KruimelpadGeldend op 10-02-2012
De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling.
Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van
in de balk hierboven.
1. Indien de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft opgenomen, door het in artikel 33d, eerste lid, bedoelde gezag een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat hij direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot.
2. De in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt berekend met inachtneming van artikel 33e, zesde lid, alsmede uitgaande van het salaris en de arbeidsduur, zoals die direct voorafgaand aan zijn ontslag voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding golden, en de leeftijd die hij bereikt in het kalenderjaar waarin hem ontslag wordt verleend.
3. Indien op de dag van zijn ontslag blijkt dat de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding te veel vakantie heeft genoten, is hij aan het in artikel 33d, eerste lid, bedoelde gezag voor ieder uur te veel genoten vakantie een bedrag verschuldigd ten bedrage van het salaris per uur.
4. In geval van overgang zonder onderbreking naar een andere functie binnen de rijksoverheid in de loop van een kalenderjaar kan de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding, in afwijking van het eerste lid, ervoor kiezen om het niet genoten gedeelte van zijn vakantieaanspraken van het lopende kalenderjaar te behouden. Daarbij wordt de vakantie die in het lopende kalenderjaar is genoten in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.
5. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing in geval van overlijden of vermissing van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding, met dien verstande dat:
a. de in het eerste en tweede lid bedoelde vergoeding wordt aangemerkt als een vermeerdering van de uitkering krachtens artikel 18 of 18a van de wet; en
b. het krachtens het derde lid verschuldigde bedrag in mindering wordt gebracht op het eventueel aan de nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding wegens nog niet vergolden aanspraken verschuldigde bedrag, of, indien en voor zover laatstbedoeld bedrag hiervoor niet toereikend is, op de uitkering krachtens artikel 18 of 18a van de wet.