KruimelpadGeldend op 17-06-2009
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer, van 17 december 1992, nr. EB92/2909;
Gelet op artikel 15a, elfde lid, van de Brandweerwet 1985, artikel II, onder C, tweede lid, van de wet van 11 november 1993 (Stb. 1994, 15), artikel 1, onderdeel a, van de Wet openbaarheid van bestuur en artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet Nationale ombudsman;
De Raad van State gehoord (advies van 10 februari 1993, nr. W04.92.0648);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer en Rampenbestrijding, van 10 februari 1994, nr. EB93/444;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
b. het bureau: het Nederlands bureau brandweerexamens, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Brandweerwet 1985;
c. het bestuur: het bestuur, bedoeld in artikel 15a, derde lid, van de Brandweerwet 1985;
d. de wet: de wet van 11 november 1993, houdende wijziging van de Brandweerwet 1985 in verband met de oprichting van het Nederlands bureau brandweerexamens (Stb. 1994, 15).
1.Het bestuur bestaat uit een voorzitter, vijf leden afkomstig uit de kring van organisaties die mede de belangen van het te examineren personeel van de gemeentelijke brandweren, de regionale brandweren en de bedrijfsbrandweren behartigen alsmede een lid als deskundige op het terrein van toetsontwikkeling en examinering.
2.Het hoofd van het bureau is tevens secretaris van het bestuur.
1.Het bestuur stelt bij reglement de inrichting en de werkwijze van het bureau vast.
2.De vergaderingen van het bestuur zijn openbaar, behoudens in de gevallen waarin openbaarheid onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden oplevert.
Het bestuur geeft bij het verstrekken van de gegevens, bedoeld in artikel 15a, zesde lid, van de Brandweerwet 1985, indien nodig, aan welke gegevens een vertrouwelijk karakter dragen. Dit vertrouwelijk karakter kan voortvloeien uit de aard van de gegevens of uit het feit dat natuurlijke personen of rechtspersonen deze aan het bureau hebben verstrekt onder de voorwaarde dat zij als vertrouwelijk worden behandeld.
Het bestuur stelt jaarlijks vóór 1 juli een verslag op met betrekking tot het in het afgelopen jaar gevoerde en het in het komende jaar te voeren beleid dat ter kennisneming aan Onze Minister wordt toegezonden, alsmede een planning van de af te nemen examens over het komende seizoen dat loopt van 1 september tot en met 31 augustus.
1.Het bestuur dient jaarlijks vóór 1 juli bij Onze Minister een begroting in van de inkomsten en uitgaven voor het daarop volgende kalenderjaar en een meerjarenraming van de inkomsten en uitgaven van de daarop volgende vier jaren en zendt het jaarverslag van het voorafgaande kalenderjaar en de toelichting daarop aan Onze Minister.
2.In de begroting, bedoeld in het eerste lid,:
a. wordt een overzicht gegeven van de personele kosten, de apparaatsuitgaven, de bestuurskosten, de examenkosten, de voorlichtingskosten, de examengelden, de bijdrage uit 's Rijks kas en de overige inkomsten;
b. wordt het te voeren financiële beleid, zoveel mogelijk gekwantificeerd aan de hand van prestaties en geplande activiteiten, toegelicht;
c. worden de ramingcijfers van het begrotingsjaar en het lopende kalenderjaar alsmede de werkelijke cijfers van het voorafgaande kalenderjaar opgenomen.
3.Het jaarverslag, bedoeld in het eerste lid,:
a. bevat een verantwoording van het gevoerde beleid, zulks in het bijzonder in relatie tot hetgeen bij de begroting als te voeren beleid is gepresenteerd;
b. is voorzien van een controlerapport en een verklaring die zijn afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4.De verantwoording, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, vermeldt de prestaties die het gevolg zijn van de activiteiten en legt een relatie met de gedane uitgaven en ontvangsten.
5.Het bestuur verstrekt desgevraagd aan de Accountantsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken alle gegevens die deze dienst noodzakelijk acht voor de uitoefening van zijn taak.
6.De ambtenaren van de dienst, bedoeld in het vijfde lid, kunnen tevens op eigen initiatief informatie inwinnen bij de accountant die met de controle is belast.
1.Het bestuur dient vóór 1 juli 1994 de aanvraag tot het verkrijgen van de bijdrage over het jaar 1995, bedoeld in artikel II, onder C, eerste lid, van de wet bij Onze Minister in.
2.De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een begroting van de inkomsten en uitgaven van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, waarvan de inrichting geschiedt overeenkomstig artikel 8, tweede lid.
1.Onze Minister beslist vóór 1 oktober 1994 over de goedkeuring van de begroting over het jaar 1995.
2.Indien Onze Minister de begroting, bedoeld in het eerste lid, goedkeurt, stelt hij de bijdrage, bedoeld in artikel 12, eerste lid, voorlopig vast en verstrekt hij daarover op kwartaalbasis voorschotten.
1. Het bestuur zendt jaarlijks vóór 1 juli van het jaar, volgend op het kalenderjaar waarvoor de voorlopige bijdrage, bedoeld in de artikelen 11 en 13, tweede lid, is vastgesteld, het jaarverslag en de toelichting daarop aan Onze Minister.
2. Artikel 8, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister stelt aan de hand van de gegevens in het jaarverslag vóór 1 oktober volgend op het kalenderjaar waarvoor de voorlopige bijdrage, bedoeld in de artikelen 11 en 13, tweede lid, is vastgesteld, de bijdrage definitief vast.