Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit sociaal beleidskader inzake de vorming van agrarische opleidingscentra[Regeling vervallen per 25-02-2005.]

Geldend van 01-07-1993 t/m 24-02-2005

Besluit van 22 maart 1993, houdende een regeling voor de opvang van personele gevolgen in het kader van de vorming van agrarische opleidingscentra

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 9 september 1992, No. J. 9212990, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken;

Gelet op artikel II, onderdeel O, van de Wet van 23 mei 1990, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake sectorvorming en vernieuwing van het middelbaar beroepsonderwijs alsmede van enige andere wetten (Stb. 1990, 266), de artikelen 38 en 39, tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1986, 552), en de artikelen 3 en 6 van de Wet bijzondere regelen met betrekking tot het recht op uitkering als bedoeld in de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden (Stb. 1989, 478);

De Raad van State gehoord (advies van 12 november 1992, no. W.11.92.0429);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 8 maart 1993, No. J. 931775, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemeen [Vervallen per 25-02-2005]

Artikel 1 [Vervallen per 25-02-2005]

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. besluit:

    Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Stb. 1985, 110);

  • b. instelling:

    openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school voor middelbaar beroepsonderwijs in de sector landbouw en natuurlijke omgeving voor zover daaraan is verbonden een school voor lager landbouwonderwijs als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1986, 552) alsmede een openbare of uit de openbare kas bekostigde door een natuurlijk persoon of door een privaatrechtelijke rechtspersoon in stand gehouden inrichting voor voortgezet onderwijs waaraan het nieuw vervolg/beroepsonderwijs wordt gegeven;

  • c. Onze Minister:

    Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

  • d. belanghebbende:

    degene, die ononderbroken in dienst is van een instelling te rekenen vanaf:

    • 1. 31 juli1988;

    • 2. 31 juli 1989;

    • 3. 31 juli 1990;

  • e. afbouw van faciliteiten:

    beëindiging van de proefprojecten volletijd kort middelbaar agrarisch onderwijs;

  • f. AOC-vorming:

    fusies samenhangende met:

    • 1. inwerkingtreding van de Wet, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake sectorvorming en vernieuwing van het middelbaar beroepsonderwijs alsmede van enige andere wetten (Stb. 1990, 266);

    • 2. de inwerkingtreding van de Wet van 27 februari 1992, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met het formatiebudgetsysteem (Stb. 1992, 113);

  • g. boventallige:

    • 1. belanghebbende voor wie ten gevolge van de afbouw van faciliteiten geen functie meer beschikbaar is binnen de reguliere formatie van de instelling op 1 augustus 1990;

    • 2. belanghebbende voor wie ten gevolge van AOC-vorming op 1 augustus 1988, 1 augustus 1989, 1 augustus 1990, of 1 augustus 1991 geen functie binnen de reguliere formatie van de instelling beschikbaar is op 1 augustus 1993.

§ 2. Bescherming tegen ontslag [Vervallen per 25-02-2005]

Artikel 2 [Vervallen per 25-02-2005]

  • 1 Een belanghebbende die in vaste dienst is bij een instelling, wordt niet ontslagen voorzover dit ontslag uitsluitend gegrond is op de opheffing van zijn betrekking ten gevolge van de afbouw van faciliteiten of AOC-vorming.

  • 2 Voor een belanghebbende voor wie op grond van artikel I-R109 van het besluit zoals dit luidde vóór de inwerkingtreding van het besluit van 3 juli 1992 (Stb. 389) dan wel op grond van artikel I-P 79 van het besluit de omvang van de betrekking zou zijn verminderd, blijft deze vermindering achterwege voor zover deze vermindering uitsluitend het gevolg is van de afbouw van faciliteiten of AOC-vorming.

  • 3 Op een belanghebbende die als directeur of adjunct-directeur verbonden was aan een instelling die op 1 augustus 1990 of 1 augustus 1991 als gevolg van AOC-vorming is gefuseerd, is het bepaalde in het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hij evenmin wordt ontslagen wegens opheffing van zijn betrekking ten gevolge van de daling van het aantal leerlingen.

  • 4 De belanghebbende, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, geniet bescherming tegen ontslag tot 1 augustus 1993.

  • 5 Het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid is niet van toepassing op de belanghebbende die niet voldoet aan het bepaalde in artikel 5, eerste lid.

Artikel 3 [Vervallen per 25-02-2005]

Op een belanghebbende die in tijdelijke dienst is bij een instelling zijn de artikelen 2 en 4 tot en met 12 van overeenkomstige toepassing, tenzij hij in tijdelijke dienst is:

  • a. wegens vervanging van tijdelijk afwezig personeel;

  • b. op basis van tijdelijk door het Rijk ter beschikking gestelde faciliteiten, met uitzondering van de begeleidingseenheden ten behoeve van de proefprojecten nieuwvervolg/beroepsonderwijs;

  • c. voorzover hij is belast met overuren.

§ 3. Voorzieningen [Vervallen per 25-02-2005]

Artikel 4 [Vervallen per 25-02-2005]

  • 1 Het bevoegd gezag dient binnen een maand na uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit is geplaatst, een personeelsplan vast te stellen.

  • 2 Een personeelsplan als bedoeld in het eerste lid dient ten minste een opgave van de personeelsleden te bevatten, die als gevolg van de afbouw van faciliteiten of AOC-vorming boventallig zijn.

  • 3 Het bevoegd gezag dient een personeelsplan als bedoeld in het eerste lid aan te passen indien daartoe de noodzaak bestaat.

  • 4 Het bevoegd gezag dient een afschrift van het personeelsplan als bedoeld in het eerste en derde lid onverwijld aan Onze Minister te zenden.

Artikel 5 [Vervallen per 25-02-2005]

  • 1 De bescherming tegen ontslag respectievelijk tegen vermindering van de betrekkingsomvang, bedoeld in de artikelen 2 en 3, is alleen van toepassing op de boventallige, opgenomen in het personeelsplan als bedoeld in artikel 4, indien hij bereid is een passende betrekking te aanvaarden en mee te werken aan zijn omscholing.

  • 2 Het bevoegd gezag is verplicht een boventallige als bedoeld in het eerste lid, die deelneemt aan omscholing, indien nodig in de gelegenheid te stellen tijdens de voor hem geldende werktijd deze omscholing te volgen.

  • 3 Indien een boventallige als bedoeld in het eerste lid, inkomsten gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf ter hand genomen op of na het tijdstip waarop hij als boventallige in het personeelsplan als bedoeld in artikel 4 is opgenomen, worden deze inkomsten in mindering gebracht op de bezoldiging, die hij geniet aan de instelling waar hij als boventallige is aangemerkt.

  • 4 De mindering, bedoeld in het derde lid, geschiedt ten hoogste voor dat deel van de bezoldiging dat overeenkomt met het verschil tussen de omvang van de feitelijk voor hem beschikbare werkzaamheden en de omvang van zijn betrekking.

  • 5 Op de vergoeding die de instelling op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1986, 552) ontvangt van Onze Minister ten behoeve van de uitgaven voor het personeel, worden in mindering gebracht de kosten ten behoeve van het bedrag, bedoeld in het derde en vierde lid, en de kosten ten behoeve van salarissen, toelagen, uitkeringen en vergoedingen voor personeel dat is benoemd met voorbijgaan aan de belanghebbende als bedoeld in het eerste lid, tenzij Onze Minister hiervoor toestemming heeft verleend.

Artikel 6 [Vervallen per 25-02-2005]

  • 1 Het bevoegd gezag vergoedt een belanghebbende die deelneemt aan omscholing als bedoeld in artikel 5 de kosten verbonden aan de omscholing.

  • 2 De vergoeding als bedoeld in het eerste lid dient door de belanghebbende voor de aanvang van de omscholing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag.

  • 3 Een aanvraag voor een vergoeding als bedoeld in het eerste lid dient vergezeld te gaan van een begroting van de te maken kosten.

  • 4 Een belanghebbende aan wie een vergoeding als bedoeld in het eerste lid in de omscholingskosten is verleend, is verplicht tot gehele dan wel gedeeltelijke terugbetaling indien de omscholing niet met goed gevolg is afgesloten op grond van omstandigheden die aan de belanghebbende te wijten zijn.

Artikel 7 [Vervallen per 25-02-2005]

  • 1 Onze Minister verleent in de periode waarin bescherming tegen ontslag, bedoeld in de artikelen 2 en 3, wordt genoten aan een belanghebbende desgevraagd een wachtgeld, indien als gevolg van zijn ontslag de boventalligheid aan één of meer instellingen aantoonbaar vermindert in een mate die gelijk is aan de omvang van zijn betrekking.

  • 3 Het verlenen van een wachtgeld als bedoeld in het eerste lid kan op verzoek van de belanghebbende door Onze Minister worden aangemerkt als ontslag in het kader van de afslanking als bedoeld in de Wet bijzondere regelen met betrekking tot het recht op uitkering als bedoeld in de Wet uitkering vrijwillig vervroegd uittreden (Stb. 1989, 478).

  • 4 Het bepaalde in het tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing op een belanghebbende als bedoeld in het eerste lid die:

    • a. op de datum van ontslag de VUT-gerechtigde leeftijd uiterlijk op 1 augustus 1993 zal bereiken;

    • b. ten gevolge van een wijziging ter zake van de VUT-gerechtigde leeftijd die zich voordoet na zijn ontslag, eerst op een datum gelegen na 1 augustus 1993 genoemde leeftijd zal bereiken, met dien verstande dat hem een wachtgeld zal worden toegekend tot de datum waarop door hem de dan geldende VUT-leeftijd zal zijn bereikt.

Artikel 8 [Vervallen per 25-02-2005]

  • 1 Het bevoegd gezag verleent de in artikel I-J2, tweede lid, van het besluit bedoelde ontheffing van de verhuisplicht op verzoek van een belanghebbende indien voor de belanghebbende in de periode, bedoeld in de artikelen 2 en 3, een verhuisplicht ontstaat en hij op het moment van het ontstaan van de verhuisplicht:

    • a. 52 jaar of ouder is, of

    • b. boventallig is.

  • 2 Aan de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, worden de reiskosten vergoed overeenkomstig artikel I-J9 van het besluit, zolang hij aan dezelfde instelling verbonden blijft.

Artikel 9 [Vervallen per 25-02-2005]

  • 1 Indien een functie beschikbaar komt binnen de streefformatie van een instelling door ontslag, of indien een nog niet eerder bestaande functie ontstaat die binnen de taak van de instelling past, kan het bevoegd gezag vooruitlopend op het vrijkomen van deze functies voor deze functies een boventallige benoemen. Het bevoegd gezag kan hiervoor ook een ander benoemen, indien door diens benoeming een functie vrijkomt die vervuld wordt door een boventallige.

  • 2 Het bevoegd gezag kan voor de benoeming als bedoeld in het eerste lid bij Onze Minister een bijdrage in de personeelskosten aanvragen. Deze vergoeding wordt alleen verkregen voor de periode te rekenen vanaf 1 augustus 1990 tot en met uiterlijk 31 juli 1993, indien de betrokkene boven de streefformatie benoemd is.

  • 3 In het besluit tot benoeming als bedoeld in het eerste lid wordt melding gemaakt van degene op wiens ontslag vooruitgelopen wordt, respectievelijk welke functie zal ontstaan.

§ 4. Overgangsbepalingen [Vervallen per 25-02-2005]

Artikel 10 [Vervallen per 25-02-2005]

  • 1 Indien de betrekkingsomvang van een belanghebbende op 31 juli 1990 werd uitgedrukt in een normbetrekking dan wel een deel van een normbetrekking van 29 formatie-eenheden, van 40 uur dan wel van 38,4 uur, wordt zijn betrekkingsomvang op 1 augustus 1990 omgerekend naar een normbetrekking van 38 uur dan wel een evenredig deel daarvan.

  • 2 De omrekening van een normbetrekking dan wel een deel van een normbetrekking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door het aantal eenheden van de betrekking te vermenigvuldigen met 38 en te delen door 29 bij een betrekkingsomvang van 29 formatie-eenheden, door 40 bij een betrekkingsomvang van 40 uur, of door 38,4 bij een betrekkingsomvang van 38,4 uur. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op één cijfer achter de komma.

  • 3 Ten aanzien van een belanghebbende voor wie op grond van artikel B9 van het Besluit overgangsmaatregelen v.o. 1985 (Stb. 1985, 164) één of meer extra tienden van formatie-eenheden voor de berekening van zijn salaris zijn vermeld in zijn akte van benoeming, wordt het bepaalde in het eerste en het tweede lid toegepast voor deze extra tienden van formatie-eenheden.

  • 4 Indien een belanghebbende op 31 juli 1990 verlof geniet of zou gaan genieten op grond van het bepaalde in een van de hoofdstukken I-C, I-D of I-E van het besluit, wordt de omvang van het verlof omgerekend overeenkomstig het bepaalde in het eerste en het tweede lid.

  • 5 Voor een belanghebbende die op 31 juli of 1 augustus 1990 benoemd was in een normbetrekking van 40 uren of een deel daarvan en die op 31 juli of 1 augustus verlof genoot of zou gaan genieten op grond van het bepaalde in hoofdstuk I-V van het besluit, wordt het aantal verlofeenheden verminderd met 2/40 deel van de voor hem geldende betrekkingsomvang, waarna de uitkomst rekenkundig wordt afgerond op één cijfer achter de komma en een negatieve uitkomst op nul gesteld wordt.

  • 6 Voor een belanghebbende die op 31 juli of 1 augustus 1990 benoemd was in een normbetrekking van 29 formatie-eenheden of een deel daarvan en die op 31 juli of 1 augustus 1990 verlof genoot of zou gaan genieten op grond van het bepaalde in hoofdstuk I-V van het besluit, wordt het aantal verlofeenheden vermenigvuldigd met 40/29 deel en vervolgens verminderd met 2/29 deel van de voor hem geldende betrekkingsomvang, waarna de uitkomst rekenkundig wordt afgerond op één cijfer achter de komma en een negatieve uitkomst op nul gesteld wordt.

Artikel 11 [Vervallen per 25-02-2005]

  • 1 Het bevoegd gezag deelt op basis van het formatiebeleid, zoals vastgelegd in het personeelsplan, bedoeld in artikel 4, te rekenen vanaf 1 augustus 1990 de functies toe.

  • 2 Het bevoegd gezag deelt de boventallige te rekenen vanaf 1 augustus 1990 voor de periode dat hij bescherming tegen ontslag geniet, de functie toe waarin hij was benoemd op 31 juli 1990, en hij blijft bezoldigd volgens het bij de functie behorende carrièrepatroon.

  • 3 Een belanghebbende die op 31 juli 1990 een benoeming heeft aan twee of meer fuserende instellingen wordt te rekenen vanaf 1 augustus 1990 de functie met de daarbij behorende maximumschaal toegedeeld, waarin hij op 31 juli 1990 was benoemd aan de instelling, waar hij in de grootste betrekkingsomvang werkzaam is geweest.

  • 4 De belanghebbende, bedoeld in het derde lid, voor wie na toepassing van het bepaalde in artikel 12 een salaris wordt vastgesteld dat hoger is dan het hoogste bedrag van de maximumschaal die behoort bij de functie die hem op grond van het derde lid is toegedeeld, wordt een functie toegedeeld met een zo laag mogelijke maximum-schaal die hoger is dan de maximum-schaal, die behoort bij de in het derde lid bedoelde functie.

Artikel 12 [Vervallen per 25-02-2005]

  • 1 Voor een belanghebbende gelden te rekenen vanaf 1 augustus 1990 ten minste de schaal en het salarisnummer die voor hem van toepassing waren op 31 juli 1990, vermeerderd met één of meer periodieke verhogingen, voorzover de belanghebbende daarop recht heeft op grond van het besluit.

  • 2 Voor de belanghebbende, bedoeld in artikel 11, derde of vierde lid, wordt in afwijking van het eerste lid te rekenen vanaf 1 augustus 1990 een salaris vastgesteld door de som van de feitelijk tot en met 31 juli 1990 genoten salarisbedragen om te rekenen naar een salaris behorend bij een normbetrekking als bedoeld in artikel 10. Dit salaris is tenminste gelijk aan het salaris dat behoort bij de met ingang van 1 augustus 1990 toegedeelde functie.

  • 3 Op een belanghebbende bij wiens functie te rekenen vanaf 1 augustus 1990 een hogere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij tot en met 31 juli 1990 vervulde, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het salaris te rekenen vanaf 1 augustus 1990 in elk geval wordt vastgesteld op een bedrag dat één periodieke verhoging hoger is dan zijn salaris tot en met 31 juli 1990. Artikel I-P14 van het besluit is niet van toepassing.

Artikel 13 [Vervallen per 25-02-2005]

Ten aanzien van een belanghebbende die in dienst is bij een school, die op 1 augustus 1991 is omgezet in een instelling, zijn de artikelen 10, 11 en 12 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in die artikelen voor "1990" telkens wordt gelezen: 1991.

§ 5. Overige bepalingen [Vervallen per 25-02-2005]

Artikel 14 [Vervallen per 25-02-2005]

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de uitvoering van het bepaalde in de artikelen 2 tot en met 6.

Artikel 15 [Vervallen per 25-02-2005]

Onze Minister kan op andere dan in dit besluit voorziene gevallen indien de billijkheid dit vereist, het besluit van toepassing verklaren op basis van een daartoe strekkend verzoek.

Artikel 16 [Vervallen per 25-02-2005]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. De artikelen 2, 3, 7, 8, 9, 10, 11 en 12 werken terug tot en met 31 juli 1988.

Artikel 17 [Vervallen per 25-02-2005]

Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit sociaal beleidskader inzake de vorming van agrarische opleidingscentra.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 22 maart 1993

Beatrix

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

P. Bukman

Uitgegeven de dertigste juni 1993

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin