Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Geldend van 01-01-2012 t/m 24-07-2012

Wet van 8 oktober 1992, houdende bepalingen met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de versterking van de kwaliteit, het vernieuwend vermogen alsmede de maatschappelijke gerichtheid van het bestel van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wenselijk is de zelfstandigheid van de instellingen te vergroten en daartoe de toedeling van bevoegdheden aan de rijksoverheid en de desbetreffende instellingen te herzien;

dat het voorts gewenst is dat de bestuurlijke betrekkingen die de rijksoverheid onderhoudt met die instellingen zo goed mogelijk op elkaar zijn afgestemd;

dat het daarvoor wenselijk is de afzonderlijke regelingen op het gebied van het bestel van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek samen te voegen tot een Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Titel 1. Definities en taakomschrijving

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze wet wordt verstaan onder:

  • a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

  • b. hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs;

  • c. wetenschappelijk onderwijs: onderwijs dat is gericht op de voorbereiding tot de zelfstandige beoefening van de wetenschap of de beroepsmatige toepassing van wetenschappelijke kennis en dat het inzicht in de samenhang van de wetenschappen bevordert;

  • d. hoger beroepsonderwijs: onderwijs dat is gericht op de overdracht van theoretische kennis en op de ontwikkeling van vaardigheden in nauwe aansluiting op de beroepspraktijk;

  • e. initieel onderwijs: hoger onderwijs als bedoeld in artikel 7.3a;

  • f. instelling: een instelling of rechtspersoon als bedoeld in artikel 1.2;

  • g. instelling voor hoger onderwijs: een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, of een rechtspersoon voor hoger onderwijs;

  • h. openbare instelling: een instelling die uitgaat van een publiekrechtelijke rechtspersoon;

  • i. bijzondere instelling: een instelling die uitgaat van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;

  • j. instellingsbestuur:

    • van een bekostigde instelling: het college van bestuur, tenzij anders bepaald;

    • van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die geaccrediteerde opleidingen verzorgt: het orgaan dat als zodanig in de statuten is aangewezen;

  • k. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar;

  • l. inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht;

  • m. opleiding: een bacheloropleiding of een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3 waarvoor accreditatie is verleend of die een toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan;

  • n. duale opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid,;

  • o. faculteit der geneeskunde: de faculteit waarin de opleidingen voor het beroep van arts zijn ingesteld;

  • p. [Red: vervallen;]

  • q. [Red: vervallen;]

  • r. accreditatieorgaan: de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, bedoeld in artikel 1 van het Accreditatieverdrag;

  • s. accreditatie: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een opleiding door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld;

  • t. toets nieuwe opleiding: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een voorgenomen opleiding door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld;

  • t1. instellingstoets kwaliteitszorg: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de interne kwaliteitszorg en de inzet tot verbetering van de resultaten van een instelling voor hoger onderwijs voor zover die betrekking heeft op de kwaliteit van haar opleidingen door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld;

  • u. studiepunt: een studiepunt in de zin van artikel 7.4, eerste lid;

  • v. Accreditatieverdrag: het op 3 september 2003 te Den Haag totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs (Trb. 2003, 167);

  • w. Ad-programma: het programma, bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid;

  • x. toets nieuw Ad-programma: de toets die tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een nieuw Ad-programma positief is beoordeeld;

  • x1. persoonsgebonden nummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 7.38, derde lid;

  • y. college van bestuur:

    • van een bijzondere instelling: het orgaan van de instelling dat als zodanig in de statuten is aangewezen;

    • van een openbare instelling: het orgaan van de instelling dat op grond van deze wet terzake bevoegd is;

  • z. graad: een graad als bedoeld in artikel 7.10a of artikel 7.18;

  • aa. rechtspersoon voor hoger onderwijs: een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die initiële opleidingen verzorgt met uitzondering van de Staat of een instelling of een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die postinitiële masteropleidingen verzorgt met uitzondering van de Staat;

  • bb. openbaar lichaam BES: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

Artikel 1.1a. Reikwijdte WHW

Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen BES.

Artikel 1.2. Reikwijdte

Deze wet heeft betrekking op:

  • a. de in artikel 1.8 bedoelde universiteiten, hogescholen, de Open Universiteit en de levensbeschouwelijke universiteiten,

  • b. rechtspersonen voor hoger onderwijs met volledige rechtsbevoegdheid die initiële opleidingen verzorgen met uitzondering van de Staat en rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die postinitiële masteropleidingen verzorgen met uitzondering van de Staat,

  • c. de in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde academische ziekenhuizen, en

  • d. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam en de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage.

Artikel 1.3. Instellingen voor hoger onderwijs

  • 1 Universiteiten zijn gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. In elk geval verzorgen zij initiële opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, verrichten zij wetenschappelijk onderzoek, voorzien zij in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper en dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij.

  • 2 Levensbeschouwelijke universiteiten zijn gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs voor een levensbeschouwelijk ambt of beroep. Zij verrichten wetenschappelijk onderzoek op levensbeschouwelijk terrein, voorzien in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker en dragen kennis over ten behoeve van de maatschappij.

  • 3 Hogescholen zijn gericht op het verzorgen van hoger beroepsonderwijs. Zij verrichten ontwerp- en ontwikkelactiviteiten of onderzoek gericht op de beroepspraktijk. Zij verzorgen in elk geval bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs, zij verzorgen in voorkomende gevallen masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs en zij dragen in elk geval kennis over ten behoeve van de maatschappij. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is gericht.

  • 4 De Open Universiteit is gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs, het, in overeenstemming met het profiel van de Open Universiteit, verrichten van wetenschappelijk onderzoek en onderzoek gericht op de beroepspraktijk, alsmede het leveren van een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. Zij verzorgt in elk geval initiële opleidingen. Zij verzorgt deze in de vorm van afstandsonderwijs.

  • 5 De universiteiten, levensbeschouwelijke universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit schenken mede aandacht aan de persoonlijke ontplooiing en aan de bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Zij richten zich in het kader van hun werkzaamheden op het gebied van het onderwijs wat betreft Nederlandstalige studenten mede op de bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands.

Artikel 1.4. Academische ziekenhuizen

  • 1 Academische ziekenhuizen zijn werkzaam op het gebied van de patiëntenzorg en staan mede ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aan de universiteiten waaraan zij zijn verbonden. Zij vervullen mede topklinische en topreferentiefuncties in de gezondheidszorg. Voorts verlenen zij medewerking aan de opleiding tot medisch specialist.

  • 2 De academische ziekenhuizen dragen er zorg voor dat er een educatieve voorziening is die het onderwijs aan een leerling die is opgenomen in het academisch ziekenhuis, kan ondersteunen, en die aan personeel van een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 180 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 166 van de Wet op de expertisecentra informatie verstrekt, die relevant is voor de door dat personeel te verlenen ondersteuning bij het onderwijs.

  • 3 Het ondersteunen van leerlingen, bedoeld in het tweede lid, kan in overeenstemming tussen de educatieve voorziening en de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de leerling betreffen.

  • 4 Het academisch ziekenhuis, de rechtspersoon die de educatieve voorziening, bedoeld in het tweede lid, in stand houdt en het personeel van de educatieve voorziening zijn gehouden aan de inspectie, alle gevraagde inlichtingen te geven omtrent de ondersteuning bij het onderwijs, bedoeld in het tweede en het derde lid.

Artikel 1.5. Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

  • 1 De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen is werkzaam op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek. In elk geval bevordert zij de uitwisseling van gedachten en informatie tussen haar leden onderling en tussen deze leden en andere wetenschapsbeoefenaren en wetenschappelijke organisaties, adviseert zij Onze minister desgevraagd of uit eigen beweging over aangelegenheden op het gebied van de wetenschapsbeoefening en bevordert zij de wetenschapsbeoefening door werkzaamheden op dat gebied te verrichten of te doen verrichten.

  • 2 De Koninklijke Bibliotheek is als de nationale bibliotheek werkzaam op het gebied van het bibliotheekwezen en de informatieverzorging, zowel ten behoeve van het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek als ten behoeve van het openbaar bestuur en de uitoefening van beroep of bedrijf. In elk geval draagt zij zorg voor de nationale bibliotheekverzameling, bevordert zij de totstandkoming en instandhouding van nationale voorzieningen op het vorengenoemde gebied en bevordert zij de afstemming met de overige wetenschappelijke bibliotheken.

Artikel 1.6. Academische vrijheid

Aan de instellingen wordt de academische vrijheid in acht genomen.

Artikel 1.7. Richtlijnen ethiek

Het instellingsbestuur stelt richtlijnen vast met betrekking tot de ethische aspecten verbonden aan de werkzaamheden van de instelling. Het stelt die richtlijnen niet vast dan na het advies te hebben ingewonnen van een door hem daartoe ingestelde commissie. Indien ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling gebruik wordt gemaakt van dieren dan wel mensen voor proeven, onderscheidenlijk voor demonstraties of proeven, hebben de richtlijnen daar mede betrekking op.

Titel 1a. Ruimte voor innovatie

Artikel 1.7a. Ruimte voor innovatie

TWK Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

  • 2 In geval van toepassing van het eerste lid worden bij algemene maatregel van bestuur in ieder geval bepaald:

    • a. het doel van het experiment,

    • b. op welke wijze van welke artikelen van de in het eerste lid genoemde hoofdstukken, titels of paragrafen wordt afgeweken,

    • c. de duur van het experiment, en

    • d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.

    De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

  • 4 Een experiment duurt ten hoogste zes jaar. Indien, voordat een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan Onze minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.

  • 5 Onze minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.

Terugwerkende kracht

Stb. 2012, 341, datum inwerkingtreding 25-07-2012, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-08-2011.

4 Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien, voordat een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan Onze minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.

6 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband tussen een instelling voor hoger onderwijs en een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, of artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. In geval van een samenwerkingsverband met een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs kan voor die instelling worden afgeweken van artikel 8.1.1 van die wet, indien hoofdstuk 7, titel 3, paragraaf 1, van deze wet van toepassing wordt verklaard.

Titel 2. De instellingen

Paragraaf 1. Bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Artikel 1.8. Opsomming bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

  • 3 Een wijziging van de statutaire naam van een stichting of vereniging, genoemd in de bijlage, is van kracht met ingang van het tijdstip waarop de wijziging schriftelijk aan Onze minister is medegedeeld.

Artikel 1.9. Bekostiging en graadverlening

  • 1 Ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs en, voorzover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek hebben de in de bijlage van deze wet onder a, c, h en j opgenomen instellingen, onderscheidenlijk rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, waarvan de overige in de bijlage van deze wet opgenomen instellingen uitgaan, aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas, voorzover aan de aan die instellingen verbonden opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Voor de toepassing van dit lid worden de ontwerp- en ontwikkelactiviteiten en onderzoek gericht op de beroepspraktijk, aan hogescholen gerekend tot het daarop betrekking hebbende onderwijs.

  • 2 Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door bekostigde instellingen, is een graad verbonden. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in de artikelen 7.10a en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.

  • 3 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste en tweede lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van:

    • a. de kwaliteitszorg,

    • b. de planning en bekostiging,

    • c. het personeel,

    • d. het onderwijsaanbod, de registratie, het onderwijs, de examens en de promoties,

    • e. de vooropleidings- of toelatingseisen,

    • f. de studenten en extraneï,

    • g. de rechtsbescherming van studenten en extraneï, en

    • h. het bestuur en de inrichting.

Artikel 1.10. Aard bepalingen

De bepalingen in deze wet die het openbaar hoger onderwijs regelen, gelden voor het bekostigde bijzonder hoger onderwijs als bekostigingsvoorwaarden, tenzij anders is bepaald.

Paragraaf 2. Rechtspersonen met geaccrediteerd initieel onderwijs.

Artikel 1.11. Aangewezen instellingen voor hoger onderwijs [Vervallen per 01-09-2010]

Artikel 1.12. Graadverlening

  • 1 Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden.

  • 2 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende rechtspersoon in acht neemt hetgeen is bepaald in het derde lid, alsmede hetgeen is bepaald bij of krachtens deze wet ten aanzien van:

    • a. de kwaliteitszorg,

    • b. de registratie, het onderwijs en de examens,

    • c. de vooropleidingseisen.

  • 3 Het bestuur van de rechtspersoon verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de rechtspersoon. Het bestuur van de rechtspersoon doet Onze minister jaarlijks een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de rechtspersoon en betrekt daarbij de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18, alsmede andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de rechtspersoon.

Paragraaf 2a. Instellingen of rechtspersonen met geaccrediteerd postinitieel onderwijs

Artikel 1.12a. Graadverlening postinitiële masteropleidingen

Aan de met goed gevolg afgelegde examens van een postinitiële masteropleiding, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs is een mastergraad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden. Artikel 1.12, tweede en derde lid, is van toepassing.

Paragraaf 3. Academische ziekenhuizen

Artikel 1.13. Academische ziekenhuizen; rechtspersoonlijkheid

  • 1 Bij elke in artikel 1.8 bedoelde universiteit die een opleiding voor het beroep van arts verzorgt, is een academisch ziekenhuis. De academische ziekenhuizen zijn opgenomen in onderdeel j van de bijlage van deze wet.

Artikel 1.14. Bekostiging academische ziekenhuizen

  • 1 De academische ziekenhuizen hebben ten behoeve van het vervullen van hun in deze wet opgedragen werkzaamheden ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aanspraak op een door Onze minister te bepalen deel van de rijksbijdrage die op grond van artikel 2.5 is vastgesteld voor de universiteit waaraan het academisch ziekenhuis is verbonden.

  • 2 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is, dat de desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet voor de academische ziekenhuizen bepaalde ten aanzien van:

    • a. de planning en bekostiging,

    • b. het personeel, en

    • c. het bestuur en de inrichting.

Artikel 1.15. Aard bepalingen

Paragraaf 4. Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

Artikel 1.16. Rechtspersoonlijkheid KNAW en KB

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek bezitten rechtspersoonlijkheid.

Artikel 1.17. Bekostiging

  • 1 De in artikel 1.16 genoemde instellingen voor wetenschappelijk onderzoek hebben aanspraak op een bijdrage uit ’s Rijks kas ten behoeve van het vervullen van hun bij deze wet opgedragen werkzaamheden.

  • 2 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet bepaalde ten aanzien van:

    • a. de kwaliteitszorg,

    • b. de planning en bekostiging,

    • c. het personeel, en

    • d. het bestuur en de inrichting.

  • 3 De voorwaarden, bedoeld in het tweede lid onder a, en onder b voor wat betreft de planning, hebben geen betrekking op de adviestaak van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Titel 3. Kwaliteitszorg

Artikel 1.18. Kwaliteitszorg

  • 1 Het instellingsbestuur van een in artikel 1.2, onder a, b en d, bedoelde instelling draagt er zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. De beoordeling bij instellingen voor hoger onderwijs geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten over de kwaliteit van het onderwijs van de instelling. Voorzover die beoordeling mede geschiedt door onafhankelijke deskundigen, zijn de uitkomsten daarvan openbaar. Indien het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in artikel 5a.13a, vindt de beoordeling ten minste plaats op basis van het deel van het accreditatiekader voor de instellingstoets kwaliteitszorg en de aspecten van kwaliteit, bedoeld in artikel 5a.13b, tweede lid.

  • 2 Onze minister ziet toe op de uitvoering van het eerste lid met uitzondering van de laatste volzin. Hij kan onderzoek laten verrichten naar de kwaliteit van de werkzaamheden van de instellingen voorzover het betreft de instellingen, bedoeld in artikel 1.2, onderdeel d.

  • 3 Het instellingsbestuur van een in artikel 1.2, onderdelen a en b, bedoelde instelling draagt er tevens zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de opleidingen. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing en de uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar. De beoordeling bevat een samenvattend oordeel. De beoordeling vindt ten minste plaats op basis van het deel van het accreditatiekader voor accreditatie op grond van artikel 5a.8 of artikel 5a.13f en de aspecten van kwaliteit, bedoeld in 5a.8, tweede lid, of 5a.13f, eerste lid.

  • 4 Het eerste lid, laatste volzin en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een rechtspersoon voor hoger onderwijs die geaccrediteerde postinitiële masteropleidingen verzorgt.

Titel 4. Overige voorschriften

Artikel 1.19. Nevenvestiging buitenland [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Artikel 1.20. Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven

  • 1 Indien het instellingsbestuur op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een minderjarige student van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.

  • 2 Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, doet het instellingsbestuur onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, en stelt het instellingsbestuur de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het instellingsbestuur overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken student, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.

  • 3 Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, stelt het personeelslid het instellingsbestuur daarvan onverwijld in kennis.

Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging

Artikel 2.1. Reikwijdte

  • 1 Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 2.13 en titel 5, heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen, de Open Universiteit, de levensbeschouwelijke universiteiten, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek.

Titel 1. Planning

Artikel 2.2. Instellingsplan

Het instellingsbestuur stelt eenmaal per zes jaren een plan met betrekking tot de instelling vast. Het plan geeft een omschrijving van de inhoud en de specificatie van het voorgenomen beleid van de instelling voor de duur van het plan. In het plan wordt aandacht besteed aan de voornemens in verband met de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het verbeteren van de inrichting van de opleidingen aan de instelling. Het instellingsbestuur maakt het plan openbaar.

Artikel 2.2a. Procedure en inhoud instellingsplan onderzoekinstellingen

  • 1 Het instellingsbestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en het instellingsbestuur van de Koninklijke Bibliotheek stellen in afwijking van artikel 2.2 een instellingsplan vast uiterlijk vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige plan en zenden dit na vaststelling onverwijld aan Onze minister.

  • 2 In het instellingsplan wordt rekening gehouden met het wetenschapsbudget, bedoeld in artikel 16a van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, de instellingsplannen van universiteiten, verkenningen, rapporten, adviezen en aanbevelingen een en ander voorzover die naar het oordeel van het instellingsbestuur van belang zijn voor de uitvoering van de taken van de instelling.

  • 3 Het instellingsplan omvat in elk geval:

    • a. de doelstellingen van de instelling voor wetenschappelijk onderzoek op middellange termijn,

    • b. de hoofdlijnen van het te voeren beleid en de daarin te stellen prioriteiten, en

    • c. de financiële, personele, materiële en organisatorische voorwaarden die moeten worden vervuld.

  • 4 Onze minister brengt zijn standpunt over het instellingsplan binnen zes maanden na ontvangst van het plan ter kennis van het instellingsbestuur. Onze minister doet daarvan en van het instellingsplan afschrift toekomen aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

  • 5 Onze minister kan zijn standpunt over het instellingsplan gedurende de looptijd daarvan wijzigen, indien de vaststelling van een nieuw wetenschapsbudget daartoe aanleiding geeft. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.3. Hoger onderwijs- en onderzoekplan

  • 1 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor onderwijs en onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, stelt mede op grondslag van de gegevens vermeld in de jaarverslagen omtrent het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instellingen een hoger onderwijs- en onderzoekplan vast. Het plan heeft betrekking op een tijdvak van ten minste vier jaren.

  • 2 Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat de voornemens ten aanzien van het door Onze minister te voeren beleid met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

  • 3 Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat voorts in ieder geval:

    • a. een overzicht van omstandigheden en gegevens die van belang zijn voor het met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te voeren beleid, en van de gewenste ontwikkelingen, daaronder mede begrepen wijzigingen ten aanzien van de maatschappelijke behoeften aan hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,

    • b. algemene voornemens die in de beleidregels, bedoeld in artikel 6.2, vierde lid, worden opgenomen, en

    • c. een financiële raming in verband met de bekostiging van de daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden van de instellingen.

Artikel 2.4. Vaststelling hoger onderwijs- en onderzoekplan

  • 1 Het hoger onderwijs- en onderzoekplan wordt vastgesteld uiterlijk vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige hoger onderwijs- en onderzoekplan. Na overleg met de beide Kamers der Staten-Generaal kan het hoger onderwijs- en onderzoekplan uiterlijk zes maanden na het tijdstip, bedoeld in de eerste volzin, worden vastgesteld.

  • 2 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap biedt uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het moment waarop het hoger onderwijs- en onderzoekplan uiterlijk moet zijn vastgesteld, een ontwerp van dat plan aan de beide Kamers der Staten-Generaal aan.

  • 3 Over de wijze waarop het vastgestelde plan wordt openbaar gemaakt, doet Onze minister mededeling in de Staatscourant.

Titel 2. Bekostiging

Artikel 2.5. Rijksbijdrage aan instellingen voor hoger onderwijs

  • 1 De rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt berekend op de grondslag van een algemene berekeningswijze. In afwijking van de eerste volzin kan de rijksbijdrage worden berekend op de grondslag van een bijzondere berekeningswijze, voorzover dit voortvloeit uit de artikelen 5 en 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg (Trb. 2001, 38).

  • 1a In afwijking van het eerste lid kan de rijksbijdrage worden berekend op de grondslag van een bijzondere berekeningswijze:

    • a. voor de universiteiten voorzover het betreft onderwijs gericht op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad, of

    • b. voorzover dit voortvloeit uit de artikelen 5 en 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg (Trb. 2001, 38).

  • 2 Onze minister kan aan de bekostiging van onderzoek aan universiteiten voorwaarden verbinden, verband houdend met de kwaliteitszorg.

  • 3 De rijksbijdrage wordt jaarlijks door Onze minister vastgesteld in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor dat begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting.

  • 4 Indien het in het derde lid bedoelde onderdeel van de voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting wordt gewijzigd, wordt de rijksbijdrage door Onze minister nader vastgesteld.

  • 5 De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze minister te bepalen kasritme.

  • 6 Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze minister een voorschot verstrekt. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.6. Berekening rijksbijdrage

  • 1 De in artikel 2.5, eerste lid, bedoelde algemene berekeningswijze wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. De algemene berekeningswijze bevat voor alle instellingen of voor groepen van instellingen gelijkelijk geldende maatstaven. Deze maatstaven hebben betrekking op de aard en omvang van de werkzaamheden en op de uitvoering daarvan.

  • 2 De bijzondere berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.5, lid 1a, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. In die algemene maatregel van bestuur wordt tevens vastgesteld ten aanzien van welk onderwijs dat artikellid toepassing vindt. De bijzondere berekeningswijze bevat maatstaven die in elk geval betrekking hebben op de studieresultaten.

  • 3 Wat betreft de instellingen voor hoger onderwijs, met uitzondering van de Open Universiteit, hebben de maatstaven in elk geval betrekking op het aantal studenten en op de studieresultaten. De maatstaven kunnen verschillen per opleiding of groepen van opleidingen.

  • 4 De maatstaven voor bekostiging van het wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten hebben in ieder geval betrekking op de maatschappelijke en wetenschappelijke behoefte aan het onderzoek, waarbij rekening wordt gehouden met het profiel van de instellingen alsmede op de kwaliteit van het onderzoek.

  • 5 Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste en tweede lid voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.

Artikel 2.6a. Rijksbijdrage aan instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

  • 1 De inkomsten van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van de Koninklijke Bibliotheek bestaan uit:

    • a. de bijdrage uit 's Rijks kas,

    • b. inkomsten, die samenhangen met voorzieningen waarvoor de rijksbijdrage is verleend, en

    • c. andere inkomsten.

  • 2 De rijksbijdrage wordt vastgesteld of nader vastgesteld door de vaststelling of nadere vaststelling bij de wet van het hoofdstuk van de rijksbegroting waarop zij is voorgesteld.

  • 3 De rijksbijdrage wordt betaald in zodanige termijnen en tot zodanige bedragen als voor het doen van de betalingen door de instelling nodig is.

  • 4 Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop een voorschot betaald overeenkomstig door Onze minister te stellen regels.

  • 5 Bij vaststelling van de rijksbijdrage blijven inkomsten als bedoeld in het eerste lid, onder c, buiten beschouwing.

  • 6 Onze minister stelt regels met betrekking tot de bestemming van saldi die voortvloeien uit de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b.

Artikel 2.7. Mededeling geraamde en bekendmaking vastgestelde rijksbijdrage

  • 1 Onze minister maakt aan elke instelling, bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, jaarlijks uiterlijk in oktober bekend welke rijksbijdrage voor het komende begrotingsjaar voorlopig kan worden verwacht. Hij deelt daarbij mede op welke wijze de geraamde rijksbijdrage is berekend.

  • 2 Onze minister maakt aan elke instelling zo spoedig mogelijk na de in artikel 2.5, derde lid, bedoelde vaststelling bekend, welke rijksbijdrage voor de instelling is vastgesteld.

  • 3 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 2.5, vierde lid, bedoelde nadere vaststelling van de rijksbijdrage.

Artikel 2.7a. Aanvullende rijksbijdrage in verband met kwaliteit en studeerbaarheid [Vervallen per 11-05-2001]

Artikel 2.8. Begroting

  • 1 Het instellingsbestuur stelt jaarlijks, voorafgaand aan het desbetreffende begrotingsjaar, voor de instelling een begroting vast. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar. Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit, neemt bij de vaststelling van de begroting, onderscheidenlijk wijziging van de begroting de vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve van het academisch ziekenhuis in acht.

  • 2 De begroting behelst een raming van de inkomsten en uitgaven alsmede van de baten en lasten van de instelling en dient in evenwicht te zijn. In de begroting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en die van de Koninklijke Bibliotheek is een allocatie van middelen opgenomen die in overeenstemming is met het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2a. De in de begroting voorziene inkomsten uit de rijksbijdrage sluiten aan op de voor het desbetreffende begrotingsjaar door Onze minister geraamde, onderscheidenlijk vastgestelde en in voorkomende gevallen nader vastgestelde rijksbijdrage.

  • 3 Het instellingsbestuur draagt zorg voor wijziging van de begroting indien de vastgestelde rijksbijdrage afwijkt van de in de begroting opgenomen geraamde rijksbijdrage, alsmede in geval van een nader vastgestelde rijksbijdrage.

  • 4 Het instellingsbestuur doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de vastgestelde of gewijzigde begroting.

  • 5 Af- en overschrijving op de uitgaafposten van de begroting kunnen door het instellingsbestuur geschieden in de gevallen, voorzien in de door dat bestuur terzake vast te stellen regels.

Artikel 2.9. Verslaglegging

  • 1 Het instellingsbestuur dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze minister een verslag in. Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende begroting, het jaarverslag en overige financiële gegevens, alsmede een verantwoording over de wijze waarop van een branchecode voor goed bestuur is afgeweken, voor zover een zodanige code overeenkomstig artikel 2.14 is aangewezen. Uit het verslag dient te blijken in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend en van een doelmatige aanwending van de rijksbijdrage, mede in het licht van het instellingsplan. Van niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake, voorzover bedragen daaruit worden aangewend voor het uitvoeren van de procedure voor erkenning van verworven competenties het op enigerlei wijze compenseren van studenten of extraneï voor collegegeld, examengeld, cursusgeld of wat de hogescholen betreft het instellingscollegegeld, bedoeld in artikel 7.46, tweede lid, anders dan op grond van de tweede volzin van dat lid of artikel 7.51.

  • 2 In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van het financiële beheer van de instelling over het voorafgaande begrotingsjaar. Het jaarverslag omvat mede het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instelling, mede in het licht van de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18 en andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. Aan het jaarverslag van een universiteit waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden, wordt het in artikel 12.21 bedoelde document toegevoegd, dan wel, indien het een bijzondere universiteit betreft, een overzicht van de voornemens betreffende de onderlinge afstemming van de werkzaamheden van de universiteit en het academisch ziekenhuis op het gebied van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Toepassing van de voorgaande volzin blijft achterwege indien het document, onderscheidenlijk het overzicht reeds aan een eerder jaarverslag is toegevoegd en het sindsdien niet is gewijzigd of opnieuw is vastgesteld.

  • 3 Indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend, niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend, kan Onze minister bepalen, dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage. Hij maakt dit binnen een jaar na de ontvangst van de jaarrekening bekend aan het instellingsbestuur.

  • 4 Het resultaat van het verslagjaar wordt verrekend met de algemene reserve van de instelling.

  • 5 De leden van het college van bestuur of het algemeen bestuur van een rechtspersoonlijkheid bezittende openbare instelling zijn persoonlijk aansprakelijk jegens de instelling voor schade ten gevolge van uitgaven die zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, voorzover Onze minister heeft bepaald dat de met die uitgaven gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage, tenzij blijkt dat zij aan het doen van die uitgaven niet hebben medegewerkt. Indien binnen een door Onze minister te bepalen termijn geen rechtsvordering van de zijde van de instelling terzake is gesteld, kan Onze minister daartoe overgaan namens en ten behoeve van de instelling.

Artikel 2.9a. Verrekening van vorderingen

Onze Minister is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd gezag van een instelling met vorderingen van of op Onze Minister krachtens een andere wet.

Artikel 2.10. Informatieplicht en doelmatigheidscontrole ministeriële accountant

De accountant die door Onze minister is belast met het onderzoek van de ministeriële jaarrekening, heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot elke instelling. De accountant kan door Onze minister tevens worden belast met een onderzoek naar de doelmatigheid van het beheer van de instelling. Aan de accountant worden alle inlichtingen verstrekt die hij voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.

Artikel 2.10a. Controleprotocol

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de controle van de jaarrekening, de besteding van de rijksbijdrage en de door de instellingen opgegeven bekostigingsgegevens.

Artikel 2.11. Bijzondere bepaling universitaire eerstegraadslerarenopleidingen [Vervallen per 01-09-2010]

Artikel 2.12. Bijzondere bepaling academische ziekenhuizen

Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit betaalt, zodra de in artikel 2.5 bedoelde betaling van de rijksbijdrage dan wel betaling van een voorschot daarop is ontvangen, aan het met dieuniversiteit verbonden academisch ziekenhuis onverwijld het gedeelte van de rijksbijdrage waarop het academisch ziekenhuis op grond van artikel 1.14, eerste lid, aanspraak heeft.

Artikel 2.13. Buitengebruikstelling gebouwen en terreinen

  • 1 Het instellingsbestuur dat voornemens is om gebouwen of terreinen ten behoeve waarvan een rijksbijdrage is verleend, blijvend niet meer voor de instelling te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan Onze minister.

  • 2 Onze minister kan binnen negentig dagen na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, beslissen dat de gebouwen of terreinen worden overgedragen aan het Rijk dan wel ten behoeve van onderwijs of onderzoek aan een andere door hem aan te wijzen rechtspersoon. De overdracht geschiedt door de inschrijving van de desbetreffende beslissing van Onze minister in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3 Het instellingsbestuur kan de gebouwen of terreinen niet verhuren, vervreemden of aan enig beperkt recht onderwerpen tenzij Onze minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, mededeelt van zijn in het tweede lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik te maken.

  • 4 Bij de overgang van de eigendom van gebouwen of terreinen ingevolge het tweede lid, vergoedt het Rijk, voorzover deze gebouwen of terreinen door de rechtspersoon uit eigen middelen zijn betaald en hiervoor geen rijksbijdrage werd verstrekt, een door Onze minister te bepalen bedrag. Onze minister stelt dit bedrag vast in verhouding tot de waarde in het economisch verkeer van die gebouwen of terreinen.

Titel 3. Inrichting verslag en aanwijzing branchecode

Artikel 2.14. Inrichting verslag en aanwijzing branchecode

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld voor de inrichting van het verslag en bij algemene maatregel van bestuur kunnen een of meer branchecodes voor goed bestuur worden aangewezen.

Titel 4. Bijzondere bepalingen in verband met investeringen en leningen

Artikel 2.15. Waarborgfonds hogescholen [Vervallen per 01-09-2010]

Artikel 2.16. Opheffing instellingen

  • 1 Bij de opheffing van een openbare instelling en bij de beëindiging van de bekostiging van een bijzondere instelling, draagt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk na de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening wordt aan Onze minister gezonden en gaat vergezeld van een verklaring van een door hem aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 2 Tenzij met Onze minister een andere regeling wordt getroffen, is het instellingsbestuur aan het Rijk een bedrag verschuldigd, indien de eindafrekening een batig saldo bevat. Het bedrag wordt door Onze minister vastgesteld en mag niet hoger zijn dan het saldo van de eindafrekening. Bij de vaststelling van het bedrag wordt rekening gehouden met door het instellingsbestuur uit de eigen middelen aan investeringen bestede gelden.

  • 3 Bij de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging als bedoeld in het eerste lid, maakt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk aan Onze minister bekend welke maatregelen het heeft genomen teneinde te waarborgen dat de aan die instelling ingeschreven studenten de opleiding aan een andere instelling kunnen voltooien.

Artikel 2.17. Beheer van de middelen

Het instellingsbestuur beheert de middelen van de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd.

Titel 5. Subsidiëring academische ziekenhuizen ten behoeve van de educatieve voorziening

Artikel 2.18. Subsidie educatieve voorziening

  • 2 De hoogte van de subsidie aan het academisch ziekenhuis dan wel aan het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, wordt bepaald op basis van het leerlingenaantal dat het gemiddelde is van de hoogste dagtellingen in de maanden september tot en met april van het schooljaar 1994–1995 van leerlingen van scholen als bedoeld in artikel 2, tweede lid onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, die waren opgenomen in het desbetreffende academisch ziekenhuis, en een bedrag per leerling.

  • 3 Het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die een educatieve voorziening in stand houdt, ontvangt de subsidie, bedoeld in het tweede lid, onder de voorwaarde dat op de aan deze subsidie gerelateerde formatieplaatsen personeel wordt benoemd, dat op 31 juli 1999 was benoemd aan een of meer van de scholen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, tenzij het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt aantoont dat met betrekking tot een formatieplaats geen lid van dat personeel beschikbaar was dat de formatieplaats aanvaardde. Deze benoemingsverplichting geldt voor de betrekkingsomvang die voor de desbetreffende personeelsleden gold aan die scholen.

Artikel 2.19. Begroting en verslaglegging

Met betrekking tot de educatieve voorziening, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, stelt het bestuur van een academisch ziekenhuis dan wel het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, jaarlijks voor 1 juli een begroting voor het volgende jaar en een jaarverslag over het afgelopen jaar vast en zendt die aan Onze minister. Onze minister kan een richtlijn vaststellen voor de inrichting van de begroting en het jaarverslag.

Artikel 2.20. Controle en terugvordering

  • 1 Binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar waarover de subsidie is toegekend, legt het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over aan Onze minister, waaruit blijkt in hoeverre de toegekende subsidie is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet.

  • 2 Voorzover niet uit de verklaring, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de subsidie is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet, vordert Onze minister het desbetreffende bedrag terug.

Hoofdstuk 3. Overleg

Artikel 3.1. Algemeen overleg

  • 1 Onze minister pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van de bekostigde universiteiten en hogescholen, de Open Universiteit, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek over aangelegenheden van algemeen beleid met betrekking tot die instellingen.

  • 2 Onze minister pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van de bekostigde universiteiten waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden en van de academische ziekenhuizen over aangelegenheden van algemeen beleid betreffende de academische ziekenhuizen dan wel betreffende de academische ziekenhuizen en de universiteiten gezamenlijk.

Artikel 3.2. Overleg met afzonderlijke instellingen

Onze minister neemt besluiten als bedoeld in de artikelen 2.9, vierde lid, 2.13, tweede en vierde lid, en 7.56, eerste lid, onder b, niet dan na het betrokken instellingsbestuur in de gelegenheid te hebben gesteld met hem te overleggen over zijn desbetreffend voornemen.

Artikel 3.3. Overleg met studentenorganisaties

  • 1 Onze minister pleegt geregeld overleg met de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties van studenten over aangelegenheden van algemeen belang voor studenten.

  • 2 Onze minister treft een regeling ter financiële ondersteuning van de vertegenwoordigers van de in het eerste lid bedoelde belangenorganisaties, in verband met door hen te verrichten werkzaamheden.

Hoofdstuk 4. Het personeel

Artikel 4.1. Reikwijdte

  • 1 Dit hoofdstuk heeft betrekking op universiteiten, hogescholen, de Open Universiteiten en de levensbeschouwelijke universiteiten.

  • 2 Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 4.2, tweede en derde lid, heeft tevens betrekking op de academische ziekenhuizen, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek.

Artikel 4.2. Personeelsbeleid

  • 1 Het instellingsbestuur bepaalt het personeelsbeleid en voert het personeelsbeheer. Het neemt daarbij de bij of krachtens de wet gegeven voorschriften alsmede de eisen van zorgvuldigheid in acht.

  • 2 Het instellingsbestuur van een universiteit, een hogeschool of de Open Universiteit stelt ten behoeve van de leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek van elke van het instellingsbestuur uitgaande instelling, indien daaraan van een ondervertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek sprake is, eenmaal in de 4 jaar een document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies vast.

  • 3 Het document bevat streefcijfers, met inbegrip van een bepaald tijdvak waarbinnen deze streefcijfers worden gerealiseerd, aan de hand waarvan door het instellingsbestuur een beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies wordt gevoerd, opdat in deze functies vrouwen en mannen naar evenredigheid werkzaam zullen zijn. Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het personeel op het gebied van onderwijs en onderzoek dat werkzaam is in het door de instelling verzorgde onderwijs en onderzoek, zoals die blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze minister gepubliceerde cijfers. Het document vermeldt tevens de maatregelen die het instellingsbestuur heeft genomen en zal nemen teneinde de in de eerste volzin bedoelde streefcijfers te realiseren en geeft een overzicht van de beoogde en bereikte resultaten van het beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies gedurende de periode waarvoor het document geldt, onderscheidenlijk de periode waarvoor het vorige document gold.

  • 4 Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat een exemplaar van het document in het gebouw van de instelling ter inzage wordt gelegd op een voor het personeel en de studenten toegankelijke plaats, alsmede dat een exemplaar wordt bewaard bij de administratie van de instelling.

Artikel 4.3. Georganiseerd overleg [Vervallen per 03-08-2005]

Artikel 4.4 [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 4.5. Regeling van de rechtspositie

  • 1 Met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels als bedoeld in het tweede en derde lid regelt het instellingsbestuur van een openbare instelling de rechtspositie van het personeel en draagt het instellingsbestuur van een bijzondere instelling zorg voor de regeling van de rechtspositie van het personeel.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende:

    • a. salarisschalen en uitgangspunten waaraan een door het instellingsbestuur in te richten functiewaarderingssysteem moet voldoen, onderscheidenlijk

    • b. rechten en plichten van het personeel en het instellingsbestuur bij ziekte, bevalling, zwangerschap, arbeidsongeschiktheid en ontslag, voorzover deze bij wet voorgeschreven rechten en verplichtingen te boven gaan, dan wel de voorwaarden waaronder het instellingsbestuur deze rechten en plichten zelf regelt dan wel voor de regeling daarvan zorg draagt.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende algemene arbeidsduur.

  • 4 Onder regeling van de rechtspositie als bedoeld in het eerste lid wordt tevens begrepen het vaststellen van bepalingen inzake benoeming, schorsing, disciplinaire maatregelen en ontslag van personeel. De bepalingen omtrent ontslag mogen het personeel van de openbare instellingen niet minder rechten verschaffen dan die welke voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de bepalingen van dwingend recht van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 5 Over de regelingen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel van de desbetreffende instelling, wordt door of namens het instellingsbestuur overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel, op een met deze schriftelijk overeengekomen wijze. In geval van een geschil over de deelneming aan het overleg, bedoeld in de vorige volzin, alsmede in geval van een geschil over de aard, de inhoud en de organisatie van het overleg leggen de betrokken partijen het geschil voor aan een geschillencommissie. Deze geschillencommissie bestaat uit drie personen, die door de partijen gezamenlijk worden aangewezen. De uitspraak van de geschillencommissie heeft bindende kracht.

Artikel 4.6 [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 4.7. Commissies van beroep personeel bijzondere instellingen

  • 1 Elke bijzondere instelling is aangesloten bij een commissie van beroep, waarbij door elk personeelslid van die instelling dat rechtstreeks in zijn belang is getroffen, beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing, door of namens het instellingsbestuur genomen, inhoudende:

    • a. een disciplinaire maatregel,

    • b. schorsing,

    • c. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt,

    • d. het direct of indirect onthouden van bevordering, of

    • e. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband.

  • 2 Een commissie van beroep strekt haar werkzaamheden uit over een of meer instellingen.

  • 3 De commissie bestaat uit een even aantal gewone leden en, wanneer dit in het beroepsreglement is bepaald, evenveel plaatsvervangende leden, een voorzitter, tevens lid, en, wanneer dit in het beroepsreglement is bepaald, een of meer plaatsvervangende voorzitters. De besturen en het personeel van de aangesloten instellingen benoemen onderscheidenlijk kiezen elk de helft van het aantal gewone leden en plaatsvervangende leden. De gewone leden kiezen de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of voorzitters. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of voorzitters en de overige leden en de eventuele plaatsvervangende leden worden benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar.

  • 4 De leden en de eventuele plaatsvervangende leden van de commissie van beroep mogen geen lid zijn van het bestuur van een aangesloten instelling noch deel uitmaken van het personeel van de vereniging of stichting waarvan die instelling uitgaat.

  • 5 Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van de commissie van beroep ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich terzake te doen horen.

  • 6 De uitspraak van de commissie van beroep is voor het instellingsbestuur bindend.

  • 7 De besturen van de aangesloten instellingen stellen voor de commissie van beroep een beroepsreglement vast, dat erin voorziet dat een onpartijdig en onafhankelijk functioneren van de commissie is gewaarborgd. Bij of krachtens het beroepsreglement worden geregeld:

    • a. de omvang en samenstelling van de commissie van beroep,

    • b. de zittingstermijn van de leden en eventuele plaatsvervangende leden van de commissie van beroep,

    • c. de wijze waarop het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap eindigt,

    • d. de rechtsgang bij de commissie van beroep, daaronder begrepen de inhoud en indiening van het beroepschrift, de behandeling ter zitting en de voorbereiding daarvan, de uitspraak alsmede de mogelijkheden van verzet, voorlopige voorziening en herziening van uitspraken, alsmede

    • e. de wijze waarop in het secretariaat van de commissie van beroep wordt voorzien.

  • 8 Het beroepsreglement wordt niet gewijzigd dan nadat de commissie van beroep over de voorgenomen wijziging is gehoord.

  • 9 Tijdens de behandeling door de commissie van beroep loopt geen verjaring met betrekking tot rechtsvorderingen terzake van beslissingen die aan het oordeel van de commissie van beroep zijn onderworpen.

Hoofdstuk 5. Het toezicht [Vervallen per 01-09-2002]

Artikel 5.1. Opdracht tot toezicht, inspectie [Vervallen per 01-09-2002]

Artikel 5.2. Uitoefening toezicht door inspectie [Vervallen per 01-09-2002]

Artikel 5.3. Commissies van onafhankelijke deskundigen [Vervallen per 01-09-2002]

Artikel 5.4. Toegang en inlichtingen inspectie en leden commissies [Vervallen per 11-05-2001]

Artikel 5.5. Uitoefening toezicht in overleg met andere ministers [Vervallen per 01-09-2002]

Hoofdstuk 5a. Accreditatie in het hoger onderwijs

Artikel 5a.1. Reikwijdte

  • 1 Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten.

  • 2 Dit hoofdstuk heeft tevens betrekking op de rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die geaccrediteerde initiële of postinitiële opleidingen verzorgen of willen verzorgen.

Titel 1. Accreditatieorgaan

Artikel 5a.2. Instelling en taken accreditatieorgaan

  • 1 Er is een accreditatieorgaan dat is belast met activiteiten in het kader van het verlenen van accreditatie, de toets nieuwe opleiding en de instellingstoets kwaliteitszorg op grond van titel 2 of 2a van dit hoofdstuk. Het accreditatieorgaan bezit rechtspersoonlijkheid.

  • 2 Het accreditatieorgaan is tevens belast met het instellen van een commissie van deskundigen, die adviseert over de aanvraag om toets nieuwe opleiding of de instellingstoets kwaliteitszorg. Daarnaast stemt het accreditatieorgaan in met een door het instellingsbestuur samengestelde commissie van deskundigen, voor de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, ten behoeve van de aanvraag om accreditatie, indien het accreditatieorgaan zich ervan verzekerd heeft dat de commissie van deskundigen onafhankelijk en deskundig is. Van de in de vorige volzinnen bedoelde commissies van deskundigen maakt een student deel uit.

  • 4 Het accreditatieorgaan rapporteert desgevraagd aan Onze minister over de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs met het oog op de vergelijkbaarheid aan de hand van zijn beoordelingen op grond van dit hoofdstuk. Het accreditatieorgaan doet op grond daarvan voorstellen die hij in het belang van de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs nodig acht.

  • 5 Het accreditatieorgaan heeft tevens tot taak het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, te bespreken met instanties in de Europese landen, in het bijzonder met instanties in de grenslanden.

  • 6 Bij ministeriële regeling worden de overige werkzaamheden bepaald die het accreditatieorgaan verricht in verband met het beoordelen van ander onderwijs dan hoger onderwijs of in verband met opdrachten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Accreditatieverdrag.

Artikel 5a.2a. Accreditatiekader

  • 1 Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor het verlenen van accreditatie, toets nieuwe opleiding en instellingstoets kwaliteitszorg en de uitwerking van de criteria, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, 5a.10a, tweede lid, 5a.13b, tweede lid, 5a.13f, eerste lid en 5a.13g, eerste lid, vast in het accreditatiekader, waarbij voor de beoordeling ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, tussen bacheloropleidingen en masteropleidingen en waarbij het verschil in de wijze van beoordeling van aanvragen op grond van titel 2a ten opzichte van titel 2 wordt opgenomen.

  • 2 Alvorens het accreditatiekader vast te stellen of te wijzigen, voert het accreditatieorgaan overleg met vertegenwoordigers van de instellingen en andere betrokkenen, waaronder studentenorganisaties als bedoeld in artikel 3.3 en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel.

  • 3 Het accreditatiekader of een wijziging daarvan behoeft de goedkeuring van Onze minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Onze minister verleent zijn goedkeuring niet dan nadat vier weken zijn verstreken nadat zijn voornemen daartoe aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen 17 weken na de verzending ter goedkeuring bekendgemaakt aan het accreditatieorgaan.

  • 4 Het accreditatiekader of de wijziging daarvan wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 5a.3. Voordracht bestuursleden accreditatieorgaan

  • 1 Voordat Onze minister een voordracht doet voor bestuursleden als bedoeld in artikel 5 van het Accreditatieverdrag, worden de gezamenlijke instellingen, bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel gehoord.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het horen van de gezamenlijke studentenorganisaties, bedoeld in artikel 3.3, in verband met de voordracht van twee bestuursleden.

  • 3 De bestuursleden die door Onze minister worden voorgedragen zijn geen aan Onze minister ondergeschikte ambtenaren.

  • 4 Voordat het Comité van Ministers, bedoeld in het Accreditatieverdrag, een door Onze minister voorgedragen bestuurslid schorst of ontslaat, worden de instellingen en vakorganisaties, bedoeld in het eerste lid, door Onze minister gehoord.

Artikel 5a.3a. Vergaderingen accreditatieorgaan [Vervallen per 01-01-2011]

Artikel 5a.4. Bezoldiging of schadeloosstelling [Vervallen per 01-09-2010]

Artikel 5a.5. Personeel [Vervallen per 01-09-2010]

Artikel 5a.6. Begroting [Vervallen per 01-09-2010]

Artikel 5a.6a. Inrichting begroting [Vervallen per 01-09-2010]

Artikel 5a.6b. Financiële middelen

  • 1 Onze minister stelt jaarlijks aan het accreditatieorgaan ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap overeenkomstig de artikelen 14 en 15, derde lid, van het Accreditatieverdrag financiële middelen ter beschikking voor de vervulling van zijn taken, voortvloeiend uit artikel 1, eerste en tweede lid, van het Accreditatieverdrag.

  • 2 Onze minister stelt jaarlijks voor 1 september van enig kalenderjaar, doch niet dan nadat hij daarover met het accreditatieorgaan heeft overlegd, het bedrag vast dat voor het daaropvolgende kalenderjaar aan het accreditatieorgaan ter beschikking zal worden gesteld en neemt dit bedrag op in het voorstel van wet tot vaststelling van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

  • 3 Het boekjaar van het accreditatieorgaan valt samen met het kalenderjaar.

  • 4 Zolang de wet tot vaststelling van de begroting, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet in werking is getreden, verstrekt Onze minister met ingang van het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, in de vorm van maandelijkse termijnen een voorschot aan het accreditatieorgaan tot een maximum van het bedrag, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 5a.6c. Voorafgaande instemming [Vervallen per 01-09-2010]

Artikel 5a.6d. Egalisatiereserve [Vervallen per 01-09-2010]

Artikel 5a.7. Jaarverslag [Vervallen per 01-09-2010]

Artikel 5a.7a. Jaarrekening [Vervallen per 01-09-2010]

Artikel 5a.7b. Inrichting jaarrekening [Vervallen per 01-09-2010]

Titel 2. Accreditatie en toets nieuwe opleiding

Artikel 5a.8. Uitgebreide beoordelingscriteria voor verlenen van accreditatie

  • 1 In het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, worden voor het verlenen van accreditatie op grond van dit artikel door het accreditatieorgaan vastgelegd:

    • a. de gegevens die het instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om accreditatie,

    • b. de wijze waarop de onafhankelijkheid van de beoordeling wordt gewaarborgd,

    • c. de procedure voor het instemmen met een commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 5a.2, tweede lid, en

    • d. de voorwaarden voor het verlenen van de oordelen onvoldoende, voldoende, goed en excellent aan de onderdelen, bedoeld in het tweede lid.

  • 2 Bij de beoordeling van de aanvraag om accreditatie wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op de opleiding, waarbij ten minste worden beoordeeld:

    • a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is,

    • b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma,

    • c. het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, alsmede de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten,

    • d. de kwaliteit en kwantiteit van het ingezette personeel alsmede het personeelsbeleid dat van invloed is op de kwaliteit van de opleiding,

    • e. de opleidingsspecifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen, en

    • f. de opzet en organisatie van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding.

Artikel 5a.8a. Bekendmaking beoordelende instanties [Vervallen per 01-01-2011]

Artikel 5a.9. Accreditatie opleiding

  • 1 Accreditatie wordt verleend op aanvraag van het instellingsbestuur.

  • 2 Een aanvraag om accreditatie wordt ten minste een jaar voor de vervaldatum van het vorige besluit tot het verlenen van accreditatie of van het besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding, bij het accreditatieorgaan ingediend.

  • 3 Het besluit tot het verlenen van accreditatie wordt gebaseerd op de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid.

  • 4 Het accreditatieorgaan neemt binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag om accreditatie een besluit. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop het vorige besluit tot het verlenen van accreditatie of het besluit tot het verlenen van toets nieuwe opleiding vervalt.

  • 6 Indien het accreditatieorgaan besluit dat geen accreditatie wordt verleend omdat bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, door de onafhankelijke deskundigen artikel 1.18, derde lid, vierde volzin, niet in acht is genomen, treedt, in afwijking van het vierde lid, dat besluit in werking met ingang van de dag van bekendmaking daarvan en kan binnen een jaar na die bekendmaking, een nieuwe aanvraag om accreditatie worden ingediend. In afwijking van het zevende lid, is de periode van de accreditatie alsdan verlengd tot het moment dat, onder de voorwaarden van het achtste lid, op de aanvraag om accreditatie is beslist.

  • 7 Het besluit tot het verlenen van accreditatie vervalt zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het besluit.

  • 8 Indien een instellingsbestuur binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, een aanvraag om accreditatie heeft ingediend, is, in afwijking van het zevende lid, de periode van de accreditatie verlengd tot het moment dat op de aanvraag om accreditatie is beslist indien het accreditatieorgaan niet voor afloop van de periode, bedoeld in het zevende lid, een besluit heeft genomen. In dat geval wordt de periode van de accreditatie verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar het accreditatieorgaan niet voor afloop van de periode, bedoeld in het zevende lid, een besluit heeft genomen. In dat geval wordt de periode van de accreditatie verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar.

  • 9 De instelling is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de aanvraag om accreditatie overeenkomstig een door Onze minister, na overleg met het accreditatieorgaan, vast te stellen tarief.

Artikel 5a.10. Accreditatierapport

  • 1 Het accreditatieorgaan legt haar oordeel vast in een accreditatierapport dat bestaat uit de volgende onderdelen:

    • a. het besluit op de aanvraag om accreditatie,

    • b. de bevindingen naar aanleiding van de beoordeling van de opleiding, bedoeld in artikel 5a.9, derde lid,

    • c. een eindoordeel onvoldoende, voldoende, goed of excellent voor de opleiding, of

    • d. de bijzondere kenmerken van de opleiding.

  • 3 Alvorens het accreditatierapport vast te stellen stelt het accreditatieorgaan het instellingsbestuur in de gelegenheid binnen een door het accreditatieorgaan te bepalen termijn zijn zienswijze over het voorgenomen accreditatierapport naar voren te brengen.

  • 4 Het accreditatieorgaan zendt het accreditatierapport na vaststelling onverwijld aan het instellingsbestuur en maakt het rapport tegelijkertijd openbaar.

  • 5 Het accreditatieorgaan verstrekt een afschrift van het accreditatierapport op verzoek. Het accreditatieorgaan vraagt een vergoeding van de kosten voor de afgifte van een afschrift van het accreditatierapport overeenkomstig een door Onze minister, na overleg met het accreditatieorgaan, vast te stellen tarief.

Artikel 5a.10a. Uitgebreide beoordelingscriteria voor verlenen toets nieuwe opleiding

  • 1 In het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, worden voor het verlenen van de toets nieuwe opleiding op grond van dit artikel door het accreditatieorgaan vastgelegd:

    • a. de gegevens die het instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om een toets nieuwe opleiding, en

    • b. voor zover een toets nieuwe opleiding onder voorwaarden als bedoeld in artikel 5a.11, vierde lid, is verleend, de procedure en voorwaarden voor de instelling.

  • 2 Bij de beoordeling van de aanvraag om een toets nieuwe opleiding wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op de voorgenomen opleiding waarbij ten minste worden beoordeeld:

    • a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is,

    • b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma,

    • c. de wijze van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten,

    • d. de kwaliteit en kwantiteit van het ingezette personeel alsmede het personeelsbeleid dat van invloed is op de kwaliteit van de opleiding,

    • e. de opleidingsspecifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen, en

    • f. de opzet en organisatie van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding.

  • 3 Onverminderd het tweede lid, legt het accreditatieorgaan zijn werkwijze vast voor de toets nieuwe opleiding van de eerste opleiding die wordt verzorgd door een rechtspersoon die geaccrediteerde opleidingen wil verzorgen overeenkomstig de kaders, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid, en op grond van artikel 5a.9, derde lid.

Artikel 5a.11. Toets nieuwe opleiding

  • 1 De toets nieuwe opleiding wordt verleend op aanvraag van het instellingsbestuur.

  • 2 Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag om de toets nieuwe opleiding een besluit. In dit besluit geeft het accreditatieorgaan aan welk onderdeel van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, naar zijn oordeel voor de opleiding passend is.

  • 3 Het accreditatieorgaan besluit gedurende drie jaar geen toets nieuwe opleiding te verlenen, indien uit de gegevens van de desbetreffende aanvraag blijkt dat de instelling voornemens is een opleiding te verzorgen die geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een opleiding, verzorgd door diezelfde instelling, waarvoor geen accreditatie is verleend of het besluit tot het verlenen van accreditatie is ingetrokken.

  • 4 Het accreditatieorgaan kan een toets nieuwe opleiding onder voorwaarden verlenen. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen het accreditatieorgaan een toets nieuwe opleiding onder voorwaarden kan verlenen en welke voorwaarden hieraan gesteld kunnen worden. Indien naar het oordeel van het accreditatieorgaan binnen een jaar niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, verliest de opleiding een jaar na de dag waarop het besluit tot verlenen van de toets nieuwe opleiding onder voorwaarden is genomen deze toets nieuwe opleiding. Artikel 5a.12, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de tweede volzin voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.

  • 5 Met een besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding laat het instellingsbestuur die opleiding als nieuwe opleiding registeren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.

  • 6 Het besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding vervalt:

    • a. na zes jaar,

    • b. in afwijking van onderdeel a, een jaar na de dag waarop het besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding is genomen, indien niet aan de voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, is voldaan,

    • c. na tien maanden, indien het instellingsbestuur de bekostigde opleiding niet binnen deze termijn heeft laten registreren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, of

    • d. na zes maanden, indien het instellingsbestuur een opleiding, niet zijnde een opleiding onder c, niet binnen deze termijn heeft laten registeren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.

  • 8 Indien een toets nieuwe opleiding wordt aangevraagd voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs die de voortzetting vormt van een postinitiële masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs, waarvoor accreditatie is verleend, verleent het accreditatieorgaan de toets nieuwe opleiding zonder nader onderzoek voor dezelfde termijn als gold voor de accreditatie.

Artikel 5a.12. Gevolgen verlies accreditatie

  • 1 Indien de accreditatie van een opleiding na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, of artikel 5a.12a, eerste lid, niet opnieuw wordt verleend, draagt de instelling er zorg voor dat aan studenten die voor de opleiding zijn ingeschreven, de gelegenheid wordt geboden deze opleiding te voltooien aan een andere instelling. Voor de studenten voor wie dat niet mogelijk is, wordt de opleiding aan de instelling voortgezet. Het instellingsbestuur maakt de inhoud van het besluit waarbij de accreditatie niet opnieuw wordt verleend, binnen zes weken bekend. Daarbij maakt het instellingsbestuur tevens bekend:

    • a. aan welke andere instelling studenten die opleiding kunnen voltooien,

    • b. de termijn gedurende welke de opleiding wordt voortgezet ten behoeve van de studenten, bedoeld in de tweede volzin, met dien verstande dat zij die opleiding zonder onderbreking blijven volgen en die termijn ten hoogste de voor die studenten resterende aan de studielast gerelateerde duur vermeerderd met één jaar bedraagt.

  • 3 Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, heeft ten aanzien van een rechtspersoon voor hoger onderwijs tot gevolg dat na het verstrijken van de door de rechtspersoon vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.

  • 4 Onze minister kan in de situatie, bedoeld in het tweede of derde lid, een bestuurlijke boete opleggen ter hoogte van 500 euro voor iedere dag dat de desbetreffende instelling of de desbetreffende rechtspersoon de termijn van zes weken, genoemd in het eerste lid, derde volzin, overschrijdt.

  • 6 In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid en indien het belang van het instandhouden van een doelmatig onderwijsaanbod dit vordert, kan Onze minister na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, besluiten dat een bekostigde instelling gedurende een door Onze minister vast te stellen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens een graad als bedoeld in artikel 7.10a blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.

Artikel 5a.12a. Herstelperiode

  • 1 Indien het accreditatieorgaan vaststelt dat de opleiding niet voldoet aan de aspecten van kwaliteit, bedoeld artikel 5a.8, tweede lid, kan het eenmaal de geldigheidsduur van het laatstgenomen accreditatiebesluit of het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan, verlengen met een periode van ten hoogste twee jaar. Daartoe besluit het accreditatieorgaan indien sprake is van een van de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen.

  • 2 Het accreditatieorgaan maakt in het besluit tot verlenging van de geldigheidsduur melding van de te verbeteren aspecten van kwaliteit. Tevens kan het daarin voorwaarden opnemen.

  • 4 In afwijking van artikel 5a.9, tweede lid, dient het instellingsbestuur bij het accreditatieorgaan een aanvraag om een besluit tot vaststelling dat de opleiding alsnog aan het accreditatiekader voldoet, in ten minste een half jaar voor afloop van de geldigheidsduur van het besluit tot verlenging van accreditatie.

  • 5 Het besluit van het accreditatieorgaan, bedoeld in het vierde lid, geldt met ingang van het moment waarop het accreditatieorgaan de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan. Op het vaststellingsbesluit is artikel 5a.9, zevende en achtste lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5a.12b. Intrekken accreditatie en toets nieuwe opleiding

  • 1 Onze minister kan, na advies van het accreditatieorgaan, een besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding intrekken, indien de beoordeling van de aspecten van kwaliteit van de opleiding, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, 5a.10a, tweede lid, 5a.13f, eerste lid, of 5a.13g, eerste lid, zodanig is gewijzigd dat deze beoordeling van die aspecten tot een afwijzing van de aanvraag om accreditatie of toets nieuwe opleiding zou leiden.

  • 2 Alvorens een besluit als bedoeld in het eerste lid te nemen, hoort Onze minister het instellingsbestuur.

Titel 2a. Instellingstoets kwaliteitszorg

Artikel 5a.13a. Instellingstoets kwaliteitszorg

Een instelling voor hoger onderwijs kan een instellingstoets kwaliteitszorg aanvragen.

Artikel 5a.13b. Beoordelingscriteria instellingstoets kwaliteitszorg

  • 1 In het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, worden voor het verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg door het accreditatieorgaan vastgelegd:

    • a. de gegevens die het instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg, en

    • b. de wijze waarop de onafhankelijkheid van de beoordeling wordt gewaarborgd.

  • 2 Bij de beoordeling van de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg worden voor zover die betrekking hebben op de kwaliteit van haar opleidingen beoordeeld:

    • a. de visie op de kwaliteit van haar onderwijs,

    • b. de vormgeving en de effectiviteit van de interne kwaliteitszorg van een instelling,

    • c. het gevoerde beleid op het gebied van personeel en voorzieningen,

    • d. de voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen.

Artikel 5a.13c. Aanvraag instellingstoets kwaliteitszorg

  • 1 Het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg vervalt zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het besluit.

  • 2 Een aanvraag om verlenging van het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg wordt ten minste een jaar voor de vervaldatum van het besluit tot het verlenen van de vorige instellingstoets kwaliteitszorg bij het accreditatieorgaan ingediend.

  • 3 Indien een instellingsbestuur overeenkomstig de termijn, bedoeld in het tweede lid, een aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg heeft ingediend, wordt, in afwijking van het eerste lid, de periode van het geldende besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg verlengd tot het moment dat onherroepelijk op de aanvraag is beslist.

Artikel 5a.13d. Beoordeling door accreditatieorgaan

  • 1 Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg een besluit.

  • 2 Het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg treedt in werking met ingang van de dag waarop het vorige besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg vervalt, of indien een instelling voor de eerste maal een instellingstoets kwaliteitszorg wordt verleend, met ingang van de dag van bekendmaking van het besluit.

  • 3 Het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg wordt gebaseerd op de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid.

  • 4 Artikel 5a.10, met uitzondering van het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Indien het accreditatieorgaan besluit geen instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen, kan een instellingsbestuur gedurende drie jaar vanaf de datum van het besluit geen instellingstoets kwaliteitszorg aanvragen.

  • 6 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen het accreditatieorgaan aan het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg voorwaarden kan verbinden en welke voorwaarden hierbij kunnen worden gesteld. Indien naar het oordeel van het accreditatieorgaan binnen een jaar niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, verliest de instelling een jaar na de dag waarop het besluit tot verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg is genomen de instellingstoets kwaliteitszorg. Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de eerste volzin voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.

Artikel 5a.13e. Gevolgen besluit instellingstoets kwaliteitszorg

  • 1 Indien een instellingsbestuur beschikt over een besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg worden de opleidingen van de instelling bij accreditatie beoordeeld op grond van artikel 5a.13f en bij de toets nieuwe opleiding op grond van artikel 5a.13g, tenzij het instellingsbestuur het accreditatieorgaan verzoekt een aanvraag om accreditatie of toets nieuwe opleiding te beoordelen op grond van titel 2.

  • 3 Indien een instelling niet langer beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg worden de opleidingen van de instelling bij accreditatie of toets nieuwe opleiding beoordeeld op grond van titel 2 van dit hoofdstuk met uitzondering van de opleidingen waarvoor een volledige aanvraag bij het accreditatieorgaan is ingediend voor de dag dat op de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg is beslist.

  • 4 Indien bij het verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg voorwaarden zijn gesteld op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5a.13d, zesde lid, heeft een besluit tot het verlenen van accreditatie op grond van artikel 5a.13f onderscheidenlijk de toets nieuwe opleiding op grond van artikel 5a.13g op een volledige aanvraag die bij het accreditatieorgaan is ingediend gedurende het jaar waarin aan de voorwaarden moet worden voldaan, een geldigheidsduur van een jaar.

  • 5 Indien een instelling op grond van het bepaalde in de tweede volzin van artikel 5a.13d, zesde lid, de instellingstoets kwaliteitszorg verliest, wordt de geldigheidsduur van een besluit als bedoeld in het vierde lid verlengd tot een jaar na de datum waarop het accreditatieorgaan het oordeel heeft bekendgemaakt dat niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Het instellingsbestuur is verplicht binnen zes maanden na de datum waarop het accreditatieorgaan het oordeel, bedoeld in de vorige volzin, heeft bekendgemaakt een aanvraag om toetsing van de aspecten van artikel 5a.8, tweede lid, onderdelen d tot en met f, of artikel 5a.10, tweede lid, onderdelen d tot en met f, bij het accreditatieorgaan in te dienen voor de aanvragen tot het verlenen van accreditatie of een toets nieuwe opleiding die zijn gedaan gedurende het jaar waarin de voorwaarden voor de instellingstoets kwaliteitszorg golden.

  • 6 Het accreditatieorgaan besluit binnen drie maanden op een aanvraag, bedoeld in het vijfde lid. Bij een positief besluit van het accreditatieorgaan op de aanvraag wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding verlengd tot zes jaar. Bij een negatief besluit van het accreditatieorgaan zijn artikel 5a.12, eerste tot en met vijfde lid, en artikel 5a.12a van overeenkomstige toepassing. Indien het accreditatieorgaan niet binnen een jaar na de datum, waarop aan het instellingsbestuur het oordeel is bekendgemaakt dat niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, op de aanvraag heeft besloten, wordt de geldigheidsduur van een besluit als bedoeld in het vierde lid verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar.

  • 7 Indien de instelling naar het oordeel van het accreditatieorgaan binnen een jaar heeft voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij het verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg, wordt de geldigheidsduur van een besluit, bedoeld in het vierde lid, verlengd tot zes jaar.

Artikel 5a.13f. Beperkte beoordelingscriteria accreditatie bij instellingen met een instellingstoets kwaliteitszorg

  • 1 Bij de beoordeling van de aanvraag om accreditatie voor een opleiding van een instellingsbestuur dat beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op het niveau van de opleiding waarbij ten minste wordt beoordeeld:

    • a. het beoogde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst of gangbaar is,

    • b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma, de kwaliteit en kwantiteit van het ingezette personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen, en

    • c. het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, alsmede de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.

Artikel 5a.13g. Beperkte beoordelingscriteria toets nieuwe opleiding bij instellingen met een instellingstoets kwaliteitszorg

  • 1 Bij de beoordeling van de aanvraag om een toets nieuwe opleiding voor een voorgenomen opleiding van een instellingsbestuur dat beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg wordt aandacht geschonken aan de volgende aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op het niveau van de voorgenomen opleiding waarbij ten minste wordt beoordeeld:

    • a. het beoogde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst of gangbaar is,

    • b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma, de kwaliteit en kwantiteit van het in te zetten personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen, en

    • c. de wijze van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.

Titel 3. Overige bepalingen

Artikel 5a.13. Goedkeuring tarieven [Vervallen per 01-02-2005]

Artikel 5a.14. Inlichtingen [Vervallen per 01-09-2010]

Artikel 5a.15. Gevolgen vernietiging van besluiten

Onze minister kan bij toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, bepalen dat een instelling gedurende een door Onze minister te bepalen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens een graad blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.

Artikel 5a.16. Taakverwaarlozing [Vervallen per 01-09-2010]

Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod

Artikel 6.1. Reikwijdte

  • 1 De titels 1 en 3 van dit hoofdstuk hebben betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen, op de Open Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten.

  • 2 Titel 2 heeft uitsluitend en titel 3 heeft tevens betrekking op rechtspersonen voor hoger onderwijs.

Titel 1. Opleidingen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Artikel 6.2. Onderwijsaanbod

  • 1 Het instellingsbestuur legt het voornemen tot het verzorgen van een nieuwe opleiding ter instemming aan Onze minister voor met het oog op de beoordeling van een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs. Het instellingsbestuur verstrekt daarbij het gegeven, in welke gemeente of welk openbaar lichaam BES de opleiding wordt gevestigd. Artikel 7.17, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Onze minister kan zich bij de beoordeling van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, laten bijstaan door een adviescommissie.

  • 3 De instemming van Onze minister vervalt, indien de opleiding niet binnen tien maanden nadat de instemming is verleend, is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.

  • 4 Onze minister stelt beleidsregels vast op grond waarvan hij de aanvragen beoordeelt. Wijzigingen van de beleidsregels worden meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal.

Artikel 6.3. Adviescommissie onderwijsaanbod [Vervallen per 26-09-2003]

Artikel 6.4. Onthouding rechten ten aanzien van nieuwe opleidingen [Vervallen per 26-09-2003]

Artikel 6.5. Ontneming rechten aan opleidingen

  • 1 Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, worden ontnomen, indien:

    • a. de verzorging van die opleiding, gelet op de spreiding en de mate van verscheidenheid van de voorzieningen in het hoger onderwijs, en het profiel van de instelling die de desbetreffende opleiding verzorgt, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht, of

    • b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen of toelatingseisen.

  • 2 Bij een besluit tot ontneming van rechten bepaalt Onze minister het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt, zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde instelling of aan een andere instelling binnen een redelijke termijn kunnen voltooien.

Artikel 6.6. Procedure ontneming rechten aan opleidingen

  • 1 Onze minister neemt een besluit op grond van artikel 6.5, eerste lid, onderdeel a, uiterlijk acht weken na de datum waarop hij het voornemen tot het ontnemen van rechten aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekend heeft gemaakt. Hij zendt gelijktijdig een afschrift van deze bekendmaking aan de instelling die het aangaat. Onze minister stelt ten minste drie maanden voordat hij het voornemen aan de Tweede Kamer bekendmaakt, de instelling van zijn voornemen tot ontneming van rechten op de hoogte.

  • 2 Voordat Onze minister een besluit neemt op de grond, genoemd in artikel 6.5, eerste lid, onderdeel b, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.

Artikel 6.7. Toestemming voor specifieke selectiecriteria en hoger collegegeld

  • 1 Onze minister kan op aanvraag van het instellingsbestuur toestemming verlenen gegadigden bij de inschrijving voor een opleiding te selecteren volgens door het instellingsbestuur vast te stellen criteria en in samenhang daarmee voor de geselecteerde studenten een collegegeld vast te stellen dat hoger is dan het volledige wettelijke collegegeld volgens het basistarief dat op grond van artikel 7.45, zevende lid, bij algemene maatregel van bestuur is vastgesteld en op de wijze daarin bepaald is geïndexeerd.

  • 2 De toestemming van Onze minister heeft betrekking op een bepaalde opleiding of op een bepaald programma binnen een opleiding waarvan de studielast en eindtermen gelijk zijn aan die van de opleiding.

  • 3 Onze minister verleent uitsluitend zijn toestemming, indien:

    • a. de aanvraag kleinschalig en intensief onderwijs betreft, dat is gericht op een bovengemiddeld onderwijsrendement en waarbij de activiteiten binnen en buiten het curriculum met elkaar zijn verbonden; en

    • b. de toestemming geen afbreuk doet aan de kwaliteit of de toegankelijkheid van het hoger onderwijs.

  • 4 Het hogere collegegeld bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste vijf maal het volledige wettelijk collegegeld volgens het basistarief dat op grond van artikel 7.45, zevende lid, bij algemene maatregel van bestuur is vastgesteld en op de wijze daarin bepaald is geïndexeerd.

Artikel 6.7a. Aan toestemming verbonden verplichtingen

  • 1 Aan de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, zijn de volgende verplichtingen voor het instellingsbestuur verbonden:

    • a. het selecteren van gegadigden;

    • b. het vaststellen van een regeling voor de selectiecriteria en -procedure;

    • c. het vaststellen van een regeling voor de criteria en procedure voor dispensatie van betaling van het hogere collegegeld; en

    • d. het meewerken aan een eenmalige toetsing aan de praktijk als bedoeld in artikel 6.7c.

Artikel 6.7b. Aanvraag voor toestemming en advisering door accreditatieorgaan

  • 2 Na ontvangst van een aanvraag stelt het accreditatieorgaan ten behoeve van de beslissing van Onze minister, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, een advies op over:

    • a. het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a, en;

    • b. de vraag, of de desbetreffende opleiding of het desbetreffende programma binnen een opleiding als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, ondanks de kwalificatie door het instellingsbestuur, moet worden beschouwd als een nieuwe opleiding

  • 3 Het accreditatieorgaan zendt het advies, bedoeld in het tweede lid, vergezeld van de aanvraag, binnen zes maanden na indiening van de aanvraag aan Onze minister.

  • 4 Onze minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het indienen van aanvragen en de daarbij over te leggen gegevens en bescheiden.

  • 5 In het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid, legt het accreditatieorgaan het advieskader en zijn werkwijze vast.

Artikel 6.7c. Toetsing aan de praktijk

  • 1 Indien Onze minister aan het instellingsbestuur toestemming als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, heeft verleend, laat het instellingsbestuur het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a, van de desbetreffende opleiding of het programma binnen de opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, door het accreditatieorgaan zes jaar na de verlening éénmalig toetsen aan de praktijk.

  • 2 Bij het verlenen van de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, kan Onze minister bepalen dat de toetsing aan de praktijk op een ander tijdstip dan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt dan wel dat de toetsing achterwege kan blijven, omdat daarvan geen nieuwe inzichten zijn te verwachten.

  • 3 Het accreditatieorgaan zendt zijn bevindingen naar aanleiding van een toetsing aan de praktijk aan Onze minister.

  • 4 Onze minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de toetsing aan de praktijk, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.

Artikel 6.7d. Intrekking toestemming

Onze minister kan de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, intrekken, indien:

  • a. de opleiding dan wel het programma binnen een opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, niet langer voldoet aan het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a;

  • b. de opleiding of het programma binnen een opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, moet worden beschouwd als een nieuwe opleiding;

  • c. de kwaliteit of de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in gevaar komt; of

  • d. het instellingsbestuur de verplichtingen, bedoeld in artikel 6.7a, niet naleeft.

Artikel 6.8. Onthouding rechten aan nieuwe opleidingen [Vervallen per 26-09-2003]

Titel 2. Opleidingen rechtspersonen voor hoger onderwijs

Artikel 6.9. Verlening rechten verbonden aan een eerste opleiding van een rechtspersoon

  • 1 Een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5a.8, achtste lid, dient een verzoek om graden te mogen verlenen in bij Onze minister onder overlegging van een positief oordeel als bedoeld in artikel 5a.8, achtste lid, van het accreditatieorgaan.

  • 2 Naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, adviseert de inspectie Onze minister over de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon en de naleving door de desbetreffende rechtspersoon van de artikelen 1.12, tweede lid en 1.12a.

  • 3 Naar aanleiding van het verzoek en mede op grond van het advies beslist Onze minister of de artikelen 1.12, eerste lid, of 1.12a op de opleiding, verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, van toepassing zijn.

  • 4 Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de desbetreffende rechtspersoon de opleiding overdraagt aan een andere rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarop de artikelen 1.12 of 1.12a op het moment van de overdracht niet van toepassing zijn.

  • 5 Indien door de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon geen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, geregistreerde opleidingen meer worden verzorgd, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden verlenen na toepassing van het eerste tot en met derde lid.

Artikel 6.10. Ontneming rechten verbonden aan opleidingen, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs

  • 1 Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding of aan alle opleidingen, verzorgd door een rechtspersoon voor hoger onderwijs, de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden ontnomen, indien niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens of de vooropleidingseisen.

  • 2 Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding of van alle opleidingen geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden, en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.

  • 4 Voordat Onze minister een besluit op grond van het eerste lid neemt, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.

  • 5 Indien Onze minister een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen ten aanzien van alle opleidingen verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden verlenen na toepassing van artikel 6.9.

Artikel 6.11. Onthouding rechten verbonden aan de aanwijzing van nieuwe opleidingen [Vervallen per 26-09-2003]

Artikel 6.12. Intrekking aanwijzing instelling

  • 1 Het besluit tot intrekking van de aanwijzing wordt door Onze minister genomen, indien de instelling geen opleiding die is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, meer verzorgt.

Titel 3. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs

Artikel 6.12a. Begripsbepalingen titel 3 [Vervallen per 01-09-2010]

Artikel 6.13. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs

  • 1 Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs is een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingen die door de instellingen voor hoger onderwijs verzorgd worden. Onze Minister is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register.

  • 2 [Red: Vervallen.]

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden de inrichting en de werking van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs geregeld. Deze bevat bepalingen omtrent het verstrekken van informatie uit het register. Daarbij kan worden bepaald dat voor het verstrekken van informatie aan anderen dan de besturen van de instellingen waarop deze wet betrekking heeft, een in de algemene maatregel van bestuur vastgestelde vergoeding verschuldigd is. De algemene maatregel van bestuur bevat de indeling van het register in onderdelen en voorzover nodig subonderdelen. De onderdelen betreffen gebieden van onderwijs. De indeling bevat ten minste onderdelen voor de volgende gebieden van onderwijs: onderwijs, landbouw en natuurlijke omgeving, techniek, recht, taal en cultuur, en gezondheidszorg. De indeling bevat voorts voor het onderdeel onderwijs in elk geval het subonderdeel lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en voor het onderdeel taal en cultuur in elk geval het subonderdeel opleidingen op het gebied van de kunst.

  • 4 Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding als bedoeld in artikel 7.3a de volgende gegevens:

    • a. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt, gesteld in het Nederlands en desgewenst in het Engels of in een andere internationale taal die gangbaar is,

    • b. of het hoger beroepsonderwijs dan wel wetenschappelijk onderwijs betreft,

    • c. of de opleiding is geaccrediteerd dan wel de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan alsmede de geldigheidsduur daarvan,

    • d. de indeling in het register,

    • e. indien het een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijk afstudeerprogramma als bedoeld in artikel 7.3c betreft: aan welke instellingen de opleiding of het afstudeerprogramma wordt verzorgd,

    • f. het voltijdse, deeltijdse of duale karakter,

    • g. de studielast waarbij ten aanzien van masteropleidingen is aangegeven of deze is vastgesteld van rechtswege, door het instellingsbestuur of, wat betreft masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, op zijn verzoek door Onze minister,

    • h. of aan een bacheloropleiding een propedeutisch examen is verbonden,

    • i. of het een opleiding gericht op een bepaald beroep betreft, waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld,

    • j. of toepassing is gegeven aan artikel 7.25, vierde lid,

    • k. of eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.27 gesteld worden,

    • l. de gemeente, de gemeenten, het openbaar lichaam BES of de openbare lichamen BES waar de opleiding is gevestigd,

    • m. de door de instelling op grond van artikel 5a.12, vierde volzin, onderdeel b vastgestelde termijn,

    • n. de door Onze minister op grond van artikel 5a.12, zesde lid, of 5a.15, vastgestelde termijn,

    • o. indien toepassing is gegeven aan artikel 5a.12a: de termijn, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en het door het accreditatieorgaan genomen besluit op grond van vijfde lid van dat artikel,

    • p. het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving voor de opleiding mogelijk is,

    • q. indien de opleiding niet langer zal worden verzorgd, het tijdstip waarop de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving in de propedeutische fase van de opleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten, niet meer mogelijk is,

    • r. indien artikel 5a.9, zevende lid, van toepassing is: de door het accreditatieorgaan vastgestelde termijn, bedoeld in de tweede volzin van dat artikellid,

    • s. of Onze minister met betrekking tot een opleiding toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in artikel 6.7, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel,

    • t. of binnen de opleiding een programma wordt aangeboden ten aanzien waarvan Onze minister toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in artikel 6.7, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel.

  • 5 Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding als bedoeld in artikel 7.3b:

    • a. de naam van de opleiding en de rechtspersoon waarvan de opleiding uitgaat, en

    • b. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b tot en met g, m, n, o en q.

  • 6 Onze minister legt het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.

Artikel 6.14. De registratieprocedure

  • 1 Het instellingsbestuur kan een opleiding na de verlening van accreditatie aanmelden voor registratie. Het instellingsbestuur kan een opleiding die de instelling voornemens is te verzorgen, aanmelden voor registratie, nadat die opleiding de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan. In afwijking van de tweede volzin kan het instellingsbestuur een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs eerst laten registreren, indien ten aanzien van die opleiding toepassing is gegeven aan artikel 7.3a, tweede lid, onder b.

  • 2 De aanmelding geschiedt onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid. Bij de aanmelding van een geaccrediteerde opleiding, voegt het instellingsbestuur het accreditatierapport, bedoeld in artikel 5a.10, eerste lid. Bij de aanmelding van een opleiding die de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan, voegt het instellingsbestuur het rapport van de toets nieuwe opleiding en bewijst door middel van een voornemen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, of een besluit als bedoeld in artikel 6.2, derde lid, dat er geen sprake is van een ondoelmatige taakverdeling tussen de instellingen. Indien de indeling van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van het instellingsbestuur niet voldoet, volstaat het instellingsbestuur met een aanduiding van het onderdeel dat naar zijn oordeel het gebied van de opleiding het best omschrijft. Het instellingsbestuur dat een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs aanmeldt voor registratie als bekostigde opleiding, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, aanhef en onder b, voegt het besluit van Onze minister, bedoeld in dat artikel toe. Het instellingsbestuur dat een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs aanmeldt voor registratie, voegt zo nodig het besluit van Onze minister, bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid, eerste volzin, toe.

  • 3 Onze Minister registreert binnen een redelijke termijn de opleiding overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.

  • 4 Indien de gegevens niet volledig zijn of de indeling in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend kan worden geacht voor de opleiding, stelt Onze Minister het instellingsbestuur in de gelegenheid om, binnen een door Onze Minister te bepalen termijn, te voorzien in de ontbrekende gegevens onderscheidenlijk de indeling te herzien. Indien het betreft de gegevens, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, stelt Onze Minister de termijn vast binnen de termijn, bedoeld in artikel 5a.11, vijfde lid, onderdeel a. Onverminderd artikel 6.15 weigert Onze Minister registratie in het register uitsluitend, indien Onze Minister de gegevens binnen deze termijn niet of niet volledig heeft ontvangen, indien zij constateert dat de gegevens niet juist zijn, of indien de herziene indeling naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend geoordeeld kan worden voor de opleiding.

  • 5 Indien de Informatie Beheer Groep of Onze minister constateert dat de gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs onvolledig of onjuist zijn of de indeling niet passend is voor de opleiding, worden de gegevens door de Informatie Beheer Groep of de indeling door Onze minister aangepast.

Artikel 6.15. Beëindiging registratie

  • 4 De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a, geschiedt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de inschrijving voor de bacheloropleiding dan wel inschrijving voor de masteropleiding niet meer openstaat.

Titel 4

Artikel 6.16. Bijzondere bepalingen voortgezette kunstopleidingen en voortgezette opleidingen bouwkunst [Vervallen per 01-09-2002]

Hoofdstuk 7. Onderwijs

Artikel 7.1. Reikwijdte

  • 1 Dit hoofdstuk heeft betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen, op de Open Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten.

Titel 1. Het onderwijs, de examens en de promoties

Paragraaf 1. Het onderwijs en de examens

Artikel 7.2. Taal

Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands. In afwijking van de eerste volzin kan een andere taal worden gebezigd:

  • a. wanneer het een opleiding met betrekking tot die taal betreft,

  • b. wanneer het onderwijs betreft dat in het kader van een gastcollege door een anderstalige docent gegeven wordt, of

  • c. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst van de studenten daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door het instellingsbestuur vastgestelde gedragscode.

Artikel 7.3. Opleidingen en onderwijseenheden

  • 1 Het onderwijs wordt door de instelling aangeboden in de vorm van opleidingen.

  • 2 Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken. Een onderwijseenheid kan betrekking hebben op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening en op de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs in een duale opleiding, voorzover deze activiteiten onder begeleiding van het instellingsbestuur plaatsvinden.

  • 3 Aan elke opleiding is een examen verbonden. Aan elke onderwijseenheid is een tentamen verbonden.

  • 4 Elke opleiding wordt op de voet van titel 3 van hoofdstuk 6 geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.

Artikel 7.3a. Bachelor- en masteropleidingen

  • 1 Binnen het wetenschappelijk onderwijs worden onderscheiden:

    • a. bacheloropleidingen, en

    • b. masteropleidingen, volgend op de bacheloropleidingen, bedoeld onder a.

  • 2 Binnen het hoger beroepsonderwijs worden onderscheiden:

    • a. bacheloropleidingen, en

    • b. masteropleidingen die door Onze minister als zodanig zijn aangemerkt.

  • 3 Een besluit als bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt uitsluitend genomen, indien in een opleiding niet of in onvoldoende mate is voorzien en de instandhouding van die opleiding wordt gevorderd door:

    • a. het belang van het instandhouden van een doelmatig onderwijsaanbod, en

    • b. een aantoonbare maatschappelijke behoefte.

Artikel 7.3b. Postinitiële masteropleidingen

Naast de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, worden binnen het hoger onderwijs onderscheiden:

  • a. postinitiële masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, en

  • b. postinitiële masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs.

Artikel 7.3c. Gezamenlijke opleiding of gezamenlijke afstudeerrichting

  • 2 Voor andere dan de in het eerste lid bedoelde taken en bevoegdheden die betrekking hebben op een opleiding of afstudeerrichting, leggen de instellingsbesturen in een overeenkomst vast welk instellingsbestuur verantwoordelijk is voor de uitoefening daarvan. De Nederlandse instellingsbesturen blijven voor de uitoefening van deze taken en bevoegdheden gezamenlijk verantwoordelijk ten opzichte van belanghebbenden buiten de instelling.

  • 3 Als een student zich bij een instelling laat inschrijven voor een gezamenlijke opleiding of afstudeerrichting, wordt die student ook ingeschreven bij de opleiding van de andere instelling voorzover het een Nederlandse instelling betreft.

  • 4 Indien een instellingsbestuur als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, ten aanzien van een ingeschreven student bevoegd is de hoogte van het collegegeld te bepalen, geldt in het geval die student ook is ingeschreven bij een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs voor een gezamenlijke opleiding of afstudeerrichting in de zin van dit artikel, voor de vaststelling van de hoogte van het collegegeld niet het bij of krachtens de wet vastgestelde minimumbedrag.

Artikel 7.3d. Vrij onderwijsprogramma in het wetenschappelijk onderwijs

Een student die is ingeschreven voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, kan, zelf uit onderwijseenheden die door een instelling worden verzorgd, een programma samenstellen waaraan een examen is verbonden. Indien nodig wijst het instellingsbestuur een examencommissie aan die met de in de eerste volzin bedoelde beslissing is belast.

Artikel 7.4. Studielast en studiepunten

  • 1 De studielast van elke opleiding en elke onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur uitgedrukt in studiepunten. De studielast voor een studiejaar bedraagt zestig studiepunten. Zestig studiepunten is gelijk aan 1680 uren studie.

Artikel 7.4a. Studielast opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs

  • 1 De studielast van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt 180 studiepunten. In afwijking van de eerste volzin kan de studielast van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs ten hoogste 240 studiepunten bedragen, indien Onze minister voor die opleiding daartoe een besluit heeft genomen dat gebaseerd is op het accreditatierapport van die opleiding. In het besluit, bedoeld in de tweede volzin, wordt de studielast van de opleiding bepaald.

  • 2 Behoudens het bepaalde in het derde tot en met zevende lid bedraagt de studielast van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs 60 studiepunten.

  • 3 De studielast van de masteropleidingen tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. In afwijking van de eerste volzin bedraagt de studielast van door Onze minister aan te wijzen opleidingen als bedoeld in die volzin ten minste 120 studiepunten en ten hoogste 180 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding.

  • 4 De studielast van de masteropleiding voor het beroep van wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied bedraagt 120 studiepunten.

  • 5 De studielast van de door Onze minister aan te wijzen masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt 120 studiepunten. Onze minister kan bepalen dat de studielast van de masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs die mede zijn gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep, 180 studiepunten bedraagt en dat de studielast van de masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs met een buitenlandse instelling als bedoeld in artikel 7.3c 90 studiepunten bedraagt.

  • 6 De studielast van de masteropleidingen voor het beroep van arts, voor het beroep van dierenarts, voor het beroep van apotheker, voor het beroep van tandarts en voor het beroep van klinisch technoloog bedraagt 180 studiepunten.

  • 7 De studielast van de masteropleidingen geneeskunde, klinisch onderzoeker bedraagt 240 studiepunten.

  • 8 Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.

Artikel 7.4b. Studielast opleidingen in het hoger beroepsonderwijs

  • 1 De studielast van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 240 studiepunten.

  • 2 De studielast van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 60 studiepunten.

  • 3 De studielast van de masteropleidingen op het gebied van de kunst bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding.

  • 4 De studielast van de masteropleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken bedraagt 90 studiepunten.

  • 5 De studielast van de masteropleidingen advanced nurse practitioner bedraagt 120 studiepunten.

  • 6 De studielast van de masteropleidingen physician assistant bedraagt 150 studiepunten.

  • 7 De studielast van de masteropleidingen op het gebied van de bouwkunst bedraagt 240 studiepunten.

  • 8 Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.

Artikel 7.5. Verzorging van universitaire eerstegraads lerarenopleidingen; bijzondere voorwaarden [Vervallen per 01-09-2002]

Artikel 7.6. Beroepsvereisten

  • 1 Indien een instelling een opleiding aanbiedt, gericht op een bepaald beroep, en bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld ten aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die betrokkenen zich op grond van de opleiding tot dat beroep moeten hebben verworven, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat degenen die deze opleiding volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan die vereisten te voldoen.

  • 2 Tot de in het eerste lid bedoelde vereisten behoren die welke ten aanzien van artsen, verpleegkundigen, verloskundigen, tandartsen, dierenartsen, architecten en apothekers zijn neergelegd in richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255).

  • 3 Opleidingen die in het bijzonder zijn gericht op bepaalde beroepen omvatten in elk geval een praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.

Artikel 7.7. Voltijdse, deeltijdse en duale inrichting van opleidingen

  • 1 Opleidingen aan bekostigde instellingen kunnen voltijds, deeltijds of duaal zijn ingericht en worden alsdan aangeduid als voltijdse, deeltijdse onderscheidenlijk duale opleidingen.

  • 2 Een duale opleiding is zodanig ingericht dat het volgen van onderwijs gedurende een of meer perioden wordt afgewisseld met beroepsuitoefening in verband met dat onderwijs. Deze beroepsuitoefening vindt in het wetenschappelijk onderwijs niet plaats gedurende de propedeutische fase van een bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, gedurende de eerste periode in die opleiding met een studielast van 60 studiepunten. Het gedeelte van een duale opleiding dat bestaat uit het volgen van onderwijs, wordt aangeduid als onderwijsdeel.

  • 3 De studielast van het deel van de duale opleiding dat wordt gevormd door de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs, bedraagt een door het instellingsbestuur in de onderwijs- en examenregeling te beargumenteren aantal studiepunten.

  • 4 In de onderwijs- en examenregeling wordt voor een duale opleiding aangegeven:

    • a. de minimale studielast van het onderwijsdeel,

    • b. de tijdsduur van de periode of de gezamenlijke tijdsduur van de perioden die ten minste in de beroepsuitoefening wordt doorgebracht, en

    • c. de minimale studielast van het deel van de opleiding dat wordt gevormd door de beroepsuitoefening.

  • 5 De beroepsuitoefening binnen een duale opleiding vindt plaats op basis van een overeenkomst, gesloten door de instelling, de student en het desbetreffend bedrijf of de desbetreffende organisatie. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet bepaalde ten minste bepalingen over:

    • a. de duur van de overeenkomst en de tijdsduur van de periode of perioden van de beroepsuitoefening,

    • b. de begeleiding van de student,

    • c. dat deel van de kwaliteiten, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder c, dat de student tijdens de periode of de perioden van beroepsuitoefening dient te realiseren, en de beoordeling daarvan, en

    • d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.

Artikel 7.7a. Duale inrichting van opleidingen aan universiteiten [Vervallen per 25-01-2003]

Artikel 7.8. Propedeutische fase en propedeutisch examen

  • 1 Het instellingsbestuur kan in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs een propedeutische fase instellen.

  • 2 Een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs omvat een propedeutische fase.

  • 3 Aan de propedeutische fase is, voorzover in de onderwijs- en examenregeling niet anders is bepaald, een propedeutisch examen verbonden.

  • 4 De studielast van de propedeutische fase waaraan een propedeutisch examen is verbonden, bedraagt 60 studiepunten. De studielast van de propedeutische fase van een duale bacheloropleiding bedraagt 60 studiepunten.

  • 5 De propedeutische fase wordt met het oog op de toepassing van artikel 7.8b zodanig ingericht dat er sprake is van het verkrijgen van inzicht in de inhoud van de bacheloropleiding met de mogelijkheid van verwijzing en selectie aan het eind van die fase.

Artikel 7.8a. Associate-degreeprogramma

  • 1 Het instellingsbestuur kan in een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs een Associate-degreeprogramma instellen.

  • 2 De studielast van het programma bedraagt ten minste 120 studiepunten.

Artikel 7.8b. Studieadvies propedeutische fase

  • 1 Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit of hogeschool brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de bacheloropleiding. In geval van een deeltijdse bacheloropleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht.

  • 2 Onverminderd het eerste lid kan het instellingsbestuur het advies aan de student uitbrengen zolang deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd.

  • 3 Aan een advies als bedoeld in het eerste of tweede lid kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, binnen het in het tweede lid bedoelde tijdvak, doch niet eerder dan tegen het einde van het eerste jaar van inschrijving, een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan slechts worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Het instellingsbestuur kan aan de afwijzing een termijn verbinden. Het instellingsbestuur kan de afwijzing uitstrekken tot opleidingen die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen gemeen hebben. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien het in de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding zorgt voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd.

  • 4 Voordat het instellingsbestuur tot afwijzing overgaat, geeft het de desbetreffende student een waarschuwing onder bepaling van een redelijke termijn waarbinnen de studieresultaten ten genoegen van dat bestuur moeten zijn verbeterd. Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een afwijzing over te gaan in de gelegenheid te worden gehoord.

  • 5 Van de student die op grond van het derde lid is afgewezen, wordt de inschrijving voor de desbetreffende opleiding aan de betrokken instelling beëindigd. De student kan niet opnieuw aan die instelling voor die opleiding worden ingeschreven, tenzij het instellingsbestuur toepassing heeft gegeven aan de derde volzin van het derde lid of tenzij de betrokkene op een later tijdstip verzoekt om te worden ingeschreven voor de desbetreffende opleiding en daarbij ten genoegen van het instellingsbestuur aannemelijk maakt dat hij die opleiding met vrucht zal kunnen volgen.

  • 6 Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de studieresultaten en de voorzieningen, bedoeld in het derde lid, alsmede op de termijn, bedoeld in het vierde lid.

  • 7 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden, bedoeld in het derde lid, het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt.

  • 8 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «propedeutische fase» mede begrepen de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten. Voor de toepassing van dit artikel worden onder «propedeutisch examen» mede begrepen de tentamens, verbonden aan onderwijseenheden in de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een gezamenlijke studielast van 60 studiepunten.

Artikel 7.9. Verwijzing in postpropedeutische fase

  • 1 Indien een bacheloropleiding na de propedeutische fase meer dan een afstudeerrichting omvat, kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, beslissen dat een voor die opleiding ingeschreven student slechts toegang heeft tot een of meer daarbij aan te geven afstudeerrichtingen. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien de aard en inhoud van de verschillende afstudeerrichtingen van de opleiding zodanig van elkaar verschillen dat toepassing van deze bevoegdheid gerechtvaardigd is.

  • 2 Bij de toepassing van het eerste lid baseert het instellingsbestuur zijn beslissing:

    • a. op de studieresultaten van de student,

    • b. op het door de student gevolgde studieprogramma, of

    • c. op een combinatie van a en b.

    Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een beslissing over te gaan in de gelegenheid te worden gehoord.

  • 3 Bij de weging van de studieresultaten, bedoeld in het tweede lid, onder a en c, houdt het instellingsbestuur rekening met de persoonlijke omstandigheden van de student. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt.

  • 4 Bij de weging van het studieprogramma van de student, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, beoordeelt het instellingsbestuur of de door de student gekozen programmaonderdelen van de opleiding voldoende aansluiten op de door de student gewenste afstudeerrichting.

  • 5 Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van dit artikel nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op het verschil in afstudeerrichtingen, bedoeld in het eerste lid, op de studieresultaten, bedoeld in het derde lid, en op de aansluiting van programmaonderdelen en de afstudeerrichtingen van de opleiding, bedoeld in het vierde lid.

  • 6 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «propedeutische fase» mede begrepen de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten.

Artikel 7.9a. Studievoortgangscontrole tempobeurs

  • 1 Het instellingsbestuur stelt van iedere aan de instelling ingeschreven student op wie op enig moment in het studiejaar artikel 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000 van toepassing is, de studievoortgang vast, bedoeld in het tweede of derde lid van dat artikel. Het deelt deze voortgang aan de student mee voor 1 november, volgend op het desbetreffende studiejaar.

  • 3 Gelijktijdig met de mededeling, bedoeld in het tweede lid, informeert het instellingsbestuur de betrokken student over de gegevens die aan Onze Minister zijn verstrekt. Daarbij geeft zij tevens aan wat de consequenties volgens de Wet studiefinanciering 2000 zijn, alsmede welke beroepsgang voor de student openstaat.

Artikel 7.9b. Selectie voor een speciaal traject gericht op het behalen van een hoger niveau

  • 1 Indien een instellingsbestuur binnen een opleiding een speciaal traject aanbiedt, dat is gericht op het behalen van een hoger kennisniveau van studenten, kan het instellingsbestuur daarvoor studenten selecteren.

  • 2 Het instellingsbestuur stelt regels vast met betrekking tot de selectie, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 7.9ba. Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fa van de Wet op de studiefinanciering [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 7.9bb. Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fb van de Wet op de studiefinanciering [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 7.9c. Ontbreken van gegevens bij studievoortgangscontrole

Indien het instellingsbestuur niet kan vaststellen welke studenten onder artikel 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000 vallen, verstrekt het tevens de gegevens, bedoeld in de artikelen 7.9a, eerste lid, over alle studenten. In dat geval vermeldt het dit feit in de mededeling, bedoeld in de artikelen 7.9a, tweede lid.

Artikel 7.9d. Met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen

Het instellingsbestuur doet voor het einde van de tweede maand volgend op de maand waarin een student, bedoeld in artikel 5.7 van de Wet studiefinanciering 2000, het afsluitend examen met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling aan Onze Minister. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.

Artikel 7.9e. Aanleveren gegevens vrijstelling op grond van artikel 7.31a [Vervallen per 01-09-2010]

Artikel 7.9f. Aanleveren gegevens duale opleiding [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 7.10. Examens en tentamens

  • 1 Elk tentamen omvat een onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de examinandus, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek.

  • 2 Indien de tentamens van de tot een opleiding of propedeutische fase van een bacheloropleiding behorende onderwijseenheden met goed gevolg zijn afgelegd, is het examen afgelegd, voorzover de examencommissie niet heeft bepaald dat het examen tevens omvat een door haar zelf te verrichten onderzoek als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 7.10a. Verlening van graden

  • 1 Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd «of Arts» dan wel «of Science». Bij ministeriële regeling kan voor een opleiding of een groep van opleidingen met betrekking tot een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in de tweede volzin, worden vastgesteld.

  • 2 Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd. Het instellingsbestuur kan voor een opleiding of een groep van opleidingen met betrekking tot een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, vaststellen.

  • 3 Het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, verleent de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder a of b, heeft afgelegd. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder a. De tweede volzin van het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder b.

  • 4 Het instellingsbestuur of het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in het derde lid, voegt aan een graad toe de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft.

Artikel 7.10b. Verlening van de graad Associate degree

  • 1 Het instellingsbestuur verleent de graad Associate degree aan degene die met goed gevolg het examen heeft afgelegd van een Ad-programma waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 5a.13, derde lid, of een accreditatiebesluit als bedoeld in artikel 5a.9, vierde lid, is genomen.

Artikel 7.11. Getuigschriften en verklaringen

  • 1 Ten bewijze dat een tentamen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de desbetreffende examinator of examinatoren een daarop betrekking hebbend bewijsstuk uitgereikt.

  • 2 Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de examencommissie een getuigschrift uitgereikt, nadat het instellingsbestuur heeft verklaard dat aan de procedurele eisen voor de afgifte is voldaan. Per opleiding wordt één getuigschrift uitgereikt. Op het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde examen worden relevante gegevens vermeld, waaronder in ieder geval:

    • a. de naam van de instelling en welke opleiding zoals vermeld in het register, bedoeld in artikel 6.13, het betreft,

    • b. welke onderdelen het examen omvatte,

    • c. in voorkomende gevallen welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met artikel 7.6, eerste lid,

    • d. welke graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste of tweede lid, is verleend, en

    • e. op welk tijdstip de opleiding voor het laatst is geaccrediteerd dan wel op welk tijdstip de opleiding de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 5a.11, tweede lid, met goed gevolg heeft ondergaan, en

    • f. indien het een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3b betreft, de naam van de instelling of, bij een gezamenlijke opleiding, instellingen die de bedoelde opleiding of afstudeerrichting mede heeft of hebben verzorgd.

  • 3 Degene die aanspraak heeft op uitreiking van een getuigschrift, kan overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels de examencommissie verzoeken daartoe nog niet over te gaan.

  • 4 De examencommissie voegt aan een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen, een supplement toe. Het supplement heeft tot doel inzicht te verschaffen in de aard en inhoud van de afgeronde opleiding, mede met het oog op internationale herkenbaarheid van opleidingen. Het supplement bevat in elk geval de volgende gegevens:

    • a. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt,

    • b. of het een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft,

    • c. een beschrijving van de inhoud van de opleiding, en

    • d. de studielast van de opleiding.

    Het supplement wordt opgesteld in het Nederlands of Engels en voldoet aan het Europese overeengekomen standaardformat.

  • 5 Degene die meer dan een tentamen met goed gevolg heeft afgelegd en aan wie geen getuigschrift als bedoeld in het tweede lid kan worden uitgereikt, ontvangt desgevraagd een door de desbetreffende examencommissie af te geven verklaring waarin in elk geval de tentamens zijn vermeld die door hem met goed gevolg zijn afgelegd.

Artikel 7.12. Examencommissie

  • 1 Elke opleiding of groep van opleidingen aan de instelling heeft een examencommissie.

  • 2 De examencommissie is het orgaan dat op objectieve en deskundige wijze vaststelt of een student voldoet aan de voorwaarden die de onderwijs- en examenregeling stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor het verkrijgen van een graad.

Artikel 7.12a. Benoeming en samenstelling examencommissie

  • 1 Het instellingsbestuur stelt de examencommissie in en benoemt de leden op basis van hun deskundigheid op het terrein van de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen. Ten minste één lid is als docent verbonden aan de opleiding of aan een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort.

  • 2 Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie voldoende wordt gewaarborgd.

  • 3 Alvorens tot benoeming van een lid over te gaan, hoort het instellingsbestuur de leden van de desbetreffende examencommissie.

Artikel 7.12b. Taken en bevoegdheden examencommissie

  • 1 Naast de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 7.11 en 7.12, tweede lid, heeft een examencommissie de volgende taken en bevoegdheden:

    • a. het borgen van de kwaliteit van de tentamens en examens onverminderd artikel 7.12c,

    • b. het vaststellen van richtlijnen en aanwijzingen binnen het kader van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, om de uitslag van tentamens en examens te beoordelen en vast te stellen,

    • c. het door de meest daarvoor in aanmerking komende examencommissie verlenen van toestemming aan een student om een door die student samengesteld programma als bedoeld in artikel 7.3d te volgen, waarvan het examen leidt tot het verkrijgen van een graad, waarbij de examencommissie tevens aangeeft tot welke opleiding van de instelling dat programma wordt geacht te behoren voor de toepassing van deze wet, en

    • d. het verlenen van vrijstelling voor het afleggen van één of meer tentamens.

  • 2 Indien een student of extraneus fraudeert, kan de examencommissie de betrokkene het recht ontnemen één of meer door de examencommissie aan te wijzen tentamens of examens af te leggen, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste een jaar. Bij ernstige fraude kan het instellingsbestuur op voorstel van de examencommissie de inschrijving voor de opleiding van de betrokkene definitief beëindigen.

  • 3 De examencommissie stelt regels vast over de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en d, en het tweede lid, en over de maatregelen die zij in dat verband kan nemen. De examencommissie kan onder door haar te stellen voorwaarden bepalen dat niet ieder tentamen met goed gevolg afgelegd hoeft te zijn om vast te stellen dat het examen met goed gevolg is afgelegd.

  • 4 Indien een student bij de examencommissie een verzoek of een klacht indient waarbij een examinator betrokken is die lid is van de examencommissie, neemt de betrokken examinator geen deel aan de behandeling van het verzoek of de klacht.

  • 5 De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden. De examencommissie verstrekt het verslag aan het instellingsbestuur of de decaan.

Artikel 7.12c. Examinatoren

  • 1 Voor het afnemen van tentamens en het vaststellen van de uitslag daarvan wijst de examencommissie examinatoren aan.

  • 2 De examinatoren verstrekken de examencommissie de gevraagde inlichtingen.

Artikel 7.13. Onderwijs- en examenregeling

  • 1 Het instellingsbestuur stelt voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast. De onderwijs- en examenregeling bevat adequate en heldere informatie over de opleiding of groep van opleidingen.

  • 2 In de onderwijs- en examenregeling worden, onverminderd het overigens in deze wet terzake bepaalde, per opleiding of groep van opleidingen de geldende procedures en rechten en plichten vastgelegd met betrekking tot het onderwijs en de examens. Daaronder worden ten minste begrepen:

    • a. de inhoud van de opleiding en van de daaraan verbonden examens,

    • b. de inhoud van de afstudeerrichtingen binnen een opleiding,

    • c. de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een student zich bij beëindiging van de opleiding moet hebben verworven,

    • d. waar nodig, de inrichting van praktische oefeningen,

    • e. de studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden,

    • f. de nadere regels, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid,

    • g. ten aanzien van welke masteropleidingen toepassing is gegeven aan artikel 7.4a, achtste lid,

    • h. het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden,

    • i. de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de opleiding,

    • j. waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de tentamens en examens,

    • k. waar nodig, de geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie die geldigheidsduur te verlengen,

    • l. of de tentamens mondeling, schriftelijk of op een andere wijze worden afgelegd, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen,

    • m. de wijze waarop lichamelijk of zintuiglijk gehandicapte studenten redelijkerwijs in de gelegenheid worden gesteld de tentamens af te leggen,

    • n. de openbaarheid van mondeling af te nemen tentamens, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen,

    • o. de termijn waarbinnen de uitslag van een tentamen bekend wordt gemaakt alsmede of en op welke wijze van deze termijn kan worden afgeweken,

    • p. de wijze waarop en de termijn gedurende welke degene die een schriftelijk tentamen heeft afgelegd, inzage verkrijgt in zijn beoordeelde werk,

    • q. de wijze waarop en de termijn gedurende welke kennis genomen kan worden van vragen en opdrachten, gesteld of gegeven in het kader van een schriftelijk afgenomen tentamen en van de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden,

    • r. de gronden waarop de examencommissie voor eerder met goed gevolg afgelegde tentamens of examens in het hoger onderwijs, dan wel voor buiten het hoger onderwijs opgedane kennis of vaardigheden, vrijstelling kan verlenen van het afleggen van een of meer tentamens,

    • s. waar nodig, dat het met goed gevolg afgelegd hebben van tentamens voorwaarde is voor de toelating tot het afleggen van andere tentamens,

    • t. waar nodig, de verplichting tot het deelnemen aan praktische oefeningen met het oog op de toelating tot het afleggen van het desbetreffende tentamen, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie vrijstelling van die verplichting te verlenen, al dan niet onder oplegging van vervangende eisen,

    • u. de bewaking van studievoortgang en de individuele studiebegeleiding,

    • v. indien van toepassing: de wijze waarop de selectie van studenten voor een speciaal traject binnen een opleiding, bedoeld in artikel 7.9b, plaatsvindt, en

    • w. de procedureregels die gelden bij de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 7.30a, eerste lid, derde volzin.

  • 3 In de onderwijs- en examenregeling wordt met het oog op de doorstroming van personen aan wie een graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend, voor elke bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in een voorkomend geval voor een afstudeerrichting binnen een bacheloropleiding ten minste een masteropleiding aangewezen die aansluit op die bacheloropleiding of die afstudeerrichting.

  • 4 De in het derde lid bedoelde masteropleiding wordt aan de desbetreffende universiteit aangeboden, tenzij er uitzonderlijke redenen zijn waardoor dit niet mogelijk is. In dat geval kan het instellingsbestuur van deze universiteit met een andere universiteit overeenkomen dat de betreffende masteropleiding aan die andere universiteit wordt aangeboden. De desbetreffende overeenkomst regelt de wijze waarop de doorstroming van personen, bedoeld in het derde lid, wordt gewaarborgd. De overeenkomst behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsorganen van de betrokken universiteiten.

Artikel 7.14. Beoordeling onderwijs- en examenregeling

Het instellingsbestuur draagt zorg voor een regelmatige beoordeling van de onderwijs- en examenregeling en weegt daarbij, ten behoeve van de bewaking en zo nodig bijstelling van de studielast, het tijdsbeslag dat daaruit voor de studenten voortvloeit.

Artikel 7.15. Informatieverstrekking aan studenten en aanstaande studenten

  • 1 Het instellingsbestuur verstrekt zodanige informatie aan studenten en aanstaande studenten over de instelling, het te volgen onderwijs en de opleidingsnamen dat het die personen in staat stelt opleidingsmogelijkheden te vergelijken, zich een goed oordeel te vormen over de inhoud en de inrichting van het gevolgde of te volgen onderwijs en de examens.

  • 2 De vertegenwoordiging van de instellingen en de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties van studenten maken gezamenlijke afspraken over de specificaties van de informatie, bedoeld in het eerste lid. Indien zij daarin niet slagen, kunnen bij ministeriële regeling die nadere specificaties worden gegeven van inhoud en vorm van de informatie die nodig is voor het vergelijken van opleidingen en het kiezen van een passende opleiding. In de ministeriële regeling kunnen voor verschillende groepen van instellingen verschillende specificaties worden gegeven.

Artikel 7.16. Erkenning verworven competenties

Het instellingsbestuur kan procedures en criteria voor de erkenning van verworven competenties vaststellen voor degenen die niet zijn ingeschreven.

Paragraaf 2. Vestigingsplaats opleiding

Artikel 7.17. Vestigingsplaats opleiding

  • 1 Onverminderd het tweede lid wordt een opleiding verzorgd in de gemeente of het openbaar lichaam BES waar die opleiding blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, is gevestigd.

  • 2 Het instellingsbestuur kan besluiten een opleiding of een gedeelte daarvan in een of meer andere gemeenten of een of meer openbare lichamen BES te vestigen. Hij legt het voornemen daartoe ter instemming voor aan Onze minister.

  • 3 Onze minister wordt geacht met het voornemen, bedoeld in het tweede lid, in te stemmen, indien hij niet binnen vier maanden na ontvangst daarvan heeft verklaard dat aan het voornemen geen uitvoering kan worden gegeven in verband met een ondoelmatige spreiding van voorzieningen in het hoger onderwijs die als gevolg daarvan zou ontstaan.

  • 4 Voorafgaand aan het nemen van een besluit als bedoeld in het tweede lid overlegt het instellingsbestuur met de daarvoor in aanmerking komende instellingen.

  • 5 De instemming, bedoeld in het derde lid, vervalt, indien het instellingsbestuur van een bekostigde instelling de opleiding niet binnen zes maanden heeft laten registreren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.

Artikel 7.17a. Opheffing vestigingsplaats opleiding

  • 1 Onze minister kan besluiten dat een opleiding die in twee of meer gemeenten, in twee of meer openbare lichamen BES of in een of meer gemeenten en een of meer openbare lichamen BES is gevestigd, niet langer in een bij zijn besluit genoemde gemeente of openbaar lichaam BES is gevestigd, indien de verzorging van de opleiding in die gemeente of dat openbaar lichaam BES, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht.

  • 2 Bij zijn besluit bepaalt Onze minister tevens het tijdstip met ingang waarvan de opleiding niet langer in de gemeente of het openbaar lichaam BES, bedoeld in het eerste lid, is gevestigd.

Paragraaf 3. De promoties

Artikel 7.18. Verlening van graad Doctor; toegang en inrichting promotie

  • 1 Het college voor promoties van een universiteit, de Open Universiteit of een levensbeschouwelijke universiteit is bevoegd de graad Doctor te verlenen op grond van de promotie.

  • 2 Tot de promotie heeft toegang ieder die:

    • a. aan wie op grond van artikel 7.10a, eerste, tweede of derde lid, de graad Master is verleend,

    • b. als proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap een proefschrift heeft geschreven dan wel een proefontwerp heeft vervaardigd, en

    • c. heeft voldaan aan de eisen, gesteld in het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.

  • 3 In bijzondere gevallen kan het college voor promoties personen die voldoen aan het tweede lid onder b en c maar niet voldoen aan dat lid onder a, tot de promotie toegang verlenen.

  • 4 Voor elke promotie wijst het college voor promoties een hoogleraar van een universiteit, een levensbeschouwelijke universiteit of de Open Universiteit aan als promotor. De promotie vindt plaats ten overstaan van dit college of van een commissie, door het college samen te stellen uit hoogleraren en andere personen ten aanzien van wie het heeft geoordeeld dat zij over voldoende bekwaamheid beschikken om in de commissie zitting te hebben, met inachtneming van het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.

  • 5 Voor de toepassing van het vierde lid worden en de bijzondere hoogleraren bij een openbare universiteit gerekend tot de hoogleraren van die universiteit.

  • 6 Een instelling kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse of buitenlandse instellingen de graad Doctor verlenen op grond van een promotie. Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. De instellingen kunnen nadere afspraken maken omtrent de uitvoering binnen het bepaalde in het promotiereglement.

Artikel 7.19. Promotiereglement; eredoctoraat

  • 1 Met inachtneming van het daaromtrent bij deze wet bepaalde stelt het college voor promoties het promotiereglement vast. In dat reglement worden geregeld:

    • a. de gang van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en met betrekking tot de promotie zelf, daaronder begrepen de taak en bevoegdheden van ieder die bij de promotie is of kan worden betrokken,

    • b. de voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen die zich met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en de promotie zelf kunnen voordoen, en

    • c. indien van toepassing, de gang van zaken met betrekking tot artikel 7.18, zesde lid.

  • 2 Het college voor promoties is bevoegd om, op voordracht van het instellingsbestuur, wegens zeer uitstekende verdiensten aan natuurlijke personen de graad Doctor honoris causa te verlenen.

Paragraaf 4. Graden en titulatuur

Artikel 7.19a. Graden Bachelor, Master en Associate degree

  • 1 Degene aan wie op grond van artikel 7.10a een graad is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10a, vierde lid.

  • 2 De graad, bedoeld in het eerste lid, en de toevoegingen, bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, worden als volgt aangeduid:

    • a. Bachelor: B,

    • b. Master: M,

    • c. Bachelor met de toevoeging «of Arts»: BA,

    • d. Bachelor met de toevoeging «of Science»: BSc,

    • e. Bachelor met een andere toevoeging als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, derde volzin,

    • f. Master met de toevoeging «of Arts»: MA,

    • g. Master met de toevoeging «of Science»: MSc, en

    • h. Master met een andere toevoeging als bedoeld in onderdeel e.

  • 4 Degene aan wie op grond van artikel 7.10b de graad Associate degree is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. De afkorting van die graad is Ad.

  • 5 De graad en de toevoeging worden, afgekort, in de naamsvermelding achter de naam geplaatst, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10a, vierde lid.

Artikel 7.20. Titels ir., mr., drs., ing. en bc.

  • 1 Degene die op grond van artikel 7.19a gerechtigd is een graad in het wetenschappelijk onderwijs in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd tot het voeren van:

    • a. de titel ingenieur, afgekort tot ir., indien het een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van de landbouw en natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek,

    • b. de titel meester, afgekort tot mr., indien het een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van het recht, of

    • c. de titel doctorandus, afgekort tot drs., indien het een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs betreft waarop de onderdelen a en b niet van toepassing zijn.

  • 2 Degene die op grond van artikel 7.19a gerechtigd is een graad in het hoger beroepsonderwijs in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd tot het voeren van:

    • a. de titel ingenieur, afgekort tot ing., indien het een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft op het gebied van de landbouw en natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek, of

    • b. de titel baccalaureus, afgekort tot bc., indien het een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft waarop onderdeel a niet van toepassing is.

  • 3 De in het eerste en tweede lid genoemde titels worden, afgekort, voor de naam geplaatst.

  • 4 Het eerste lid is niet van toepassing op masteropleidingen, bedoeld in artikel 7.3b.

  • 5 De betrokkene maakt een keuze uit het tot uitdrukking brengen in de eigen naamsvermelding van een graad als bedoeld in artikel 7.10a en het voeren van een titel als bedoeld in dit artikel.

Artikel 7.20a. De titel kand. [Vervallen per 01-09-2002]

Artikel 7.21. Titels Master en Bachelor [Vervallen per 01-09-2002]

Artikel 7.22. Graad Doctor

  • 1 Degene aan wie op grond van de promotie, bedoeld in artikel 7.18, dan wel ingevolge artikel 7.19, tweede lid, de graad Doctor is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.

  • 2 Degene die op grond van het eerste lid gerechtigd is de in dat lid bedoelde graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd de titel doctor te voeren.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde graad wordt, aangeduid als D, in de naamsvermelding achter de naam geplaatst. De in het tweede lid bedoelde titel wordt, afgekort tot dr., voor de naam geplaatst.

  • 4 De betrokkene maakt een keuze uit het tot uitdrukking brengen in de eigen naamsvermelding van de graad, bedoeld in het eerste lid, en het voeren van de titel, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 7.22a. Handhaving titels oude stijl

  • 1 Degenen die op grond van de artikelen 7.20 en 7.22, zoals die bepalingen op 31 augustus 2002 luidden, gerechtigd waren tot het voeren van een in de desbetreffende bepalingen genoemde titel, blijven gerechtigd die titel te voeren overeenkomstig die artikelen.

  • 2 Degenen die op grond van artikel 7.21, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, gerechtigd waren tot het voeren van de titel Master of de titel Bachelor, blijven gerechtigd die titel te voeren overeenkomstig dat artikel.

Artikel 7.23. Buiten Nederland verkregen graden en titels

  • 1 Degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend en die gerechtigd is die graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is eveneens gerechtigd die graad in Nederland in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen op dezelfde wijze als in het desbetreffende land.

  • 2 Degene aan wie op grond van een bij ministeriële regeling aangewezen examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend en die gerechtigd is die graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd in plaats daarvan in Nederland een van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren. In de in de eerste volzin bedoelde regeling wordt tevens bepaald in welke gevallen welke graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking kan worden gebracht.

  • 3 Onze Minister kan aan degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend, die niet in de in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling is opgenomen, toestaan in de plaats van die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen in Nederland een van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere graad is verleend, naar het oordeel van Onze Minister ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.

  • 4 Degene aan wie door een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad als bedoeld in artikel 7.22 is verleend en die gerechtigd is op grond daarvan een graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is eveneens gerechtigd die graad in Nederland in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen op dezelfde wijze als in het desbetreffende land. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «het verlenen van een graad» mede begrepen het verkrijgen van een titel.

Titel 2. Vooropleidingseisen en toelatingseisen

Paragraaf 1. Vooropleidingseisen bacheloropleidingen

Artikel 7.23a. Begripsbepaling paragraaf 1

In deze paragraaf wordt onder «opleiding» verstaan een bacheloropleiding.

Artikel 7.24. Vooropleidingseisen

  • 3 Voor de inschrijving voor een opleiding of voor een onderwijseenheid behorend tot een opleiding, aan de Open Universiteit gelden geen vooropleidingseisen. Deze inschrijving voor een opleiding of voor een onderwijseenheid behorend tot een opleiding, staat open voor ieder die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.

Artikel 7.25. Nadere vooropleidingseisen

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen tevens worden aangewezen, vakken en andere programmaonderdelen die deel moeten hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een in het eerste lid bedoeld diploma om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of groep van opleidingen, indien het betreft:

    • a. een diploma dat betrekking heeft op een profiel waarvan het profieldeel niet voor alle kandidaten dezelfde vakken en andere programmaonderdelen omvat;

    • b. een diploma dat betrekking heeft op een ander profiel dan een krachtens het eerste lid aangewezen profiel;

    • c. in bijzondere gevallen, een opleiding waarop geen enkel profiel zonder meer een goede voorbereiding geeft.

  • 4 Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma, genoemd in het eerste of derde lid, die niet voldoet aan de in het eerste, tweede of derde lid bedoelde voorwaarden, toch wordt ingeschreven, onder de voorwaarde dat blijkens een onderzoek wordt voldaan aan inhoudelijk daarmee vergelijkbare eisen. Aan deze eisen moet zijn voldaan voor de aanvang van de opleiding, met dien verstande dat bij ministeriële regeling opleidingen kunnen worden aangewezen voor welke, in door het instellingsbestuur te bepalen gevallen en onder door het instellingsbestuur vast te stellen voorwaarden, aan de eisen kan worden voldaan uiterlijk bij afronding van de propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in die opleiding met een studielast van 60 studiepunten. De eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

Artikel 7.26. Aanvullende eisen

  • 1 Indien de uitoefening van het beroep of de beroepen waarop een opleiding voorbereidt, dan wel de organisatie en de inrichting van het onderwijs, specifieke eisen stelt ten aanzien van kennis of vaardigheden die niet of niet in voldoende mate onderdeel zijn van het voortgezet onderwijs, bedoeld in de wet op het voortgezet onderwijs en in de Wet voortgezet onderwijs BES, of van het beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, onderscheidenlijk specifieke eisen stelt ten aanzien van de eigenschappen van de student, kunnen bij ministeriële regeling in verband daarmee eisen worden gesteld in aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24. Dit lid is niet van toepassing op opleidingen op het gebied van de kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld ten aanzien van welke opleidingen het eerste lid toepassing kan vinden.

  • 3 Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Zij treedt in werking op een tijdstip dat nadat 30 dagen na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in de algemene maatregel van bestuur geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

Artikel 7.26a. Aanvullende eisen voor opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst

  • 1 Bij ministeriële regeling worden voor de opleidingen op het gebied van de kunst en voor de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst in verband met de organisatie en inrichting van het onderwijs dan wel de kennis of vaardigheden van de aanstaande studenten en extraneï specifieke eisen gesteld in aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24. Voor de inschrijving voor deze opleidingen geldt als eis het bezit van een bewijs van toelating als bedoeld in het vierde lid.

  • 2 Met betrekking tot de opleidingen waarop het eerste lid van toepassing is, stelt het instellingsbestuur ter uitwerking van de in het eerste lid bedoelde specifieke eisen voor een opleiding criteria vast betreffende selectie en toelating van studenten en extraneï.

  • 3 Voor elke opleiding stelt het instellingsbestuur een commissie in, die is belast met het onderzoek of aanstaande studenten of extraneï voldoen aan de in het eerste lid bedoelde eisen en de in het tweede lid bedoelde criteria. De commissie brengt het instellingsbestuur een gemotiveerd advies uit.

  • 4 Het instellingsbestuur neemt ten aanzien van elke aanstaande student of extraneus een beslissing of deze voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen en de in het tweede lid bedoelde criteria. Het instellingsbestuur bericht de student of extraneus over de uitslag van het desbetreffende onderzoek en reikt hem, indien het resultaat van het onderzoek daartoe aanleiding geeft, ten bewijze daarvan een bewijs van toelating uit.

Artikel 7.27. Eisen werkkring

Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een deeltijdse opleiding aan een universiteit of aan een hogeschool eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden tijdens het volgen van de opleiding stellen indien de desbetreffende werkzaamheden in de onderwijs- en examenregeling als onderwijseenheden zijn aangemerkt.

Artikel 7.28. Vrijstelling op grond van andere diploma’s

  • 1 Degene aan wie een graad als bedoeld in artikel 7.10a is verleend, en de bezitter van een met goed gevolg afgelegd propedeutisch examen aan een instelling voor hoger onderwijs zijn vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen, onverminderd het derde en vierde lid. Van de in de eerste volzin bedoelde vooropleidingseisen is eveneens vrijgesteld degene die toegang heeft tot het wetenschappelijk onderwijs of het hoger beroepsonderwijs in het land van een verdragspartij die het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) heeft geratificeerd, onverminderd de bevoegdheid van het instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het genoemde verdrag een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens deze wet. Gelijke bevoegdheid bestaat op grond van het tweede lid, derde en vierde volzin, het derde en vierde lid en de artikelen 7.26, 7.26a en 7.27.

  • 2 Het instellingsbestuur verleent vrijstelling van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat bij ministeriële regeling is aangemerkt als tenminste gelijkwaardig aan het in het desbetreffende lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat niet in de in de eerste volzin genoemde ministeriële regeling is opgenomen, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur tenminste gelijkwaardig is aan het in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs. Het instellingsbestuur kan tevens bepalen dat betrokkene niet wordt ingeschreven zolang het in de voorgaande volzin bedoelde bewijs niet is geleverd.

  • 3 Indien bij ministeriële regeling eisen als bedoeld in artikel 7.25, eerste, tweede of derde lid, zijn vastgesteld kan de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid geen examens afleggen voordat hij op een door het instellingsbestuur te bepalen wijze op grond van een aanvullend onderzoek heeft aangetoond te beschikken over de kennis en vaardigheden waarop de eisen, bedoeld in artikel 7.25, betrekking hebben.

  • 4 Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid niet kan worden ingeschreven indien dat bestuur van oordeel is dat de eisen, bedoeld in artikel 7.25, van dien aard zijn dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat niet tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de opleiding op grond van een aanvullend onderzoek als bedoeld in het derde lid aangetoond kan worden dat betrokkene beschikt over de kennis en vaardigheden waarop die eisen betrekking hebben. Het instellingsbestuur bepaalt op welke wijze betrokkene op grond van een aanvullend onderzoek met het oog op de inschrijving vrijgesteld kan worden van die eisen.

  • 5 De bij het onderzoek, bedoeld in onderscheidenlijk de leden twee tot en met vier, te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

Artikel 7.29. Vrijstelling op grond van toelatingsonderzoek

  • 1 Het instellingsbestuur kan personen van eenentwintig jaar en ouder die niet voldoen aan de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis noch daarvan krachtens artikel 7.28 zijn vrijgesteld, van die vooropleidingseis vrijstellen, indien zij bij een onderzoek door een door het instellingsbestuur in te stellen commissie hebben blijk gegeven van geschiktheid voor het desbetreffende onderwijs en van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van dat onderwijs.

  • 2 De bij het onderzoek te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

  • 3 Het instellingsbestuur kan ten aanzien van een bezitter van een buiten Nederland afgegeven diploma dat in het eigen land toegang geeft tot een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs, afwijken van de in het eerste lid genoemde leeftijdsgrens. Van die leeftijdsgrens kan het instellingsbestuur ook afwijken, indien in bijzondere gevallen geen diploma kan worden overgelegd.

  • 4 Het instellingsbestuur kan ten aanzien van opleidingen op het gebied van de kunst in bijzondere gevallen afwijken van de in het eerste lid genoemde leeftijd.

Artikel 7.30. Postpropedeutische fase

  • 1 Voor de inschrijving voor een opleiding na het propedeutisch examen geldt als eis het bezit van een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen van die opleiding of van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen dat die opleiding en een of meer andere opleidingen gemeen hebben.

  • 2 Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in het eerste lid bedoelde eis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur ten minste gelijkwaardig is aan het in het eerste lid bedoelde getuigschrift. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur daarbij bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs.

  • 3 Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling kan de examencommissie, in afwijking van het eerste lid, aan degene die is ingeschreven, op zijn verzoek, reeds de toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen verlenen voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg heeft afgelegd.

Paragraaf 2. Toelatingseisen masteropleidingen

Artikel 7.30a. Toelatingseisen aansluitende masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs

  • 1 Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs die in relatie tot een bacheloropleiding is aangewezen op grond van artikel 7.13, derde lid, geldt als toelatingseis dat aan betrokkene een graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend, van de desbetreffende bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs aan dezelfde instelling. Indien op grond van de in de eerste volzin genoemde bepaling een afstudeerrichting is aangewezen, geldt in afwijking van de eerste volzin als toelatingseis voor een in die volzin bedoelde masteropleiding dat aan betrokkene een graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend die betrekking heeft op die afstudeerrichting. In afwijking van de eerste volzin kan het instellingsbestuur besluiten dat degene die voor een bacheloropleiding als bedoeld in die volzin is ingeschreven, toch wordt ingeschreven voor een masteropleiding als bedoeld in die volzin onder de voorwaarde dat is voldaan aan bij de onderwijs- en examenregeling van de desbetreffende masteropleiding te stellen eisen.

  • 3 Voor de inschrijving voor een opleiding als bedoeld in het eerste en tweede lid van personen aan wie geen graad als bedoeld in het eerste lid is verleend, geldt als toelatingseis het bezit van een bewijs van toelating voor die opleiding. Het instellingsbestuur verstrekt desgevraagd een bewijs van toelating, indien:

    • a. de betrokkene voldoet aan de door het instellingsbestuur voor de opleiding vast te stellen eisen, en

    • b. voorzover het instellingsbestuur het aantal ten hoogste voor de opleiding in te schrijven personen heeft vastgesteld, dat aantal niet wordt overschreden.

    De onder a bedoelde eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. Deze komen overeen met de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die moeten zijn verworven bij beëindiging van de bacheloropleiding, bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 5 Het bewijs van toelating, bedoeld in het derde lid, heeft betrekking op het studiejaar dat gelegen is na het studiejaar waarin de aanvraag voor dat bewijs is ingediend, tenzij het instellingsbestuur anders beslist.

Artikel 7.30b. Toelatingseisen overige masteropleidingen

  • 1 Voor de inschrijving voor een andere masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan die, bedoeld in artikel 7.30a, eerste en tweede lid, of voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs geldt als toelatingseis het bezit van een bewijs van toelating voor die opleiding. Artikel 7.30a, derde lid, tweede volzin, is van toepassing. De door het instellingsbestuur vast te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. Deze eisen hebben uitsluitend betrekking op kennis, inzicht en vaardigheden die kunnen zijn verworven bij beëindiging van een bacheloropleiding.

Artikel 7.30c. Toelatingseisen voor masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van onderwijs; vrijstelling daarvan

  • 1 Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs gelden als toelatingseisen dat:

    • a. aan de betrokkene de graad Master, bedoeld in artikel 7.10a, is verleend, en

    • b. de betrokkene voldoet aan de door het instellingsbestuur te stellen eisen.

  • 2 Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de toelatingseis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien uit een door hem ingesteld onderzoek blijkt dat de betrokkene beschikt over vergelijkbare kennis, inzicht en vaardigheden waarop die toelatingseis betrekking heeft.

Artikel 7.30d. Toelatingseisen niet van toepassing a.g.v. Lissabon-afspraken

Op de personen, bedoeld in artikel 7.28, eerste lid, tweede volzin, zijn, onverminderd de bevoegdheid van het instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens deze wet, niet van toepassing:

  • a. artikel 7.30a, met uitzondering van het derde lid, tweede volzin, onderdeel b, en de in het derde lid, vierde volzin, bedoelde kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden,

  • b. artikel 7.30b, met uitzondering van de in het eerste lid, vierde volzin, bedoelde eisen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden, en

  • c. artikel 7.30c, met uitzondering van de in het tweede lid bedoelde kennis, inzicht en vaardigheden.

Artikel 7.30e. Wegnemen tekortkoming bij niet voldoen aan toelatingseisen

Indien de betrokkene niet voldoet aan de toelatingseisen, bedoeld in de artikelen 7.30a tot en met 7.30c, en van hem redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daaraan binnen een redelijke termijn alsnog kan voldoen, wordt hem de mogelijkheid geboden, de tekortkoming weg te nemen en alsnog aan de toelatingseisen te voldoen.

Artikel 7.31. Bekendmaking procedure; procedureregels

  • 1 Het instellingsbestuur maakt tijdig de procedure bekend, op grond waarvan de toewijzing van bewijzen van toelating zal plaatsvinden ingeval het aantal aanvragen voor een bewijs van toelating voor een masteropleiding het vastgestelde aantal personen, bedoeld in de artikelen 7.30a, derde lid, en 7.30b, eerste lid, tweede volzin, zou overschrijden.

  • 2 Het instellingsbestuur stelt een toelatingsreglement vast.

TITEL 2A. VRIJSTELLING VAN HET AFLEGGEN VAN TENTAMENS OP GROND VAN HET BEZIT VAN EEN DIPLOMA BEROEPSONDERWIJS [Vervallen per 01-09-2010]

Titel 3. Studenten en extraneï

Paragraaf 1. Inschrijving

Artikel 7.32. Algemene bepaling inschrijving

  • 1 Ieder die wenst gebruik te kunnen maken van onderwijsvoorzieningen, examenvoorzieningen of voorzieningen van andere aard ten behoeve van initieel onderwijs aan een instelling, dient zich door het instellingsbestuur als student of extraneus te laten inschrijven.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is inschrijving voor een duale opleiding dan wel aan de Open Universiteit uitsluitend mogelijk als student.

  • 3 De inschrijving geschiedt voor een opleiding, met dien verstande dat de inschrijving aan de Open Universiteit geschiedt voor een of meer onderwijseenheden.

  • 4 De inschrijving voor een opleiding geschiedt voor het gehele studiejaar. Indien de inschrijving plaatsvindt in de loop van het studiejaar, geldt zij voor het resterende gedeelte van het studiejaar.

  • 5 De inschrijving als student of extraneus staat slechts open voor degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij:

    • a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld,

    • b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst,

    • c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst en op die dag rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000,

    • d. vreemdeling is en buiten Nederland verblijf houdt op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal de inschrijving wordt gewenst, of

    • e. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd onder b, c of d, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen is ingeschreven voor een opleiding van een instelling, welke opleiding nog steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid.

  • 6 Indien na de inschrijving blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met het vijfde lid heeft plaatsgevonden wordt de inschrijving van de student of extraneus onmiddellijk beëindigd.