op de vaarweg in verwarring zou kunnen brengen, daarlangs, daarin of daarboven aan te brengen.

Hoofdstuk 6. Vaarregels

Artikel 6.01. Begripsbepalingen

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a. recht tegen elkaar insturen: het elkaar naderen van twee schepen op koersen, die recht of vrijwel recht tegen elkaar in liggen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat;

    • b. oplopen: het naderen door een schip van een ander schip uit een richting van meer dan 22°30' achterlijker dan dwars van dat schip.

  • 2 Indien een schip in twijfel verkeert, of een situatie, zoals bedoeld in het eerste lid onder a en b bestaat, moet het aannemen dat zulks het geval is en moet het dienovereenkomstig handelen.

Artikel 6.02. Kleine schepen; algemene bepalingen

  • 1 In dit hoofdstuk worden onder een klein schip mede begrepen een sleep of een gekoppeld samenstel, uitsluitend uit kleine schepen bestaande.

  • 2 Wanneer een vaarregel van dit hoofdstuk niet van toepassing is tussen een klein schip en een ander schip is het kleine schip verplicht aan dit andere schip de ruimte te laten die dit nodig heeft om zijn koers te volgen en om te manoeuvreren; het mag niet verlangen, dat dit te zijnen gerieve uitwijkt.

Artikel 6.03. Algemene beginselen

  • 1 Schepen mogen slechts elkaar voorbijvaren op tegengestelde koersen dan wel elkaar voorbijlopen, indien het vaarwater voldoende ruimte biedt voor gelijktijdige doorvaart, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking genomen.

  • 2 Bij een samenstel mogen de tekens, voorgeschreven bij artikel 6.05, slechts worden getoond door het schip, aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.

  • 3 Bij naderen op tegengestelde koersen dan wel bij voorbijlopen mag het schip waarvan de koers elk gevaar voor aanvaring uitsluit zijn koers noch zijn snelheid zodanig wijzigen, dat daaruit gevaar voor aanvaring kan ontstaan.

  • 4 Indien een schip verplicht is uit te wijken voor een ander schip, moet laatstbedoeld schip zijn koers en zijn snelheid aanhouden. Indien door welke oorzaak ook, het schip dat verplicht is zijn koers en zijn snelheid aan te houden zich zo dicht bij het schip dat moet uitwijken bevindt, dat aanvaring door een handeling van dat schip alléén niet kan worden vermeden, moet het de maatregelen nemen die het beste kunnen bijdragen om aanvaring te voorkomen.

Artikel 6.03a. Koers kruisen

  • 1 Indien de koersen van twee schepen elkaar kruisen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet het schip dat het andere aan stuurboordszijde van zich heeft uitwijken en, indien de omstandigheden het toelaten, vermijden vóór het andere over te lopen. Deze bepaling is niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip.

  • 2 Indien de koersen van een klein motorschip, een klein zeilschip of een klein door spierkracht voortbewogen schip elkaar kruisen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, in afwijking van het eerste lid,

    • - het motorschip uitwijken voor het andere schip, en

    • - het door spierkracht voortbewogen schip uitwijken voor het zeilschip.

    Het schip dat de zijde van het vaarwater aan stuurboord houdt moet echter zijn weg vervolgen.

  • 3 Indien de koersen van twee zeilschepen elkaar kruisen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, in afwijking van het eerste lid,

    • - ingeval beide schepen over verschillende boeg liggen, het schip dat over stuurboordsboeg ligt uitwijken voor het schip dat over bakboordsboeg ligt;

    • - ingeval beide schepen over dezelfde boeg liggen, het loefwaartse schip uitwijken voor het lijwaartse;

    • - ingeval een schip dat over stuurboordsboeg ligt aan zijn loefzijde een schip ziet en niet met zekerheid kan bepalen, of dat schip over stuurboords- dan wel over bakboordsboeg ligt, het daarvoor uitwijken.

    Het schip dat de zijde van het vaarwater aan stuurboord houdt moet echter zijn weg vervolgen.

    Deze bepaling is niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip.

  • 4 Dit artikel is niet van toepassing bij kruisende koersen die kunnen ontstaan ingeval van keren, ingeval van het verlaten van de ankerplaats of de ligplaats, of ingeval van het oversteken van het hoofdvaarwater.

Artikel 6.04. Recht tegen elkaar insturen; hoofdregel

  • 1 Indien twee schepen recht tegen elkaar insturen, moet elk van beide naar stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar bakboord op bakboord voorbijvaren.

    Deze bepaling is niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip.

  • 2 Indien een klein motorschip, een klein zeilschip en een klein door spierkracht voortbewogen schip recht tegen elkaar insturen, is artikel 6.03a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.05. Recht tegen elkaar insturen

  • 1 Indien een opvarend schip en een afvarend schip recht tegen elkaar insturen, moet het opvarende schip voor het afvarende schip een geschikte weg vrijlaten, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking genomen.

  • 2 Het opvarende schip dat daartoe aan bakboord voor het afvarende schip de weg vrijlaat toont geen teken.

  • 3 Het opvarende schip dat daartoe aan stuurboord voor het afvarende schip de weg vrijlaat moet tijdig aan stuurboord tonen:

    • - een lichtblauw bord, dat van voren en van achteren zichtbaar is, en

    • - een wit helder rondom schijnend flikkerlicht, totdat het voorbijvaren heeft plaatsgehad.

    Het opvarende schip mag deze tekens niet meer tonen, nadat het voorbijvaren heeft plaats gehad, tenzij om eveneens aan een volgend in zicht zijnd afvarend schip aan te duiden dat het voor dit aan stuurboord de weg vrijlaat.

  • 4 Zodra is te vrezen, dat de bedoeling van het opvarende schip niet door het afvarende schip is begrepen, moet het opvarende schip geven:

    • - één korte stoot, indien het voorbijvaren bakboord op bakboord dient te geschieden;

    • - twee korte stoten, indien het voorbijvaren stuurboord op stuurboord dient te geschieden.

  • 5 Het afvarende schip moet voorbijvaren aan de zijde van het opvarende schip aan welke de weg wordt vrijgelaten. Het afvarende schip moet daartoe de tekens en het geluidssein die het opvarende schip toont of geeft herhalen.

  • 6 Dit artikel is niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip noch tussen kleine schepen onderling.

Artikel 6.06-6.08

(niet overgenomen).

Artikel 6.09. Voorbijlopen; algemene bepalingen

  • 1 Een schip mag een ander schip slechts voorbijlopen, nadat het zich er van heeft vergewist, dat dit zonder gevaar kan geschieden.

  • 2 Het schip dat wordt opgelopen moet het voorbijlopen, voorzover nodig en mogelijk, vergemakkelijken. Het moet snelheid verminderen, indien dit nodig is om het voorbijlopen zonder gevaar en in zo korte tijd te doen geschieden, dat de andere scheepvaart daardoor niet wordt gehinderd. Deze bepaling geldt niet voor een schip, niet zijnde een klein schip, dat wordt opgelopen door een klein schip.

Artikel 6.10. Voorbijlopen; gedrag en seinen der schepen

  • 1 De oploper moet aan bakboord van de opgelopene voorbijlopen. Indien daartoe ruimte is, mag echter de oploper aan stuurboord van de opgelopene voorbijlopen.

  • 2 Indien een zeilschip een ander zeilschip oploopt, moet het, zo mogelijk, aan loef voorbijlopen. Deze bepaling geldt niet voor een zeilschip, niet zijnde een klein schip, dat een klein zeilschip oploopt.

    Een schip dat door een zeilschip wordt opgelopen moet, zo mogelijk, ertoe medewerken, dat dit aan loef kan voorbijlopen. Deze bepaling geldt niet voor een schip, niet zijnde een klein schip, dat wordt opgelopen door een klein zeilschip.

  • 3 Indien voorbijlopen mogelijk is zonder dat de opgelopene zijn koers wijzigt behoeft de oploper geen geluidssein te geven, maar mag hij dit geven.

  • 4 Indien echter het voorbijlopen niet kan geschieden zonder dat de opgelopene zijn koers wijzigt dan wel indien is te vrezen, dat de opgelopene de bedoeling van de oploper om voorbij te lopen niet heeft begrepen, en deswege gevaar voor aanvaring bestaat, moet de oploper geven:

    • a. twee lange stoten gevolgd door twee korte stoten, zo hij aan bakboord van de opgelopene wil voorbijlopen;

    • b. twee lange stoten gevolgd door één korte stoot, zo hij aan stuurboord van de opgelopene wil voorbijlopen.

  • 5 De opgelopene die gevolg kan geven aan het verlangen van de oploper moet aan de door deze gewenste zijde voldoende ruimte laten door zo nodig naar de andere zijde uit te wijken.

    Hij mag daartoe geven:

    • - één korte stoot, zo hij naar stuurboord uitwijkt;

    • - twee korte stoten, zo hij naar bakboord uitwijkt.

  • 6 Indien het voorbijlopen niet aan de door de oploper gewenste zijde maar wel aan de andere zijde kan geschieden, moet de opgelopene geven:

    • a. één korte stoot, zo het voorbijlopen aan zijn bakboordszijde mogelijk is;

    • b. twee korte stoten, zo het voorbijlopen aan zijn stuurboordszijde mogelijk is.

    De oploper die onder deze omstandigheden nog wil voorbijlopen moet geven:

    • - twee korte stoten, in het geval onder a;

    • - één korte stoot, in het geval onder b.

    De opgelopene moet dan voldoende ruimte laten aan de zijde waar het voorbijlopen moet geschieden door zo nodig naar de andere zijde uit te wijken.

  • 7 Indien het voorbijlopen zonder gevaar niet mogelijk is, moet de opgelopene vijf korte stoten geven.

  • 8 Het derde tot en met het zevende lid zijn niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip, noch tussen kleine schepen onderling.

Artikel 6.11-6.12

(niet overgenomen).

Artikel 6.13. Keren

  • 1 Een schip mag slechts keren, nadat het zich er van heeft vergewist, dat, het tweede en derde lid in aanmerking genomen, dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.

  • 2 Indien daardoor een ander schip zou worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen, moet het schip dat wil keren dit tijdig tevoren aankondigen door het geven van:

    • - één lange stoot gevolgd door één korte stoot, zo het over stuurboord wil keren,

    • - één lange stoot gevolgd door twee korte stoten, zo het over bakboord wil keren.

  • 3 Het andere schip moet dan voorzover nodig en mogelijk zijn koers of zijn snelheid wijzigen om het keren zonder gevaar te kunnen doen geschieden.

  • 4 Tussen een klein schip en een ander schip zijn de voorgaande leden niet van toepassing. Tussen kleine schepen onderling zijn van de voorgaande leden alleen het eerste en het derde lid van toepassing.

Artikel 6.14. Gedrag bij vertrek

Artikel 6.13, eerste lid, tweede, derde en vierde lid, zijn eveneens van toepassing op een schip dat zijn ankerplaats of zijn ligplaats verlaat zonder te keren. In plaats van de bij het tweede lid van dat artikel vermelde seinen evenwel moet dit schip geven:

  • - één korte stoot, zo het stuurboord uitgaat,

  • - twee korte stoten, zo het bakboord uitgaat.

Artikel 6.15. Verbod zich in de tussenruimten tussen de lengten van een sleep te begeven

Een schip mag zich niet in de tussenruimten tussen de lengten van een sleep begeven.

Artikel 6.16. Uitvaren en invaren van havens en nevenvaarwateren en het daarbij invaren of oversteken van het hoofdvaarwater

  • 1 Een schip mag slechts een haven of een nevenvaarwater uitvaren en het hoofdvaarwater invaren of oversteken, dan wel een haven of een nevenvaarwater invaren, nadat het zich er van heeft vergewist, dat dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.

    Een vóór stroom varend schip dat is genoodzaakt op te draaien om een haven of een nevenvaarwater in te varen moet voorrang verlenen aan een tegen stroom varend schip dat eveneens deze haven of dit nevenvaarwater wil invaren.

  • 2 Indien door één der in het eerste lid bedoelde manoeuvres een ander schip zou of kan worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen, moet het schip zijn manoeuvre tijdig tevoren aankondigen door het geven van:

    • - drie lange stoten gevolgd door één korte stoot, zo het na het uitvaren dan wel vóór het invaren stuurboord uit zal gaan;

    • - drie lange stoten gevolgd door twee korte stoten, zo het na het uitvaren dan wel vóór het invaren bakboord uit zal gaan;

    • - drie lange stoten, zo het na het uitvaren de vaarweg zal oversteken. Vóór het einde van het oversteken moet het schip zo nodig geven:

    • - één lange stoot gevolgd door één korte stoot, zo het stuurboord uit wil gaan;

    • - één lange stoot gevolgd door twee korte stoten, zo het bakboord uit wil gaan.

  • 3 Het andere schip moet dan zo nodig zijn koers of zijn snelheid wijzigen.

  • 4 Tussen een klein schip en een ander schip zijn de voorgaande leden niet van toepassing. Tussen kleine schepen onderling zijn van de voorgaande leden alleen het eerste en het derde lid van toepassing.

Artikel 6.17. Op gelijke hoogte varen; verbod dicht langs een varend schip te varen

  • 1 Een schip mag slechts met een ander schip op gelijke hoogte varen, indien de beschikbare ruimte dit zonder hinder of gevaar voor de scheepvaart toelaat.

  • 2 Een schip mag niet langszijde komen van een varend schip, daaraan vastmaken of zich in het kielzog daarvan laten meevoeren zonder uitdrukkelijke toestemming van de schipper daarvan.

Artikel 6.18. Verbod om ankers, kabels of kettingen te laten slepen

  • 1 Een schip mag niet een anker, een kabel of een ketting laten slepen.

  • 2 Dit verbod geldt niet voor een schip dat zich verplaatst op een ligplaats of dat een manoeuvre uitvoert.

Artikel 6.19. Zich laten drijven

Een schip mag zich niet met de stroom laten meedrijven zonder dat het van een middel tot voortbeweging gebruik maakt.

Artikel 6.20. Hinderlijke waterbeweging

Een schip moet zijn snelheid zodanig regelen, dat hinderlijke waterbeweging waardoor schade aan een varend of een stilliggend schip of aan een werk zou kunnen worden veroorzaakt wordt vermeden. Het moet tijdig zijn snelheid verminderen, echter niet beneden de snelheid nodig voor het veilig sturen:

  • a. voor een havenmond;

  • b. in de nabijheid van een schip dat gemeerd is aan de oever of aan een ontschepingsplaats dan wel dat wordt geladen of gelost;

  • c. in de nabijheid van een schip dat op een gebruikelijke ligplaats stilligt;

  • d. bij het voorbijvaren van een schip als bedoeld in de artikelen 3.27 en 3.41 aan de zijde waar de tekens van het eerste lid onder c van elk dezer artikelen worden getoond. Het moet voorts zover mogelijk daarvan verwijderd blijven.

Artikel 6.21. Manoeuvreerbaarheid van schepen en van samenstellen

Een motorschip dat zorgt voor de voortbeweging van een samenstel moet een vermogen hebben dat voldoende is om de goede manoeuvreerbaarheid daarvan te verzekeren.

Artikel 6.22-6.29

(niet overgenomen).

Artikel 6.30. Algemene bepalingen voor het varen bij slecht zicht

  • 1 Een varend schip moet een snelheid aanhouden die is aangepast aan de mate van beperking van het zicht, aan de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen en aan de plaatselijke omstandigheden.

    Het moet voorop een uitkijk hebben, die zich óf binnen gezichts- of gehoorafstand van de schipper bevindt óf een spreekverbinding met hem heeft.

    Bij een samenstel behoeft alleen het voorste schip de uitkijk te hebben.

    Een klein schip behoeft geen uitkijk te hebben.

  • 2 Wanneer in verband met de mate van beperking van het zicht, met de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen of met de plaatselijke omstandigheden de vaart niet zonder gevaar kan worden voortgezet, moet een schip op de dichtstbijzijnde geschikte plaats gaan stilliggen.

  • 3 Teneinde te beoordelen of de vaart al dan niet zonder gevaar kan worden voortgezet en teneinde de aan te houden snelheid te bepalen, mag een schip, dat gebruik maakt van radar, de waarneming met radar in aanmerking nemen. Het moet hierbij rekening houden met de vermindering van het zicht die andere schepen ondervinden.

  • 4 Het derde lid is niet van toepassing op een sleep, die vóór stroom vaart.

  • 5 Een schip moet bij het gaan stilliggen het vaarwater zoveel mogelijk vrijmaken.

  • 6 Een schip dat de vaart voortzet moet zoveel mogelijk de zijde van het vaarwater aan stuurboord houden. Artikel 6.05 is niet van toepassing op het varen bij slecht zicht.

  • 7 Een schip dat de vaart voortzet en dat is uitgerust met een marifooninstallatie die geschikt is voor gebruik van de kanalen voor schip-schipverkeer, moet uitluisteren op het daartoe aangewezen kanaal en aan andere schepen de nodige inlichtingen ter verzekering van de veiligheid van de scheepvaart geven.

Artikel 6.31. Geluidssein van een schip dat stilligt of dat is vastgevaren

  • 1 Een schip, dat in het vaarwater of in de nabijheid daarvan op een gevaarlijke plaats gestrekt langs de zijde van het vaarwater stilligt, moet het geluidssein van een naderend schip telkens beantwoorden door het geven van:

    één reeks klokslagen.

    Het schip mag dit sein geven zonder dat het geluidssein van een naderend schip wordt gehoord.

  • 2 Een schip, dat in het vaarwater of in de nabijheid daarvan op een gevaarlijke plaats stilligt en dat zich niet gestrekt langs de zijde van het vaarwater bevindt, moet geven:

    één reeks klokslagen.

    Het schip moet dit sein herhalen met tussenpozen van ten hoogste één minuut.

  • 3 De verplichting, bedoeld in het eerste en in het tweede lid, geldt niet voor een schip dat in een haven stilligt, of dat stilligt op een door de bevoegde autoriteit daartoe aangewezen plaats.

Artikel 6.32

(niet overgenomen).

Artikel 6.33. Schepen die bij slecht zicht de vaart voortzetten

  • 1 Een niet op radar varend schip moet als mistsein geven:

    één lange stoot.

    Bij een samenstel mag dit sein slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.

    Het sein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut.

  • 2 Een niet op radar varend klein schip is niet verplicht het in het eerste lid bedoelde mistsein te geven, doch het mag dit sein geven.

    Het sein mag worden herhaald.

  • 3 Een niet op radar varend schip hetwelk hoort dat het voorlijker dan dwars een ander schip nadert, moet zijn snelheid verminderen tot een minimum waarbij het op koers kan worden gehouden en het moet uiterst voorzichtig manoeuvreren dan wel zo nodig stilhouden.

Artikel 6.33a. Snelheid

  • 1 Een schip mag niet varen met een grotere snelheid dan 16 km/u ten opzichte van de oever.

  • 2 In afwijking van het eerste lid mag een schip niet varen met een grotere snelheid dan 9 km/u ten opzichte van de oever op de rechter helft van de vaarweg in het vak tussen km 6.790 en km 8.860.

  • 3 In afwijking van het eerste lid mag een schip varen met een grotere snelheid dan 16 km/u ten opzichte van de oever in de volgende vakken van de vaarweg:

    • a. nabij Eisden-Ternaaien

      • - tussen km 4.970 en km 5.970;

      • - tussen km 5.970 en km 6.790, uitsluitend op de rechterhelft van de vaarweg;

    • b. nabij Maaseik

      • - tussen km 59.500 en km 61.500.

  • 4 De bevoegde autoriteit kan de vakken bedoeld in het tweede en het derde lid wijzigen. Een dergelijke wijziging verbindt niet eerder dan nadat zij door middel van een bekendmaking is afgekondigd.

Artikel 6.33b. Varen met snelle motorboten; waterskiën

  • 1 Een snelle motorboot moet zodanig varen en een waterskiër moet zich zodanig gedragen dat geen hinder of gevaar voor andere gebruikers van de vaarweg of de aanhorigheden ervan kan worden veroorzaakt.

  • 2 Het is verboden met de motor van een snelle motorboot onnodige geluidshinder te veroorzaken, dan wel deze motor onnodig lang of zonder redelijk doel in werking te houden.

  • 3 In de vakken van de vaarweg bedoeld in artikel 6.33a, derde lid, is het verboden met een grotere snelheid te varen dan 16 km/u:

    • a. vóór tien uur 's morgens;

    • b. na zonsondergang;

    • c. binnen een afstand van 20 m uit de oever;

    • d. binnen een afstand van 50 m van een aanleginrichting;

    • e. in de nabijheid van een sportevenement, een waterfeest of een soortgelijke gebeurtenis;

    • f. bij een zicht van minder dan 150 m.

Artikel 6.33c. Plankzeilen, zwemmen en duiken

In de in artikel 6.33a, derde lid, aangewezen vakken is het verboden te varen met een zeilplank, dan wel te zwemmen of te duiken.

Artikel 6.33d. Stiltezone voor sportvissers

Een motorschip mag niet varen op de linker helft van de vaarweg in het vak tussen km 5.970 en km 8.860, noch binnen 20 m uit de linkeroever in het vak tussen km 57.000 en km 59.500.

Artikel 6.33e. Verboden activiteiten

Het is verboden zich boven de vaarweg door de lucht te laten voortbewegen.

Hoofdstuk 7. Regels voor het ligplaats nemen

Artikel 7.01. Algemene beginselen voor het ligplaats nemen

  • 1 Een schip moet zodanig ligplaats nemen, dat de scheepvaart niet wordt belemmerd.

  • 2 Een schip, een samenstel en een drijvend voorwerp die stilliggen moeten zodanig zijn verankerd of gemeerd, dat zij door verandering van hun positie geen gevaar of hinder voor andere schepen kunnen vormen, waarbij met name rekening moet worden gehouden met wind, stroom en verandering van de waterstand, alsmede met zuiging en golfslag.

Artikel 7.02. Ligplaats nemen (ankeren en meren)

  • 1 Een schip mag geen ligplaats nemen, met uitzondering van de volgende gevallen:

    • a. in een vak van of op een plaats in de vaarweg aangewezen door de bevoegde autoriteit;

    • b. op een ligplaats aangeduid door één der tekens E.5 tot en met E.7 ( bijlage II);

    • c. in het geval bedoeld in artikel 6.30, tweede lid.

  • 2 Een meerboei mag slechts worden uitgelegd in een vak van of op een plaats in de vaarweg aangewezen door de bevoegde autoriteit.

  • 3 De bevoegde autoriteit kan van dit artikel ontheffing verlenen.

Artikel 7.03-7.07

(niet overgenomen).

Artikel 7.08. Toezicht

Een stilliggend schip moet, voor zover het geen schipper heeft, zijn gesteld onder toezicht van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen, tenzij de bevoegde autoriteit aan een schip van deze verplichting vrijstelling heeft verleend, dan wel hij gedoogt dat dit zonder toezicht stilligt. 1

Bijlage I

De bevoegde autoriteit, bedoeld in dit reglement, is:

in artikel:

voor België:

voor Nederland:

     

1.06, tweede en derde lid

de betrokken hoofdingenieur-directeur van Bruggen en Wegen na overleg met de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Limburg;

de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Limburg na overleg met de betrokken hoofdingenieur-directeur van Bruggen en Wegen;

     

1.10, tweede lid

de betrokken wachter of de betrokken politie-ambtenaar van de Rijkswacht;

de betrokken kanaalmeester, het betrokken dienstkringhoofd, de betrokken gezagvoerder van een patrouillevaartuig of de betrokken ambtenaar van politie;

     

1.12, derde en vierde lid

de betrokken wachter, de betrokken conducteur of andere ambtenaar belast met de handhaving van het reglement;

idem;

     

1.13, tweede en derde lid

idem;

idem;

     

1.14

idem;

idem;

     

1.15, derde lid

idem;

idem;

     

1.17, eerste lid

idem;

idem;

     

1.19, eerste lid

de betrokken wachter, de betrokken conducteur, de betrokken hoofdingenieur of de andere betrokken agent van de waterweg;

idem;

     

1.20, eerste lid

idem;

idem;

     

1.22

de betrokken hoofdingenieur-directeur van Bruggen en Wegen na overleg met de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Limburg;

de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Limburg na overleg met de betrokken hoofdingenieur-directeur van Bruggen en Wegen;

     

1.23, eerste lid en tweede lid

de betrokken hoofdingenieur-directeur van Bruggen en Wegen;

de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Limburg;

     

3.20, derde lid

idem;

idem;

     

3.27, derde lid

idem;

idem;

     

3.41, derde lid

idem;

idem;

     

5.02, eerste lid

de betrokken hoofdingenieur-directeur van Bruggen en Wegen na overleg met de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Limburg;

de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Limburg na overleg met de betrokken hoofdingenieur-directeur van Bruggen en Wegen;

     

6.31, derde lid

idem;

idem;

     

6.33a, vierde lid

idem;

idem;

     

7.02, eerste lid

de betrokken wachter, de betrokken conducteur of de betrokken hoofdingenieur-directeur van Bruggen en Wegen;

de betrokken kanaalmeester, het betrokken dienstkringhoofd of de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Limburg;

     

7.02, tweede en derde lid

idem;

idem;

     

7.08

idem;

idem;

Bijlage II. Verkeerstekens

A . Verbodstekens

Opmerking:

Deze tekens kunnen worden aangevuld of verduidelijkt met bijkomende tekens, vermeld onder F.

Bijlage 15259.png
Bijlage 15260.png
Bijlage 15261.png

B . Gebodstekens

Opmerking:

Deze tekens kunnen worden aangevuld of verduidelijkt met bijkomende tekens, vermeld onder F.

Bijlage 15262.png
Bijlage 15263.png

C. Beperkingstekens

Opmerking:

Deze tekens kunnen worden aangevuld of verduidelijkt met bijkomende tekens, vermeld onder F.

Bijlage 15264.png

D . Aanbevelingstekens

Opmerking:

Deze tekens kunnen worden aangevuld of verduidelijkt met bijkomende tekens, vermeld onder F.

Bijlage 15265.png

E. Aanwijzingstekens

Opmerking:

Deze tekens kunnen worden aangevuld of verduidelijkt met bijkomende tekens, vermeld onder F.

Bijlage 15266.png
Bijlage 15267.png
Bijlage 15268.png

F. Bijkomende tekens

Opmerking:

Deze tekens kunnen voorkomen ter aanvulling of verduidelijking van de tekens, vermeld onder A tot en met E.

Bijlage 15269.png
Bijlage 15270.png

Bijlage III. Markering van het vaarwater

A . Laterale markering

Hoofdmarkering

Bijlage 15271.png

B . Markering gevaarlijke punten en obstakels

Gevaarlijke punten kunnen zijn:

koppen van kribben, uitstekende punten van de oever, lage gedeelten van de oever die overstroomd kunnen worden, vaste obstakels, e.d.

Obstakels kunnen zijn:

vastgevaren of gezonken schepen, te water geraakte objecten, plaats van werkzaamheden in of nabij het vaarwater e.d.

Buiten het vaarwater

Bijlage 15272.png

Opmerkingen:

1. De lichten kunnen in plaats van de dagmerken voorkomen.

2. De rode en groene lichten kunnen ook als vaarwegverlichting worden toegepast; zij geven aldus het verloop van de oeverlijn aan.

2 In of nabij vaarwater

Hiervoor kunnen de volgende markeringen worden gebruikt:

2.1. Laterale markering

2.2. Markering op (of nabij) het obstakel

Bijlage 15273.png

of, met verplichting hinderlijke waterbeweging te vermijden:

Bijlage 15274.png

C. Bijzondere markering

Deze markering is niet in de eerste plaats bestemd voor de navigatie, maar duidt een bepaald gebied of voorwerp aan, dat doorgaans is omschreven in nautische of andere daarvoor bestemde publicaties.

Deze betonning wordt bijvoorbeeld toegepast ter markering van verboden gebieden, bagger-, stort- en ankerplaatsen, voor het afbakenen van speciale gebieden zoals voor snelle motorboten, waterskiërs, zeilplanken, wedstrijden, e.d.

Opmerking

De bijzondere betonning moet door de doorgaande scheepvaart, d.w.z. schepen die niet een aldus gemarkeerd gebied als bestemming hebben, aan dezelfde zijde worden gehouden als de "gewone" betonning.

Bijlage 15275.png

D . Markering ingang van havens en aftakkingen

De ingangen van havens, zijvaarten, aftakkingen, e.d. kunnen als volgt zijn gemarkeerd (invarend gezien):

Indien voorzien van lichten

Bijlage 15276.png

Indien niet voorzien van lichten

Bijlage 15277.png

E . Markering loop van de vaargeul

Ligging van de vaargeul

Deze tekens zijn geplaatst op die oever van een rivier, waarlangs (het diepste gedeelte van) de vaargeul loopt.

Bijlage 15278.png

Overgangen

De punten waar de vaargeul van de ene oever naar de andere overgaat kunnen aanvullend als volgt zijn gemarkeerd:

Bijlage 15279.png
  • ^ [1]

    Bij de nummering van hoofdstukken en artikelen van dit reglement is rekening gehouden met het Europese uniforme stelsel van verkeersregels en verkeerstekens (Code européen des voies de navigation intérieure; CEVNI) vastgesteld bij resoluties van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (zie de resolutie nr. 24 van 15 november 1985), en met het eveneens daarop gebaseerde Rijnvaartpolitiereglement 1983.

    In verband daarmede zijn in bepaalde gevallen nummers van artikelen overgeslagen, waarbij dan wordt vermeld "niet overgenomen", en zijn in andere gevallen artikelen of leden daarvan toegevoegd onder additionele nummers (zie bijv. de artikelen 6.33a e.v.).