KruimelpadGeldend op 10-02-2012
De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling.
Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van
in de balk hierboven.
1. Om benoemd te kunnen worden als rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, dient het afsluitend examen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, te voldoen aan de eisen van het tweede en derde lid.
2. Het afsluitend examen is zodanig samengesteld dat ten minste grondige kennis van en inzicht in drie van de vijf volgende rechtsgebieden is verkregen:
a. burgerlijk recht, met inbegrip van burgerlijk procesrecht;
b. strafrecht, met inbegrip van strafprocesrecht;
c. bestuursrecht, met inbegrip van bestuursprocesrecht;
d. staatsrecht;
e. belastingrecht.
3. Tot de drie rechtsgebieden, bedoeld in het tweede lid, behoren in ieder geval twee van de rechtsgebieden, genoemd in de onderdelen a tot en met c.
4. De eisen, bedoeld in het tweede en derde lid, zijn niet van toepassing op degene die ten minste zes jaar voor de beoogde datum van benoeming het afsluitend examen heeft afgelegd en die tot aan die beoogde datum een ruime praktijkervaring heeft opgedaan in een van de in het tweede lid genoemde rechtsgebieden.