KruimelpadGeldend op 14-03-2010
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 25 februari 1994, nr. 94M001478, handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad van het Koninkrijk;
Gelet op artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk en artikel 45 van de Grondwet;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de raad: de ministerraad en voor zover zulks uit het Statuut volgt de raad van ministers van het Koninkrijk;
b. ministers: de minister-president, de overige bij koninklijk besluit benoemde ministers en voor zover zulks uit het Statuut volgt de gevolmachtigde ministers;
c. de gevolmachtigde minister: de door de regering van de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk van Aruba benoemde gevolmachtigde minister.
1.De ministers vormen te zamen de raad.
2.De minister-president is voorzitter van de raad.
3.De bij koninklijk besluit benoemde vice-minister(s)-president(en) is (zijn) ondervoorzitter(s) van de raad.
4.De raad benoemt op voorstel van de minister-president de secretaris en de plaatsvervangend secretaris.
5.De minister-president benoemt een of meer adjunct-secretarissen.
1.Aan de vergaderingen van de raad, de onderraden en de andere commissies uit de raad kunnen deelnemen met raadgevende stem:
a. de door de regering van de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk van Aruba overeenkomstig artikel 10, tweede lid van het Statuut aangewezen minister;
b. De staatssecretarissen, voorzover het zaken betreft waarbij zij uit hoofde van hun taak rechtstreeks zijn betrokken, bij afwezigheid van de minister, of voorzover de raad uit andere hoofde hun aanwezigheid wenselijk acht.
2.De hoofddirecteur van de Rijksvoorlichtingsdienst kan de vergaderingen als toehoorder bijwonen, tenzij de minister-president anders bepaalt.
1.De raad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.
2.Te dien einde beraadslaagt en besluit de raad onder meer over:
a. 1°. de voorstellen van rijkswet en van wet en de ontwerpen van algemene maatregelen van rijksbestuur en van bestuur alvorens deze aan de Raad van State van het Koninkrijk respectievelijk de Raad van State worden aangeboden, alsmede over de consequenties van de ter zake door de Raad van State van het Koninkrijk respectievelijk de Raad van State uitgebrachte adviezen, indien deze ingrijpende kritiek op de inhoud of de vormgeving van het voorstel of ontwerp bevatten;
a.2°. het ter zake van een voorstel van rijkswet en van wet of een ontwerp van algemene maatregel van rijksbestuur en van bestuur vragen van een spoedadvies aan de Raad van State van het Koninkrijk respectievelijk de Raad van State;
a.3°. een voorstel of ontwerp waarover eerder door de raad is besloten, indien daarin ingrijpende wijzigingen worden aangebracht of indien hetgeen bij de verdere behandeling wordt aangevoerd tot ingrijpende wijziging aanleiding kan geven, dan wel indien intrekking van het voorstel of ontwerp wordt overwogen, een en ander tenzij dringende redenen zich naar het oordeel van de minister die voor het voorstel of ontwerp in de eerste plaats verantwoordelijk is en de minister-president zich tegen hernieuwde behandeling verzetten;
a.4°. de bekrachtiging van door de Staten-Generaal aangenomen initiatiefvoorstellen van wet;
b. verdragen alvorens deze ter stilzwijgende goedkeuring aan de beide Kamers der Staten-Generaal worden toegezonden;
c. nota’s aan de Staten-Generaal alsmede die adviesaanvragen aan externe adviesorganen die kunnen leiden tot belangrijke politieke en financiële consequenties;
d. het bekendheid geven aan beleidsvoornemens in welke vorm dan ook, die van invloed kunnen zijn op de positie van het kabinet, of die belangrijke financiële consequenties kunnen hebben, benevens over beleidsvoornemens van een minister die het beleid van andere ministers kunnen raken en waarover het bereiken van overeenstemming niet mogelijk is gebleken;
e. de instelling, taak en samenstelling van externe adviesorganen;
f. de instelling, taak en samenstelling van interdepartementale commissies, indien deze een permanent karakter hebben of indien de werkzaamheden kunnen leiden tot belangrijke politieke en financiële consequenties;
g. publikatie van de rapporten van externe adviesorganen indien daarvan ambtenaren deel uitmaken en van interdepartementale commissies indien de werkzaamheden kunnen leiden tot belangrijke politieke en financiële consequenties;
h. belangrijke onderwerpen het buitenlands beleid betreffende, daaronder begrepen het in internationaal verband doen van of instemmen met voorstellen die van aanmerkelijke invloed kunnen zijn op de geldende rechtsorde, verplichtingen van blijvende aard ten gevolge kunnen hebben, dan wel de Nederlandse Antillen of Aruba raken;
i. de voorbereiding van het Nederlandse standpunt ten behoeve van vergaderingen van de ministerraad van de Europese Unie;
j. aan delegaties dan wel aan vertegenwoordigers in het buitenland te verstrekken instructies, alsmede over de samenstelling van delegaties, een en ander voor zover het van belang is de raad hierin te kennen;
k. voordrachten van de minister-president voor koninklijke besluiten tot benoeming en ontslag van ministers en staatssecretarissen;
l. andere voordrachten voor koninklijke besluiten tot benoeming van personen en ontslag wegens andere reden dan op verzoek van de betrokkenen, voor zover het niet betreft benoeming of ontslag:
1°. van in Nederland werkzame leden van de rechterlijke macht, burgerlijke rijksambtenaren en militaire ambtenaren, voor zover deze lager bezoldigd worden dan een directeur-generaal bij een ministerie alsmede van burgemeesters van gemeenten met minder dan 50 000 inwoners, voor zover het geen provinciehoofdstad betreft;
2°. van ambtenaren die in een functie buiten Nederland werkzaam zijn bij diplomatieke vertegenwoordigingen in het buitenland, voor zover het geen hoofden van missies betreft;
3°. van personen over wie naar het oordeel van de minister-president en de desbetreffende minister geen beraadslaging en beslissing van de raad is vereist;
m. voorstellen in verband met de bij koninklijk besluit krachtens artikel 26, tweede en vierde lid, van de Bankwet 1948 te nemen beslissingen over bedenkingen van de directie van de Nederlandse Bank N.V. tegen aanwijzingen van de minister van Financiën en over publikatie van die bedenkingen en van Onze beslissingen in de Nederlandse Staatscourant.
Over aangelegenheden bij welke het algemeen regeringsbeleid betrokken kan zijn, niet behorende tot die bedoeld in artikel 4, plegen de ministers overleg met de minister-president. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, worden deze aangelegenheden in de raad gebracht.
1.De minister-president stelt de agenda vast. Een exemplaar van de agenda wordt tijdig aan de ministers en de staatssecretarissen gezonden.
2.De voor de raad bestemde stukken worden in het algemeen 7 dagen voor de behandeling in de raad rondgezonden. Zij zijn voorzien van een daartoe bestemd aanbiedingsformulier.
1.Indien het nodig is bij wijze van stemming te beslissen, wordt het besluit, behoudens afwijking op grond van het Statuut, bij meerderheid van stemmen opgemaakt, waarbij iedere aanwezige minister één stem heeft.
2.De raad besluit niet bij stemming dan in aanwezigheid van ten minste de helft van het totale aantal ministers.
3.Bij staking van stemmen wordt de beslissing tot de volgende vergadering aangehouden, tenzij de beslissing niet uitgesteld kan worden of de vergadering voltallig is. In deze gevallen beslist de stem van de minister-president.
1.Indien een minister een besluit in strijd acht met zijn verantwoordelijkheid, geeft hij daarvan kennis aan de raad.
2.In geen geval handelt een minister of staatssecretaris tegen een besluit van de raad.
3.Voor zover dit uit het Statuut voortvloeit, geldt dit artikel niet voor de gevolmachtigde ministers.
1.Een onderraad neemt geen beslissing over een aangelegenheid, welke niet op de agenda is vermeld en waarbij een niet-aanwezige minister in het bijzonder is betrokken.
2.Indien een minister dit verzoekt, verwijst de onderraad een aangelegenheid naar de raad.
3.Ook nadat de onderraad een beslissing heeft genomen, kan een minister verlangen dat de aangelegenheid aan het eindoordeel van de raad wordt onderworpen.
1.Deskundigen kunnen met raadgevende stem het overleg in een onderraad bijwonen:
a. indien zij door de onderraad als vaste deelnemer zijn aangewezen;
b. indien zij daartoe door de voorzitter worden uitgenodigd.
2.Ministers kunnen zich met vooraf verkregen toestemming van de voorzitter tijdens de vergaderingen van een onderraad door een ambtenaar doen bijstaan.
1.De raad kan uit zijn midden andere commissies met een permanent of tijdelijk karakter vormen ter voorbereiding of ter beslissing van bepaalde aangelegenheden.
2.De minister-president is voorzitter van de commissies, tenzij de raad anders besluit.
3.De raad kan bepalen dat een commissie dezelfde werkwijze heeft als een onderraad.
1.Ten aanzien van hetgeen ter vergadering besproken wordt of geschiedt, bestaat een geheimhoudingsplicht.
2.De geheimhoudingsplicht bestaat niet:
a. voor zover de raad of de minister-president namens de raad ontheffing van de geheimhouding verleent;
b. voor zover uitvoering van besluiten dit nodig maakt, dan wel de aard en omstandigheden van een besluit bekendmaking daarvan vorderen.
3.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de vergaderingen van de onderraden en commissies uit de raad.
Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad en het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst.
Beatrix
De Minister-President,
Minister van Algemene Zaken,
R. F. M. Lubbers
De Minister van Justitie a.i.,
E. van Thijn