Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling minimum eigen vermogen[Regeling vervallen per 01-01-2007.]

Geldend van 13-09-2002 t/m 31-12-2006

Besluit vaststelling minimum eigen vermogen

Gelet op het bepaalde in artikel 11, tweede, derde en vierde lid van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Stb 1992, 722);

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2007]

  • a) een naamloze of besloten vennootschap: het gestorte kapitaal vermeerderd met de reserves;

  • b) een vennootschap onder firma: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen der vennoten vermeerderd met de reserves;

  • c) een commanditaire vennootschap: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen der beherende vennoten alsmede het gestorte commanditaire kapitaal vermeerderd met de reserves;

  • d) een coöperatie: het door de leden gestorte inleggeld of kapitaal vermeerderd met de reserves;

  • e) andere rechtsvormen naar Nederlands recht dan de hierboven genoemde: het voordelig verschil tussen bezittingen en schulden bij toepassing van de waarderingsnormen zoals toegepast bij het opstellen van de gepubliceerde jaarrekening;

  • f) een in Nederland gevestigd bijkantoor van een kredietinstelling of een elektronisch-geldinstelling die in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigd is: de ter beschikking van het bijkantoor gestelde afgezonderde kapitaaldotaties.

  • 2 Voor de bepaling van de omvang van het eigen vermogen als bedoeld in dit besluit worden cumulatief preferente aandelen alsmede immateriële activa niet meebegrepen.

  • 3 Onder reserves worden verstaan de in de jaarrekening als zodanig gepresenteerde reserves inclusief de agioreserve.

  • 4 Indien de Bank zulks noodzakelijk acht kunnen waarderingscorrecties worden toegepast op de berekening van het in dit artikel bedoelde eigen vermogen.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2007]

Het bedrag aan eigen vermogen bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt voor:

  • a) kredietinstellingen ingeschreven in Afdeling I, onderafdelingen 1, 2, 3, 5 en 6, van het register;

  • b) kredietinstellingen ingeschreven in Afdeling II, onderafdeling 1, van het register die met in hoofdzaak hun bedrijf maken van het verlenen van bemiddeling bij de handel in effecten ter beurze, alsmede

  • c) financiële instellingen ingeschreven in Afdeling V van het register die niet in hoofdzaak hun bedrijf maken van het verlenen van bemiddeling bij de handel in effecten ter beurze, vastgesteld op de tegenwaarde in Nederlandse guldens van vijf miljoen Ecu.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2007]

Het bedrag aan eigen vermogen bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt voor:

  • a) kredietinstellingen ingeschreven in Afdeling I, onderafdeling 4, van het register;

  • b) kredietinstellingen ingeschreven in Afdeling II, onderafdeling 1, van het register die in hoofdzaak bedrijf maken van het verlenen van bemiddeling bij de handel in effecten ter beurze;

  • c) financiële instellingen ingeschreven in Afdeling V van het register die in hoofdzaak hun bedrijf maken van het verlenen van bemiddeling bij de handel in effecten ter beurze vastgesteld op de tegenwaarde in Nederlandse guldens van tweeëneenhalf miljoen Ecu.

Artikel 3a [Vervallen per 01-01-2007]

Het bedrag aan eigen vermogen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wtk 1992 wordt voor:

  • a) kredietinstellingen ingeschreven in Afdeling I, onderafdeling 7, van het register;

  • b) kredietinstellingen ingeschreven in Afdeling II, onderafdeling 2, van het register;

vastgesteld op één miljoen euro.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2007]

  • 2 Indien het bedrag aan eigen vermogen van een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid na 1 januari 1993 toeneemt, treedt voor die kredietinstelling steeds, en met inachtneming van het vierde lid, het hogere bedrag aan eigen vermogen in plaats van het in het eerste lid bedoelde bedrag totdat het eigen vermogen als hier bedoeld het bedrag heeft bereikt genoemd in de artikelen 2 of 3.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een kredietinstelling die sedert 31 december 1989 dochtermaatschappij is geworden van dan wel onder vergelijkbare zeggenschap is komen te staan van andere personen, ondernemingen of instellingen dan die waarvan de kredietinstelling voor genoemde datum dochtermaatschappij was dan wel onder vergelijkbare zeggenschap stond.

  • 4 Het bedrag aan eigen vermogen wordt, voor de toepassing van dit artikel vastgesteld per 31 december van elk jaar, op grond van de gegevens blijkend uit de op grond van artikel 19 van de Wet toezicht kredietwezen (Stb. 1978, 255) dan wel op grond van artikel 55 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 bij de bank periodiek ingediende staten.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2007]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop deze in de Staatscourant wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1993.

Amsterdam, 5 maart 1993

De

directeur

,

Prof. dr. A.H.E.M. Wellink