Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Geldend op 01-05-2002


De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling. Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van |< < > >| in de balk hierboven.

  • Artikel 16.26. Eerste toepassing bekostigingsbepalingen; afwijkende bekostiging

    • 1.Titel 2 van hoofdstuk 2 vindt voor de eerste maal toepassing ten aanzien van het eerste volle kalenderjaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

    • 2.Voor het begrotingsjaar voorafgaand aan het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar blijven de op de datum voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van kracht met betrekking tot de berekening en vaststelling van de rijksbijdrage alsmede ten aanzien van het afleggen van rekening en verantwoording.

    • 3.In afwijking van artikel 2.5, eerste lid, worden tot en met het begrotingsjaar 2002 de opleidingen op het gebied van de kunst, de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en de voortgezette kunstopleidingen en de voortgezette opleidingen bouwkunst, bedoeld in de artikel 7.4, vijfde lid, eerste en derde volzin, in verband met de aard van deze onderwijsvoorzieningen bekostigd op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze. De eerste volzin is niet van toepassing op de opleiding expressie door woord en gebaar en op de opleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in tekenen, handvaardigheid en textiele werkvormen.

    • 4.In afwijking van artikel 2.5, eerste lid, wordt de rijksbijdrage ten behoeve van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en ten behoeve van de Koninklijke Bibliotheek tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip berekend op een door Onze minister te bepalen wijze.