Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Geldend op 10-03-2009


De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling. Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van |< < > >| in de balk hierboven.

  • Artikel 2.5. Rijksbijdrage aan instellingen voor hoger onderwijs

    • 1.De rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt berekend op de grondslag van een algemene berekeningswijze en voorzover het betreft investeringen in gebouwen en terreinen, hetzij op de grondslag van die algemene berekeningswijze hetzij op de grondslag van een andere door Onze minister te bepalen wijze. Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de rijksbijdrage.

    • 1a.In afwijking van het eerste lid kan de rijksbijdrage worden berekend op de grondslag van een bijzondere berekeningswijze:

      • a. voor de universiteiten voorzover het betreft onderwijs gericht op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad, of

      • b. voorzover dit voortvloeit uit de artikelen 5 en 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg (Trb. 2001, 38).

    • 2.Onze minister kan aan de bekostiging van onderzoek aan universiteiten voorwaarden verbinden, verband houdend met de kwaliteitszorg.

    • 3.De rijksbijdrage wordt jaarlijks door Onze minister vastgesteld in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor dat begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan de rijksbijdrage van een hogeschool kan worden vermeerderd of verminderd wegens het in dienst nemen van personeel dat een uitkering na ontslag verwerft of zal verwerven, onderscheidenlijk wegens het beëindigen van het dienstverband van zodanig personeel.

    • 4.Indien het in het derde lid bedoelde onderdeel van de voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting wordt gewijzigd, wordt de rijksbijdrage door Onze minister nader vastgesteld.

    • 5.De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze minister te bepalen kasritme.

    • 6.Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze minister een voorschot verstrekt. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.