Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Inhoudsomschrijving thema ‘Mens en Werk’ examen maatschappijleer h.a.v.o. en v.w.o. 1994–1995 en 1995–1996[Regeling vervallen per 31-12-2004.]

Geldend van 04-12-1993 t/m 30-12-2004

Inhoudsomschrijving thema ‘Mens en Werk’ examen maatschappijleer h.a.v.o. en v.w.o. 1994–1995 en 1995–1996

De minister van onderwijs en wetenschappen,

Gelet op de onderdelen 2.2 van de bijlagen I en II, behorende bij de Regeling examenprogramma's maatschappijleer (Uitleg OenW-Regelingen 1991, 12) betreffende de examenprogramma's maatschappijleer eindexamen v.w.o. en h.a.v.o. en staatsexamen v.w.o. en h.a.v.o.;

Besluit:

Artikel 1. Inhoudsomschrijving ‘Mens en Werk’ [Vervallen per 31-12-2004]

De inhoudsomschrijving van het thema ‘Mens en Werk’ voor de centrale en schriftelijke examens maatschappijleer v.w.o. en h.a.v.o. in de schooljaren 1994/1995 en 1995/1996 respectievelijk de examenjaren 1995 en 1996 wordt vastgesteld zoals is aangegeven in de bijlage, behorende bij deze regeling.

Artikel 2. Bekendmaking [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 3. Inwerkingtreding [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OenW-Regelingen, waarin deze regeling is bekendgemaakt.

Artikel 4. Citeertitel [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling wordt aangehaald als: Inhoudsomschrijving thema ‘Mens en Werk’ examen maatschappijleer h.a.v.o. en v.w.o. 1994–1995 en 1995–1996.

De

minister

van onderwijs en wetenschappen,

dr. ir. J.M.M. Ritzen

Inhoudsomschrijving thema ‘Mens en Werk’ examen maatschappijleer h.a.v.o. en v.w.o., 1994–1995 en 1995–1996 [Vervallen per 31-12-2004]

Algemene inleiding [Vervallen per 31-12-2004]

Op het centraal examen maatschappijleer van 1994–1995 en 1995–1996 komen de volgende thema's aan de orde:

  • Politieke Besluitvorming (themaveld Staat en Maatschappij);

  • Mens en Werk (themaveld Arbeid en Vrije Tijd);

  • Milieu en Beleid (themaveld Woon- en Leefmilieu).

De inhoudsomschrijvingen voor de examenthema's bestaan uit eindtermen, gegroepeerd naar drie invalshoeken van maatschappijleer (vgl. art. 1.4 van het examenprogramma):

  • de politiek-juridische invalshoek;

  • de sociaal-economische invalshoek;

  • de sociaal-culturele invalshoek.

De veranderings- en vergelijkende invalshoek, die in het examenprogramma wordt genoemd, is steeds geïntegreerd in de hierboven genoemde.

De eindtermen geven aan welke kennis, inzicht en vaardigheden van kandidaten worden verwacht. De meeste eindtermen voor vwo zijn produktief; dat wil zeggen dat de opstellers van de toetsen er van uit mogen gaan dat kandidaten in staat zijn hun kennis, inzicht en vaardigheden toe te passen bij het analyseren van een (relatief nieuw) vraagstuk. Eindtermen waarin wordt gevraagd om het verwoorden van een eigen mening of standpunt, zijn te typeren als vrije verwerking; kandidaten moeten een vraagstuk niet alleen kunnen analyseren, maar ook – aan de hand van relevante en vakspecifieke criteria – kunnen beoordelen.

Het werkwoord ‘herkennen’ in de eindtermen verwijst naar identificatie; kandidaten moeten in staat zijn gegevens te vergelijken met het geleerde. Bij identificatie gaat het meestal om het herkennen van begrippen of verschijnselen in aangeboden voorbeelden. Kandidaten moeten in zulke gevallen in staat zijn hun antwoord toe te lichten. Als in eindtermen het werkwoord ‘beschrijven’ wordt gebruikt, is er sprake van reproduktie; er kan worden teruggevraagd naar door de kandidaat opgedane kennis.

De formulering van de stof in eindtermen en de ordening van de eindtermen in bovengenoemde categorieën, laat onverlet dat kandidaten in staat dienen te zijn kenniselementen uit verschillende eindtermen en categorieën met elkaar in verband te brengen.

Tevens worden kandidaten geacht bekend te zijn met de basis-begrippen, zoals vermeld in artikel 1.5 van het examenprogramma, en deze begrippen te kunnen gebruiken in de context van de onderhavige examenthema's.

Inleiding op het thema: ‘Mens en Werk’ [Vervallen per 31-12-2004]

Voor het thema ‘Mens en Werk’ (behorend bij het themaveld: ‘Arbeid en Vrije Tijd’) is een herziene inhoudsomschrijving vastgesteld. In dit thema komen vraagstukken op het gebied van arbeid aan de orde op de volgende terreinen: arbeidsverdeling, arbeidsverhoudingen, arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en arbeidsinhoud.

In categorie A ‘politiek-juridische aspecten’ wordt ingegaan op de rol van de overheid op sociaal-economisch terrein. Daarbij komt ook de problematiek van de verzorgingsstaat aan de orde. Er wordt ook aandacht besteed aan ideologische visies op de rol van de staat op sociaal-economisch terrein. De categorie wordt afgesloten met eindtermen over het begrip economische orde.

In de sociaal-economische categorie B staan de begrippen arbeidsverhoudingen en arbeidsverdeling centraal. Aan de orde komen o.a. relaties tussen werkgevers en werknemers en het vraagstuk van de sociale ongelijkheid. Visies op werk, waaronder de discussie over het arbeidsethos, staan centraal in categorie C ‘sociaal-culturele aspecten’.

N.B.: De differentiatie tussen h.a.v.o. en v.w.o. komt tot uitdrukking in de aangebrachte sterretjes. Eindtermen en begrippen voorzien van een * zijn alleen afvraagbaar voor het v.w.o.

Overzicht van de eindtermen [Vervallen per 31-12-2004]

A. Politiek-juridische aspecten

1. Kandidaten kunnen aangeven welke visies politieke stromingen in ons land hebben op: [Vervallen per 31-12-2004]

  • sociaal-economische vraagstukken (m.n. werkgelegenheid);
  • de rol die de overheid op sociaal-economisch terrein dient te spelen.

  • 1.1 Kandidaten kunnen kenmerken noemen van een liberale visie op de rol van de overheid op sociaal-economisch terrein en t.a.v. belangrijke sociaal-economische vraagstukken. Zij kunnen deze kenmerken in (actuele) voorbeelden herkennen.

  • 1.2 Kandidaten kunnen kenmerken noemen van een christen-democratische visie op de rol van de overheid op sociaal-economisch terrein en t.a.v. sociaal-economische vraagstukken. Zij kunnen deze kenmerken in (actuele) voorbeelden herkennen.

  • 1.3 Kandidaten kunnen kenmerken noemen van een sociaal-democratische visie op sociaal-economische vraagstukken en de rol van de overheid op sociaal-economisch terrein. Zij kunnen deze kenmerken in (actuele) voorbeelden herkennen.

  • 1.4 1.4 Kandidaten kunnen in standpunten over sociaal-economische vraagstukken en de rol van de overheid elementen van een ecologische visie herkennen.

2. Kandidaten kunnen de ontwikkeling van de verzorgingsstaat schetsen en verschillende visies hierop herkennen [Vervallen per 31-12-2004]

  • 2.1 Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt bedoeld met een verzorgingsstaat en kunnen in (actuele) voorbeelden kenmerken van de verzorgingsstaat herkennen.

  • 2.2 Kandidaten kunnen de ontwikkeling van de verzorgingsstaat in verband brengen met sociaal-economische veranderingen.

  • 2.3 Kandidaten kunnen visies van politieke stromingen op ontwikkelingen in de verzorgingsstaat herkennen.

  • 2.4 Kandidaten kunnen hoofdlijnen van de actuele discussie over de verzorgingsstaat aangeven en in (actuele) voorbeelden herkennen.

  • 2.5 Kandidaten kunnen aangeven welke opvattingen politieke stromingen hebben over de verzorgingsstaat en deze opvattingen herkennen in (actuele) voorbeelden.

3. Kandidaten kunnen aangeven op welke verschillende manieren de overheid betrokken is bij het sociaal-economisch proces en deze herkennen in (actuele) voorbeelden [Vervallen per 31-12-2004]

  • 3.1 Kandidaten kunnen aangeven op welke manieren de overheid actief kan zijn op de volgende beleidsterreinen: werkgelegenheid, arbeidsomstandigheden, arbeidsvoorwaarden, sociale wetgeving, emancipatiebeleid.

  • 3.2 Kandidaten kunnen algemene doelstellingen van economische politiek omschrijven en in (actuele) voorbeelden herkennen.

  • 3.3 Kandidaten kunnen aangeven op welke manieren de overheid actief kan zijn op het terrein van de werkgelegenheid.

  • 3.4 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden het onderscheid tussen sociale verzekeringen en sociale voorzieningen uitleggen.

4. Kandidaten kunnen de economische orde van ons land vergelijken met die van andere landen [Vervallen per 31-12-2004]

  • 4.1 Kandidaten kunnen omschrijven wat onder het begrip economische orde wordt verstaan.

  • 4.2 Kandidaten kunnen drie typen van economische orde omschrijven en in actuele voorbeelden herkennen: een vrije markteconomie, een centraal geleide planeconomie en een gemengde economie.

  • 4.3 Kandidaten kunnen voor- en nadelen van verschillende economische orden omschrijven.

B. Sociaal-economische aspecten [Vervallen per 31-12-2004]

1. Kandidaten kunnen maatschappelijke groeperingen noemen die betrokken zijn bij arbeid en aangeven wat hun belangen zijn, hoe ze zijn georganiseerd, en wat hun onderlinge verhoudingen zijn [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1.1 Kandidaten kunnen uitleggen hoe werknemers en werkgevers in ons land zijn georganiseerd en kunnen de belangrijkste van deze organisaties noemen.

  • 1.2 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden belangen herkennen die gelden voor werknemers en werkgevers.

  • 1.3 Kandidaten kunnen aangeven welke middelen werknemers- en werkgeversorganisaties hebben om voor hun belangen op te komen en deze herkennen in (actuele) voorbeelden.

  • 1.4 Kandidaten kunnen omschrijven welke toetsingsnormen de rechter gebruikt als deze moet oordelen over het al dan niet geoorloofd zijn van een staking en deze normen herkennen in (actuele) voorbeelden.

  • 1.5 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden factoren herkennen die van invloed zijn op de mate waarin werknemers- en werkgeversorganisaties erin slagen op te komen voor hun belangen, alsmede een gemotiveerd standpunt innemen over het optreden van deze organisaties.

  • 1.6 Kandidaten kunnen een gemotiveerde mening geven over de (veranderende) betekenis van de vakbeweging in de samenleving.

  • 1.7 Kandidaten kunnen voorbeelden geven van overleg en conflicten tussen werkgevers en werknemers.

  • 1.8 Kandidaten kunnen uitleggen wat het verschil is tussen harmonie- en conflictdenken ten aanzien van de arbeidsverhoudingen, alsmede de huidige relatie tussen beide partijen typeren als transactiedenken.

  • 1.9 Kandidaten kunnen de instelling van de S.E.R. en de Stichting van de Arbeid in verband brengen met het harmoniedenken.

2. Kandidaten kunnen uitleggen welke gevolgen arbeidsverdeling kan hebben voor een samenleving [Vervallen per 31-12-2004]

  • 2.1 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen wat wordt bedoeld met technische en maatschappelijke arbeidsverdeling.

  • 2.2 Kandidaten kunnen technologische ontwikkeling, arbeidsverdeling en sociale structuur met elkaar in verband brengen.

  • 2.3 Kandidaten kunnen de begrippen sociale structuur, sociale stratificatie, mobiliteit en sociale ongelijkheid met elkaar in verband brengen en in (actuele) voorbeelden herkennen.

  • 2.4 Kandidaten kunnen een aantal oorzaken omschrijven voor het ontstaan van sociale ongelijkheid.

  • 2.5 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden sociale verschijnselen herkennen die samenhangen met de ontwikkeling van de industriële samenleving.

  • 2.6 Kandidaten kunnen verklaren waarom bepaalde groepen (m.n. vrouwen, laaggeschoolden, etnische minderheden) een zwakke positie innemen op de arbeidsmarkt.

  • 2.7 Kandidaten kunnen voorbeelden geven van maatregelen, die zijn bedoeld voor het verbeteren van de positie van zwakke groepen op de arbeidsmarkt.

C. Sociaal-culturele aspecten [Vervallen per 31-12-2004]

1. Kandidaten kunnen uitleggen wat de betekenis is van werk voor mens en samenleving [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1.1 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen wat wordt bedoeld met de materiële en immateriële functies die arbeid voor individuele mensen kan hebben.

  • 1.2 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden het verband verklaren tussen arbeid enerzijds en sociale positie, status en inkomen anderzijds.

  • 1.3 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden factoren herkennen die van invloed zijn op de (maatschappelijke) waardering van verschillende soorten werk.

  • 1.4 Kandidaten kunnen factoren noemen die van invloed zijn op de wijze waarop men de kwaliteit van werk ervaart.

2. Kandidaten kunnen uitleggen hoe de opvattingen over (loon)arbeid zich in de loop der jaren hebben ontwikkeld en welke verschillende opvattingen over arbeid tegenwoordig kunnen worden onderscheiden [Vervallen per 31-12-2004]

  • 2.1 Kandidaten kunnen aan de hand van typeringen uitleggen welke ontwikkelingen de waardering van arbeid (het arbeidsethos) heeft doorgemaakt.

  • 2.2 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden elementen van deze visies op het arbeidsethos herkennen.