Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten[Regeling vervallen per 01-07-2016.]

Geldend van 13-02-2004 t/m 30-06-2016

Wet van 24 juni 1993, houdende de verzelfstandiging van de rijksmuseale diensten

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bestaande rijksmuseale diensten te verzelfstandigen in de vorm van een stichting en een machtiging tot oprichting daarvan als bedoeld in artikel 29 van de Comptabiliteitswet te verstrekken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1 [Vervallen per 01-07-2016]

In deze wet wordt verstaan onder:

  • a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • b. stichting: stichting als bedoeld in artikel 2;

  • c. overgangsdatum: datum van oprichting van een stichting;

  • d. personeelslid: degene die op de dag vóór de overgangsdatum tewerkgesteld is bij de dienst die in de op te richten stichting wordt voortgezet, hetzij als ambtenaar, hetzij op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

Artikel 2 [Vervallen per 01-07-2016]

Onze Minister wordt gemachtigd tot de oprichting van stichtingen die tot doel hebben de uitoefening van museale en museaal ondersteunende functies als voortzetting van de diensten, vermeld in de bij deze wet behorende bijlage.

Artikel 3 [Vervallen per 01-07-2016]

Onze Minister gaat tot oprichting van een stichting niet eerder over dan een maand nadat van het voornemen daartoe, onder overlegging van de ontwerp-statuten, schriftelijk mededeling is gedaan aan beide Kamers der Staten-Generaal.

Artikel 4 [Vervallen per 01-07-2016]

Onze Minister is belast met het privaatrechtelijk beheer van de museale verzamelingen of museale voorwerpen die eigendom zijn van de Staat dan wel aan de zorg van de Staat zijn toevertrouwd.

Artikel 5 [Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Ieder personeelslid van de dienst die in een stichting wordt voortgezet, gaat, indien Onze Minister niet anders heeft beslist, over in dienst van die stichting op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, ingaande op de overgangsdatum.

    Aan ieder personeelslid wordt ten minste één maand voor de overgangsdatum schriftelijk mededeling gedaan van de rechtspositionele gevolgen van een overgang in dienst van die stichting.

  • 2 De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd. Indien een personeelslid was aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd of werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, geldt de arbeidsovereenkomst voor de niet verstreken tijd van de aanstelling voor bepaalde tijd dan wel van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

  • 3 De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde bij de dienst.

  • 4 De arbeidsvoorwaarden zullen in het geheel niet ongunstiger zijn dan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn dienstverband bij de dienst. Onze Minister stelt nadere regels ter zake.

  • 5 Door het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst is het personeelslid van rechtswege eervol ontslagen uit de dienst van de Staat.

  • 6 In afwijking van het eerste lid komt op de overgangsdatum geen arbeidsovereenkomst tot stand met het personeelslid dat binnen een maand na de schriftelijke mededeling, bedoeld in het eerste lid, laatste volzin, aan Onze Minister heeft medegedeeld dat hij bezwaren heeft tegen de overgang in dienst bij de op te richten stichting, tenzij hij voor de overgangsdatum de bezwaren heeft ingetrokken. Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot het onderzoek van de bezwaren. Onze Minister beslist op de bezwaren.

  • 7 Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren ongegrond heeft verklaard, komt, tenzij het personeelslid binnen een week na de kennisgeving van deze beslissing aan Onze Minister kenbaar heeft gemaakt dit niet te willen, een arbeidsovereenkomst tot stand op de overgangsdatum dan wel, indien het einde van die week valt na de overgangsdatum, op de eerste dag van de volgende maand.

  • 8 Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, kan hij daarbij beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst bij de op te richten stichting. Indien Onze Minister niet een zodanige beslissing heeft genomen, komt, tenzij het personeelslid binnen een week na de kennisgeving van de beslissing aan Onze Minister kenbaar heeft gemaakt dit niet te willen, een arbeidsovereenkomst tot stand op de overgangsdatum dan wel, indien het einde van de week valt na de overgangsdatum, op de eerste dag van de volgende maand. De inhoud van die arbeidsovereenkomst is in overeenstemming met de beslissing van Onze Minister.

  • 9 Indien het personeelslid op of na de overgangsdatum de bezwaren heeft ingetrokken, komt een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste dag van de daarop volgende maand.

  • 10 Indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren ongegrond heeft verklaard, komt, tenzij het personeelslid binnen een week na de kennisgeving van de beslissing aan Onze Minister kenbaar heeft gemaakt dit niet te willen, een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste dag van de volgende maand.

  • 11 Indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, kan hij beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst bij de stichting dan wel de stichting verplichten het personeelslid een arbeidsovereenkomst aan te bieden, waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing.

Artikel 6 [Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Met ingang van de overgangsdatum verkrijgt een personeelslid met wie een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 5, eerste lid, is gesloten, ter zake van de ouderdoms- en nabestaandenpensioenvoorziening aanspraken jegens een door de stichting aan te wijzen instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet (Stb. 1952, 275) die gelijkwaardig zijn aan die welke het personeelslid op de laatste dag van de kalendermaand voorafgaande aan de overgangsdatum heeft jegens het Algemeen burgerlijk pensioenfonds krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540) en neemt de aangewezen instelling de daarmee verband houdende verplichtingen op zich.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde instelling wordt door de stichting op de overgangsdatum aangewezen. Door alle stichtingen wordt dezelfde instelling aangewezen. Door de directeuren van de diensten, vermeld in de bij deze wet behorende bijlage, wordt in een met meerderheid van stemmen genomen besluit bepaald welke instelling door de stichtingen wordt aangewezen.

  • 3 De aanspraken die een personeelslid als bedoeld in het eerste lid toekomen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet en de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds jegens dit personeelslid vervallen op de overgangsdatum.

  • 4 Het derde lid is niet van toepassing op aanspraken:

    • a. die door een personeelslid voor de overgangsdatum geldend zijn gemaakt of geldend hadden kunnen worden gemaakt;

    • b. die betrekking hebben op het recht op invaliditeitspensioen en het recht op aanvulling daarvan, bedoeld in artikel F9 van de Algemene burgerlijke pensioenwet van een personeelslid dat op de dag voorafgaande aan de overgangsdatum blijkens een geneeskundig onderzoek als bedoeld in hoofdstuk P van de Algemene burgerlijke pensioenwet wegens ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen, doch waarover nog geen beslissing van het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds is genomen.

  • 5 Het eerste, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op het personeelslid dat op grond van artikel 5, zevende tot en met elfde lid, na de overgangsdatum overgaat in dienst bij een stichting.

  • 6 Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt aan de in het eerste lid bedoelde instelling een deel van het vermogen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds over. Een deel van de overdrachtssom wordt bepaald op grond van de aanspraken op ouderdomspensioen die krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet ten behoeve van een personeelslid zijn opgebouwd tot en met de dag voorafgaande aan de datum van indiensttreding bij een stichting. In de totale overdrachtssom is een aan bedoelde aanspraken evenredig aandeel in de voorziening voor nabestaandenpensioenen en in de algemene reserve begrepen, een en ander volgens een door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds op te stellen opgebouwde-aanspraken-balans. Het over te dragen vermogen heeft eenzelfde rendementspotentieel als het bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds achterblijvende vermogen.

  • 7 In afwijking van het zesde lid bedraagt het deel van de overdrachtssom dat betrekking heeft op een personeelslid dat voorafgaande aan de datum van indiensttreding wegens ziekte of gebreken ongeschikt is verklaard voor een eerder door hem vervulde functie, een percentage van het overeenkomstig het zesde lid ten aanzien van dat personeelslid berekende bedrag dat gelijk is aan het percentage van zijn resterende arbeidsgeschiktheid.

  • 8 Ter bepaling van de financiële gevolgen voor het Algemeen burgerlijk pensioenfonds van het vervallen van de verplichtingen jegens de uitgetreden personeelsleden krachtens het derde lid en van de waarde-overdracht krachtens het zesde lid maakt het Algemeen burgerlijk pensioenfonds een berekening van de waarde-overdracht indien deze gebaseerd zou zijn op de lasten-min-baten. Hiertoe wordt voor de datum van indiensttreding bij de stichting een evenwichtige lasten- en baten-balans opgesteld voor de betrokken personeelsleden. Als basisbijdragepercentage wordt op deze balans het percentage aangehouden dat in de toekomst nodig is om de nog op te bouwen rechten van gerechtigden op pensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet juist te dekken zonder rekening te houden met toekomstige inflatie. Als inhaalbijdragepercentage wordt het percentage gebruikt dat nodig is om de lasten- en batenbalans van het fonds in evenwicht te brengen.

  • 9 Het verschil tussen de waarde-overdracht krachtens het zesde lid en de lasten-min-batenuitkomst krachtens het achtste lid wordt verrekend tussen het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en Onze Minister.

Artikel 7 [Vervallen per 01-07-2016]

Ter zake van de vermogensoverdracht van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds aan de instelling, bedoeld in artikel 6, eerste lid, blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.

Artikel 8 [Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Onze Minister gaat tot oprichting van een stichting niet eerder over dan een week nadat deze wet in werking is getreden.

  • 2 Indien de mededeling, bedoeld in artikel 5, eerste lid, heeft plaatsgevonden drie weken of langer voor de inwerkingtreding van deze wet wordt de in artikel 5, zesde lid, bedoelde termijn waarbinnen het personeelslid kan mededelen dat hij bezwaren heeft tegen de overgang, verlengd tot de overgangsdatum.

  • 3 Indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 5, zevende of achtste lid, heeft plaatsgevonden voor het in werking treden van deze wet wordt de in voornoemde artikelleden bedoelde termijn waarbinnen het personeel kenbaar kan maken de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst niet te willen, verlengd tot de overgangsdatum.

Artikel 9 [Vervallen per 01-07-2016]

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 10 [Vervallen per 01-07-2016]

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 24 juni 1993

Beatrix

De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

H. d'Ancona

Uitgegeven de negenentwintigste juli 1993

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Bijlage behorende bij de Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten [Vervallen per 01-07-2016]

De diensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten, zijn:

  • 1. Rijksmuseum voor de geschiedenis van de natuurwetenschappen en van de geneeskunde "Museum Boerhaave" te Leiden;

  • 2. Rijksmuseum Het Catharijneconvent. Museum voor de christelijke Cultuur in Nederland te Utrecht;

  • 3. Rijksdienst Kastelenbeheer te 's-Gravenhage, waarvan deel uitmaken:

    • - Rijksmuseum Gevangenpoort te 's-Gravenhage

    • - Rijksmuseum Muiderslot te Muiden

    • - Slot Loevestein te Brakel

    • - Kasteel Radboud te Medemblik

    • - Ruïne van Brederode te Santpoort

    • - Ruïne van de Jacobaburcht te Oostvoorne

    • - Ruïne van Strijen te Oosterhout

    • - Ruïne van Teylingen te Voorhout;

  • 4. Rijksmuseum Kröller-Müller te Otterloo;

  • 5. Koninklijk Kabinet van Schilderijen "Mauritshuis" te 's-Gravenhage;

  • 6. Rijksmuseum Meermanno-Westreenianum (Museum van het Boek) te 's-Gravenhage;

  • 7. Rijksmuseum Hendrik Willem Mesdag te 's-Gravenhage;

  • 8. Nationaal Natuurhistorisch Museum te Leiden;

  • 9. Rijksmuseum van Oudheden te Leiden;

  • 10. Rijksmuseum Paleis Het Loo te Apeldoorn;

  • 11. Rijksmuseum het Koninklijk Penningkabinet te Leiden;

  • 12. Rijksmuseum te Amsterdam;

  • 13. Rijksmuseum Nederlands Scheepvaartmuseum te Amsterdam;

  • 14. Rijksmuseum Twenthe, museum voor kunst- en cultuurgeschiedenis te Enschede;

  • 15. Rijksmuseum Vincent van Gogh te Amsterdam;

  • 16. Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden;

  • 17. Rijksmuseum Het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen;

  • 18. Centraal Laboratorium voor onderzoek van voorwerpen van kunst en wetenschap te Amsterdam;

  • 19. Opleiding Restauratoren te Amsterdam;

  • 20. Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie te 's-Gravenhage;

  • 21. Rijksdienst Beeldende Kunst te 's-Gravenhage.