Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Wet Stichting ROI

Geldend van 01-01-1998 t/m heden

Wet van 26 november 1992, houdende regelen met betrekking tot de oprichting van de Stichting ROI

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat het Rijks Opleidingsinstituut wordt geprivatiseerd en een privaatrechtelijke rechtspersoon wordt opgericht waarvoor een wettelijke machtiging op grond van artikel 29 van de Comptabiliteitswet is vereist;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

  • a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;

  • b. de overgangsdatum: de datum van oprichting van de Stichting ROI;

  • c. de Stichting ROI: de stichting bedoeld in artikel 2;

  • d. het personeelslid: degene die op de dag voor de overgangsdatum in dienst is bij het ROI, hetzij als ambtenaar, hetzij op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

Artikel 2

  • 1 Onze Minister wordt gemachtigd om namens de Staat der Nederlanden op te richten de Stichting ROI v/h Rijks Opleidingsinstituut, die ten doel heeft het verlenen van diensten op het gebied van opleiding en training in de meest uitgebreide zin des woords, mede ter voortzetting van de dienstverlening zoals die voor de oprichting van de Stichting ROI werd verricht door het Rijks Opleidingsinstituut.

  • 2 Een lid van het bestuur van de Stichting ROI wordt voorgedragen door Onze Minister en als zodanig door het bestuur benoemd.

  • 3 Een besluit van het bestuur van de Stichting ROI strekkende tot wijziging van het doel van de Stichting, dan wel tot ontbinding van de Stichting, behoeft de toestemming van Onze Minister.

Artikel 3

Gedurende een termijn van ten hoogste vijf jaren na de overgangsdatum zuivert de Staat der Nederlanden eventuele exploitatietekorten van de Stichting ROI, onder door Onze Minister te bepalen voorwaarden, aan.

Artikel 4

  • 1 De vermogensbestanddelen van de Staat welke aan het Rijks Opleidingsinstituut worden toegerekend gaan op de overgangsdatum onder algemene titel over op de Stichting ROI.

  • 2 Onze Minister kan bepaalde vermogensbestanddelen van de in het eerste lid bedoelde overgang uitzonderen.

  • 3 Onze Minister van Financiën doet van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen door een registeraccountant of een accountant die een vergunning heeft als bedoeld in artikel 70b, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet op de Registeraccountants (Stb. 1962, 258), een verklaring opstellen, die door de Stichting ROI wordt neergelegd ten kantore van het handelsregister van de plaats waar zij volgens haar statuten haar zetel heeft.

  • 4 Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden. De daartoe nodige opgaven worden door de zorg van Onze Minister van Financiën aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.

Artikel 5

  • 1 Ieder personeelslid ten aanzien van wie Onze Minister niet anders heeft beslist, gaat over in dienst bij de Stichting ROI op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, ingaande op de overgangsdatum.

  • 2 De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd. Indien het personeelslid was aangesteld in tijdelijke dienst voor onbepaalde tijd of werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, geldt de arbeidsovereenkomst voor de niet-verstreken tijd van de aanstelling voor bepaalde tijd dan wel van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

  • 3 De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde in dienst bij het Rijks Opleidingsinstituut.

  • 4 De arbeidsvoorwaarden zullen in het geheel niet ongunstiger zijn dan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn dienstverband bij het Rijks Opleidingsinstituut. Onze Minister stelt nadere regels ter zake.

  • 5 Door het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst is het personeelslid van rechtswege eervol ontslagen uit de dienst van de Staat.

  • 6 In afwijking van het eerste lid komt op de overgangsdatum geen arbeidsovereenkomst tot stand met een personeelslid dat binnen een maand na het in werking treden van deze wet aan Onze Minister heeft medegedeeld dat het bezwaren heeft tegen de overgang in dienst bij de Stichting ROI, tenzij het voor de overgangsdatum de bezwaren heeft ingetrokken. Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot het onderzoek van de bezwaren. Onze Minister beslist op de bezwaren.

  • 7 Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren ongegrond verklaart, komt, tenzij het personeelslid binnen een week na de kennisgeving van de beslissing aan Onze Minister kenbaar maakt dit niet te willen, een arbeidsovereenkomst tot stand op de overgangsdatum dan wel, indien het einde van die week valt na de overgangsdatum, op de eerste dag van de volgende maand.

  • 8 Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, kan hij beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst bij de Stichting ROI. Indien Onze Minister niet een zodanige beslissing heeft genomen, komt, tenzij het personeelslid binnen een week na de kennisgeving van de beslissing aan Onze Minister kenbaar maakt dit niet te willen, een arbeidsovereenkomst tot stand op de overgangsdatum dan wel, indien het einde van de week valt na de overgangsdatum, op de eerste dag van de volgende maand. De inhoud van die arbeidsovereenkomst is in overeenstemming met de beslissing van Onze Minister.

  • 9 Indien het personeelslid op of na de overgangsdatum de bezwaren intrekt, komt een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste dag van de daarop volgende maand.

  • 10 Indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren ongegrond verklaart, komt, tenzij het personeelslid binnen een week na de kennisgeving van de beslissing aan Onze Minister kenbaar maakt dit niet te willen, een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste dag van de volgende maand.

  • 11 Indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, kan hij beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst bij de Stichting ROI, dan wel de Stichting ROI verplichten het personeelslid een arbeidsovereenkomst aan te bieden, waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing.

Artikel 6

  • 1 Met ingang van de datum waarop het personeel overgaat verkrijgt een personeelslid met wie een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 5, eerste lid, is gesloten, ter zake van de ouderdoms- en nabestaandenpensioenvoorziening aanspraken jegens een door de Stichting ROI aan te wijzen instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, dan wel onder c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet (Stb. 1952, 275), die gelijkwaardig zijn aan die welke het personeelslid op de laatste dag van de kalendermaand voorafgaand aan de overgangsdatum heeft jegens het Algemeen burgerlijk pensioenfonds krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540) en neemt de aangewezen instelling de daarmee verband houdende verplichtingen op zich.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde instelling wordt door de Stichting ROI op de overgangsdatum aangewezen.

  • 3 De aanspraken die een personeelslid als bedoeld in het eerste lid, toekomen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet en de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds jegens dit personeelslid vervallen op de overgangsdatum.

  • 4 Het derde lid is niet van toepassing op aanspraken

    • a. die door een personeelslid voor de overgangsdatum geldend zijn gemaakt of geldend hadden kunnen worden gemaakt;

    • b. die betrekking hebben op het recht op invaliditeitspensioen en het recht op de aanvulling daarvan, als bedoeld in artikel F9 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, van een personeelslid dat op de dag voorafgaande aan de overgangsdatum, blijkens een geneeskundig onderzoek als bedoeld in hoofdstuk P van de Algemene burgerlijke pensioenwet, wegens ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen, doch waarover nog geen beslissing door het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds is genomen.

  • 5 Het eerste, derde en vierde lid is van overeenkomstige toepassing op het personeelslid dat op grond van artikel 5, zevende tot en met het elfde lid, na de overgangsdatum overgaat in dienst bij de Stichting ROI, met dien verstande dat de bedoelde aanspraken ontstaan onderscheidenlijk vervallen met ingang van de dag waarop dit personeelslid in dienst treedt bij de Stichting ROI.

  • 6 Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt aan de in het eerste en tweede lid bedoelde instelling een deel van het vermogen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds over. Een deel van de overdrachtssom wordt bepaald op grond van de aanspraken op ouderdomspensioen die krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet ten behoeve van een personeelslid zijn opgebouwd tot en met de dag voorafgaande aan de datum van een indiensttreding bij de Stichting ROI. In de totale overdrachtssom is een aan bedoelde aanspraken evenredig aandeel in de voorziening voor nabestaandenpensioenen en in de algemene reserve begrepen, een en ander volgens een door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds op te stellen opgebouwde-aanspraken-balans. Het over te dragen vermogen heeft eenzelfde rendementspotentieel als het bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds achterblijvende vermogen.

  • 7 In afwijking van het zesde lid bedraagt het deel van de overdrachtssom dat betrekking heeft op een personeelslid dat voorafgaand aan de datum van indiensttreding wegens ziekte of gebreken ongeschikt is verklaard voor een eerder door hem vervulde functie, een percentage van het overeenkomstig het zesde lid ten aanzien van dat personeelslid berekende bedrag dat gelijk is aan het percentage van zijn resterende arbeidsgeschiktheid.

  • 8 Ter bepaling van de financiële gevolgen voor het Algemeen burgerlijk pensioenfonds van het vervallen van de verplichtingen jegens het uitgetreden personeelslid krachtens het derde lid en van de waardeoverdracht krachtens het zesde lid, maakt het Algemeen burgerlijk pensioenfonds een berekening van de waardeoverdracht indien deze gebaseerd zou zijn op de lasten-min-baten. Hiertoe wordt voor de overgangsdatum, een evenwichtige lasten-en-batenbalans opgesteld voor dit personeelslid. Als basisbijdragepercentage wordt op deze balans het percentage aangehouden dat in de toekomst nodig is om de nog op te bouwen rechten van gerechtigden op pensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet juist te dekken zonder rekening te houden met toekomstige inflatie. Als inhaalbijdragepercentage wordt het percentage gebruikt dat nodig is om de lasten-en-batenbalans van het fonds in evenwicht te brengen.

  • 9 Het verschil tussen de waardeoverdracht krachtens het zesde lid en de lasten-min-batenuitkomst krachtens het zevende lid wordt verrekend tussen het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en de Minister van Binnenlandse Zaken.

Artikel 7

Ter zake van de verkrijging van de vermogensbestanddelen van de Staat, bedoeld in artikel 4, en de vermogensoverdracht van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds aan de door de Stichting ROI aangewezen instelling als bedoeld in artikel 6, zesde lid, blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.

Artikel 8

Deze wet treedt inwerking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 9

Deze wet kan worden aangehaald als de Wet Stichting ROI.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 26 november 1992

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken,

C. I. Dales

Uitgegeven de tweeëntwintigste december 1992

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin