Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden

Geldend op 28-07-2014


  • Besluit van 22 maart 1994, houdende regels betreffende de rechtspositie van raads- en commissieleden
  • Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

    Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 4 oktober 1993, nr. BW93/U2069, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken;

    Gelet op de artikelen 95 en 96 van de Gemeentewet;

    De Raad van State gehoord (advies van 8 februari 1994, nr. W04.93.0656.);

    Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 18 maart 1994, nr. BW94/276, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken;

    Hebben goedgevonden en verstaan:

  • Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

  • Artikel 1

    In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. Onze minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

    • b. inwonertal: het aantal inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari;

    • c. gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie waarin de gemeente is gelegen;

    • d. tijdstip van beëindiging van het raadslidmaatschap: het tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap, bedoeld in de artikelen C 4, tweede lid, X 1, eerste en derde lid, X 6 en X 8, tweede, derde en vijfde lid van de Kieswet;

    • e. lid van een commissie: een lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, dat niet tevens lid van de raad is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd.

  • Artikel 1a

    • 1. De artikelen 2 tot en met 13 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op het lid van de raad aan wie ingevolge artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien verstande dat:

      • a. de onkostenvergoeding die dit lid op grond van artikel 2, derde of vierde lid, ontvangt, de helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die bepalingen van toepassing is;

      • b. indien door de raad toepassing is gegeven aan artikel 4, dit lid een uitkering ontvangt voor alle vergaderingen die gedurende het tijdelijk ontslag plaatsvinden of hebben plaatsgevonden.

  • Hoofdstuk 2. Vergoeding voor werkzaamheden en tegemoetkoming in de kosten

  • Artikel 2

    • 1. Aan een lid van de raad wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend tot de maximumbedragen, genoemd in tabel I bij dit besluit.

    • 2. De bedragen, genoemd in tabel I, worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaarvastgestelde indexcijfer CAO lonen overheid inclusief bijzondere beloningen.

    • 3. Aan een lid van de raad wordt een onkostenvergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap verbonden kosten toegekend van € 165 per maand.

    • 4. Het bedrag genoemd in het derde lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar.

  • Artikel 3 [Vervallen per 01-07-2014]

  • Artikel 4

    De raad kan bij verordening bepalen dat ten hoogste 20% van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt uitgekeerd, berekend naar het aantal gehouden vergaderingen. In dat geval geschiedt de uitkering aan het lid van de raad op basis van het aantal bijgewoonde vergaderingen.

  • Artikel 4a

    • 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester de duur van het lidmaatschap van de commissie dan wel de duur van de activiteiten vast.

  • Artikel 5

    • 1. Indien ten aanzien van een gemeente toepassing is gegeven aan artikel 7 van het Rechtspositiebesluit wethouders, passen gedeputeerde staten, op voorstel van de gemeenteraad, voor een bepaald tijdvak, de indeling van de raadsleden in een van de klassen, genoemd in de tabellen I en II, dienovereenkomstig aan.

    • 2. Gedeputeerde staten kunnen na afloop van het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, een nieuw tijdvak vaststellen.

    • 3. Van de besluiten, genoemd in het eerste en tweede lid, doen gedeputeerde staten onverwijld schriftelijk mededeling aan Onze Minister.

  • Artikel 6

    • 1.Overgang van een gemeente naar een hogere klasse in verband met toeneming van het inwonertal vindt plaats met ingang van het jaar waarin op 1 januari het inwonertal van die gemeente de minimumgrens van de volgende klasse heeft bereikt en blijkt dat zij die grens ook heeft bereikt op:

      • a. 1 januari van het volgende jaar, of

      • b. de dag voorafgaande aan een wijziging van de gemeentelijke indeling, waarbij zij is betrokken.

    • 2.Overgang van een gemeente naar een lagere klasse in verband met vermindering van het inwonertal vindt plaats met ingang van het jaar waarin het inwonertal van de gemeente op 1 januari voor de tweede achtereenvolgende maal beneden de minimumgrens van de klasse, waarin de gemeente tot dusver was ingedeeld, gedaald is.

    • 3.Voor gemeenten waarvan het inwonertal ten gevolge van grenscorrectie of wijziging van de gemeentelijke indeling wijziging heeft ondergaan, vindt overgang naar een hogere of lagere klasse plaats met ingang van de datum van de grenscorrectie of de wijziging van de gemeentelijke indeling. Hierbij geldt het inwonertal, zoals dit voor de eerste maal na die datum met inachtneming van die grenscorrectie of wijziging van de gemeentelijke indeling door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt openbaar gemaakt.

    • 4.Voor de eerste indeling van nieuw ingestelde gemeenten vindt het derde lid overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 7

    De overgang van een gemeente naar een lagere klasse in verband met de vermindering van het aantal inwoners is niet van invloed op de geldende vergoeding voor de werkzaamheden en onkostenvergoeding van de op het tijdstip van overgang zittende leden van de raad tot hun aftreden.

  • Artikel 7a

    • 1. Op aanvraag wordt ten laste van de gemeente aan een lid van de raad voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter beschikking gesteld.

    • 2. Indien geen computer en bijbehorende apparatuur en software ter beschikking is gesteld wordt doorhet college van burgemeester en wethouders aan raadsleden op aanvraag voor de uitoefening van het raadslidmaatschap, een tegemoetkoming verleend voor:

      • a. aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en software, of,

      • b. gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en software.

    • 3. Op aanvraag wordt door het college van burgemeester en wethouders een vergoeding aan het lid van de raad verleend voor de aanleg- en de abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het eerste of het tweede lid genoemde computerapparatuur.

    • 4. De raad kan nadere regels stellen over het ter beschikking stellen van computerapparatuur en de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste en tweede lid en de vergoeding, bedoeld in het derde lid.

  • Artikel 8

    • 1.De vergoeding voor de werkzaamheden en de onkostenvergoeding worden door het lid van de raad genoten met ingang van de dag van de beëdiging.

    • 2.De vergoeding voor de werkzaamheden en de onkostenvergoeding eindigt op het tijdstip van beëindiging van het raadslidmaatschap.

  • Artikel 8a

    • 1. Een lid van de raad dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan dertig dagen onafgebroken het voorzitterschap van de raad waarneemt, ontvangt voor die tijd voor die waarneming een toeslag van 8% van zijn vergoeding als lid van de raad.

    • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de onkostenvergoeding, bedoeld in tabel II.

  • Artikel 8b

    • 1. Naast de vergoeding voor de werkzaamheden ontvangen fractievoorzitters voor de duur van hun voorzitterschap per jaar een toelage gelijk aan 1,2% van de vergoeding op jaarbasis en een toelage gelijk aan 0,4% van de vergoeding op jaarbasis voor elk lid dat de fractie buiten de fractievoorzitter telt. De toelagen tezamen bedragen ten hoogste 6,4% van de vergoeding op jaarbasis.

    • 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester vast:

      • a. hoeveel leden een fractie telt;

      • b. de duur van het fractievoorzitterschap.

  • Hoofdstuk 3. Secundaire voorzieningen

  • Artikel 9

    • 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

      • a. een ziekte: een ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de uitoefening van de aan de functie verbonden werkzaamheden;

      • b. een dienstongeval: een ongeval dat plaatsvindt tijdens de uitoefening van de aan de functie verbonden werkzaamheden.

    • 2. Een raads- of commissielid ontvangt een vergoeding voor de noodzakelijk gemaakte kosten in verband met een geneeskundige behandeling of verzorging of overige kosten, indien deze in overwegende mate hun oorzaak vinden in een ziekte of een dienstongeval:

      • a. voor zover deze kosten ten laste van een raads- of commissielid blijven en

      • b. voor zover de ziekte of het dienstongeval niet aan eigen schuld of onvoorzichtigheid te wijten is.

    • 3. In bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders bepalen dat overige schade aangemerkt wordt als voortvloeiend uit de ziekte of het dienstongeval, naar redelijkheid en billijkheid en gehoord de vergadering van de fractievoorzitters van alle partijen in de raad.

    • 4. Onder overige schade valt niet het gederfde inkomen.

    • 5. Als de schade van de ziekte of het dienstongeval is ontstaan tijdens zijn functie en voortduurt na zijn aftreden is dit artikel van overeenkomstige toepassing op een gewezen raads- of commissielid.

  • Artikel 10

    • 1. De raad kan bij verordening bepalen dat het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de leden van de raad één of meer collectieve verzekeringen afsluit, waarbij wordt voorzien in de opbouw van een ouderdomspensioen en in geldelijke voorzieningen bij invaliditeit en overlijden.

    • 2. Dit artikel is niet van toepassing op een lid van de raad dat is benoemd in een plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag van een lid van de raad wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge artikel X 12 van de Kieswet.

  • Artikel 11

    • 1. Een raads- of commissielid ontvangt ten laste van de gemeente een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering van € 203,21 per jaar.

    • 2. Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de wijzigingen die de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk ondergaat.

  • Artikel 12

    • 1. In het geval een raadslid een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het raadlidmaatschap meer bedraagt dan de vergoeding voor de werkzaamheden wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.

    • 3. In het geval een raadslid een uitkering in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ontvangt, kan de vergoeding voor de werkzaamheden op verzoek van het desbetreffende raadslid worden verlaagd.

  • Artikel 12a

  • Artikel 13

    • 1. De kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van de functie van raads- of commissielid komen ten laste van de gemeente.

    • 2. De raad kan over de in het eerste lid bedoelde scholing nadere regels stellen.

    • 3. Indien een raadslid in verband met de uitoefening van de functie lid is van een beroepsvereniging, vergoedt de gemeente de contributie van die beroepsvereniging.

  • Artikel 13a

    Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen:

  • Artikel 13b

    Indien het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van een veilige woon- en werkplek van een raadslid kosten maakt, die in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen zijn aangemerkt als werkgeverskosten, komen deze ten laste van de gemeente.

  • Hoofdstuk 4. Vergoeding van leden van een commissie

  • Artikel 14

    • 1. Aan een lid van een commissie wordt een vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie toegekend ter hoogte van het bedrag per vergadering, genoemd in tabel IV bij dit besluit. De artikelen 2, tweede lid, 6, 7, 7a, 12, 13 en 13b zijn van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 15

    Ten aanzien van:

    • a. een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelneming aan haar werkzaamheden is aangetrokken, en

    • b. een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten arbeid, kan de raad bij verordening bepalen dat de vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie naar boven afwijkt van de bedragen, genoemd in tabel IV.

  • Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen

  • Artikel 16

    Bij toepassing van artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964:

  • Artikel 17

    Het koninklijk besluit van 23 november 1976 tot uitvoering van de artikelen 64f en 64g van de gemeentewet (Stb. 621) wordt ingetrokken.

  • Artikel 18

    • 1.Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1994.

  • Artikel 18a

    • 1. In afwijking van artikel 2, derde lid, en tot het tijdstip van aftreden van leden van de raad bedoeld in artikel C 4 van de Kieswet, na de gemeenteraadsverkiezingen in het jaar 2018, ontvangen de raadsleden van een gemeente met 100.001 tot 150.000 inwoners € 176,66 per maand, de raadsleden van een gemeente met 150.001 tot 375.000 inwoners € 210,46 per maand en de raadsleden van een gemeente met meer dan 375.001 inwoners € 252,43 per maand, dan wel bij het aftreden van de leden van deze raad, bedoeld in artikel 53, eerste lid, van de Wet algemene regels herindeling, in het geval de herindelingsverkiezingen van de desbetreffende gemeente valt voor het bovengenoemde tijdstip.

    • 2. Tot het tijdstip genoemd in het eerste lid, is artikel 2, vierde lid, van toepassing op de bedragen genoemd in het eerste lid.

  • Artikel 19

    Dit besluit wordt aangehaald als: Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.

  • Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

    ’s-Gravenhage, 22 maart 1994

    Beatrix

    De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,

    D.IJ . W. de Graaff-Nauta

    De Minister van Binnenlandse Zaken,

    E. van Thijn

    Uitgegeven de zevende april 1994

    De Minister van Justitie a.i.,

    E. van Thijn

  • Tabel I. Vergoeding voor de werkzaamheden

    Klasse

    Inwonertal

    Maximum vergoeding werkzaamheden per maand

    1

    Tot en met 8.000

    € 235,58

    2

    8.001–14.000

    € 372,25

    3

    14.001–24.000

    € 580,23

    4

    24.001–40.000

    € 900,64

    5

    40.001–60.000

    € 1.172,56

    6

    60.001–100.000

    € 1.372,07

    7

    100.001–150.000

    € 1.557,74

    8

    150.001–375.000

    € 1.814,73

    9

    375.001–

    € 2.209,35

  • Tabel II [Vervallen per 01-07-2014]

  • Tabel III [Vervallen per 12-01-2011]

  • Tabel IV. Vergoeding commissieleden

    Gemeenteklasse

    Aantal inwoners gemeente

    Maximum vergoeding werkzaamheden per vergadering

    1

    – 10 000

    € 56,59

    2

    10 001– 20 000

    € 62,56

    3

    20 001– 50 000

    € 75,05

    4

    50 001–100 000

    € 92,35

    5

    100 001–250 000

    € 117,94

    6

    250 001–

    € 149,52