Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Invordering en de algemene wet bestuursrecht[Regeling vervallen per 01-01-2008.]

Geldend van 18-03-1994 t/m 31-12-2007

Invordering en de algemene wet bestuursrecht

In verband met de inwerkingtreding van de Awb met ingang van 1 januari 1994 merk ik het volgende op.

Hoewel artikel 3:40 en de hoofdstukken 4, 6 en 7 van de Awb niet van toepassing zijn op de Invorderingswet 1990, zoals blijkt uit artikel 1 van de Invorderingswet 1990 en het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht, acht ik het desalniettemin wenselijk dat met betrekking tot de invordering zoveel als mogelijk is, in overeenstemming met de Awb wordt gehandeld.

In deze mededeling wordt een uiteenzetting gegeven hoe in het kader van de invordering wat betreft de Awb moet worden gehandeld. Dit geschiedt aan de hand van een aantal belangrijke ‘onderwerpen’ uit de Invorderingswet 1990. Voor onderwerpen die in de onderstaande uiteenzetting niet met name genoemd worden kan deze uiteenzetting als leidraad dienen.

1. A. Verzoeken om kwijtschelding [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 26 Invorderingswet 1990 en Leidraad Invordering 1990)

1.1. A.1. Aanvraag tot het geven van een beschikking [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 1:3 en afdeling 4.1.1. Awb; punt 2.5.1 Voorschrift Awb)

In termen van de Awb kan een verzoek om kwijtschelding worden gekarakteriseerd als een aanvraag tot het geven van een beschikking. De Awb schrijft niet voor dat bij binnenkomst van een aanvraag (in casu een verzoek om kwijtschelding) een ontvangstbevestiging wordt verstuurd. Dit kan derhalve ook bij een verzoek om kwijtschelding achterwege blijven.

1.2. A.2. Doorzendplicht [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 2:3 Awb; punt 3.3 Voorschrift Awb)

Komt een verzoek om kwijtschelding binnen op een eenheid die niet bevoegd is op dat verzoek te beslissen, dan moet het verzoek worden doorgezonden naar de eenheid die daartoe wel bevoegd is. De belastingschuldige moet alsdan worden geïnformeerd over de doorzending.

Voor het doorzenden van het beroepschrift tegen een beslissing op een verzoek om kwijtschelding zij verwezen naar punt A.14 van deze mededeling.

1.3. A.3. Standaardformulier kwijtschelding niet ingediend [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikelen 4:4 en 4:5 Awb; punten 5.3.4 en 5.3.5 Voorschrift Awb; artikel 26, § 1, zesde en zevende lid, Leidraad Invordering 1990)

Een verzoek om kwijtschelding moet worden ingediend op een daartoe bestemd verzoekformulier. Indien dit niet gebeurt, wordt door de behandelend ambtenaar een formulier aan de belastingschuldige gezonden met het verzoek binnen twee weken het formulier ingevuld te retourneren. Wordt het formulier niet teruggezonden, dan wordt het verzoek buiten behandeling gesteld. Deze beslissing dient binnen vier weken na het verstrijken van de gestelde termijn te worden bekendgemaakt aan de belastingschuldige onder vermelding van de reden. De bekendmaking geschiedt door toezending of uitreiking aan de belastingschuldige. Tegen deze beslissing kan binnen tien dagen na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking wordt bekendgemaakt administratief beroep bij de directeur worden ingesteld.

Indien de belastingschuldige na het verstrijken van de twee weken termijn het formulier alsnog indient, is sprake van een nieuwe aanvraag, die in behandeling moet worden genomen. Is op dat moment op de eerste aanvraag nog geen beslissing genomen, dan vindt dit alsnog plaats. In deze beslissing wordt de nieuwe aanvraag bevestigd.

1.4. A.4. Aanvulling verzoek [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 4:5 Awb; punt 5.3.5 Voorschrift Awb; artikel 26, § 1, achtste lid, Leidraad Invordering 1990)

Indien een aan de belastingschuldige uitgereikt of toegezonden verzoekformulier onvolledig ingevuld wordt terugontvangen wordt de belastingschuldige in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens alsnog binnen twee weken te verstrekken. Wordt hieraan niet voldaan dan wordt het verzoek buiten behandeling gesteld. Deze beslissing dient binnen vier weken na het verstrijken van de gestelde termijn schriftelijk te worden bekendgemaakt aan de belastingschuldige onder vermelding van de reden. De bekendmaking geschiedt door toezending of uitreiking aan de belastingschuldige. Tegen deze beslissing kan binnen tien dagen na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking wordt bekendgemaakt administratief beroep bij de directeur worden ingesteld.

Indien de belastingschuldige na het verstrijken van de twee weken termijn alsnog de ontbrekende gegevens verstrekt, is sprake van een nieuwe aanvraag die in behandeling moet worden genomen. Is op dat moment op de eerste aanvraag nog geen beslissing genomen, dan vindt dit alsnog plaats. In deze beslissing wordt de nieuwe aanvraag bevestigd.

1.5. A.5. Zienswijze naar voren brengen [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 4:12 Awb; punt 5.5.3 Voorschrift Awb)

De ontvanger is niet verplicht de belastingschuldige in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen voordat hij het verzoek om kwijtschelding geheel of gedeeltelijk afwijst. De beslissing op een verzoek om kwijtschelding is namelijk een financiële beschikking, waartegen administratief beroep kan worden ingesteld dat ertoe kan leiden dat de door de ontvanger genomen beschikking geheel ongedaan gemaakt wordt. Om die reden hoeft overeenkomstig artikel 4:12 van de Awb niet te worden ‘gehoord’.

1.6. A.6. Beslistermijn aanvraagfase [Vervallen per 01-01-2008]

(Afdeling 4.1.3 Awb; punten 5.4.1 en 5.4.4 Voorschrift Awb)

In de in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 opgenomen kwijtscheldingsregeling is geen termijn opgenomen waarbinnen op een verzoek om kwijtschelding moet worden beslist.

De Awb bepaalt dat binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag moet worden beslist en stelt voorts dat die redelijke termijn in ieder geval verstreken is wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving aan de aanvrager heeft gedaan, waarin is vermeld binnen welke termijn de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Concreet betekent dit voor beslissingen op verzoeken om kwijtschelding dat de ontvanger binnen acht weken op een zodanig verzoek dient te beslissen. Lukt dat niet, dan moet hij een kennisgeving aan de belastingschuldige verzenden, waarin hij een redelijke termijn noemt, waarbinnen op de aanvraag kan zijn beslist.

Met betrekking tot saneringsverzoeken (artikel 26, paragrafen 2a, 3 en 4 van de Leidraad Invordering 1990) merk ik het volgende op.

Beslissingen op saneringsverzoeken, zowel in de zakelijke als in de particuliere sfeer, vergen gemiddeld zes maanden. Voor die verzoeken dient, indien niet binnen die zes maanden op een zodanig verzoek is beslist, pas na die zes maanden een kennisgeving aan belastingschuldige te worden verzonden, waarin een redelijke termijn voor afdoening van zo’n verzoek wordt genoemd.

1.7. A.7. Opschorting beslissingstermijn [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 4:15 Awb; punt 5.4.1 Voorschrift Awb)

De termijn voor het geven van een beschikking op een verzoek om kwijtschelding wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de ontvanger de belastingschuldige heeft uitgenodigd het verzoek aan te vullen tot de dag waarop het verzoek is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

1.8. A.8. Motivering en bekendmaking [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikelen 3:41, 3:45 en afdeling 4.1.4 Awb; punten 4.2, 4.3 en 4.4 Voorschrift Awb)

De beschikking dient te berusten op een deugdelijke motivering die moet worden vermeld bij de bekendmaking van de beschikking. Naar mijn oordeel voldoen de standaardmotiveringen bij afwijzende verzoeken om kwijtschelding reeds aan dit vereiste.

Bij de bekendmaking van de beschikking moet melding worden gemaakt van het feit dat binnen tien dagen na de dagtekening van de kennisgeving waarbij de beschikking wordt bekendgemaakt administratief beroep bij de directeur kan worden ingesteld.

De bekendmaking van de beschikking geschiedt door toezending of uitreiking aan de belastingschuldige.

1.9. A.9. Nieuwe aanvraag [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 4:6 Awb; punt 5.3.6 Voorschrift Awb)

Indien een belastingschuldige wenst dat de ontvanger terugkomt op een voor hem ongunstige beslissing op zijn verzoek om kwijtschelding, buiten het geval van beroep, dient hij in zijn herhaalde verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te noemen die tot een gunstiger resultaat kunnen leiden. Worden geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd, dan wordt het herhaalde verzoek behandeld als een beroepschrift.

Artikel 26, § 5, derde lid, van de Leidraad Invordering 1990 is onverkort van toepassing voor de vraag welke gegevens en normen in dit kader van belang zijn.

Een – herhaald – verzoek als bedoeld in artikel 26, § 5, vierde lid, van de Leidraad Invordering 1990 dient te allen tijde als een eerste verzoek om kwijtschelding te worden aangemerkt.

1.10. A.10. Termijn voor het indienen van een beroepschrift [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 24 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt ingevolge de Awb zes weken. Deze termijn geldt echter niet voor het indienen van een beroepschrift tegen een door de ontvanger genomen beschikking op een verzoek om kwijtschelding. In artikel 24 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt uitdrukkelijk een termijn van tien dagen genoemd. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beschikking is gedagtekend.

1.11. A.11. Verzendtheorie [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 6:9 en 6:12 Awb; punt 6.2 Voorschrift Awb)

Een beroepschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de beroepstermijn is ontvangen. Bij verzending per post is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van die termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Indien het beroepschrift binnen één week na het verstrijken van de beroepstermijn van 10 dagen wordt ontvangen, kan worden aangenomen dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd.

Is het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beschikking, dan is het niet aan een termijn gebonden. Het beroepschrift kan echter niet-ontvankelijk worden verklaard indien het onredelijk laat is ingediend.

1.12. A.12. Verschoonbare termijnoverschrijding [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 6:11 Awb)

Als de belastingschuldige het beroepschrift te laat indient moet hij niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit is echter anders als hem die te late indiening niet kan worden verweten. Te denken valt bij voorbeeld aan de situatie waarin de belastingschuldige langdurig ziek is of aan de situatie waarin de belastingschuldige in de gevangenis zit. In die situaties kan de belastingschuldige toch ontvankelijk worden verklaard.

1.13. A.13. Ontvangstbevestiging beroepsfase [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 6:14 Awb; punt 6.8.1 Voorschrift Awb)

In alle gevallen dat een beroepschrift wordt ontvangen, dient een ontvangstbevestiging door de ontvanger te worden verzonden. Hierin dient de belastingschuldige te worden gewezen op de mogelijkheid dat hij – op zijn verzoek – kan worden gehoord.

1.14. A.14. Doorzending beroepschrift [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 6:15 Awb; punt 6.3 Voorschrift Awb)

Wordt het beroepschrift ingediend bij een onbevoegde ontvanger, dan wordt het, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan de bevoegde ontvanger. De ontvanger doet van de doorzending schriftelijk mededeling aan de belastingschuldige.

Indien uit het beroepschrift niet blijkt bij welke ontvanger het thuis hoort en dit ook niet is af te leiden uit het geschrift wordt het beroepschrift teruggezonden aan de afzender. Het tijdstip van indiening bij de onbevoegde ontvanger is bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend indien:

  • bij de bekendmaking van de beschikking waartegen het beroep zich richt, is verzuimd melding te maken bij welke instantie de beroepsmogelijkheid openstaat;

  • het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, of

  • de onbevoegdheid van het orgaan voor de indiener van het geschrift op een andere grond onduidelijk kon zijn.

1.15. A.15. Horen beroepsfase [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikelen 7:16 en 7:17 Awb; punt 6.8.3 Voorschrift Awb)

Voordat de directeur op het beroepschrift beslist, dient hij de belastingschuldige in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Van het horen kan, behoudens in de gevallen waarin de belastingschuldige daarom verzoekt, worden afgezien als:

  • a. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is;

  • b. het beroep kennelijk ongegrond is;

  • c. de belastingschuldige heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord;

  • d. aan het beroep volledig wordt tegemoet gekomen.

Als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond beroep kunnen de volgende worden genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het beroep is evident in strijd met een wettelijk voorschrift of met de Leidraad; het beroep richt zich tegen de afwijzing van een herhaalde aanvraag zonder dat in het beroepschrift melding wordt gemaakt van sedert het eerste besluit nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden; het beroep richt zich tegen een beslissing welke geheel overeenkomt met bestaand – bij voorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, aanvaard – beleid.

1.16. A.16. Verslag [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 7:21 Awb; punten 6.8.1 en 6.8.5 Voorschrift Awb)

Het horen dient ten kantore plaats te vinden, tenzij de belastingschuldige instemt met telefonisch horen. Van het horen dient een verslag te worden opgemaakt. Het verslag moet bevatten een korte weergave van het besprokene en de standpunten dienaangaande van de directeur en de belastingschuldige. Het verslag moet worden gedagtekend en ondertekend door de opsteller. De inhoud van het verslag moet aan de belastingschuldige bekend gemaakt worden. Dit kan gebeuren door het verslag in de uitspraak op het beroepschrift te verwerken of door een kopie van het verslag aan de belastingschuldige toe te zenden. De belastingschuldige heeft geen recht het verslag te wijzigen.

1.17. A.17. Beslistermijn beroepsfase [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 7:24 Awb)

De directeur dient op het beroepschrift binnen acht weken na ontvangst van het beroepschrift te beslissen. Dit is in afwijking van de Awb die een termijn van zestien weken stelt (vgl. art. 7:24 Awb). Gelet op het karakter van het verzoek acht ik een termijn van zestien weken te lang.

Voorts bepaal ik, naar analogie van artikel 7:24, vijfde lid, van de Awb dat de directeur de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen kan. Hiervan moet schriftelijk mededeling worden gedaan aan de belastingschuldige. Verder uitstel is mogelijk voor zover de belastingschuldige daarmee instemt.

Opgemerkt wordt dat de ontvanger, gelet op de termijn van acht weken, het beroepschrift zo snel mogelijk – doch uiterlijk binnen vier weken – aan de directeur dient door te zenden, opdat deze tijdig zijn beslissing kan nemen.

1.18. A.18. Motivering beslissing op beroepschrift [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 7:26 Awb; punt 6.10 Voorschrift Awb)

De beslissing op het beroepschrift dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Ik merk hierbij op dat de wijzen waarop de motiveringen van afwijzende beslissingen op beroepschriften thans plegen te geschieden, naar mijn oordeel, reeds voldoen aan dit vereiste.

Bij de bekendmaking van de beslissing dient tevens te worden aangegeven, indien van het horen is afgezien, op welke grond dat is geschied.

1.19. A.19. Intrekking beroepschrift [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 6:21 Awb; punt 6.7 Voorschrift Awb)

Indien de belastingschuldige zijn beroepschrift wil intrekken, dient dit schriftelijk te gebeuren bij de ontvanger dan wel bij de directeur. Tijdens het horen kan de intrekking echter ook mondeling geschieden. De mondelinge intrekking van het beroepschrift moet in het verslag van het horen worden opgenomen. De directeur bevestigt te allen tijde de intrekking schriftelijk.

1.20. A.20. Niet tijdig nemen van een besluit [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 6:2 Awb)

De Awb bepaalt dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over beroep met een besluit onder meer wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

Tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de ontvanger op een verzoek om kwijtschelding kan dan ook beroep worden ingesteld. Het indienen van een beroepschrift is in deze situatie niet aan een termijn gebonden. Blijkt tijdens de beroepsprocedure dat kwijtschelding had moeten worden verleend, dan behoeft de directeur niet te volstaan met de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op het beroepschrift voor de belastingschuldige in positieve zin beslissen.

2. B. Verzoeken om uitstel [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 25 Invorderingswet 1990 en Leidraad Invordering 1990; artikel 7:10 Awb)

2.1. B.1. Algemeen [Vervallen per 01-01-2008]

Ik bepaal dat bij verzoeken om uitstel van betaling op gelijke wijze wordt gehandeld, zoals hiervoor verwoord met betrekking tot verzoeken om kwijtschelding.

Dit betekent met name dat het in de aanvraagfase in de gelegenheid stellen van de belastingschuldige zijn zienswijze naar voren te brengen achterwege kan blijven (zie punt A.5), niettegenstaande het feit dat de beslissing op een verzoek om uitstel geen financiële beschikking is.

Wat betreft de voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in artikel 3 en artikel 5a van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 merk ik het volgende op. Op voormelde beschikkingen is de systematiek van de AWR van overeenkomstige toepassing. Zonder nadere regelgeving zou dit betekenen dat op bezwaarschriften tegen de voormelde beschikkingen binnen één jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak moet worden gedaan. Gelet op het karakter van de onderhavige beschikkingen acht ik die termijn te lang. Ik bepaal dan ook dat bezwaarschriften tegen deze beschikkingen moeten worden afgewikkeld binnen 8 weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Naar analogie van artikel 7:10 Awb kan de beslissing voor ten hoogste 4 weken worden verdaagd. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan. Verder uitstel is mogelijk voor zover de belastingschuldige daarmee instemt.

2.2. B.2. Intrekking uitstel van betaling [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 4:11 Awb; punten 5.2.4, 5.5.4, 5.5.5 en 5.5.6 Voorschrift Awb)

Wordt een uitstelregeling door de belastingschuldige niet nagekomen, dan kan de ontvanger die regeling tussentijds bij beschikking intrekken. Deze beschikking wordt gerangschikt onder de categorie ambtshalve te nemen beschikkingen, het betreft in casu namelijk een beschikking die niet op aanvraag wordt afgegeven.

De ontvanger stelt de belastingschuldige niet in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen voordat hij tot intrekking van het uitstel overgaat, tenzij het uitstel wordt ingetrokken naar aanleiding van gegevens over feiten en belangen die de belastingschuldige betreffen en die gegevens, in het kader van het uitstel, niet door de belastingschuldige zelf zijn verstrekt.

Dit ‘horen’ moet overigens niet al te formeel worden opgevat. Het telefonisch benaderen van de belastingschuldige en het gesprek schriftelijk vastleggen is voldoende.

Niet ‘gehoord’ behoeft echter te worden indien:

  • de vereiste spoed zich daartegen verzet;

  • de belastingschuldige reeds in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze bij een eerdere beschikking of bij een ander bestuursorgaan naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, of

  • het met de beschikking beoogde doel slechts kan worden bereikt indien belastingschuldige daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld.

2.3. B.3. Beëindiging uitstel van betaling [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 25, § 1, zevende lid, § 2, zevende lid, § 3a, achtste lid, en § 3b, elfde lid, Leidraad Invordering 1990)

Indien uitstel van betaling is verleend tot een bepaald tijdstip en dit tijdstip is verstreken, dan is daardoor het uitstel van rechtswege beëindigd. De belastingschuldige wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Dit is geen beschikking in de zin van de Awb, doch slechts een mededeling van informatieve aard.

Hetzelfde geldt indien:

  • de inspecteur uitspraak heeft gedaan op een bezwaarschrift of de rechter op een beroepschrift heeft beslist en tot dat tijdstip uitstel van betaling was verleend;

  • uitstel was verleend voor conserverende aanslagen in het kader van de brede herwaardering en een lijfrentecontract, binnen de termijn waarvoor het uitstel is verleend, niet op reguliere wijze wordt afgewerkt;

  • uitstel was verleend voor conserverende aanslagen in het kader van de fusierichtlijn en de in artikel 14b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bedoelde aandelenfusie verkregen aandelen of winstbewijzen worden vervreemd binnen vijf jaren na de aandelenfusie, behoudens ontheffing door de Minister.

3. C. Bodembeslag [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 22 Invorderingswet 1990 en Leidraad Invordering 1990)

De beslissing een dwangbevel ten uitvoer te leggen door middel van bodembeslag kan worden gekarakteriseerd als een ambtshalve te nemen beschikking. Het spreekt voor zichzelf dat de ontvanger alvorens hij daartoe besluit de belastingschuldige en de derde-eigenaar, zo hij die kent, niet in de gelegenheid stelt hun zienswijze naar voren te brengen. De uitzondering zoals verwoord in artikel 4:11, onderdeel c, van de Awb, te weten, dat het met de beschikking beoogde doel namelijk slechts kan worden bereikt indien de belastingschuldige en de derde-eigenaar niet reeds tevoren in kennis zijn gesteld, doet zich hier doorgaans voor.

In artikel 22, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 is uitdrukkelijk een termijn genoemd waarbinnen een beroepschrift tegen een gelegd bodembeslag moet worden ingediend, te weten vóór de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen van de dag der beslaglegging.

De beslissing door de directeur op een beroepschrift is een uitspraak op administratief beroep. Met betrekking tot dit beroepschrift zijn de punten A.11 tot en met A.19, hiervoor, van overeenkomstige toepassing.

3.1. D. Al dan niet instemmen met cessie of pandrecht [Vervallen per 01-01-2008]

(Artikel 24 Invorderingswet 1990 en Leidraad Invordering 1990)

In het kader van artikel 24 Invorderingswet 1990 kan de belastingschuldige de ontvanger vragen in te stemmen met een cessie of een pandrecht. De beslissing van de ontvanger op een zodanig verzoek is een beschikking op aanvraag.

In deze aanvraagfase behoeft niet te worden ‘gehoord’, niettegenstaande het feit dat het in casu niet gaat om een financiële beschikking. Dit betekent dat met betrekking tot verzoeken om in te stemmen met een cessie of een pandrecht hetzelfde geldt als hiervoor verwoord in de punten A.1, A.2 en A.6 tot en met A.20 voor wat betreft verzoeken om kwijtschelding, met dien verstande dat in afwijking van punt 10 de termijn voor het indienen van een beroepschrift ingevolge artikel 24, vijfde lid, Invorderingswet 1990 zeven dagen na de dagtekening van de beslissing van de ontvanger bedraagt.

De bekendmaking van de beschikking geschiedt door toezending of uitreiking aan zowel de belastingschuldige als de derde, in casu de pandnemer of cessionaris.