KruimelpadVorige
Volgende
Geldend op 29-09-2009
De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling.
Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van
in de balk hierboven.
1.Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door aangewezen instellingen, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden, voorzover aan die opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in de artikelen 7.10a en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.
2.Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen is bepaald in het vijfde lid, alsmede hetgeen is bepaald bij of krachtens deze wet ten aanzien van:
a. de kwaliteitszorg,
b. de registratie, het onderwijs, de examens en de promoties,
c. de vooropleidingseisen.
3.In aanvulling op het tweede lid geldt voor de lerarenopleidingen als voorwaarde dat de desbetreffende hogeschool in acht neemt hetgeen bij artikel 16.3 is bepaald.
4.Voorzover het een opleiding in de godgeleerdheid dan wel een opleiding gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een aangewezen instelling betreft, is in afwijking van het tweede lid voorwaarde, dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen is bepaald in het vijfde lid, alsmede hetgeen in deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg en de registratie en dat het onderwijs wordt geregeld bij of krachtens de statuten, de akte of het reglement van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de instelling uitgaat.
5.Het instellingsbestuur verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het instellingsbestuur doet Onze minister jaarlijks een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling en betrekt daarbij de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18, alsmede andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling.