Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
Kruimelpad
  • Home
  • Overheidsinformatie
  • Zoeken
  • Verwijzing

Wet- en regelgeving

Instellingen (nu: volledige regeling), opent een nieuw venster
  • Vorige

  • Volgende

Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Geldend op 10-02-2012


De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling. Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van |< < > >| in de balk hierboven.

  • Artikel 22

    • 1. De doorbetaling van bezoldiging, bedoeld in artikel 17, eerste tot en met vierde lid, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:

      • a. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar op grond van artikel 35d van dit besluit onderscheidenlijk artikel 46k van de wet is herplaatst;

      • b. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar ontslag is verleend; of

      • c. met ingang van de dag volgende op die waarop de rechterlijk ambtenaar is overleden.

    • 2. De aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 19, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:

      • a. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoeld artikel genoemde voorwaarden;

      • b. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar ontslag is verleend; of

      • c. met ingang van de dag volgende op die waarop de rechterlijk ambtenaar is overleden.

    • 3. De doorbetaling van bezoldiging, bedoeld in artikel 18, eerste tot en met derde lid, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:

      • a. met ingang van de dag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar op grond van een aanvaarde andere betrekking van gelijke omvang aanspraak maakt op loon of bezoldiging;

      • b. met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de gewezen rechterlijk ambtenaar de leeftijd van 65 jaar onderscheidenlijk, indien het een gewezen voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft, 70 jaar heeft bereikt; of

      • c. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar is overleden.

    • 4. De aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 18, vierde tot en met zesde lid, eindigt:

      • a. met ingang van de dag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar niet meer voldoet aan de in artikel 18, vierde lid, genoemde voorwaarden;

      • b. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de gewezen rechterlijk ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of

      • c. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar is overleden.