Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Geldend van 01-01-2002 t/m 18-06-2002

Wet van 8 oktober 1992, houdende bepalingen met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de versterking van de kwaliteit, het vernieuwend vermogen alsmede de maatschappelijke gerichtheid van het bestel van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wenselijk is de zelfstandigheid van de instellingen te vergroten en daartoe de toedeling van bevoegdheden aan de rijksoverheid en de desbetreffende instellingen te herzien;

dat het voorts gewenst is dat de bestuurlijke betrekkingen die de rijksoverheid onderhoudt met die instellingen zo goed mogelijk op elkaar zijn afgestemd;

dat het daarvoor wenselijk is de afzonderlijke regelingen op het gebied van het bestel van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek samen te voegen tot een Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Titel 1. Definities en taakomschrijving

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze wet wordt verstaan onder:

  • a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voorzover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

  • b. hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs;

  • c. wetenschappelijk onderwijs: onderwijs dat is gericht op de voorbereiding tot de zelfstandige beoefening van de wetenschap of de beroepsmatige toepassing van wetenschappelijke kennis en dat het inzicht in de samenhang van de wetenschappen bevordert;

  • d. hoger beroepsonderwijs: onderwijs dat is gericht op de overdracht van theoretische kennis en op de ontwikkeling van vaardigheden in nauwe aansluiting op de beroepspraktijk;

  • e. initieel onderwijs: hoger onderwijs dat aansluit op de tweede fase van het voortgezet onderwijs;

  • f. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.2;

  • g. instelling voor hoger onderwijs: een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder a of b;

  • h. openbare instelling: een instelling die uitgaat van de overheid;

  • i. bijzondere instelling: een instelling die uitgaat van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;

  • j. instellingsbestuur:

    • - voorzover het een bijzondere instelling betreft: het bestuur van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan die instelling uitgaat;

    • - voorzover het een openbare instelling, uitgaande van een gemeente, betreft: het college van burgemeester en wethouders voorzover de raad niet anders bepaalt en, indien de raad dit wenselijk acht, met inachtneming van door hem te stellen regelen;

    • - voorzover het een openbare instelling betreft, uitgaande van een openbaar lichaam ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling: het krachtens de desbetreffende regeling bevoegde orgaan;

    • - voorzover het een openbare instelling, uitgaande van het Rijk, betreft: Onze minister;

    • - voorzover het een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid betreft: het ingevolge deze wet terzake bevoegde orgaan;

  • k. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar;

  • l. inspectie: de inspectie, bedoeld in artikel 5.1;

  • m. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3;

  • n. duale opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, of artikel 7.7a ;

  • o. faculteit der geneeskunde: de faculteit waarin de opleiding voor het beroep van arts is ingesteld;

  • p. waarborgfonds: het fonds bedoeld in artikel 2.15;

  • q. Informatie Beheer Groep: de Informatie Beheer Groep, genoemd in de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank.

Artikel 1.2. Reikwijdte

Deze wet heeft betrekking op:

  • a. de in artikel 1.8 bedoelde universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit,

  • b. universiteiten en hogescholen die krachtens artikel 6.9 zijn aangewezen,

  • c. de in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde academische ziekenhuizen, en

  • d. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam en de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage.

Artikel 1.3. Universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit

  • 1 Universiteiten hebben het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek tot taak. In elk geval verzorgen zij initiële opleidingen, verrichten zij wetenschappelijk onderzoek, voorzien zij in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper en dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij.

  • 2 Hogescholen hebben het verzorgen van hoger beroepsonderwijs tot taak. Zij kunnen onderzoek verrichten voorzover dit verband houdt met het onderwijs aan de instelling. In elk geval verzorgen zij initiële opleidingen en dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is gericht.

  • 3 De Open Universiteit heeft het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en van hoger beroepsonderwijs tot taak, alsmede het leveren van een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. In elk geval verzorgt zij initiële opleidingen. Zij verzorgt deze in de vorm van afstandsonderwijs.

  • 4 De universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit schenken mede aandacht aan de persoonlijke ontplooiing en aan de bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Zij richten zich in het kader van hun werkzaamheden op het gebied van het onderwijs wat betreft Nederlandstalige studenten mede op de bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands.

Artikel 1.4. Academische ziekenhuizen

  • 1 Academische ziekenhuizen zijn werkzaam op het gebied van de patiëntenzorg en staan mede ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aan de universiteiten waaraan zij zijn verbonden. Zij vervullen mede topklinische en topreferentiefuncties in de gezondheidszorg. Voorts verlenen zij medewerking aan de opleiding tot medisch specialist.

  • 3 Het ondersteunen van leerlingen, bedoeld in het tweede lid, kan in overeenstemming tussen de educatieve voorziening en de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de leerling betreffen.

Artikel 1.5. Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

  • 1 De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen is werkzaam op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek. In elk geval bevordert zij de uitwisseling van gedachten en informatie tussen haar leden onderling en tussen deze leden en andere wetenschapsbeoefenaren en wetenschappelijke organisaties, adviseert zij Onze minister desgevraagd of uit eigen beweging over aangelegenheden op het gebied van de wetenschapsbeoefening en bevordert zij de wetenschapsbeoefening door werkzaamheden op dat gebied te verrichten of te doen verrichten.

  • 2 De Koninklijke Bibliotheek is als de nationale bibliotheek werkzaam op het gebied van het bibliotheekwezen en de informatieverzorging, zowel ten behoeve van het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek als ten behoeve van het openbaar bestuur en de uitoefening van beroep of bedrijf. In elk geval draagt zij zorg voor de nationale bibliotheekverzameling, bevordert zij de totstandkoming en instandhouding van nationale voorzieningen op het vorengenoemde gebied en bevordert zij de afstemming met de overige wetenschappelijke bibliotheken.

Artikel 1.6. Academische vrijheid

Aan de instellingen wordt de academische vrijheid in acht genomen.

Artikel 1.7. Richtlijnen ethiek

Het instellingsbestuur stelt richtlijnen vast met betrekking tot de ethische aspecten verbonden aan de werkzaamheden van de instelling. Het stelt die richtlijnen niet vast dan na het advies te hebben ingewonnen van een door hem daartoe ingestelde commissie. Indien ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling gebruik wordt gemaakt van dieren dan wel mensen voor proeven, onderscheidenlijk voor demonstraties of proeven, hebben de richtlijnen daar mede betrekking op.

Titel 2. De instellingen

Paragraaf 1. Bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Artikel 1.8. Opsomming bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

  • 1 De bekostigde instellingen voor hoger onderwijs zijn de instellingen, opgenomen in de bijlage van deze wet onder a tot en met h.

  • 2 De in de bijlage van deze wet onder a, c en h genoemde instellingen bezitten rechtspersoonlijkheid.

  • 3 Een wijziging van de statutaire naam van een stichting of vereniging, genoemd in de bijlage, is van kracht met ingang van het tijdstip waarop de wijziging schriftelijk aan Onze minister is medegedeeld.

Artikel 1.9. Bekostiging en getuigschriften

  • 1 Ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs en, voorzover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek hebben de in de bijlage van deze wet onder a, c en h genoemde instellingen en de gemeenten en openbare lichamen, onderscheidenlijk rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, waarvan de overige in de bijlage van deze wet genoemde instellingen uitgaan, aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas. Voor de toepassing van dit lid wordt het onderwijsgebonden onderzoek aan hogescholen gerekend tot het daarop betrekking hebbende initieel onderwijs.

  • 2 Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door de bekostigde instellingen, is een getuigschrift verbonden als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid. Degenen die in het bezit zijn van een dergelijk getuigschrift onderscheidenlijk hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de titels te voeren, genoemd in de artikelen 7.20 tot en met 7.22.

  • 3 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste en tweede lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van:

    • a. de kwaliteitszorg,

    • b. de planning en bekostiging,

    • c. het personeel,

    • d. het onderwijsaanbod, de registratie, het onderwijs, de examens en de promoties,

    • e. de vooropleidingseisen,

    • f. de studenten en extraneï,

    • g. de rechtsbescherming van studenten en extraneï, en

    • h. het bestuur en de inrichting.

  • 4 Ten aanzien van het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid en in opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling en het daarmee verband houdende onderzoek is het derde lid, onder d, voor wat betreft het onderwijs, de examens en de promoties, e en h, niet van toepassing, maar geldt als voorwaarde dat dit onderwijs en onderzoek alsmede de inrichting en het bestuur te dien aanzien worden geregeld bij of krachtens de statuten van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de bijzondere instelling uitgaat of in de op die instelling betrekking hebbende structuurregeling dan wel in het bestuursreglement.

  • 5 De in het vierde lid bedoelde regeling alsmede wijzigingen daarvan worden door het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van Onze minister. Zij wordt geacht te beantwoorden aan de in het vierde lid genoemde voorwaarde, indien Onze minister niet binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling bij een aan het instellingsbestuur gerichte brief heeft verklaard tegen de regeling of de desbetreffende wijziging daarvan uit oogpunt van voldoende waarborg van deugdelijkheid bedenkingen te hebben.

  • 6 Indien de bedenkingen, bedoeld in het vijfde lid, niet binnen drie maanden worden ondervangen, kan Onze minister besluiten dat aan de desbetreffende opleiding de rechten, genoemd in het eerste en tweede lid, ontnomen worden, onverminderd het overigens met betrekking tot ontneming van rechten in hoofdstuk 6, titel 1, bepaalde. Artikel 6.4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.10. Aard bepalingen

Paragraaf 2. Aangewezen instellingen voor hoger onderwijs

Artikel 1.11. Aangewezen instellingen voor hoger onderwijs

Andere instellingen voor hoger onderwijs dan die genoemd in de bijlage van deze wet, kunnen worden aangewezen.

Artikel 1.12. Titulatuur en getuigschriften aangewezen instellingen

  • 1 Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door de aangewezen instellingen, is een getuigschrift verbonden als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid. Degenen die in het bezit zijn van een dergelijk getuigschrift onderscheidenlijk hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de titels te voeren, genoemd in de artikelen 7.20 tot en met 7.22.

  • 2 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen is bepaald in het vierde lid, alsmede hetgeen is bepaald bij of krachtens deze wet ten aanzien van:

    • a. de kwaliteitszorg,

    • b. de registratie, het onderwijs, de examens en de promoties,

    • c. de vooropleidingseisen.

  • 3 Voorzover het een opleiding in de godgeleerdheid dan wel een opleiding gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een aangewezen instelling betreft, is in afwijking van het tweede lid voorwaarde, dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen is bepaald in het vierde lid, alsmede hetgeen in deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg en de registratie en dat het onderwijs wordt geregeld bij of krachtens de statuten, de akte of het reglement van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de instelling uitgaat.

  • 4 Het instellingsbestuur verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het instellingsbestuur doet Onze minister jaarlijks een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling en betrekt daarbij de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18, alsmede andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling.

Paragraaf 3. Academische ziekenhuizen

Artikel 1.13. Academische ziekenhuizen; rechtspersoonlijkheid

  • 1 Bij elke in artikel 1.8 bedoelde universiteit die een opleiding voor het beroep van arts verzorgt, is een academisch ziekenhuis. De academische ziekenhuizen zijn opgenomen in onderdeel i van de bijlage van deze wet.

  • 2 De academische ziekenhuizen, genoemd in onderdeel i, onder 1, van de bijlage van deze wet, bezitten rechtspersoonlijkheid.

Artikel 1.14. Bekostiging academische ziekenhuizen

  • 1 De academische ziekenhuizen hebben ten behoeve van het vervullen van hun in deze wet opgedragen werkzaamheden ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aanspraak op een door Onze minister te bepalen deel van de rijksbijdrage die op grond van artikel 2.5 is vastgesteld voor de universiteit waaraan het academisch ziekenhuis is verbonden.

  • 2 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is, dat de desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet voor de academische ziekenhuizen bepaalde ten aanzien van:

    • a. de planning en bekostiging,

    • b. het personeel, en

    • c. het bestuur en de inrichting.

Artikel 1.15. Aard bepalingen

Paragraaf 4. Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

Artikel 1.16. Rechtspersoonlijkheid KNAW en KB

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek bezitten rechtspersoonlijkheid.

Artikel 1.17. Bekostiging

  • 1 De in artikel 1.16 genoemde instellingen voor wetenschappelijk onderzoek hebben aanspraak op een bijdrage uit ’s Rijks kas ten behoeve van het vervullen van hun bij deze wet opgedragen werkzaamheden.

  • 2 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet bepaalde ten aanzien van:

    • a. de kwaliteitszorg,

    • b. de planning en bekostiging,

    • c. het personeel, en

    • d. het bestuur en de inrichting.

  • 3 De voorwaarden, bedoeld in het tweede lid onder a, en onder b voor wat betreft de planning, hebben geen betrekking op de adviestaak van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Titel 3. Kwaliteitszorg

Artikel 1.18. Kwaliteitszorg

  • 1 Het instellingsbestuur van een in artikel 1.2, onder a, b en d, bedoelde instelling draagt er zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. De beoordeling bij instellingen voor hoger onderwijs geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten over de kwaliteit van het onderwijs van de instelling. Voorzover die beoordeling mede geschiedt door onafhankelijke deskundigen, zijn de uitkomsten daarvan openbaar.

  • 2 Onze minister ziet toe op de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid. Hij kan onderzoek laten verrichten naar de kwaliteit van de werkzaamheden van de instellingen. Voorzover het betreft het hoger onderwijs geschiedt dit onderzoek overeenkomstig hoofdstuk 5. Daarbij wordt de eigen aard van de bijzondere instelling in acht genomen.

Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging

Artikel 2.1. Reikwijdte

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit alsmede op de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek, met dien verstande dat artikel 2.13 en titel 5 niet van toepassing zijn en dat artikel 2.15 uitsluitend van toepassing is op de hogescholen. Op de academische ziekenhuizen zijn uitsluitend de artikelen 2.10, 2.12 en 2.13 en titel 5 van toepassing.

Titel 1. Planning

Artikel 2.2. Instellingsplan

Het instellingsbestuur stelt om het jaar een plan met betrekking tot de instelling vast. Het plan geeft een omschrijving van de inhoud en de specificatie van het voorgenomen beleid van de instelling voor die periode. In het plan wordt aandacht besteed aan de voornemens in verband met de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het verbeteren van de inrichting van de opleidingen aan de instelling. Het instellingsbestuur maakt het plan openbaar.

Artikel 2.3. Hoger onderwijs- en onderzoekplan

  • 1 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, voor onderwijs en onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, stelt mede op grondslag van de gegevens vermeld in de jaarverslagen omtrent het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instellingen een hoger onderwijs- en onderzoekplan vast. Het plan heeft betrekking op een tijdvak van ten minste vier jaren.

  • 2 Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat de voornemens ten aanzien van het door Onze minister te voeren beleid met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

  • 3 Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat voorts in ieder geval:

    • a. een overzicht van omstandigheden en gegevens die van belang zijn voor het met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te voeren beleid, en van de gewenste ontwikkelingen, daaronder mede begrepen wijzigingen ten aanzien van de maatschappelijke behoeften aan hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, alsmede

    • b. een financiële raming in verband met de bekostiging van de daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden van de instellingen.

Artikel 2.4. Vaststelling hoger onderwijs- en onderzoekplan

  • 1 Het hoger onderwijs- en onderzoekplan wordt vastgesteld uiterlijk vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige hoger onderwijs- en onderzoekplan.

  • 2 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen biedt uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het moment waarop het hoger onderwijs- en onderzoekplan uiterlijk moet zijn vastgesteld, een ontwerp van dat plan aan de beide Kamers der Staten-Generaal aan.

  • 3 Over de wijze waarop het vastgestelde plan wordt openbaar gemaakt, doet Onze minister mededeling in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en in de Staatscourant.

Titel 2. Bekostiging

Artikel 2.5. Rijksbijdrage

  • 1 De rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 1.17, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt berekend op de grondslag van een algemene berekeningswijze en voorzover het betreft investeringen in gebouwen en terreinen, hetzij op de grondslag van die algemene berekeningswijze hetzij op de grondslag van een andere door Onze minister te bepalen wijze. In afwijking van de eerste volzin wordt de rijksbijdrage voor de universiteiten voor zover het betreft onderwijs gericht op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad berekend op de grondslag van een bijzondere berekeningswijze. Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de rijksbijdrage.

  • 2 Onze minister kan aan de bekostiging van onderzoek aan universiteiten voorwaarden verbinden, verband houdend met de kwaliteitszorg.

  • 3 De rijksbijdrage wordt jaarlijks door Onze minister vastgesteld in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor dat begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan de rijksbijdrage van een hogeschool kan worden vermeerderd of verminderd wegens het in dienst nemen van personeel dat een uitkering na ontslag verwerft of zal verwerven, onderscheidenlijk wegens het beëindigen van het dienstverband van zodanig personeel.

  • 4 Indien het in het derde lid bedoelde onderdeel van de voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting wordt gewijzigd, wordt de rijksbijdrage door Onze minister nader vastgesteld.

  • 5 De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze minister te bepalen kasritme.

  • 6 Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze minister een voorschot verstrekt. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.6. Algemene berekeningswijze

  • 1 De in artikel 2.5, eerste lid, bedoelde algemene berekeningswijze wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. De algemene berekeningswijze bevat voor alle instellingen of voor groepen van instellingen gelijkelijk geldende maatstaven. Deze maatstaven hebben betrekking op de aard en omvang van de werkzaamheden en op de uitvoering daarvan.

  • 2 De in artikel 2.5, eerste lid, bedoelde bijzondere berekeningswijze wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. In die algemene maatregel van bestuur wordt tevens vastgesteld ten aanzien van welk onderwijs dat artikellid toepassing vindt. De bijzondere berekeningswijze bevat maatstaven die in elk geval betrekking hebben op de studieresultaten.

  • 3 Wat betreft de instellingen voor hoger onderwijs, met uitzondering van de Open Universiteit, hebben de maatstaven in elk geval betrekking op het aantal studenten en op de studieresultaten. De maatstaven kunnen verschillen per opleiding of groepen van opleidingen.

  • 4 De maatstaven voor bekostiging van het wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten hebben in ieder geval betrekking op de maatschappelijke en wetenschappelijke behoefte aan het onderzoek, waarbij rekening wordt gehouden met het profiel van de instellingen alsmede op de kwaliteit van het onderzoek.

  • 5 Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste en tweede lid voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.

Artikel 2.7. Mededeling geraamde en bekendmaking vastgestelde rijksbijdrage

  • 1 Onze minister maakt aan elke instelling jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het komende begrotingsjaar voorlopig kan worden verwacht. Hij deelt daarbij mede op welke wijze de geraamde rijksbijdrage is berekend.

  • 2 Onze minister maakt aan elke instelling zo spoedig mogelijk na de in artikel 2.5, derde lid, bedoelde vaststelling bekend, welke rijksbijdrage voor de instelling is vastgesteld.

  • 3 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 2.5, vierde lid, bedoelde nadere vaststelling van de rijksbijdrage.

Artikel 2.7a. Aanvullende rijksbijdrage in verband met kwaliteit en studeerbaarheid [Vervallen per 11-05-2001]

Artikel 2.8. Begroting

  • 1 Het instellingsbestuur stelt jaarlijks, voorafgaand aan het desbetreffende begrotingsjaar, voor de instelling een begroting vast. Het zendt de begroting, alsmede wijzigingen van de begroting, binnen veertien dagen na de vaststelling ter kennis aan Onze minister. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar. Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit, neemt bij de vaststelling van de begroting, onderscheidenlijk wijziging van de begroting de vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve van het academisch ziekenhuis in acht.

  • 2 De begroting behelst een raming van de inkomsten en uitgaven alsmede van de baten en lasten van de instelling en dient in evenwicht te zijn. De in de begroting voorziene inkomsten uit de rijksbijdrage sluiten aan op de voor het desbetreffende begrotingsjaar door Onze minister geraamde, onderscheidenlijk vastgestelde en in voorkomende gevallen nader vastgestelde rijksbijdrage.

  • 3 Het instellingsbestuur draagt zorg voor wijziging van de begroting indien de vastgestelde rijksbijdrage afwijkt van de in de begroting opgenomen geraamde rijksbijdrage, alsmede in geval van een nader vastgestelde rijksbijdrage.

  • 4 Het instellingsbestuur doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de vastgestelde of gewijzigde begroting.

  • 5 Af- en overschrijving op de uitgaafposten van de begroting kunnen door het instellingsbestuur geschieden in de gevallen, voorzien in de door dat bestuur terzake vast te stellen regels.

Artikel 2.9. Verslaglegging

  • 1 Het instellingsbestuur dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze minister een verslag in. Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende begroting, het jaarverslag en overige financiële gegevens. Uit het verslag dient te blijken in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend en van een doelmatige aanwending van de rijksbijdrage, mede in het licht van het instellingsplan.

  • 2 In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van het financiële beheer van de instelling over het voorafgaande begrotingsjaar. Het jaarverslag omvat mede het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instelling, mede in het licht van de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18 en andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. Aan het jaarverslag van een universiteit waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden, wordt het in artikel 12.21 bedoelde document toegevoegd, dan wel, indien het een bijzondere universiteit betreft, een overzicht van de voornemens betreffende de onderlinge afstemming van de werkzaamheden van de universiteit en het academisch ziekenhuis op het gebied van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Toepassing van de voorgaande volzin blijft achterwege indien het document, onderscheidenlijk het overzicht reeds aan een eerder jaarverslag is toegevoegd en het sindsdien niet is gewijzigd of opnieuw is vastgesteld.

  • 3 Het verslag omvat een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het instellingsbestuur aangewezen registeraccountant als bedoeld in de Wet op de registeraccountants (Stb. 1962, 258). Die verklaring heeft mede betrekking op de gegevens die op enigerlei wijze een rol spelen in de algemene berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid. Bij de aanwijzing van de registeraccountant wordt bedongen dat aan Onze minister op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controlerapporten van de registeraccountant.

  • 4 Indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend, niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend, kan Onze minister bepalen, dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage. Hij maakt dit binnen een jaar na de ontvangst van de jaarrekening bekend aan het instellingsbestuur.

  • 5 Het resultaat van het verslagjaar wordt verrekend met de algemene reserve van de instelling.

  • 6 De leden van het college van bestuur of het algemeen bestuur van een rechtspersoonlijkheid bezittende openbare instelling zijn persoonlijk aansprakelijk jegens de instelling voor schade ten gevolge van uitgaven die zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, voorzover Onze minister heeft bepaald dat de met die uitgaven gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage, tenzij blijkt dat zij aan het doen van die uitgaven niet hebben medegewerkt. Indien binnen een door Onze minister te bepalen termijn geen rechtsvordering van de zijde van de instelling terzake is gesteld, kan Onze minister daartoe overgaan namens en ten behoeve van de instelling.

Artikel 2.10. Informatieplicht en doelmatigheidscontrole ministeriële accountant

De accountant die door Onze minister is belast met het onderzoek van de ministeriële jaarrekening, heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot elke instelling. De accountant kan door Onze minister tevens worden belast met een onderzoek naar de doelmatigheid van het beheer van de instelling. Aan de accountant worden alle inlichtingen verstrekt die hij voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.

Artikel 2.11. Bijzondere bepalingen universitaire eerstegraadslerarenopleidingen

  • 1 Een in artikel 7.5 bedoelde universiteit en de daarmee samenwerkende hogescholen bereiken jaarlijks overeenstemming over de besteding van dat gedeelte van de rijksbijdrage dat blijkens mededeling van Onze minister ten behoeve van de desbetreffende lerarenopleiding beschikbaar is. Het bestuur van de universiteit betaalt, zodra de in artikel 2.5 bedoelde betaling van de rijksbijdrage dan wel betaling van een voorschot daarop is ontvangen, aan de met die universiteit samenwerkende hogescholen het in de eerste volzin bedoelde gedeelte van de rijksbijdrage.

Artikel 2.12. Bijzondere bepaling academische ziekenhuizen

Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit betaalt, zodra de in artikel 2.5 bedoelde betaling van de rijksbijdrage dan wel betaling van een voorschot daarop is ontvangen, aan het met dieuniversiteit verbonden academisch ziekenhuis onverwijld het gedeelte van de rijksbijdrage waarop het academisch ziekenhuis op grond van artikel 1.14, eerste lid, aanspraak heeft.

Artikel 2.13. Buitengebruikstelling gebouwen en terreinen

  • 1 Het instellingsbestuur dat voornemens is om gebouwen of terreinen ten behoeve waarvan een rijksbijdrage is verleend, blijvend niet meer voor de instelling te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan Onze minister.

  • 2 Onze minister kan binnen negentig dagen na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, beslissen dat de gebouwen of terreinen worden overgedragen aan het Rijk dan wel ten behoeve van onderwijs of onderzoek aan een andere door hem aan te wijzen rechtspersoon. De overdracht geschiedt door de inschrijving van de desbetreffende beslissing van Onze minister in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3 Het instellingsbestuur kan de gebouwen of terreinen niet verhuren, vervreemden of aan enig beperkt recht onderwerpen tenzij Onze minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, mededeelt van zijn in het tweede lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik te maken.

  • 4 Bij de overgang van de eigendom van gebouwen of terreinen ingevolge het tweede lid, vergoedt het Rijk, voorzover deze gebouwen of terreinen door de rechtspersoon uit eigen middelen zijn betaald en hiervoor geen rijksbijdrage werd verstrekt, een door Onze minister te bepalen bedrag. Onze minister stelt dit bedrag vast in verhouding tot de waarde in het economisch verkeer van die gebouwen of terreinen.

Titel 3. Richtlijn

Artikel 2.14. Richtlijn

Onze minister kan een richtlijn vaststellen voor de inrichting van de begroting en het verslag.

Titel 4. Bijzondere bepalingen in verband met investeringen en leningen

Artikel 2.15. Waarborgfonds hogescholen

  • 1 Elke instelling is aangesloten bij de door de instellingsbesturen gezamenlijk opgerichte rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, zonder winstoogmerk. Deze rechtspersoon stelt zich ten doel zich borg te stellen voor de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen, voortvloeiend uit de door het instellingsbestuur aangegane leningen door instandhouding van een onafhankelijk functionerend fonds, dat uitsluitend de in dit artikel genoemde functies uitoefent.

  • 2 De leden van het bestuur van het fonds worden benoemd door de instellingsbesturen. De leden stemmen zonder last of ruggespraak.

  • 3 Elke instelling draagt aan het fonds op zodanige wijze bij, dat door de gezamenlijke bijdragen het functioneren van het fonds is gewaarborgd.

  • 4 Het instellingsbestuur kan het fonds verzoeken zich geheel of gedeeltelijk borg te stellen voor de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen, voortvloeiend uit een door het instellingsbestuur afgesloten lening.

  • 5 Het fonds kan aan het verlenen van een waarborg algemeen geldende voorwaarden verbinden met betrekking tot de vorm van de te waarborgen lening en met betrekking tot een door de instelling aan het fonds te betalen borgstellingsvergoeding. Een verzoek om borgstelling van een instelling dat aan deze algemene voorwaarden voldoet kan, onverminderd het bepaalde in het negende lid, niet worden geweigerd.

  • 6 Het instellingsbestuur legt jaarlijks een afschrift van de vastgestelde begroting als bedoeld in artikel 2.8 en het vastgestelde verslag als bedoeld in artikel 2.9 over aan het bestuur van het fonds.

  • 7 Indien het aan het instellingsbestuur bij de vaststelling van de begroting blijkt dat het op enig moment in het kalenderjaar waarop die begroting betrekking heeft, niet in staat zal zijn tot nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen uit één of meer door het fonds geborgde leningen, meldt het instellingsbestuur dit voor de aanvang van het in dit artikellid bedoelde kalenderjaar aan het fonds. Binnen acht weken na de melding, bedoeld in de eerste volzin, legt het instellingsbestuur aan het fonds een door hem vastgesteld saneringsplan over, waarin is aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn het evenwicht tussen de inkomsten en de uitgaven van de instelling hersteld kan worden. Het bestuur van het fonds kan ten aanzien van het saneringsplan voorwaarden van financiële aard stellen die zijn gericht op het herstel van het financieel evenwicht tussen de inkomsten en uitgaven van de instelling, die door de instelling in het door haar vastgestelde saneringsplan worden opgenomen.

  • 8 Indien het aan het instellingsbestuur in de loop van een kalenderjaar blijkt dat het niet in staat zal zijn tot nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen uit één of meer door het fonds geborgde leningen, terwijl dat bij de vaststelling van de begroting met betrekking tot dat kalenderjaar niet was voorzien, meldt het instellingsbestuur dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval voordat de toestand, bedoeld in deze volzin, intreedt aan het fonds. De tweede en derde volzin van het zevende lid zijn van toepassing.

  • 9 Indien een lening, waarvan de instelling bij het fonds om borging verzoekt, naar het oordeel van het fonds tot gevolg heeft dat het instellingsbestuur niet in staat zal zijn tot nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen uit één of meer door het fonds geborgde leningen, bepaalt het bestuur van het fonds dat de borging niet wordt verleend dan nadat een door het instellingsbestuur vastgesteld saneringsplan is overgelegd dan wel geheel of gedeeltelijk is uitgevoerd, waarin is aangegeven op welke wijze het evenwicht tussen de inkomsten en de uitgaven van de instelling kan worden behouden dan wel hersteld. De derde volzin van het zevende lid is van toepassing.

  • 11 Indien een of meer voorwaarden van het fonds als bedoeld in het zevende tot en met negende lid, de vrijheid van inrichting van het onderwijs in ernstige mate aantast, kan het instellingsbestuur daartegen beroep instellen bij Onze minister. Op het beroep zijn de hoofdstukken 6 en 7, met uitzondering van de artikelen 7:24 en 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

  • 12 Onze minister beslist binnen zes weken na ontvangst van het beroepschrift. Indien Onze minister het beroep gegrond acht, bepaalt hij dat een of meer van de voorwaarden niet in het saneringsplan behoeven te worden opgenomen. De instelling stelt met inachtneming van de uitspraak van Onze minister het saneringsplan opnieuw vast en treedt daarover in overleg met het fonds. De laatste twee volzinnen van het zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 13 Indien een instelling één of meer leningen bij het fonds heeft geborgd, dient de instelling voorafgaand aan het aangaan van leningen waarvoor de instelling het fonds niet om borging verzoekt, dit te melden aan het fonds.

  • 14 Van de verplichtingen, bedoeld in dit artikel, kan Onze minister op verzoek van het bestuur van een bijzondere instelling ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze minister verleent de ontheffing slechts, indien het instellingsbestuur aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen voor het waarborgen van het voortbestaan van de instelling.

  • 15 Het fonds kan batig saldo uitkeren aan de instellingen. De instellingen besteden deze uitkeringen ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling, waarvoor de rijksbijdrage wordt verstrekt.

  • 16 De statuten van de rechtspersoon die het fonds in stand houdt voldoen aan het gestelde in dit artikel.

Artikel 2.16. Opheffing instellingen

  • 1 Bij de opheffing van een openbare instelling en bij de beëindiging van de bekostiging van een bijzondere instelling, draagt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk na de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening wordt aan Onze minister gezonden en gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid van een door het instellingsbestuur aangewezen registeraccountant, als bedoeld in de Wet op de registeraccountants (Stb. 1962, 258).

  • 2 Tenzij met Onze minister een andere regeling wordt getroffen, is het instellingsbestuur aan het Rijk een bedrag verschuldigd, indien de eindafrekening een batig saldo bevat. Het bedrag wordt door Onze minister vastgesteld en mag niet hoger zijn dan het saldo van de eindafrekening. Bij de vaststelling van het bedrag wordt rekening gehouden met door het instellingsbestuur uit de eigen middelen aan investeringen bestede gelden.

  • 3 Bij de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging als bedoeld in het eerste lid, maakt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk aan Onze minister bekend welke maatregelen het heeft genomen teneinde te waarborgen dat de aan die instelling ingeschreven studenten de opleiding aan een andere instelling kunnen voltooien.

Artikel 2.17. Beheer van de middelen

Het instellingsbestuur beheert de middelen van de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd.

Titel 5. Subsidiëring academische ziekenhuizen ten behoeve van de educatieve voorziening

Artikel 2.18. Subsidie educatieve voorziening

  • 2 De hoogte van de subsidie aan het academisch ziekenhuis dan wel aan het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, wordt bepaald op basis van het leerlingenaantal dat het gemiddelde is van de hoogste dagtellingen in de maanden september tot en met april van het schooljaar 1994–1995 van leerlingen van scholen als bedoeld in artikel 2, tweede lid onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, die waren opgenomen in het desbetreffende academisch ziekenhuis, en een bedrag per leerling.

  • 3 Het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die een educatieve voorziening in stand houdt, ontvangt de subsidie, bedoeld in het tweede lid, onder de voorwaarde dat op de aan deze subsidie gerelateerde formatieplaatsen personeel wordt benoemd, dat op 31 juli 1999 was benoemd aan een of meer van de scholen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, tenzij het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt aantoont dat met betrekking tot een formatieplaats geen lid van dat personeel beschikbaar was dat de formatieplaats aanvaardde. Deze benoemingsverplichting geldt voor de betrekkingsomvang die voor de desbetreffende personeelsleden gold aan die scholen.

Artikel 2.19. Begroting en verslaglegging

Met betrekking tot de educatieve voorziening, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, stelt het bestuur van een academisch ziekenhuis dan wel het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, jaarlijks voor 1 juli een begroting voor het volgende jaar en een jaarverslag over het afgelopen jaar vast en zendt die aan Onze minister. Onze minister kan een richtlijn vaststellen voor de inrichting van de begroting en het jaarverslag.

Artikel 2.20. Controle en terugvordering

  • 1 Binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar waarover de subsidie is toegekend, legt het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over aan Onze minister, waaruit blijkt in hoeverre de toegekende subsidie is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet.

  • 2 Voorzover niet uit de verklaring, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de subsidie is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet, vordert Onze minister het desbetreffende bedrag terug.

Hoofdstuk 3. Overleg

Artikel 3.1. Algemeen overleg

  • 1 Onze minister pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van de bekostigde universiteiten en hogescholen, de Open Universiteit, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek over aangelegenheden van algemeen beleid met betrekking tot die instellingen.

  • 2 Onze minister pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van de bekostigde universiteiten waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden en van de academische ziekenhuizen over aangelegenheden van algemeen beleid betreffende de academische ziekenhuizen dan wel betreffende de academische ziekenhuizen en de universiteiten gezamenlijk.

Artikel 3.2. Overleg met afzonderlijke instellingen

Onze minister neemt besluiten als bedoeld in de artikelen 1.9, zesde lid, 2.9, vierde lid, 2.13, tweede en vierde lid, 4.2, tweede lid, 7.56, eerste lid, onder b, en 7.56a, eerste lid, onder b, niet dan na het betrokken instellingsbestuur in de gelegenheid te hebben gesteld met hem te overleggen over zijn desbetreffend voornemen.

Artikel 3.3. Overleg met studentenorganisaties

  • 1 Onze minister pleegt geregeld overleg met de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties van studenten over aangelegenheden van algemeen belang voor studenten.

  • 2 Onze minister treft een regeling ter financiële ondersteuning van de vertegenwoordigers van de in het eerste lid bedoelde belangenorganisaties, in verband met door hen te verrichten werkzaamheden.

Hoofdstuk 4. Het personeel

Artikel 4.1. Reikwijdte

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit alsmede op de academische ziekenhuizen, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek, met uitzondering van artikel 4.2, derde tot en met vijfde lid, dat uitsluitend betrekking heeft op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit.

Artikel 4.2. Personeelsbeleid

  • 1 Het instellingsbestuur bepaalt het personeelsbeleid en voert het personeelsbeheer. Het neemt daarbij de bij of krachtens de wet gegeven voorschriften alsmede de eisen van zorgvuldigheid in acht.

  • 2 Onze minister kan het instellingsbestuur van een universiteit richtlijnen geven met betrekking tot het minimum aantal assistenten in opleiding.

  • 3 Het instellingsbestuur van een universiteit, een hogeschool of de Open Universiteit stelt ten behoeve van de leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek van elke van het instellingsbestuur uitgaande instelling, indien daaraan van een ondervertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek sprake is, eenmaal in de 4 jaar een document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies vast.

  • 4 Het document bevat streefcijfers, met inbegrip van een bepaald tijdvak waarbinnen deze streefcijfers worden gerealiseerd, aan de hand waarvan door het instellingsbestuur een beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies wordt gevoerd, opdat in deze functies vrouwen en mannen naar evenredigheid werkzaam zullen zijn. Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het personeel op het gebied van onderwijs en onderzoek dat werkzaam is in het door de instelling verzorgde onderwijs en onderzoek, zoals die blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze minister gepubliceerde cijfers. Het document vermeldt tevens de maatregelen die het instellingsbestuur heeft genomen en zal nemen teneinde de in de eerste volzin bedoelde streefcijfers te realiseren en geeft een overzicht van de beoogde en bereikte resultaten van het beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies gedurende de periode waarvoor het document geldt, onderscheidenlijk de periode waarvoor het vorige document gold.

  • 5 Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat een exemplaar van het document in het gebouw van de instelling ter inzage wordt gelegd op een voor het personeel en de studenten toegankelijke plaats, alsmede dat een exemplaar wordt bewaard bij de administratie van de instelling.

Artikel 4.3. Georganiseerd overleg

Over aangelegenheden van algemeen belang voor de algemene rechtstoestand van het personeel van de instellingen wordt door Onze minister overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden tevens de gevallen bepaald waarin in dat overleg overeenstemming met de vakorganisaties dient te worden bereikt.

Artikel 4.4 [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 4.5. Regeling van de rechtspositie

  • 1 Met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels als bedoeld in het tweede en derde lid regelt het instellingsbestuur van een openbare instelling de rechtspositie van het personeel en draagt het instellingsbestuur van een bijzondere instelling zorg voor de regeling van de rechtspositie van het personeel.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende:

    • a. salarisschalen en uitgangspunten waaraan een door het instellingsbestuur in te richten functiewaarderingssysteem moet voldoen, onderscheidenlijk

    • b. rechten en plichten van het personeel en het instellingsbestuur bij ziekte, bevalling, zwangerschap, arbeidsongeschiktheid en ontslag, voorzover deze bij wet voorgeschreven rechten en verplichtingen te boven gaan, dan wel de voorwaarden waaronder het instellingsbestuur deze rechten en plichten zelf regelt dan wel voor de regeling daarvan zorg draagt.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende algemene arbeidsduur.

  • 4 Onder regeling van de rechtspositie als bedoeld in het eerste lid wordt tevens begrepen het vaststellen van bepalingen inzake benoeming, schorsing, disciplinaire maatregelen en ontslag van personeel. De bepalingen omtrent ontslag mogen het personeel van de openbare instellingen niet minder rechten verschaffen dan die welke voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de bepalingen van dwingend recht van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 5 Over de regelingen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel van de desbetreffende instelling, wordt door of namens het instellingsbestuur overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel, op een met deze schriftelijk overeengekomen wijze. In geval van een geschil over de deelneming aan het overleg, bedoeld in de vorige volzin, alsmede in geval van een geschil over de aard, de inhoud en de organisatie van het overleg leggen de betrokken partijen het geschil voor aan een geschillencommissie. Deze geschillencommissie bestaat uit drie personen, die door de partijen gezamenlijk worden aangewezen. De uitspraak van de geschillencommissie heeft bindende kracht.

Artikel 4.6 [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 4.7. Commissies van beroep personeel bijzondere instellingen

  • 1 Elke bijzondere instelling is aangesloten bij een commissie van beroep, waarbij door elk personeelslid van die instelling dat rechtstreeks in zijn belang is getroffen, beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing, door of namens het instellingsbestuur genomen, inhoudende:

    • a. een disciplinaire maatregel,

    • b. schorsing,

    • c. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt,

    • d. het direct of indirect onthouden van bevordering, of

    • e. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband.

  • 2 Een commissie van beroep strekt haar werkzaamheden uit over een of meer instellingen.

  • 3 De commissie bestaat uit een even aantal gewone leden en, wanneer dit in het beroepsreglement is bepaald, evenveel plaatsvervangende leden, een voorzitter, tevens lid, en, wanneer dit in het beroepsreglement is bepaald, een of meer plaatsvervangende voorzitters. De besturen en het personeel van de aangesloten instellingen benoemen onderscheidenlijk kiezen elk de helft van het aantal gewone leden en plaatsvervangende leden. De gewone leden kiezen de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of voorzitters. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of voorzitters en de overige leden en de eventuele plaatsvervangende leden worden benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar.

  • 4 De leden en de eventuele plaatsvervangende leden van de commissie van beroep mogen geen lid zijn van het bestuur van een aangesloten instelling noch deel uitmaken van het personeel van de vereniging of stichting waarvan die instelling uitgaat.

  • 5 Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van de commissie van beroep ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich terzake te doen horen.

  • 6 De uitspraak van de commissie van beroep is voor het instellingsbestuur bindend.

  • 7 De besturen van de aangesloten instellingen stellen voor de commissie van beroep een beroepsreglement vast, dat erin voorziet dat een onpartijdig en onafhankelijk functioneren van de commissie is gewaarborgd. Bij of krachtens het beroepsreglement worden geregeld:

    • a. de omvang en samenstelling van de commissie van beroep,

    • b. de zittingstermijn van de leden en eventuele plaatsvervangende leden van de commissie van beroep,

    • c. de wijze waarop het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap eindigt,

    • d. de rechtsgang bij de commissie van beroep, daaronder begrepen de inhoud en indiening van het beroepschrift, de behandeling ter zitting en de voorbereiding daarvan, de uitspraak alsmede de mogelijkheden van verzet, voorlopige voorziening en herziening van uitspraken, alsmede

    • e. de wijze waarop in het secretariaat van de commissie van beroep wordt voorzien.

  • 8 Het beroepsreglement wordt niet gewijzigd dan nadat de commissie van beroep over de voorgenomen wijziging is gehoord.

  • 9 Tijdens de behandeling door de commissie van beroep loopt geen verjaring met betrekking tot rechtsvorderingen terzake van beslissingen die aan het oordeel van de commissie van beroep zijn onderworpen.

Hoofdstuk 5. Het toezicht

Artikel 5.1. Opdracht tot toezicht, inspectie

  • 1 Het toezicht op het hoger onderwijs, met uitzondering van het onderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, is opgedragen aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het wordt onder zijn gezag uitgeoefend door de inspectie van het onderwijs onder leiding van de inspecteur-generaal van het onderwijs.

  • 2 Het toezicht op het onderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving is opgedragen aan Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Het wordt onder zijn gezag uitgeoefend door de inspectie van het landbouwonderwijs.

Artikel 5.2. Uitoefening toezicht door inspectie

  • 1 De inspectie is belast met:

    • a. het onderzoek betreffende het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.18, tweede lid,

    • b. het bekend blijven met de toestand van het hoger onderwijs onder meer door bezoek aan de instellingen voor hoger onderwijs,

    • c. het toezien op de naleving van de op het hoger onderwijs betrekking hebbende wetten alsmede van de krachtens die wetten uitgevaardigde regelingen, richtlijnen en reglementen,

    • d. het desgevraagd of uit eigen beweging rapporteren aan Onze minister over de toestand van het hoger onderwijs en het doen van voorstellen die zij in het belang van dat onderwijs nodig acht, en met

    • e. het bijdragen aan de ontwikkeling van het hoger onderwijs door overleg met de organen van de instellingen voor hoger onderwijs alsmede met personeel en studenten van die instellingen.

Artikel 5.3. Commissies van onafhankelijke deskundigen

  • 1 Ter uitvoering van artikel 5.2, onder a, kan de inspectie commissies van onafhankelijke deskundigen instellen. Zij draagt zorg voor de organisatie en administratieve ondersteuning van die commissies.

  • 2 Een commissie als bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een door de inspectie te bepalen aantal deskundigen. De inspectie benoemt de voorzitter en de overige leden. Aan hen kan een tegemoetkoming, vergoeding van kosten dan wel beide worden toegekend. De benoeming geschiedt voor de duur van de werkzaamheden van de commissie.

  • 3 De commissie maakt een verslag van haar werkzaamheden en bevindingen. Zij zendt dit verslag door tussenkomst van de inspectie aan Onze minister. Onze minister maakt het verslag, vergezeld van zijn oordeel, openbaar uiterlijk twee maanden nadat het verslag door hem is ontvangen.

  • 4 Voordat de commissie tot verzending van haar verslag overgaat, stelt zij de betrokken instelling of instellingen in de gelegenheid daarvan kennis te nemen en desgewenst met haar binnen een door haar te bepalen termijn overleg te plegen. Indien binnen de in de eerste volzin bedoelde termijn geen overleg heeft plaatsgevonden dan wel in dat overleg geen overeenstemming wordt bereikt over door de betrokken instelling of instellingen gewenste wijzigingen van het verslag, wordt daarvan in een bijlage bij dat verslag melding gemaakt met alle in verband daarmede van belang zijnde gegevens.

Artikel 5.4. Toegang en inlichtingen inspectie en leden commissies [Vervallen per 11-05-2001]

Artikel 5.5. Uitoefening toezicht in overleg met andere ministers

Bij de uitoefening van het toezicht op opleidingen, gericht op een beroep waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld ten aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die betrokkenen zich op grond van de opleiding tot dat beroep moeten hebben verworven, pleegt de inspectie overleg met door Onze minister welke het aangaat, aangewezen ambtenaren.

Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod

Artikel 6.1. Reikwijdte

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit, met uitzondering van titel 4, en wat betreft de titels 2 en 3, op universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.

Titel 1. Opleidingen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Artikel 6.2. Onderwijsaanbod

Het instellingsbestuur neemt bij de instelling van nieuwe opleidingen en de beëindiging van bestaande opleidingen in acht een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs.

Artikel 6.3. Adviescommissie onderwijsaanbod

  • 1 Onze minister stelt een adviescommissie onderwijsaanbod in, belast met de beoordeling van de doelmatigheid van de opleidingen die de instellingen voornemens zijn te verzorgen. De commissie betrekt daarbij de behoeften aan hoger onderwijs en onderzoek, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs en mede gelet op de spreiding van de voorzieningen. De commissie houdt daarbij rekening met het profiel van de instellingen.

  • 2 De commissie is tevens belast met de beoordeling of al dan niet sprake is van een nieuwe opleiding in de zin van het eerste lid, indien het instellingsbestuur voornemens is een wijziging aan te brengen in de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onder d.

  • 3 De commissie bestaat uit vijf leden. De leden worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. De benoeming geschiedt voor een termijn van vier jaar.

  • 4 Het lidmaatschap eindigt tussentijds door ontslag op eigen verzoek en ontslag om zwaarwichtige redenen. Aan het ontslag om zwaarwichtige redenen kan een schorsing vooraf gaan.

  • 5 Degene die een tussentijds opengevallen plaats vervult, treedt af op hetzelfde tijdstip, waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou moeten aftreden.

  • 6 Onze minister kan aan de leden een tegemoetkoming toekennen.

Artikel 6.4. Onthouding rechten ten aanzien van nieuwe opleidingen

  • 1 Onze minister kan besluiten dat ten aanzien van een nieuwe opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, onthouden worden indien de verzorging van die opleiding, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs, in redelijkheid niet doelmatig kan worden geacht.

  • 2 Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat ten aanzien van het desbetreffende onderwijs geen aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens geen getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, beëindigd wordt.

  • 3 Onze minister neemt een besluit als bedoeld in het eerste lid voor 1 juni van het kalenderjaar voorafgaand aan het studiejaar waarin een aanvang gemaakt zal worden met het onderwijs en maakt dit aan de commissie, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, bekend. Wanneer Onze minister daarbij afwijkt van het standpunt van de commissie, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, doet hij de Tweede Kamer der Staten-Generaal daarvan mededeling.

Artikel 6.5. Ontneming rechten ten aanzien van bestaande opleidingen

  • 1 Onze minister kan besluiten dat ten aanzien van een bestaande opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, ontnomen worden indien:

    • a. gebleken is dat de kwaliteit van het onderwijs in die opleiding gedurende een reeks van jaren onvoldoende is geweest,

    • b. de verzorging van de opleiding, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van hoger onderwijs, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht, dan wel

    • c. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen.

  • 3 Bij een besluit tot ontneming van rechten bepaalt Onze minister het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt, zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde instelling of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.

Artikel 6.6. Procedure ontneming rechten aan bestaande opleidingen

  • 1 Voordat Onze minister een besluit neemt op de grond, genoemd in artikel 6.5, eerste lid, onder a dan wel c, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.

  • 2 Onze minister neemt een besluit op grond van artikel 6.5, eerste lid, onder b, uiterlijk acht weken na de datum waarop hij het voornemen tot het ontnemen van rechten aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekend heeft gemaakt. Hij zendt gelijktijdig een afschrift van deze bekendmaking aan de instelling die het aangaat. Onze minister stelt ten minste drie maanden voordat hij het voornemen aan de Tweede Kamer bekendmaakt, de instelling van zijn voornemen tot ontneming van rechten op de hoogte. In dat tijdvak kan het instellingsbestuur het oordeel van de commissie, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, over dat voornemen vragen. Indien het instellingsbestuur dat oordeel vraagt, gaat de bekendmaking van het voornemen aan de Tweede Kamer van dat oordeel vergezeld.

Artikel 6.7. Waarschuwing [Vervallen per 01-09-1998]

Artikel 6.8. Onthouding rechten aan nieuwe opleidingen

Onze minister kan besluiten dat ten aanzien van een nieuwe opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, onthouden worden indien uit de gegevens betreffende de aanmelding voor registratie, bedoeld in artikel 6.14, blijkt dat de instelling voornemens is een opleiding te verzorgen die geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een opleiding, verzorgd door diezelfde instelling, die op de grond, genoemd in artikel 6.5, eerste lid, onder a, is beëindigd. Artikel 6.4, tweede lid, is van toepassing.

Titel 2. Aanwijzing en intrekking aanwijzing van niet bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Artikel 6.9. Aanwijzing van instellingen

  • 1 Het besluit tot aanwijzing van een andere dan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling voor hoger onderwijs wordt genomen door Onze minister.

  • 2 Het besluit tot aanwijzing wordt niet genomen dan nadat ten genoegen van Onze minister door het instellingsbestuur het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van het initiële onderwijs, alsmede het bewijs dat wordt voldaan aan de in artikel 1.12, tweede onderscheidenlijk derde lid, bedoelde voorwaarde.

  • 3 Het besluit tot aanwijzing van universiteiten wordt niet genomen dan nadat ten genoegen van Onze minister door het instellingsbestuur het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek.

  • 4 Het besluit tot aanwijzing kan slechts worden genomen op een daartoe strekkende aanvraag van het instellingsbestuur.

Artikel 6.10. Ontneming rechten verbonden aan de aanwijzing van bestaande opleidingen

  • 1 Onze minister kan besluiten dat ten aanzien van een bestaande opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden ontnomen indien:

    • a. gebleken is dat de kwaliteit van het onderwijs in die opleiding gedurende een reeks van jaren onvoldoende is geweest, dan wel

    • b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen.

  • 2 Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding geen getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, is verbonden, en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.

  • 4 Voordat Onze minister een besluit op grond van het eerste lid neemt, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.

Artikel 6.11. Onthouding rechten verbonden aan de aanwijzing van nieuwe opleidingen

Onze minister kan besluiten dat ten aanzien van een nieuwe opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden onthouden:

  • a. indien die opleiding niet kan worden beschouwd als wetenschappelijk onderwijs of hoger beroepsonderwijs, dan wel

  • b. indien uit de gegevens betreffende de aanmelding voor registratie, bedoeld in artikel 6.14, blijkt dat de instelling voornemens is een opleiding te verzorgen, die geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een door diezelfde instelling verzorgde opleiding die op grond van artikel 6.10, eerste lid, onder a, is beëindigd.

Artikel 6.12. Intrekking aanwijzing instelling

  • 1 Het besluit tot intrekking van de aanwijzing wordt door Onze minister genomen, indien de instelling geen opleiding die is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, meer verzorgt.

Titel 3. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs

Artikel 6.13. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs

  • 1 Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs is een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingen die door de instellingen voor hoger onderwijs verzorgd worden. De Informatie Beheer Groep is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register.

  • 2 Het register wordt jaarlijks voor 1 juli bekendgemaakt. Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Het register heeft betrekking op het studiejaar dat aanvangt in het kalenderjaar na die bekendmaking.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden de inrichting en de werking van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs geregeld. Deze bevat bepalingen omtrent het verstrekken van informatie uit het register. Daarbij kan worden bepaald dat voor het verstrekken van informatie aan anderen dan de besturen van de instellingen waarop deze wet betrekking heeft, een in de algemene maatregel van bestuur vastgestelde vergoeding verschuldigd is. De algemene maatregel van bestuur bevat de indeling van het register in onderdelen en voorzover nodig subonderdelen. De onderdelen betreffen gebieden van onderwijs. De indeling bevat ten minste onderdelen voor de volgende gebieden van onderwijs: onderwijs, landbouw en natuurlijke omgeving, techniek, recht, en taal en cultuur. De indeling bevat voorts voor het onderdeel onderwijs in elk geval het subonderdeel lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en voor het onderdeel taal en cultuur in elk geval het subonderdeel opleidingen op het gebied van de kunst.

  • 4 Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding de volgende gegevens:

    • a. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt,

    • b. of het hoger beroepsonderwijs dan wel wetenschappelijk onderwijs betreft,

    • c. de indeling in het register,

    • d. de hoofdlijnen van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.15, daaronder ten minste begrepen afstudeerrichtingen binnen opleidingen en differentiaties binnen opleidingen op het gebied van de kunst en binnen lerarenopleidingen op het gebied van de kunst,

    • e. het voltijdse, deeltijdse of duale karakter,

    • f. de studielast,

    • g. of aan een opleiding een propedeutisch examen is verbonden en tevens een kandidaatsexamen,

    • h. of het een opleiding gericht op een bepaald beroep betreft, waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld,

    • i. of toepassing is gegeven aan artikel 7.25, vierde lid,

    • j. of eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.27 gesteld worden,

    • k. de gemeente waar de opleiding wordt verzorgd;

    • l. de bepaling dat de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop.

  • 5 Onze minister legt het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.

Artikel 6.14. De registratieprocedure

  • 1 Het instellingsbestuur meldt elke nieuwe opleiding die de instelling voornemens is te verzorgen aan voor registratie.

  • 2 De aanmelding geschiedt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het studiejaar waarin een aanvang gemaakt zal worden met het onderwijs, onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid. Bij de aanmelding van een nieuwe opleiding of van een wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onder d, voegt het bestuur van een bekostigde instelling het oordeel van de commissie, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, onderscheidenlijk bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, alsmede de schriftelijke bewijsstukken waaruit de juistheid van de overgelegde gegevens blijkt. Indien de indeling van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van het instellingsbestuur niet voldoet, volstaat het instellingsbestuur met een aanduiding van het onderdeel dat naar zijn oordeel het gebied van de opleiding het best omschrijft.

  • 3 De Informatie Beheer Groep registreert de opleiding overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs en maakt dit aan de commissie, bedoeld in artikel 6.3 bekend.

  • 4 Indien de gegevens niet volledig zijn of de indeling in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend kan worden geacht voor de opleiding, stelt de Informatie Beheer Groep het instellingsbestuur in de gelegenheid om, binnen een door de Informatie Beheer Groep te bepalen termijn, te voorzien in de ontbrekende gegevens onderscheidenlijk de indeling te herzien. Onverminderd artikel 6.15 weigert de Informatie Beheer Groep registratie in het register uitsluitend, indien de Informatie Beheer Groep de gegevens, daaronder begrepen het oordeel van de commissie, bedoeld in artikel 6.3, binnen deze termijn niet of niet volledig heeft ontvangen, indien Onze minister, in afwijking van het oordeel van de commissie, bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, in redelijkheid van oordeel is dat een nieuwe opleiding wordt ingesteld, of indien de herziene indeling naar het oordeel van Onze minister evenmin in redelijkheid passend geoordeeld kan worden voor de opleiding.

  • 5 De Informatie Beheer Groep stelt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk op de hoogte van een besluit houdende weigering van registratie als bedoeld in het vierde lid en maakt dit aan de commissie, bedoeld in artikel 6.3, bekend. Indien de weigering gegrond is op de indeling van de opleiding, maakt Onze minister het besluit houdende weigering van de registratie bekend en doet daarvan mededeling in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Artikel 6.15. Beëindiging registratie

  • 1 De Informatie Beheer Groep beëindigt de registratie van een opleiding indien:

    • a. het instellingsbestuur te kennen heeft gegeven dat de instelling de opleiding niet langer zal verzorgen,

    • b. Onze minister met toepassing van artikel 6.4 dan wel 6.8 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, onthouden worden,

    • c. Onze minister met toepassing van artikel 6.5 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, ontnomen worden, dan wel

    • d. Onze minister met toepassing van de artikelen 6.10, 6.11 of 6.12 heeft besloten dat de aanwijzing niet betrekking zal hebben op de opleiding.

  • 2 De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a, geschiedt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de propedeutische fase van de opleiding niet meer openstaat.

Titel 4

Artikel 6.16. Bijzondere bepalingen voortgezette kunstopleidingen en voortgezette opleidingen bouwkunst

  • 2 Bij zijn besluit neemt Onze minister in acht een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het desbetreffende onderwijs.

  • 3 Onze minister kan aan zijn instemming beperkingen verbinden ten aanzien van de gemeente of gemeenten waar het onderwijs wordt aangeboden. Artikel 7.17 is in een dergelijk geval niet van toepassing.

  • 5 Onze minister neemt een besluit omtrent de instemming vóór 1 mei van het kalenderjaar voorafgaand aan het studiejaar waarin een aanvang gemaakt zal worden met het onderwijs. Indien Onze minister besluit die instemming te geven, registreert de Informatie Beheer Groep de opleiding in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.

Hoofdstuk 7. Onderwijs

Artikel 7.1. Reikwijdte

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit, met uitzondering van artikel 7.17, en wat betreft de titels 1, 2 en 2a, met uitzondering van artikel 7.17, op universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.

Titel 1. Het onderwijs, de examens en de promoties

Paragraaf 1. Het onderwijs en de examens

Artikel 7.2. Taal

Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands. In afwijking van de eerste volzin kan een andere taal worden gebezigd:

  • a. wanneer het een opleiding met betrekking tot die taal betreft,

  • b. wanneer het onderwijs betreft dat in het kader van een gastcollege door een anderstalige docent gegeven wordt, of

  • c. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst van de studenten daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door het instellingsbestuur vastgestelde gedragscode.

Artikel 7.3. Opleidingen en onderwijseenheden

  • 1 Het initiële onderwijs wordt door de instelling aangeboden in de vorm van opleidingen.

  • 2 Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken. Een onderwijseenheid kan betrekking hebben op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening en op de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs in een duale opleiding, voorzover deze activiteiten onder begeleiding van het instellingsbestuur plaatsvinden.

  • 3 Aan elke opleiding is een examen verbonden. Aan elke onderwijseenheid is een tentamen verbonden.

  • 4 Een student die is ingeschreven voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, kan, met toestemming van de examencommissie die daarvoor het meest in aanmerking komt, zelf uit onderwijseenheden die door een instelling worden verzorgd, een programma samenstellen waaraan een examen is verbonden. Indien nodig wijst het instellingsbestuur een examencommissie aan die met de in de eerste volzin bedoelde beslissing is belast.

  • 5 De examencommissie geeft bij het verlenen van de in het vierde lid bedoelde toestemming aan tot welke door de instelling aangeboden opleiding het door betrokkene samengestelde programma voor de toepassing van deze wet wordt geacht te behoren.

  • 6 Elke opleiding, met uitzondering van de opleidingen, bedoeld in het vierde lid, wordt op de voet van hoofdstuk 6, titel 3 geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.

Artikel 7.4. Studielast en studiepunten

  • 1 De studielast van elke opleiding en elke onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur uitgedrukt in studiepunten. Een studiepunt is gelijk aan veertig uren studie. De studielast van een onderwijseenheid wordt uitgedrukt in hele studiepunten.

  • 2 Behoudens het bepaalde in het derde tot en met zevende lid bedraagt de studielast van een opleiding 168 studiepunten.

  • 3 De studielast van opleidingen voor het beroep van tandarts en wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied bedraagt 210 studiepunten. De studielast van opleidingen voor het beroep van arts, dierenarts en apotheker bedraagt 252 studiepunten.

  • 4 De studielast van universitaire eerstegraads lerarenopleidingen en van lerarenopleidingen speciaal onderwijs bedraagt 42 studiepunten. De universitaire eerstegraads lerarenopleidingen kunnen volgen op opleidingen met een studielast van 168 of 210 studiepunten en de lerarenopleidingen speciaal onderwijs volgen op opleidingen met een studielast van 168 studiepunten. De studielast van de opleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken en van de deeltijdse hogere kaderopleiding pedagogiek, die volgen onderscheidenlijk mede volgen op opleidingen gericht op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in algemene vakken, bedraagt 63 studiepunten.

  • 5 De studielast van voortgezette kunstopleidingen bedraagt ten hoogste 84 studiepunten. Deze opleidingen volgen op opleidingen op het gebied van de kunst met een studielast van 168 studiepunten. De studielast van voortgezette opleidingen bouwkunst bedraagt 168 studiepunten. Deze opleidingen volgen op bouwkunde opleidingen op het gebied van de techniek met een studielast van 168 studiepunten.

  • 6 De studielast van de volgende opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt eveneens 210 studiepunten:

    • a. biomedische technologie, bouwkunde, civiele techniek, elektrotechniek, geodesie, industrieel ontwerpen, luchtvaart- en ruimtevaarttechniek, materiaalkunde, maritieme techniek, technische aardwetenschappen, scheikundige technologie, technische bedrijfskunde, technische bestuurskunde, technische informatica, techniek en maatschappij, technische natuurkunde, technische wiskunde, en werktuigbouwkunde aan de openbare universiteiten te Delft, Eindhoven en Enschede,

    • b. biologie, farmaceutische wetenschappen, informatica, kunstmatige intelligentie, natuur- en sterrenkunde, scheikunde, scheikundige technologie, technische natuurkunde, technische wiskunde, en wiskunde en statistiek aan de openbare universiteit te Groningen,

    • c. biologie, biotechnologie, bodem, water en atmosfeer, bos- en natuurbeheer, dierwetenschappen, landinrichting, levensmiddelentechnologie, milieukunde, moleculaire wetenschappen, plant- en gewaswetenschappen, en technologie en milieumanagement aan de openbare universiteit te Wageningen,

    • d. biologie, biomedische wetenschappen, farmaceutische wetenschappen, informatica, life science and technology, natuur- en sterrenkunde, scheikunde, en wiskunde en statistiek aan de openbare universiteit te Leiden,

    • e. aardwetenschappen, biologie, biomedische wetenschappen, informatica, kunstmatige intelligentie, natuur- en sterrenkunde, scheikunde, en wiskunde en statistiek aan de openbare universiteit te Amsterdam,

    • f. aardwetenschappen, biologie, biomedische wetenschappen, cognitieve kunstmatige intelligentie, informatica, informatiekunde, milieu-natuurwetenschappen, natuur- en sterrenkunde, natuurwetenschap en innovatiemanagement, scheikunde, en wiskunde en statistiek aan de openbare universiteit te Utrecht,

    • g. aardwetenschappen, bedrijfswiskunde en informatica, biologie, biomedische wetenschappen, farmaceutische wetenschappen, informatica, kunstmatige intelligentie, milieu-natuurwetenschappen, natuur- en sterrenkunde, scheikunde, en wiskunde en statistiek aan de bijzondere universiteit te Amsterdam,

    • h. algemene natuurwetenschappen, biologie, biomedische wetenschappen, informatica, milieu-natuurwetenschappen, moleculaire levenswetenschappen, natuur- en sterrenkunde, scheikunde, en wiskunde en statistiek aan de bijzonder universiteit te Nijmegen, en

    • i. technische informatica aan de Open Universiteit.

  • 7 Het instellingsbestuur van een universiteit kan bepalen dat een opleiding, bedoeld in het tweede lid, een grotere studielast heeft dan 168 studiepunten.

  • 9 Bij ministeriële regeling kunnen in het zesde lid worden opgenomen opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van de landbouw en natuurlijke omgeving, op het gebied van de natuur en op het gebied van de gezondheidszorg met een studielast van 210 studiepunten, voorzover ten aanzien van die opleidingen de toestemming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet aanwijzing bèta-opleidingen, is verleend.

Artikel 7.5. Verzorging van universitaire eerstegraads lerarenopleidingen; bijzondere voorwaarden

  • 1 Wetenschappelijk onderwijs gericht op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad wordt verzorgd aan:

    • a. universitaire eerstegraads lerarenopleidingen als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, en

    • b. de desbetreffende afstudeerrichtingen binnen opleidingen met een studielast van 168 of 210 studiepunten.

  • 2 Indien een in de bijlage van deze wet genoemde universiteit een opleiding tot leraar in het voortgezet onderwijs instelt voor vakken van voortgezet onderwijs waarvoor bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, een aan een universiteit verkregen getuigschrift van met goed gevolg afgelegd examen van een universitaire eerstegraads lerarenopleiding van deze wet als bewijs van bekwaamheid van de eerste graad is aangewezen, geschiedt dit op basis van een overeenkomst van samenwerking, gesloten met een of meer in de bijlage van deze wet genoemde hogescholen waaraan opleidingen voor leraar in het voortgezet onderwijs zijn verbonden. Deze samenwerking vindt plaats op voet van gelijkwaardigheid.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde overeenkomst regelt behalve de samenwerking met betrekking tot het verzorgen van de opleiding in elk geval ook de wijze van personele samenwerking.

  • 4 De besturen van de in het tweede lid bedoelde universiteiten treffen een regeling met betrekking tot de samenstelling van de examencommissie. Zij voorzien in samenwerking met een of meer scholen voor voortgezet onderwijs met het oog op de verzorging van het schoolpractikum. Bij de keuze van deze scholen houden de instellingsbesturen waar mogelijk rekening met de onderscheiden aspecten van openbaar en bijzonder onderwijs.

Artikel 7.6. Beroepsvereisten

  • 1 Indien een instelling een opleiding aanbiedt, gericht op een bepaald beroep, en bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld ten aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die betrokkenen zich op grond van de opleiding tot dat beroep moeten hebben verworven, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat degenen die deze opleiding volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan die vereisten te voldoen.

  • 2 Tot de in het eerste lid bedoelde vereisten behoren die welke zijn neergelegd in de volgende Richtlijnen van de Raad van Europese Gemeenschappen:

    • a. Richtlijn van 5 april 1993, 93/16/EEG (PbEG, L 165) (ten aanzien van artsen);

    • b. Richtlijn van 27 juni 1977, 77/453/EEG (PbEG, L 176) (ten aanzien van verpleegkundigen);

    • c. Richtlijn van 25 juli 1978, 78/687/EEG (PbEG, L 233) (ten aanzien van tandartsen);

    • d. Richtlijn van 18 december 1978, 78/1027/EEG (PbEG, L 362) (ten aanzien van dierenartsen);

    • e. Richtlijn van 10 juni 1985, 85/385/EEG (PbEG, L 223) (ten aanzien van architecten);

    • f. Richtlijn van 16 september 1985, 85/432/EEG (PbEG, L 253) (ten aanzien van apothekers).

  • 3 Opleidingen die in het bijzonder zijn gericht op bepaalde beroepen omvatten in elk geval een praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.

Artikel 7.7. Voltijdse en deeltijdse inrichting van opleidingen; duale inrichting van opleidingen aan hogescholen

  • 1 Opleidingen aan universiteiten en hogescholen kunnen voltijds en deeltijds zijn ingericht en worden alsdan aangeduid als voltijdse onderscheidenlijk deeltijdse opleidingen.

  • 2 Opleidingen aan hogescholen kunnen tevens duaal zijn ingericht en worden alsdan aangeduid als duale opleidingen. Een duale opleiding is zodanig ingericht dat het volgen van onderwijs gedurende een of meer perioden wordt afgewisseld met beroepsuitoefening in verband met dat onderwijs. Het gedeelte van een duale opleiding dat bestaat uit het volgen van onderwijs, wordt aangeduid als onderwijsdeel.

  • 3 De studielast van het deel van de duale opleiding dat wordt gevormd door de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs, bedraagt een door het instellingsbestuur in de onderwijs- en examenregeling te beargumenteren aantal studiepunten.

  • 4 In de onderwijs- en examenregeling wordt voor een duale opleiding aangegeven:

    • a. de minimale studielast van het onderwijsdeel,

    • b. de tijdsduur van de periode of de gezamenlijke tijdsduur van de perioden die ten minste in de beroepsuitoefening wordt doorgebracht, en

    • c. de minimale studielast van het deel van de opleiding dat wordt gevormd door de beroepsuitoefening.

  • 5 De beroepsuitoefening binnen een duale opleiding vindt plaats op basis van een overeenkomst, gesloten door de instelling, de student en het desbetreffend bedrijf of de desbetreffende organisatie. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet bepaalde ten minste bepalingen over:

    • a. de duur van de overeenkomst en de tijdsduur van de periode of perioden van de beroepsuitoefening,

    • b. de begeleiding van de student,

    • c. dat deel van de kwaliteiten, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder c, dat de student tijdens de periode of de perioden van beroepsuitoefening dient te realiseren, en de beoordeling daarvan, en

    • d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.

Artikel 7.7a. Duale inrichting van opleidingen aan universiteiten

  • 1 Onze minister kan toestaan dat een universiteit een daaraan verbonden opleiding tevens duaal inricht. Een zodanige opleiding wordt aangeduid als duale opleiding.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde toestemming wordt uitsluitend verleend, indien de duaal ingerichte opleiding:

    • a. een voldoende wetenschappelijk karakter bezit,

    • b. bijdraagt aan de ontwikkeling van het stelsel van hoger onderwijs, en

    • c. voorziet in een maatschappelijke behoefte.

  • 4 Het gedeelte van de duale opleiding dat uit beroepsuitoefening bestaat, vindt niet plaats gedurende de propedeutische fase.

  • 5 Geen registratie als bedoeld in artikel 6.14 van het gegeven dat de opleiding tevens duaal wordt ingericht, vindt plaats, indien Onze minister de toestemming, bedoeld in het eerste lid, heeft geweigerd.

Artikel 7.8. Propedeutische fase en propedeutisch examen

  • 1 Een opleiding kent een propedeutische fase.

  • 2 Aan de propedeutische fase is, voorzover in de onderwijs- en examenregeling niet anders is bepaald, een propedeutisch examen verbonden. De studielast van de propedeutische fase waaraan een propedeutisch examen is verbonden, bedraagt 42 studiepunten. De studielast van de propedeutische fase van een duale opleiding bedraagt 42 studiepunten.

  • 3 De propedeutische fase wordt met het oog op de toepassing van artikel 7.8b zodanig ingericht dat er sprake is van het verkrijgen van inzicht in de inhoud van de opleiding met de mogelijkheid van verwijzing en selectie aan het einde van die fase.

Artikel 7.8a. Kandidaatsfase en kandidaatsexamen in het wetenschappelijk onderwijs

  • 1 Het instellingsbestuur kan in een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs na de propedeutische fase een kandidaatsfase onderscheiden.

  • 2 Aan de kandidaatsfase is een kandidaatsexamen verbonden. De studielast van de kandidaatsfase en de propedeutische fase tezamen bedraagt ten minste 126 studiepunten.

  • 3 In de kandidaatsfase van een opleiding wordt een samenhangend geheel van onderwijseenheden aangeboden. De student die het kandidaatsexamen met goed gevolg aflegt, beschikt over zodanige kennis en vaardigheden en over een zodanig inzicht dat hij in staat is een passende opleiding desgewenst aan een andere universiteit voort te zetten en met goed gevolg af te ronden.

Artikel 7.8b. Studieadvies propedeutische fase

  • 1 Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit of hogeschool brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale opleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de opleiding. In geval van een deeltijdse opleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht.

  • 2 Onverminderd het eerste lid kan het instellingsbestuur het advies aan de student uitbrengen zolang deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd.

  • 3 Aan een advies als bedoeld in het eerste of tweede lid kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, binnen het in het tweede lid bedoelde tijdvak, doch niet eerder dan tegen het einde van het eerste jaar van inschrijving, een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan slechts worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Het instellingsbestuur kan aan de afwijzing een termijn verbinden. Het instellingsbestuur kan de afwijzing uitstrekken tot opleidingen die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen gemeen hebben. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien het in de propeudeutische fase van de desbetreffende opleiding zorgt voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd.

  • 4 Voordat het instellingsbestuur tot afwijzing overgaat, geeft het de desbetreffende student een waarschuwing onder bepaling van een redelijke termijn waarbinnen de studieresultaten ten genoegen van dat bestuur moeten zijn verbeterd. Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een afwijzing over te gaan in de gelegenheid te worden gehoord.

  • 5 Van de student die op grond van het derde lid is afgewezen, wordt de inschrijving voor de desbetreffende opleiding aan de betrokken instelling beëindigd. De student kan niet opnieuw aan die instelling voor die opleiding worden ingeschreven, tenzij het instellingsbestuur toepassing heeft gegeven aan de derde volzin van het derde lid of tenzij de betrokkene op een later tijdstip verzoekt om te worden ingeschreven voor de desbetreffende opleiding en daarbij ten genoegen van het instellingsbestuur aannemelijk maakt dat hij die opleiding met vrucht zal kunnen volgen.

  • 6 Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de studieresultaten en de voorzieningen, bedoeld in het derde lid, alsmede op de termijn, bedoeld in het vierde lid.

  • 7 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden, bedoeld in het derde lid, het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt.

Artikel 7.9. Verwijzing in postpropedeutische fase

  • 1 Indien een opleiding na de propedeutische fase meer dan een afstudeerrichting omvat, kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, beslissen dat een voor die opleiding ingeschreven student slechts toegang heeft tot een of meer daarbij aan te geven afstudeerrichtingen. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien de aard en inhoud van de verschillende afstudeerrichtingen van de opleiding zodanig van elkaar verschillen dat toepassing van deze bevoegdheid gerechtvaardigd is.

  • 2 Bij de toepassing van het eerste lid baseert het instellingsbestuur zijn beslissing:

    • a. op de studieresultaten van de student,

    • b. op het door de student gevolgde studieprogramma, of

    • c. op een combinatie van a en b.

    Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een beslissing over te gaan in de gelegenheid te worden gehoord.

  • 3 Bij de weging van de studieresultaten, bedoeld in het tweede lid, onder a en c, houdt het instellingsbestuur rekening met de persoonlijke omstandigheden van de student. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt.

  • 4 Bij de weging van het studieprogramma van de student, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, beoordeelt het instellingsbestuur of de door de student gekozen programmaonderdelen van de opleiding voldoende aansluiten op de door de student gewenste afstudeerrichting.

  • 5 Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van dit artikel nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op het verschil in afstudeerrichtingen, bedoeld in het eerste lid, op de studieresultaten, bedoeld in het derde lid, en op de aansluiting van programmaonderdelen en de afstudeerrichtingen van de opleiding, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 7.9a. Studievoortgangscontrole tempobeurs

  • 1 Het instellingsbestuur stelt van iedere aan de instelling ingeschreven student op wie op enig moment in het studiejaar artikel 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000 van toepassing is, de studievoortgang vast, bedoeld in het tweede of derde lid van dat artikel. Het deelt deze voortgang aan de student mee voor 1 november, volgend op het desbetreffende studiejaar.

  • 3 Gelijktijdig met de mededeling, bedoeld in het tweede lid, informeert het instellingsbestuur de betrokken student over de gegevens die aan de Informatie Beheer Groep zijn verstrekt. Daarbij geeft zij tevens aan wat de consequenties volgens de Wet studiefinanciering 2000 zijn, alsmede welke beroepsgang voor de student openstaat.

Artikel 7.9b. Studievoortgangscontrole eerste jaar prestatiebeurs

  • 1 Het instellingsbestuur stelt van iedere aan de instelling ingeschreven student op wie artikel 5.12 van de Wet studiefinanciering 2000 van toepassing is, de studievoortgang vast, bedoeld in het eerste of vierde lid van dat artikel. Het deelt deze voortgang aan de student mee voor 1 november, volgend op het desbetreffende studiejaar.

Artikel 7.9ba. Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fa van de Wet op de studiefinanciering [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 7.9bb. Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fb van de Wet op de studiefinanciering [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 7.9c. Ontbreken van gegevens bij studievoortgangscontrole

Indien het instellingsbestuur niet kan vaststellen welke studenten onder de artikelen 5.12 of 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000 vallen, verstrekt het tevens de gegevens, bedoeld in de artikelen 7.9a, eerste lid, of 7.9b, eerste lid, over alle studenten. In dat geval vermeldt het dit feit in de mededeling, bedoeld in de artikelen 7.9a, tweede lid, of 7.9b, tweede lid.

Artikel 7.9d. Met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen

Het instellingsbestuur doet voor het einde van de tweede maand volgend op de maand waarin een student, bedoeld in de artikelen 5.5 of 5.7 van de Wet studiefinanciering 2000, het afsluitend examen met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling aan de Informatie Beheer Groep. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.

Artikel 7.9e. Aanleveren gegevens vrijstelling op grond van artikel 7.31a

Het instellingsbestuur van een op grond van artikel 6.9 aangewezen instelling doet voor het einde van de tweede maand, volgend op de maand waarin een student op grond van artikel 7.31a vrijstelling heeft gekregen van het afleggen van tentamens, daarvan mededeling aan de Informatie Beheer Groep. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.

Artikel 7.9f. Aanleveren gegevens duale opleiding [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 7.10. Examens en tentamens

  • 1 Elk tentamen omvat een onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de examinandus, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek.

  • 2 Indien de tentamens van de tot een opleiding of propedeutische fase behorende onderwijseenheden met goed gevolg zijn afgelegd, is het examen afgelegd, voorzover de examencommissie niet heeft bepaald dat het examen tevens omvat een door haar zelf te verrichten onderzoek als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De examencommissie kan, in afwijking van het tweede lid en onder door haar te stellen voorwaarden, bepalen dat niet ieder tentamen van een examen met goed gevolg behoeft te worden afgelegd.

Artikel 7.11. Getuigschriften en verklaringen

  • 1 Ten bewijze dat een tentamen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de desbetreffende examinator of examinatoren een daarop betrekking hebbend bewijsstuk uitgereikt. Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de examencommissie een getuigschrift uitgereikt. Op het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde examen wordt vermeld, welke opleiding zoals vermeld in het register, bedoeld in artikel 6.13, het betreft, welke onderdelen het examen omvatte en, in voorkomende gevallen, welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met artikel 7.6, eerste lid.

  • 2 Degene die meer dan een tentamen met goed gevolg heeft afgelegd en aan wie geen getuigschrift als bedoeld in het eerste lid kan worden uitgereikt, ontvangt desgevraagd een door de desbetreffende examencommissie af te geven verklaring waarin in elk geval de tentamens zijn vermeld die door hem met goed gevolg zijn afgelegd.

Artikel 7.12. Examencommissie en examinatoren

  • 1 Ten behoeve van het afnemen van examens en ten behoeve van de organisatie en de coördinatie van de tentamens stelt het instellingsbestuur voor elke door de instelling aangeboden opleiding of voor groepen van opleidingen een examencommissie in. Ten aanzien van het door de student samengestelde programma is de examencommissie bevoegd die de in artikel 7.3, vierde lid, bedoelde toestemming heeft verleend.

  • 2 Het instellingsbestuur benoemt de leden van de examencommissie uit de leden van het personeel die met het verzorgen van het onderwijs in die opleiding of opleidingen zijn belast.

  • 3 Ten behoeve van het afnemen van de tentamens wijst de examencommissie examinatoren aan. Als examinator kunnen slechts worden aangewezen leden van het personeel die met het verzorgen van het onderwijs in de desbetreffende onderwijseenheid zijn belast alsmede deskundigen van buiten de instelling. De examinatoren verstrekken de examencommissie de gevraagde inlichtingen.

  • 4 De examencommissie stelt regels vast met betrekking tot de goede gang van zaken tijdens de tentamens en met betrekking tot de in dat verband te nemen maatregelen. Die maatregelen kunnen inhouden dat in het geval van fraude door een student door de examencommissie, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste één jaar, aan die student het recht wordt ontnomen een of meer daarbij aan te wijzen tentamens of examens aan de instelling af te leggen. De examencommissie kan aan de examinatoren richtlijnen en aanwijzingen geven met betrekking tot de beoordeling van degene die het tentamen aflegt en met betrekking tot de vaststelling van de uitslag van het tentamen.

Artikel 7.13. Onderwijs- en examenregeling

  • 1 Het instellingsbestuur stelt voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast.

  • 2 In de onderwijs- en examenregeling worden, onverminderd het overigens in deze wet terzake bepaalde, ten minste geregeld:

    • a. de inhoud van de opleiding en van de daaraan verbonden examens,

    • b. de inhoud van de afstudeerrichtingen binnen een opleiding en, wat de opleidingen op het gebied van de kunst en de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst betreft, de inhoud van de binnen een opleiding voorkomende differentiaties,

    • c. de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een student zich bij beëindiging van de opleiding moet hebben verworven,

    • d. waar nodig, de inrichting van praktische oefeningen,

    • e. de studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden,

    • f. de nadere regels, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid,

    • g. ten aanzien van welke opleidingen toepassing is gegeven aan artikel 7.4, zevende lid, en artikel 7.8a, eerste lid,

    • h. het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden,

    • i. de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de opleiding,

    • j. waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de tentamens en examens,

    • k. waar nodig, de geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie die geldigheidsduur te verlengen,

    • l. of de tentamens mondeling, schriftelijk of op een andere wijze worden afgelegd, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen,

    • m. de wijze waarop lichamelijk of zintuiglijk gehandicapte studenten redelijkerwijs in de gelegenheid worden gesteld de tentamens af te leggen,

    • n. de openbaarheid van mondeling af te nemen tentamens, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen,

    • o. de termijn waarbinnen de uitslag van een tentamen bekend wordt gemaakt alsmede of en op welke wijze van deze termijn kan worden afgeweken,

    • p. de wijze waarop en de termijn gedurende welke degene die een schriftelijk tentamen heeft afgelegd, inzage verkrijgt in zijn beoordeelde werk,

    • q. de wijze waarop en de termijn gedurende welke kennis genomen kan worden van vragen en opdrachten, gesteld of gegeven in het kader van een schriftelijk afgenomen tentamen en van de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden,

    • r. de gronden waarop de examencommissie voor eerder met goed gevolg afgelegde tentamens of examens in het hoger onderwijs, dan wel voor buiten het hoger onderwijs opgedane kennis of vaardigheden, vrijstelling kan verlenen van het afleggen van een of meer tentamens,

    • s. waar nodig, dat het met goed gevolg afgelegd hebben van tentamens voorwaarde is voor de toelating tot het afleggen van andere tentamens,

    • t. waar nodig, de verplichting tot het deelnemen aan praktische oefeningen met het oog op de toelating tot het afleggen van het desbetreffende tentamen, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie vrijstelling van die verplichting te verlenen, al dan niet onder oplegging van vervangende eisen,

    • u. de bewaking van studievoortgang en de individuele studiebegeleiding, en

    • v. de wijze van beoordeling door het instellingsbestuur van gevallen als bedoeld in artikel 7.31a, derde lid.

Artikel 7.14. Beoordeling onderwijs- en examenregeling

Het instellingsbestuur draagt zorg voor een regelmatige beoordeling van de onderwijs- en examenregeling en weegt daarbij, ten behoeve van de bewaking en zo nodig bijstelling van de studielast, het tijdsbeslag dat daaruit voor de studenten voortvloeit.

Artikel 7.15. Openbaarheid onderwijsaanbod

Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat tijdig voor de aanvang van het studiejaar en zodanig dat de aanstaande student zich een goed oordeel kan vormen omtrent de inhoud en de inrichting van het onderwijs en de examens, openbaar worden gemaakt:

Artikel 7.16. Bijzondere voorschriften lerarenopleidingen

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van lerarenopleidingen inrichtingsvoorschriften worden gegeven.

  • 2 Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Paragraaf 2. Gemeente van vestiging

Artikel 7.17. Gemeente van vestiging

  • 1 Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, wordt het onderwijs, verzorgd door de bekostigde universiteiten en hogescholen, aangeboden in de gemeente waarin de instelling is gevestigd.

  • 2 Indien een doelmatige spreiding van voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs zich daartegen niet verzet, staat Onze minister, na overleg als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, ten aanzien van één of meer opleidingen al dan niet voor een bepaalde periode, toe dat het onderwijs geheel of gedeeltelijk wordt gegeven buiten de gemeente van vestiging.

Paragraaf 3. De promoties

Artikel 7.18. Doctoraten, toegang en inrichting promotie

  • 1 Aan een universiteit alsmede aan de Open Universiteit kan het doctoraat worden verkregen op grond van de promotie.

  • 2 Tot de promotie heeft toegang ieder die:

    • a. met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een opleiding met een studielast van ten minste 168 studiepunten dan wel, wat betreft de opleidingen genoemd in artikel 7.4, derde lid, een examen waarmee een deel van de opleiding dat ten minste 168 studiepunten bedraagt, wordt afgesloten, heeft afgelegd,

    • b. als proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap een proefschrift heeft geschreven dan wel een proefontwerp heeft vervaardigd, en

    • c. heeft voldaan aan de eisen, gesteld in het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.

  • 3 In bijzondere gevallen kan het college voor promoties personen die voldoen aan het tweede lid onder b en c maar niet voldoen aan dat lid onder a, tot de promotie toegang verlenen.

  • 5 Voor elke promotie wijst het college voor promoties een hoogleraar van een universiteit aan als promotor. De promotie vindt plaats ten overstaan van dit college of van een commissie, door het college samen te stellen uit hoogleraren en andere personen ten aanzien van wie het heeft geoordeeld dat zij over voldoende bekwaamheid beschikken om in de commissie zitting te hebben, met inachtneming van het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.

  • 6 Voor de toepassing van het vijfde lid worden de kerkelijke hoogleraren aan een openbare universiteit en de bijzondere hoogleraren bij een openbare universiteit gerekend tot de hoogleraren van die universiteit.

Artikel 7.19. Promotiereglement

  • 1 Met inachtneming van het daaromtrent bij deze wet bepaalde stelt het college voor promoties het promotiereglement vast. In dat reglement worden geregeld:

    • a. de gang van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en met betrekking tot de promotie zelf, daaronder begrepen de taak en bevoegdheden van ieder die bij de promotie is of kan worden betrokken, en

    • b. de voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen die zich met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en de promotie zelf kunnen voordoen.

  • 2 Het college voor promoties heeft het recht om op de voordracht van het instellingsbestuur, wegens zeer uitstekende verdiensten aan natuurlijke personen het doctoraat honoris causa te verlenen.

Paragraaf 4. Titulatuur

Artikel 7.20. Titels ir., ing., mr., drs. en bc.

  • 1 Degene die met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een opleiding met een studielast van ten minste 168 studiepunten dan wel, wat betreft de opleidingen genoemd in artikel 7.4, derde lid, een examen waarmee een deel van de opleiding dat ten minste 168 studiepunten bedraagt, wordt afgesloten, heeft afgelegd, is gerechtigd tot het voeren van:

    • a. de titel ingenieur, afgekort tot ir., indien het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek;

    • b. de titel ingenieur, afgekort tot ing., indien het hoger beroepsonderwijs betreft op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek;

    • c. de titel meester, afgekort tot mr., indien het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van het recht;

    • d. de titel doctorandus, afgekort tot drs., indien het wetenschappelijk onderwijs betreft waarop de onderdelen a en c niet van toepassing zijn;

    • e. de titel baccalaureus, afgekort tot bc., indien het hoger beroepsonderwijs betreft waarop onderdeel b niet van toepassing is.

  • 2 De in het eerste lid genoemde titels worden uitsluitend gevoerd door degenen die daartoe op grond van dat lid gerechtigd zijn.

  • 3 De in het eerste lid genoemde titels worden, afgekort, voor de naam geplaatst.

  • 4 In verband met het met goed gevolg afgelegd hebben van een examen aan een instelling voor hoger onderwijs worden voor de naam geen andere aanduidingen gebezigd dan de in het eerste lid genoemde.

Artikel 7.20a. De titel kand.

  • 1 Degene die met goed gevolg het kandidaatsexamen, bedoeld in artikel 7.8a, tweede lid, heeft afgelegd, is gerechtigd tot het voeren van de titel kandidaat, afgekort tot kand.. Deze titel wordt, afgekort, achter de naam geplaatst.

  • 2 De titel kandidaat wordt uitsluitend gevoerd door degenen die daartoe op grond van het eerste lid gerechtigd zijn.

Artikel 7.21. Titels Master en Bachelor

  • 1 Degene die op grond van artikel 7.20, eerste lid, onder a, c of d, gerechtigd is tot het voeren van een in de desbetreffende bepaling genoemde titel, is tevens gerechtigd in plaats daarvan de titel Master te voeren.

  • 3 De titels Master en Bachelor worden, afgekort tot onderscheidenlijk M. en B., achter de naam geplaatst en desgewenst gevolgd door een aanduiding van de aard van het afgelegde afsluitend examen.

Artikel 7.22. Titel dr.

  • 2 De titel doctor wordt uitsluitend gevoerd door degenen die daartoe op grond van het eerste lid gerechtigd zijn.

  • 3 De titel doctor wordt, afgekort tot dr., voor de naam geplaatst.

Artikel 7.23. Buiten Nederland verkregen titels

  • 1 Degene die op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een titel heeft verkregen en gerechtigd is die titel in het desbetreffende land te voeren, is eveneens gerechtigd die titel in Nederland te voeren op dezelfde wijze als in het desbetreffende land.

  • 2 Degene die op grond van een bij ministeriële regeling aangewezen examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een titel heeft verkregen en gerechtigd is die titel in het desbetreffende land te voeren, is tevens gerechtigd in plaats daarvan in Nederland één van de titels, genoemd in artikel 7.20 te voeren. In de in de eerste volzin bedoelde regeling wordt tevens bepaald in welke gevallen welke titel kan worden gevoerd.

  • 3 De Informatie Beheer Groep kan aan degene die op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een titel heeft verkregen, die niet in de in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling is opgenomen, toestaan in de plaats van die titel in Nederland één van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere titel is verkregen, naar het oordeel van de Informatie Beheer Groep ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.

  • 4 Degene die aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een doctoraat heeft verkregen en gerechtigd is op grond daarvan een titel in het desbetreffende land te voeren, is eveneens gerechtigd die titel in Nederland te voeren op dezelfde wijze als in het desbetreffende land. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

Titel 2. Vooropleidingseisen

Artikel 7.24. Vooropleidingseisen

  • 1 Voor de inschrijving aan een universiteit geldt als vooropleidingseis het bezit van een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs.

  • 3 Voor de inschrijving aan de Open Universiteit gelden geen vooropleidingseisen. Deze inschrijving staat open voor ieder die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.

Artikel 7.25. Nadere vooropleidingseisen

  • 1 Bij ministeriële regeling worden het profiel of de profielen, bedoeld in artikel 12 van de Wet op het voortgezet onderwijs, aangewezen waarop het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs betrekking moeten hebben om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of groep van opleidingen.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen tevens worden aangewezen, vakken en andere programmaonderdelen die deel moeten hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een in het eerste lid bedoeld diploma om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of groep van opleidingen, indien het betreft:

    • a. een diploma dat betrekking heeft op een profiel waarvan het profieldeel niet voor alle kandidaten dezelfde vakken en andere programmaonderdelen omvat;

    • b. een diploma dat betrekking heeft op een ander profiel dan een krachtens het eerste lid aangewezen profiel;

    • c. in bijzondere gevallen, een opleiding waarop geen enkel profiel zonder meer een goede voorbereiding geeft.

  • 4 Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma, genoemd in het eerste of derde lid, die niet voldoet aan de in het eerste, tweede of derde lid bedoelde voorwaarden, toch wordt ingeschreven, onder de voorwaarde dat blijkens een onderzoek wordt voldaan aan inhoudelijk daarmee vergelijkbare eisen. Aan deze eisen moet zijn voldaan voor de aanvang van de opleiding, met dien verstande dat bij ministeriële regeling opleidingen kunnen worden aangewezen voor welke, in door het instellingsbestuur te bepalen gevallen en onder door het instellingsbestuur vast te stellen voorwaarden, aan de eisen kan worden voldaan uiterlijk bij afronding van de propedeutische fase. De eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

Artikel 7.26. Aanvullende eisen

  • 1 Indien de uitoefening van het beroep of de beroepen waarop een opleiding voorbereidt, dan wel de organisatie en de inrichting van het onderwijs, specifieke eisen stelt ten aanzien van kennis of vaardigheden die niet of niet in voldoende mate onderdeel zijn van het voortgezet onderwijs of van het beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs” [tekstcorrectie :“beroepsonderwijs”” moet zijn “beroepsonderwijs,”.] onderscheidenlijk specifieke eisen stelt ten aanzien van de eigenschappen van de student, kunnen bij ministeriële regeling in verband daarmee eisen worden gesteld in aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24. Dit lid is niet van toepassing op opleidingen op het gebied van de kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld ten aanzien van welke opleidingen het eerste lid toepassing kan vinden.

  • 3 Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Zij treedt in werking op een tijdstip dat nadat 30 dagen na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in de algemene maatregel van bestuur geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

Artikel 7.26a. Aanvullende eisen voor opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst

  • 1 Bij ministeriële regeling worden voor de opleidingen op het gebied van de kunst en voor de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst dan wel voor de differentiaties binnen die opleidingen in verband met de organisatie en inrichting van het onderwijs dan wel de kennis of vaardigheden van de aanstaande studenten en extraneï specifieke eisen gesteld in aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24. Voor de inschrijving voor deze opleidingen geldt als eis het bezit van een bewijs van toelating als bedoeld in het vierde lid.

  • 2 Met betrekking tot de opleidingen en de differentiaties waarop het eerste lid van toepassing is, stelt het instellingsbestuur van een hogeschool ter uitwerking van de in het eerste lid bedoelde specifieke eisen voor een opleiding of een differentiatie binnen een opleiding criteria vast met betrekking tot selectie en toelating van de studenten en extraneï. Met betrekking tot de inhoud en de wijze van toepassing van deze criteria wordt een oordeel gegeven door een door het instellingsbestuur voor elke opleiding of differentiatie binnen een opleiding als bedoeld in het eerste lid, aan te wijzen deskundige op het desbetreffende gebied van de arbeidsmarkt. Deze deskundige is niet aan de desbetreffende hogeschool verbonden. Het oordeel wordt jaarlijks ter kennis gebracht van het instellingsbestuur.

  • 3 Voor elke opleiding of differentiatie binnen een opleiding stelt het instellingsbestuur een commissie in, die is belast met het onderzoek of aanstaande studenten of extraneï voldoen aan de in het eerste lid bedoelde eisen en de in het tweede lid bedoelde criteria. Van deze commissie maakt deel uit de deskundige, bedoeld in het tweede lid. De commissie brengt het instellingsbestuur een gemotiveerd advies uit.

  • 4 Het instellingsbestuur neemt ten aanzien van elke aanstaande student of extraneus een beslissing of deze voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen en de in het tweede lid bedoelde criteria. Het instellingsbestuur bericht de student of extraneus over de uitslag van het desbetreffende onderzoek en reikt hem, indien het resultaat van het onderzoek daartoe aanleiding geeft, ten bewijze daarvan een bewijs van toelating uit.

Artikel 7.27. Eisen werkkring

Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een deeltijdse opleiding aan een universiteit of aan een hogeschool eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden tijdens het volgen van de opleiding stellen indien de desbetreffende werkzaamheden in de onderwijs- en examenregeling als onderwijseenheden zijn aangemerkt.

Artikel 7.28. Vrijstelling op grond van andere diploma’s

  • 1 De bezitter van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd propedeutisch, kandidaats- of afsluitend examen aan een instelling voor hoger onderwijs is vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis, onverminderd het derde en vierde lid.

  • 2 Het instellingsbestuur verleent vrijstelling van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat bij ministeriële regeling is aangemerkt als tenminste gelijkwaardig aan het in het desbetreffende lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat niet in de in de eerste volzin genoemde ministeriële regeling is opgenomen, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur tenminste gelijkwaardig is aan het in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs. Het instellingsbestuur kan tevens bepalen dat betrokkene niet wordt ingeschreven zolang het in de voorgaande volzin bedoelde bewijs niet is geleverd.

  • 3 Indien bij ministeriële regeling eisen als bedoeld in artikel 7.25, eerste, tweede of derde lid, zijn vastgesteld kan de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid geen examens afleggen voordat hij op een door het instellingsbestuur te bepalen wijze op grond van een aanvullend onderzoek heeft aangetoond te beschikken over de kennis en vaardigheden waarop de eisen, bedoeld in artikel 7.25, betrekking hebben.

  • 4 Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid niet kan worden ingeschreven indien dat bestuur van oordeel is dat de eisen, bedoeld in artikel 7.25, van dien aard zijn dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat niet tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de opleiding op grond van een aanvullend onderzoek als bedoeld in het derde lid aangetoond kan worden dat betrokkene beschikt over de kennis en vaardigheden waarop die eisen betrekking hebben. Het instellingsbestuur bepaalt op welke wijze betrokkene op grond van een aanvullend onderzoek met het oog op de inschrijving vrijgesteld kan worden van die eisen.

  • 5 De bij het onderzoek, bedoeld in onderscheidenlijk de leden twee tot en met vier, te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

Artikel 7.29. Vrijstelling op grond van toelatingsonderzoek

  • 1 Het instellingsbestuur kan personen van eenentwintig jaar en ouder die niet voldoen aan de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis noch daarvan krachtens artikel 7.28 zijn vrijgesteld, van die vooropleidingseis vrijstellen, indien zij bij een onderzoek door een door het instellingsbestuur in te stellen commissie hebben blijk gegeven van geschiktheid voor het desbetreffende onderwijs en van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van dat onderwijs.

  • 2 De bij het onderzoek te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

  • 3 Het instellingsbestuur kan ten aanzien van een bezitter van een buiten Nederland afgegeven diploma dat in het eigen land toegang geeft tot een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs, afwijken van de in het eerste lid genoemde leeftijdsgrens. Van die leeftijdsgrens kan het instellingsbestuur ook afwijken, indien in bijzondere gevallen geen diploma kan worden overgelegd.

  • 4 Het instellingsbestuur van een hogeschool kan ten aanzien van opleidingen op het gebied van de kunst in bijzondere gevallen afwijken van de in het eerste lid genoemde leeftijd.

Artikel 7.30. Postpropedeutische fase

  • 1 Voor de inschrijving voor een opleiding na het propedeutisch examen geldt als eis het bezit van een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen van die opleiding of van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen dat die opleiding en een of meer andere opleidingen gemeen hebben.

  • 2 Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in het eerste lid bedoelde eis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur ten minste gelijkwaardig is aan het in het eerste lid bedoelde getuigschrift. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur daarbij bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs.

  • 3 Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling kan de examencommissie, in afwijking van het eerste lid, aan degene die is ingeschreven, op zijn verzoek, reeds de toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het kandidaatsexamen of, indien geen kandidaatsexamen is ingesteld, tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen verlenen voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg heeft afgelegd.

Artikel 7.31. Lerarenopleidingen speciaal onderwijs, universitaire lerarenopleidingen, opleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken, hogere kaderopleiding pedagogiek, voortgezette kunstopleidingen en voortgezette opleidingen bouwkunst

  • 2 Het instellingsbestuur regelt de toelating en de afgifte van het bewijs van toelating. De toelating geschiedt jaarlijks en, indien Onze minister daartoe heeft beslist, met inachtneming van het door hem vastgestelde aantal ten hoogste voor de desbetreffende opleiding in te schrijven personen.

  • 3 Voor zover het een universitaire eerstegraads lerarenopleiding als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, betreft, houdt de examencommissie bij de verlening van vrijstelling van het afleggen van een of meer tentamens in elk geval rekening met de met goed gevolg afgelegde tentamens in het kader van een afstudeerrichting gericht op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad en met de opgedane kennis of vaardigheden in een relevante werkkring.

TITEL 2A. VRIJSTELLING VAN HET AFLEGGEN VAN TENTAMENS OP GROND VAN HET BEZIT VAN EEN DIPLOMA BEROEPSONDERWIJS

Artikel 7.31a. Vrijstelling op grond van verwante opleidingen in het beroepsonderwijs

  • 1 In het hoger beroepsonderwijs is vrijgesteld van het afleggen van tentamens, verbonden aan onderwijseenheden met een gezamenlijke studielast van 42 studiepunten, degene

    • a. die in het bezit is van een diploma van een middenkaderopleiding, een specialistenopleiding of een vakopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voorzover aangewezen bij ministeriële regeling, en

    • b. die is ingeschreven voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs, indien bij de in onderdeel a bedoelde ministeriële regeling is aangegeven dat die opleiding aansluit op een in onderdeel a bedoelde opleiding.

  • 2 Het instellingsbestuur regelt voor elke opleiding, bedoeld in het eerste lid, onder a, de inhoud van de vrijstelling voor de daarop aansluitende opleiding of voor de groep van daarop aansluitende opleidingen in het hoger beroepsonderwijs. De regeling van deze vrijstelling wordt opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

  • 3 In afwijking van het eerste lid kan het instellingsbestuur, indien naar zijn oordeel het niveau van betrokkene op grond van een aantoonbaar gebrek aan tijdens een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onder a, aangeboden kennis of vaardigheden een vrijstelling van de in dat lid bedoelde omvang niet toelaat, een vrijstelling van een geringere omvang verlenen. In dat geval maakt het instellingsbestuur de omvang en de inhoud van de verleende vrijstelling aan de betrokkene bekend.

Artikel 7.31b. Toegang tot onderdelen van het afsluitend examen

Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling heeft de student die met toepassing van artikel 7.31a is vrijgesteld van het afleggen van tot het propedeutisch examen behorende tentamens, in afwijking van artikel 7.30, eerste lid, toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen, voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg heeft afgelegd.

Titel 3. Studenten en extraneï

Paragraaf 1. Inschrijving

Artikel 7.32. Algemene bepaling inschrijving

  • 1 Ieder die wenst gebruik te kunnen maken van onderwijsvoorzieningen, examenvoorzieningen of voorzieningen van andere aard ten behoeve van initieel onderwijs aan een instelling, dient zich door het instellingsbestuur als student of extraneus te laten inschrijven.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is inschrijving voor een duale opleiding dan wel aan de Open Universiteit uitsluitend mogelijk als student.

  • 3 De inschrijving geschiedt voor een opleiding, met dien verstande dat de inschrijving aan de Open Universiteit ook kan geschieden voor een of meer onderwijseenheden.

  • 4 De inschrijving voor een opleiding geschiedt voor het gehele studiejaar. Indien de inschrijving plaatsvindt in de loop van het studiejaar, geldt zij voor het resterende gedeelte van het studiejaar.

  • 5 De inschrijving als student of extraneus staat slechts open voor degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij:

    • a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld,

    • b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst,

    • c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst en op die dag rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000,

    • d. vreemdeling is en buiten Nederland verblijf houdt op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal de inschrijving wordt gewenst, of

    • e. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd onder b, c of d, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen is ingeschreven voor een opleiding van een instelling, welke opleiding nog steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid.

  • 6 Indien na de inschrijving blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met het vijfde lid heeft plaatsgevonden wordt de inschrijving van de student of extraneus onmiddellijk beëindigd.

Artikel 7.33. Procedure inschrijving

  • 1 De inschrijving geschiedt overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.

  • 2 Aan degene die is ingeschreven, wordt door het instellingsbestuur een bewijs van inschrijving verstrekt, waarin zijn rechten zijn omschreven.

Artikel 7.34. Rechten inschrijving als student

  • 1 De inschrijving als student geeft het recht:

    • a. aan het initieel onderwijs van de instelling deel te nemen, behoudens de bevoegdheid van het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool in geval van toepassing van de artikelen 7.9, eerste lid, 7.31, tweede lid, 7.53, derde lid, 7.56 of 7.56a anders te beslissen,

    • b. de tentamens af te leggen van de onderwijseenheden behorend tot de opleiding, alsmede de examens af te leggen van die opleiding,

    • c. van toegang tot de bij de instelling behorende inrichtingen en verzamelingen, tenzij naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs of het onderzoek zich daartegen verzet,

    • d. gebruik te maken van andere ten behoeve van de studenten getroffen voorzieningen, daaronder begrepen, behoudens wat de Open Universiteit betreft, de diensten van een studentendecaan, en

    • e. op studiebegeleiding; het instellingsbestuur besteedt daarbij bijzondere zorg aan de begeleiding van studenten die behoren tot een etnische of culturele minderheid waarvan de deelname aan het hoger onderwijs in betekenende mate achterblijft bij de deelname van Nederlanders die niet behoren tot een dergelijke minderheid.

  • 2 Indien het instellingsbestuur een opleiding beëindigt, bepaalt dat bestuur het tijdstip waarop die beslissing van kracht wordt, zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.

  • 3 De inschrijving aan de Open Universiteit geeft tevens het recht het benodigde cursusmateriaal te ontvangen en de daarbij behorende begeleiding te genieten. Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt ten aanzien van studenten, woonachtig buiten Nederland, regels vast met betrekking tot de in de eerste volzin en de in het eerste lid onder a tot en met d, bedoelde rechten.

Artikel 7.35. Rechten inschrijving als auditor [Vervallen per 01-09-1996]

Artikel 7.36. Rechten inschrijving als extraneus

De inschrijving als extraneus geeft uitsluitend de rechten, vermeld in artikel 7.34, eerste lid onder b en c.

Artikel 7.37. Voorwaarden inschrijving

  • 1 De inschrijving staat open voor degene die voldoet aan de in titel 2 van dit hoofdstuk gestelde eisen, onverminderd artikel 7.8b, vijfde lid, en met dien verstande dat de inschrijving als extraneus uitsluitend openstaat, indien naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs zich daartegen niet verzet.

  • 2 Tot de inschrijving wordt niet overgegaan dan nadat het bewijs is overgelegd dat het verschuldigde collegegeld wordt voldaan, het verschuldigde examengeld is voldaan dan wel, in geval van inschrijving aan de Open Universiteit, het verschuldigde cursusgeld is voldaan.

  • 3 Tot de inschrijving als student voor de eerste maal voor een bepaalde propedeutische fase aan een bepaalde instelling wordt niet overgegaan dan nadat de betrokkene zich te voren, overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels van procedurele aard, bij de Informatie Beheer Groep heeft aangemeld, onder vermelding van de instelling en de opleiding waarop de inschrijving betrekking heeft en wat de opleidingen op het gebied van de kunst en de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst betreft, de gekozen differentiatie binnen die opleiding.

  • 4 Het bestuur van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan wel ingetrokken indien betrokkene de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. De weigering dan wel de intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.

  • 5 De inschrijving aan een bijzondere instelling kan worden geweigerd dan wel ingetrokken indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en daaraan verbonden rechten zulk een misbruik heeft gemaakt. De weigering dan wel intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.

  • 6 De inschrijving kan niet worden ingetrokken op grond van het vierde lid, indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen.

Artikel 7.38. Inschrijvingsduur [Vervallen per 01-09-1996]

Artikel 7.39. Omrekening voltijdse en deeltijdse inschrijvingsduur en inpassing OU [Vervallen per 01-09-1996]

Artikel 7.40. Berekening verbruikte inschrijvingsduur [Vervallen per 01-09-1996]

Artikel 7.41. Inschrijvingsduur opleidingen artikel 7.4, vierde lid, eerste en derde volzin, en vijfde lid, eerste en derde volzin [Vervallen per 01-09-1996]

Artikel 7.42. Procedure beëindiging inschrijving

  • 1 Op het verzoek van degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool:

    • a. wordt de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de maand volgend op die waarin het afsluitend examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg is afgelegd;

    • b. wordt in geval van ziekte of bijzondere familie-omstandigheden, ter beoordeling van het instellingsbestuur, de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de maand volgend op de tweede hele maand waarin betrokkene niet aan het onderwijs heeft kunnen deelnemen;

    • c. wordt de inschrijving tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase beëindigd met ingang van de tweede hele maand volgend op de maand waarin dat bestuur het verzoek heeft ontvangen;

    • d. wordt de inschrijving beëindigd met ingang van de eerste maand volgend op de maand waarin het verzoek tot beëindiging van de inschrijving is ontvangen, indien de student als gevolg van de inrichting van de opleiding wat betreft de volgtijdelijkheid van praktische oefeningen alsmede de momenten waarop deze gevolgd kunnen worden, gedurende enige tijd geen onderwijs kan volgen;

    • e. wordt, ter beoordeling van het instellingsbestuur, de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de tweede hele maand volgend op de maand waarin betrokkene het verzoek heeft gedaan.

  • 2 Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

Paragraaf 2. Eigen bijdragen

Artikel 7.43. Collegegeld voor voltijdse opleidingen

  • 1 Bij de inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan een universiteit of hogeschool is een collegegeld verschuldigd van € 1 329,58 door degene die voor de aanvang van het studiejaar de leeftijd van 30 jaren nog niet heeft bereikt, en die

    • a. de nationaliteit bezit van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of

    • b. een niet onder a bedoelde vreemdeling is die studiefinanciering geniet krachtens de Wet studiefinanciering 2000.

  • 2 Bij de inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan een universiteit of hogeschool is een door het instellingsbestuur vast te stellen collegegeld verschuldigd door degene die niet onder het bereik valt van het eerste lid. Het collegegeld bedraagt ten minste € 1 329,58.

  • 3 Het instellingsbestuur draagt tijdig voor de aanvang van het studiejaar zorg voor openbaarmaking van de op grond van het tweede lid vastgestelde bedragen en stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van dat lid.

  • 4 Bij ministeriële regeling wordt het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag jaarlijks geïndexeerd aan de hand van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie. De ministeriële regeling wordt vastgesteld voor 1 november voorafgaand aan het studiejaar waarvoor het geïndexeerde collegegeld zal gelden. De indexering wordt bepaald door de procentuele wijziging die het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maand april, voorafgaand aan de vaststelling van de ministeriële regeling, heeft ondergaan ten opzichte van de maand april in het daaraan voorafgaande jaar. De aldus verkregen wijziging van het collegegeldbedrag wordt afgerond op het naastbij gelegen gehele getal. Het overeenkomstig dit lid gewijzigde bedrag treedt in de plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag. Hetgeen onder prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie wordt verstaan, wordt geregeld bij ministeriële regeling.

Artikel 7.44. Collegegeld voor deeltijdse en duale opleidingen

  • 1 Voor de inschrijving als student voor een deeltijdse of duale opleiding aan een universiteit of hogeschool stelt het instellingsbestuur het collegegeld vast. Het collegegeld bedraagt ten minste € 567,23.

Artikel 7.45. Examengeld extraneus

  • 1 Voor de inschrijving als extraneus is een door het instellingsbestuur vast te stellen examengeld verschuldigd.

Artikel 7.46. Overige bijdragen

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het instellingsbestuur van een hogeschool met het oog op de inschrijving voor een opleiding als bedoeld in de artikelen 7.26, tweede lid, en 7.26a, eerste lid, een bijdrage mag verlangen in de kosten die rechtstreeks verband houden met het onderwijs. De algemene maatregel van bestuur bepaalt op welke kostensoorten een dergelijke bijdrage betrekking kan hebben en welk bedrag ten hoogste gevorderd kan worden.

  • 3 Het instellingsbestuur treft voorzieningen tot financiële ondersteuning van degenen voor wie de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, een onoverkomelijke belemmering voor de inschrijving vormt. Het instellingsbestuur stelt nadere regels vast met betrekking tot de toepassing van het tweede lid en met betrekking tot de financiële ondersteuning, bedoeld in de eerste volzin.

Artikel 7.47. Voldoening collegegeld

  • 1 Het collegegeld wordt voldaan door:

    • a. betaling ineens, dan wel

    • b. gespreide betaling, overeenkomstig een door het instellingsbestuur en de betrokkene te treffen betalingsregeling, waarbij door het instellingsbestuur administratiekosten in rekening kunnen worden gebracht. Deze bedragen ten hoogste € 13,61. In geval van betaling in termijnen is sprake van ten minste vijf termijnen, die over het hele studiejaar zijn gespreid.

Artikel 7.48. Vermindering en vrijstelling wettelijk collegegeld

  • 1 Vermindering of vrijstelling van het collegegeld, bedoeld in artikel 7.43, eerste lid, vindt plaats in de gevallen en op de wijze als omschreven in het tweede tot en met het vierde lid.

  • 2 Het collegegeld wordt met een twaalfde deel voor elke maand dat betrokkene niet is ingeschreven, verminderd:

    • a. voor degene die in de loop van het studiejaar wordt ingeschreven;

    • b. voor degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool, en wiens inschrijving op zijn verzoek in de loop van het studiejaar door of namens het instellingsbestuur is beëindigd op grond van artikel 7.42, eerste lid, onder b, c, d of e, en die in de loop van hetzelfde studiejaar opnieuw voor een opleiding wenst te worden ingeschreven.

  • 3 Degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool dan wel aan een instelling van wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel XIII van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (Stb. 1975, 729), of degene die voor het volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs les- of cursusgeld verschuldigd is op grond van de Les- en cursusgeldwet, en die in plaats daarvan, onderscheidenlijk daarnaast of in plaats daarvan, in hetzelfde studiejaar wenst te worden ingeschreven en daarvoor een hoger collegegeld is verschuldigd dan de reeds voldane bijdrage, is voor de tweede inschrijving een collegegeld verschuldigd, dat het verschil bedraagt tussen de reeds voldane bijdrage en het bedoelde, hogere collegegeld.

  • 4 Degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel XIII van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (Stb. 1975, 729), of degene die voor het volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs les- of cursusgeld verschuldigd is op grond van de Les- en cursusgeldwet, en die daarnaast, onderscheidenlijk daarnaast of in plaats daarvan, in hetzelfde studiejaar wenst te worden ingeschreven, voor welke inschrijving een collegegeld is verschuldigd, dat lager is dan of gelijk is aan de reeds voldane bijdrage, wordt voor de tweede inschrijving vrijgesteld van het betalen van collegegeld.

Artikel 7.49. Terugbetaling wettelijk collegegeld

  • 1 Terugbetaling van het collegegeld, bedoeld in artikel 7.43, eerste lid, vindt plaats in de gevallen en op de wijze als omschreven in het tweede tot en met vierde lid.

  • 2 Met ingang van de maand waarin de student, bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, onder a, is uitgeschreven, wordt hem op zijn schriftelijk verzoek voor elke maand die in dat studiejaar nog resteert, een tiende gedeelte van het betaalde collegegeld terugbetaald, tenzij deze student nog is ingeschreven voor een of meer opleidingen als bedoeld in artikel 7.48, derde en vierde lid. Voor de toepassing van dit artikellid tellen de laatste twee maanden van het studiejaar niet mee.

  • 3 Indien de inschrijving van degene op wiens schriftelijk verzoek in de loop van het studiejaar door of namens het instellingsbestuur wordt beëindigd op grond van artikel 7.42, eerste lid, onder b, c, d of e, wordt met ingang van de maand waarin de inschrijving wordt beëindigd, voor elke maand die in dat studiejaar nog resteert, een twaalfde gedeelte van het betaalde collegegeld terugbetaald, tenzij deze student nog is ingeschreven voor een of meer opleidingen als bedoeld in artikel 7.48, derde en vierde lid.

  • 4 Indien een student in de loop van het studiejaar is overleden, wordt voor elke daaropvolgende maand van het studiejaar na diens overlijden, een twaalfde gedeelte van het betaalde collegegeld terugbetaald.

  • 5 De in dit artikel bedoelde terugbetaling geschiedt overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.

Artikel 7.50. Cursusgeld Open Universiteit

  • 1 Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt het voor een inschrijving verschuldigde cursusgeld vast. Bij de vaststelling van de bedragen houdt het instellingsbestuur rekening met de toegankelijkheid van het onderwijs aan de Open Universiteit.

  • 2 Het instellingsbestuur stelt een regeling vast, waarin een voorziening in de vorm van een gedeeltelijke vrijstelling ten aanzien van het cursusgeld wordt getroffen, ten behoeve van personen waarvan de draagkracht uit inkomen beneden een door Onze minister te bepalen grens ligt. De hoogte van de vrijstelling is afhankelijk van het inkomen van de betrokkene.

  • 3 Het instellingsbestuur draagt zorg voor openbaarmaking van de cursusgelden, bedoeld in het eerste lid, en van de regeling, bedoeld in het tweede lid. Deze openbaarmaking geschiedt in elk geval door plaatsing in de Staatscourant.

  • 4 Het instellingsbestuur zendt de regeling, bedoeld in het tweede lid, binnen veertien dagen na de vaststelling aan Onze minister en brengt jaarlijks voor 1 juli verslag uit aan Onze minister over de uitvoering van de regeling.

Artikel 7.51. Financiële ondersteuning studenten (afstudeerfonds)

  • 2 De bijzondere omstandigheden van de student die bij de toepassing van het eerste lid in aanmerking worden genomen zijn:

    • a. ziekte of zwangerschap;

    • b. lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornissen;

    • c. bijzondere familieomstandigheden;

    • d. het lidmaatschap, daaronder begrepen het voorzitterschap, van:

      • 1°. bij universiteiten: de universiteitsraad, de faculteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, of artikel 9.51, tweede lid, het bestuur van een opleiding of een opleidingscommissie, alsmede het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur, gelet op de taak, gelijk te stellen orgaan;

      • 2°. bij hogescholen: de medezeggenschapsraad, de deelraad, een studentencommissie of opleidingscommissie, alsmede het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur, gelet op haar taak, gelijk te stellen orgaan;

    • e. andere door het instellingsbestuur te bepalen omstandigheden waarin betrokkene activiteiten ontplooit in het kader van de organisatie en het bestuur van de instelling;

    • f. ter beoordeling van het instellingsbestuur: het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid;

    • g. een onvoldoende studeerbare opleiding;

    • h. andere dan de in de onderdelen a tot en met g bedoelde omstandigheden die, indien een daarop gebaseerd verzoek om financiële ondersteuning door het instellingsbestuur niet zou worden gehonoreerd, zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 3 Het instellingsbestuur deelt de student schriftelijk de beslissing op de aanvraag om toekenning van financiële ondersteuning zo spoedig mogelijk mede, nadat de student een bijzondere omstandigheid heeft aangemeld. De financiële ondersteuning wordt de student zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld of op een ander, door de student te bepalen tijdstip.

  • 4 De omvang van de financiële ondersteuning is gelijk aan de studiefinanciering die betrokkene geniet uit hoofde van hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel zou hebben genoten, indien hij daarop aanspraak zou maken of zou hebben mogen maken.

  • 5 Bij de vaststelling van de tijdsduur van de financiële ondersteuning wordt het verband tussen de bijzondere omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, en de onderwijsprogrammering in aanmerking genomen. Het instellingsbestuur kan aan de beschikbaarstelling van de voorziening de voorwaarde verbinden dat de student feitelijk studerende is. Het instellingsbestuur kan aan toekenning van financiële ondersteuning op grond van de bijzondere omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder e en f, voorwaarden verbinden. Het instellingsbestuur stelt regels betreffende de voorwaarden, bedoeld in de derde volzin.

  • 6 De omvang en de duur van een aan een student aan de desbetreffende instelling eerder toegekende aanspraak op financiële ondersteuning op grond van dit artikel zoals dat luidde op 31 augustus 2000 worden geëerbiedigd, indien deze gunstiger voor de student zijn dan bij toepassing van dit artikel. De student die een opleiding aan een andere instelling als bedoeld in de bijlage van deze wet onder a tot en met g heeft gevolgd, en op grond van dit artikel een eerder toegekende aanspraak op financiële ondersteuning heeft of zou hebben gehad, indien hij daarom zou hebben verzocht, heeft, met inachtneming van de eerste volzin, aanspraak op financiële ondersteuning als ware die opleiding genoten aan de instelling waaraan de student is ingeschreven.

  • 7 Onze minister treft voorzieningen ter financiële ondersteuning van een student die gedurende een maand of langer deelneemt aan een beoordeling als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, of een student die bestuurslid is van een van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid uitgaande politieke jongerenorganisatie van enige omvang of van een landelijke organisatie van enige omvang, waarbij de behartiging van een maatschappelijk of onderwijskundig belang op de voorgrond staat en die daartoe daadwerkelijke activiteiten ontplooit. Bij algemene maatregel van bestuur worden de voorwaarden vastgesteld waaronder deze financiële ondersteuning plaatsvindt.

Artikel 7.51a. Financiële ondersteuning studenten (studiefonds)

  • 1 Het instellingsbestuur van een hogeschool treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 5.6, eerste lid, tweede volzin, van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van hoofdstuk 3 van die wet, indien aan de student op grond van de beslissing, bedoeld in artikel 7.31a, derde lid, een vrijstelling van een geringere omvang dan genoemd in het eerste lid van dat artikel is verleend. Deze voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 5.6, eerste lid, tweede volzin, van de Wet studiefinanciering 2000, met dien verstande dat de voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het opwaarts op een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt met de studielast van de onderwijseenheden waarvoor bij de toepassing van artikel 7.31a, derde lid, aan de student geen vrijstelling is verleend, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg het afsluitend examen van de desbetreffende opleiding heeft afgelegd.

  • 2 Het instellingsbestuur van een universiteit treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 5.6 van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op prestatiebeurs, indien de student is ingeschreven voor een opleiding waarop het instellingsbestuur artikel 7.4, zevende lid, heeft toegepast. Deze voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 5.6 van de Wet studiefinanciering 2000, met dien verstande dat de voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het aantal opwaarts op een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt met de studielast van de opleiding, die uitgaat boven het aantal van 168 studiepunten, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg het afsluitend examen van die opleiding heeft afgelegd.

  • 3 Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast voor de toepassing van dit artikel.

Paragraaf 3. Centraal register inschrijving hoger onderwijs

Artikel 7.52. Centraal register inschrijving hoger onderwijs

  • 1 Er is een Centraal register inschrijving hoger onderwijs, dat ten doel heeft:

    • a. de instellingsbesturen, dat van de Open Universiteit daaronder niet begrepen, op hun verzoek de noodzakelijke informatie te verstrekken over de inschrijving van hen die wensen te worden ingeschreven dan wel zijn ingeschreven aan een instelling,

    • b. de Informatie Beheer Groep op diens verzoek ten behoeve van beslissingen op verzoeken om toekenning van studiefinanciering, informatie te verstrekken omtrent de studievoortgang en het met goed gevolg hebben afgelegd van het kandidaatsexamen, onderscheidenlijk het afsluitend examen, en

    • c. Onze minister op diens verzoek de noodzakelijke informatie te verstrekken ten behoeve van de planning en bekostiging van de instellingen.

  • 5 De instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen stellen het Centraal register inschrijving hoger onderwijs telkenmale voor een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen te bepalen datum en op een door hem te bepalen wijze in kennis van elke door hen genomen beslissing met betrekking tot de inschrijving als student of extraneus de gegevens over de studievoortgang, bedoeld in de artikelen 7.9a en 7.9b, alsmede van de gegevens met betrekking tot het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, bedoeld in artikel 7.9d. De instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen zijn gehouden medewerking te verlenen aan procedures die er op zijn gericht te bevorderen dat de in het Centraal register inschrijving hoger onderwijs opgenomen gegevens zoveel mogelijk juist en volledig zijn. Onze minister kan terzake nadere regels stellen.

Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen inschrijving

Artikel 7.53. Beperking eerste inschrijving op grond van beschikbare onderwijscapaciteit

  • 1 Het instellingsbestuur kan per opleiding het aantal studenten vaststellen, dat ten hoogste voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding. Deze vaststelling geschiedt voor een studiejaar. Voor 1 december van het kalenderjaar voorafgaande aan het studiejaar waarvoor de eerste vaststelling geschiedt, doet het instellingsbestuur hiervan mededeling aan de Informatie Beheer Groep.

  • 2 Indien uit de gegevens betreffende de aanmelding, bedoeld in artikel 7.37, derde lid, blijkt dat het aantal eerste aanmeldingen van studenten voor de propedeutische fase van een opleiding meer bedraagt dan het aantal plaatsen dat het instellingsbestuur op grond van het eerste lid heeft vastgesteld, doet de Informatie Beheer Groep daarvan voor 1 april mededeling aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur deelt de Informatie Beheer Groep voor 1 mei mee of het aanleiding ziet het aantal plaatsen te verhogen.

  • 3 Indien ook na toepassing van het tweede lid bij een of meer instellingen die de desbetreffende opleiding verzorgen, het aantal aanmeldingen op 1 mei het aantal plaatsen overtreft, stelt de Informatie Beheer Groep vast dat een toelatingsbeperking van kracht is, waarna paragraaf 4a van deze titel wordt toegepast.

  • 4 Indien het instellingsbestuur in de verwachting verkeert dat het aantal inschrijvingen voor een opleiding meer zal bedragen dan het aantal plaatsen dat het instellingsbestuur op grond van het eerste lid heeft vastgesteld, is, in afwijking van de procedure van het tweede en derde lid, eveneens een toelatingsbeperking op die opleiding van kracht en wordt vervolgens paragraaf 4a van deze titel toegepast, mits het instellingsbestuur die opleiding daartoe voor 1 mei heeft aangemeld bij de Informatie Beheer Groep.

  • 5 Indien een besluit ingevolge artikel 7.56 of artikel 7.56a van toepassing is op de opleiding, blijft dit artikel buiten toepassing.

Artikel 7.54. Beperking inschrijving voor de postpropedeutische fase

Het instellingsbestuur kan, indien het van oordeel is dat de onderwijscapaciteit, die voor de postpropedeutische fase van een opleiding, waarvoor een beperking van de eerste inschrijving is vastgesteld, niet toereikend is voor een onbeperkte inschrijving, besluiten inschrijving voor de postpropedeutische fase van die opleiding te weigeren aan hen, die niet reeds ingeschreven zijn geweest aan die aan de instelling verbonden opleiding.

Artikel 7.54a

[Red: Door vernummering vervallen.]

Artikel 7.55. Beperking inschrijving OU op grond van beschikbare organisatorische en technische capaciteit

Het instellingsbestuur van de Open Universiteit kan de inschrijvingsmogelijkheid voor een bepaalde opleiding of onderwijseenheid opschorten voorzover en voor zolang de organisatorische en technische capaciteit voor het verzorgen van deze opleiding of onderwijseenheid daartoe naar zijn oordeel noodzaakt. Met inachtneming van de in de eerste volzin bedoelde beperkingen geschiedt de inschrijving in de volgorde van aanmelding voor de desbetreffende opleiding of onderwijseenheid, volgens door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.

Artikel 7.56. Beperking inschrijving universiteiten en hogescholen op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt

  • 1 Indien het aanbod van afgestudeerden van een bepaalde opleiding de behoefte daaraan op de arbeidsmarkt in aanmerkelijke mate dreigt te overtreffen of daadwerkelijk overtreft en dit naar verwachting gedurende een reeks van jaren het geval zal zijn, kan bij ministeriële regeling worden vastgesteld:

    • a. het aantal personen dat voor de twee daaropvolgende studiejaren ten hoogste voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding aan al de universiteiten of hogescholen waaraan deze is verbonden, en

    • b. de verdeling van dat aantal over elk van de onder a bedoelde instellingen, waarbij in geval van door hogescholen verzorgde lerarenopleidingen binnen het voor een instelling vastgestelde aantal onderscheid kan worden gemaakt tussen voltijdse en deeltijdse opleidingen. Bij de verdeling wordt het door alle betrokken instellingen gezamenlijk gedane voorstel gevolgd. Dit voorstel wordt gedaan binnen twee maanden nadat Onze minister aan de desbetreffende instellingen en aan de beide Kamers der Staten-Generaal heeft bekendgemaakt dat hij hetvoornemen heeft een ministeriële regeling vast te stellen. Blijft een dergelijk voorstel achterwege dan wordt zoveel mogelijk een evenredige spreiding over de afzonderlijke instellingen naar rato van het gemiddelde aantal over de voorafgaande drie jaren voor de eerste maal voor de propedeutische fase ingeschreven studenten in acht genomen. Indien de instelling de opleiding voor het tweede of het derde jaar verzorgt heeft het gemiddelde aantal betrekking op het eerste, onderscheidenlijk het eerste en tweede jaar dat de opleiding is verzorgd.

  • 2 Indien op grond van het eerste lid een toelatingsbeperking is vastgesteld, wordt paragraaf 4a van deze titel toegepast.

  • 3 Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk vastgesteld op 1 mei van het jaar voorafgaand aan het studiejaar waarin deze regeling voor het eerst van toepassing is.

  • 4 Dit artikel is niet van toepassing op opleidingen op het gebied van de kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst.

Artikel 7.56a. Beperking inschrijving opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt

  • 1 Indien het aanbod van afgestudeerden van een bepaalde opleiding op het gebied van de kunst of van een differentiatie daarbinnen dan wel van een bepaalde lerarenopleiding op het gebied van de kunst of van een differentiatie daarbinnen de behoefte aan afgestudeerden op de arbeidsmarkt in aanmerkelijke mate dreigt te overtreffen of daadwerkelijk overtreft en dit naar verwachting gedurende een reeks van jaren het geval zal zijn, kan bij ministeriële regeling worden vastgesteld:

    • a. het aantal personen dat voor de twee daaropvolgende studiejaren ten hoogste voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase van een opleiding dan wel voor de propedeutische fase wat een bepaalde differentiatie betreft, aan alle hogescholen waaraan deze opleiding is verbonden, en

    • b. de verdeling van dat aantal over elk van de in onderdeel a bedoelde hogescholen.

  • 2 In geval van toepassing van het eerste lid reikt het instellingsbestuur een zodanig aantal bewijzen, bedoeld in artikel 7.26a, vierde lid, uit dat het aantal ingeschreven studenten het aantal, bedoeld in het eerste lid, onder b, niet overschrijdt. Inschrijving voor de eerste maal voor de propedeutische fase van een opleiding of voor de propedeutische fase wat een bepaalde differentiatie betreft, vindt slechts plaats onder overlegging van een door het instellingsbestuur afgegeven bewijs als bedoeld in artikel 7.26a, vierde lid, onverminderd het bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk.

Artikel 7.57. Identificatie opleidingen

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de opleidingen of differentiaties, bedoeld in artikel 7.56a.

Paragraaf 4a. Regels voor de selectie van studenten voor opleidingen met een toelatingsbeperking

Artikel 7.57a. Algemeen

  • 1 De eerste inschrijving van een student voor de propedeutische fase van een opleiding, verbonden aan een universiteit of een hogeschool, waarvoor op grond van paragraaf 4 van deze titel een toelatingsbeperking van kracht is, geschiedt slechts met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf, onverminderd het bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk.

  • 2 De inschrijving geschiedt niet dan na overlegging van een door de Informatie Beheer Groep afgegeven bewijs van toelating, tenzij bij of krachtens deze paragraaf anders is bepaald.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld in verband met de afgifte en de geldigheidsduur van het bewijs van toelating.

Artikel 7.57b. Voorbereiding afgifte bewijzen van toelating

  • 1 De Informatie Beheer Groep deelt degenen die op grond van artikel 7.24, eerste of tweede lid, inschrijving verlangen voor een opleiding, aan de hand van het behaalde gemiddelde eindexamencijfer in vijf klassen in.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde klassen hebben als grenzen:

    • a. hoger dan of gelijk aan 8,

    • b. lager dan 8 maar hoger dan of gelijk aan 7,5,

    • c. lager dan 7,5 maar hoger dan of gelijk aan 7,

    • d. lager dan 7 maar hoger dan of gelijk aan 6,5 en

    • e. lager dan 6,5.

    De klassen b tot en met e worden aangeduid als lotingsklassen.

  • 3 De wijze van indeling in de klassen, bedoeld in het tweede lid, van degenen die een opleiding hebben afgerond waaraan geen cijferlijst is verbonden, wordt geregeld in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid.

  • 5 De Informatie Beheer Groep deelt de door haar aangewezen aanstaande studenten uit de Nederlandse Antillen en Aruba in de klasse, bedoeld in het tweede lid onder a, in. De wijze waarop die aanwijzing geschiedt, en het aantal aanstaande studenten dat ten hoogste kan worden aangewezen, wordt bepaald in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid.

Artikel 7.57c. Afgifte bewijzen van toelating

  • 3 Bij de loting, bedoeld in het tweede lid, verhouden de inlotingskansen, voorzover kleiner dan honderd procent, zich voor de in artikel 7.57b, tweede lid, onder b tot en met e, bedoelde lotingsklassen als respectievelijk 9 : 6 : 4 : 3.

  • 4 In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, kan worden bepaald dat de Informatie Beheer Groep ten hoogste een in die regeling vast te stellen percentage van het aantal plaatsen per opleiding kan toewijzen aan gegadigden jegens wie uitloting een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren.

Artikel 7.57d. Afgifte bewijzen van toelating voor dezelfde opleiding aan meer dan een universiteit

  • 1 Indien een opleiding door meer dan één universiteit wordt verzorgd, wordt de selectieprocedure voor die opleidingen gezamenlijk uitgevoerd. Daarbij worden de artikelen 7.57b en 7.57c toegepast, met inachtneming van het tweede en derde lid. De gegadigden delen aan de Informatie Beheer Groep de volgorde van hun voorkeur voor universiteiten mede.

  • 2 De Informatie Beheer Groep bepaalt, zoveel mogelijk rekening houdend met de voorkeur van de aanstaande student, doch overigens aan de hand van het lot voor welke universiteit het bewijs van toelating geldt. Artikel 7.57c, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 De Informatie Beheer Groep kan ten hoogste vijf procent van het aantal plaatsen per opleiding toewijzen aan gegadigden die na toepassing van het tweede lid in het bezit zijn van een bewijs van toelating voor dezelfde opleiding aan een andere universiteit dan die van de eerste voorkeur, indien dit een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren.

Artikel 7.57e. Selectie door instellingen

  • 1 Een instellingsbestuur kan een door hem te bepalen percentage van de opleidingsplaatsen van een opleiding toewijzen aan door hem zelf geselecteerde gegadigden die naar zijn oordeel beschikken over bijzondere kwalificaties. Dat percentage is aan een maximum gebonden, doordat:

    • a. in elk geval ten minste de helft van het aantal opleidingsplaatsen dient te worden toegewezen door toepassing van artikel 7.57c, tweede lid,

    • b. op dat percentage tevens in mindering wordt gebracht het aantal gegadigden dat een bewijs van toelating ontvangt door toepassing van artikel 7.57c, eerste lid.

  • 2 Indien het instellingsbestuur toepassing geeft aan het eerste lid, maakt het

    • a. de bijzondere kwalificaties die het in aanmerking wil nemen,

    • b. eventuele nadere selectiecriteria,

    • c. regels van administratieve aard, voorzover niet voortvloeiend uit het vierde lid,

    • d. het door hem te bepalen percentage, bedoeld in het eerste lid, en

    • e. de beslissing of gegadigden één, twee dan wel drie maal tot deelname aan de selectieprocedure zullen worden toegelaten, tijdig bekend.

  • 3 Tot de bijzondere kwalificaties, bedoeld in het eerste en tweede lid, behoren niet de behaalde eindexamencijfers.

  • 4 De gegadigde die in aanmerking wenst te komen voor de selectie, bedoeld in het eerste lid, wordt op zijn verzoek door de Informatie Beheer Groep aan het desbetreffende instellingsbestuur bekendgemaakt, mits hij aan de lotingsprocedure blijft deelnemen.

  • 5 In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, worden nadere voorschriften opgenomen voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 7.57f. Beperkingen van deelname aan de selectieprocedure

  • 1 Indien krachtens artikel 7.25 nadere vooropleidingseisen zijn gesteld, kan aan de selectieprocedure uitsluitend worden deelgenomen door degene die ten genoegen van de Informatie Beheer Groep het bewijs levert, dat door hem uiterlijk op een in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, te bepalen tijdstip aan die eisen wordt voldaan.

  • 2 Degene die heeft deelgenomen aan de lotingsprocedure voor een bepaalde opleiding en geen bewijs van toelating heeft verkregen, kan nadien nog ten hoogste twee maal aan de lotingsprocedure voor die opleiding deelnemen.

  • 3 Aan de selectieprocedure kan niet worden deelgenomen door degene die voor een opleiding is ingeschreven of in enig studiejaar was ingeschreven en inschrijving wenst voor dezelfde opleiding aan een andere instelling.

Artikel 7.57g. Afwijkende bezwaar- en reactietermijnen

In afwijking van de artikelen 6:7 en 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn twee weken voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit van de Informatie Beheer Groep inzake afgifte van een bewijs van toelating, onderscheidenlijk vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift voor de beslissing van de Informatie Beheer Groep.

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Artikel 7.57h. Huisregels en ordemaatregelen

Het instellingsbestuur kan voorschriften geven en maatregelen nemen met betrekking tot de goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen van de instelling. Die maatregelen kunnen inhouden dat aan degene die de bedoelde voorschriften heeft overtreden, de toegang tot die gebouwen en terreinen geheel of gedeeltelijk voor de tijd van ten hoogste een jaar wordt ontzegd.

Artikel 7.58. Afgifte getuigschrift

  • 1 Degene die een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11 wenst te verkrijgen, dient overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels een verzoek in, ertoe strekkende dat door dit bestuur wordt verklaard, dat het getuigschrift kan worden afgegeven.

  • 2 Bij het verzoek worden overgelegd:

    • a. de bewijzen van met goed gevolg afgelegde tentamens,

    • b. het bewijs dat is voldaan aan de bij de onderwijs- en examenregeling gestelde verplichting betreffende het deelnemen aan praktische oefeningen, en

    • c. de desbetreffende bewijzen van inschrijving.

  • 3 Ingeval de in het tweede lid bedoelde bewijzen van inschrijving niet worden overgelegd, kan het instellingsbestuur beslissen dat de verzochte verklaring wordt afgegeven, maar niet dan nadat het in verband met de inschrijving voor de desbetreffende onderwijseenheden verschuldigde collegegeld, examengeld onderscheidenlijk cursusgeld is voldaan.

  • 4 Een examencommissie geeft geen getuigschrift af dan nadat het instellingsbestuur heeft verklaard dat het getuigschrift kan worden afgegeven.

Artikel 7.59. Studentenstatuut

  • 1 Het instellingsbestuur stelt het studentenstatuut vast en maakt dit bekend.

  • 2 Het instellingsbestuur reikt aan iedere student bij de eerste inschrijving voor een opleiding het studentenstatuut uit. Indien noodzakelijk reikt het instellingsbestuur ook bij inschrijving voor een volgend studiejaar het studentenstatuut uit.

  • 3 Het studentenstatuut omvat een opleidingsspecifiek deel en een instellingsspecifiek deel.

  • 4 Het opleidingsspecifiek deel bevat in elk geval:

    • a. een beschrijving van de studieopbouw en de ondersteunende faciliteiten die de student door de instelling worden aangeboden, waaronder in ieder geval worden begrepen:

      • 1°. informatie over de opzet, organisatie en uitvoering van het onderwijs,

      • 2°. de studentenvoorzieningen, en

      • 3°. de faciliteiten betreffende de studiebegeleiding,

    • b. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, eerste lid, en

    • c. een beschrijving van procedures die in aanvulling op de procedures, bedoeld in het vijfde lid onder b ten 2°, op de opleiding van toepassing zijn.

  • 5 Het instellingsspecifiek deel bevat in elk geval:

    • a. een beschrijving van de rechten en verplichtingen van de studenten, voortvloeiende uit het bepaalde bij of krachtens de wet, en

    • b. een overzicht van de regelingen die beogen de rechten van studenten te beschermen, waarin worden opgenomen:

      • 1°. een beschrijving van de procedures voor bezwaar en beroep binnen de instelling, alsmede van de beroepsrechten die kunnen worden ontleend aan deze wet en andere wettelijke regelingen, en

      • 2°. een beschrijving van aanvullende procedures ter bescherming van de rechten van studenten die door het instellingsbestuur worden getroffen.

Titel 4. Rechtsbescherming van studenten en extraneï

Paragraaf 1. College van beroep voor de examens

Artikel 7.60. College van beroep voor de examens

  • 1 Elke instelling voor hoger onderwijs heeft een college van beroep voor de examens.

  • 2 Het college van beroep heeft drie of vijf leden. Het aantal plaatsvervangende leden is niet groter dan het aantal leden. Het college houdt voltallig zitting.

  • 3 Het college kan besluiten kamers in te stellen. Indien het college daartoe besluit, bestaat het college uit ten minste zes en ten hoogste vijftien leden. Het aantal plaatsvervangende leden is niet groter dan het aantal leden. Elke kamer heeft drie of vijf leden. Zij houdt voltallig zitting.

  • 4 De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of voorzitters en de overige leden en de eventuele plaatsvervangende leden worden door het instellingsbestuur benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar of, voorzover het studenten betreft, voor een termijn van ten minste een en ten hoogste twee jaar. De leden en plaatsvervangende leden maken geen deel uit van het instellingsbestuur of van de inspectie. Buiten de voorzitter bestaat het college voor tenminste de helft uit docenten, onderscheidenlijk leden van de wetenschappelijke staf.

  • 6 Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich terzake te doen horen.

Artikel 7.61. Bevoegdheid college van beroep voor de examens

  • 4 Alvorens het beroep in behandeling te nemen zendt het college van beroep het beroepschrift aan het orgaan waartegen het beroep is gericht, met uitnodiging om in overleg met betrokkenen na te gaan of een minnelijke schikking van het geschil mogelijk is, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van afdeling 7.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingeval het beroep is gericht tegen een beslissing van een examinator, geschiedt de in de voorgaande volzin bedoelde toezending aan de desbetreffende examencommissie. Het desbetreffende orgaan deelt binnen drie weken aan het college van beroep, onder overlegging van de daarop betrekking hebbende stukken, mede tot welke uitkomst het beraad heeft geleid. Is een minnelijke schikking niet mogelijk gebleken, dan wordt het beroepschrift door het college in behandeling genomen.

  • 6 Indien het college van beroep het beroep gegrond acht, vernietigt het de beslissing geheel of gedeeltelijk. Het college is niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe beslissing te nemen, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht. Het kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het tentamen, het examen, het toelatingsonderzoek, het aanvullend onderzoek of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door het college van beroep te stellen voorwaarden. Het orgaan waarvan de beslissing is vernietigd, voorziet voorzover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van het college van beroep. Het college kan daarvoor in zijn uitspraak een termijn stellen.

  • 7 Indien onverwijlde spoed dat vereist kan de voorzitter van het college van beroep een voorlopige voorziening treffen op verzoek van de indiener van het verzoekschrift, onverminderd het bepaalde in artikel 7.66, tweede lid, en artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzitter beslist op dit verzoek na het desbetreffende orgaan dan wel de desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans te hebben opgeroepen.

Artikel 7.62. Reglement van orde

  • 1 Het college van beroep stelt een reglement van orde vast, waarin nadere regels worden gesteld ten aanzien van:

    • a. de omvang en samenstelling van het college van beroep,

    • b. indien nodig, de splitsing in kamers, alsmede de verdeling van de werkzaamheden over de verschillende kamers,

    • c. de zittingstermijn van de leden en eventuele plaatsvervangende leden van het college van beroep,

    • d. de wijze waarop het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap van het college van beroep eindigt,

    • e. de in artikel 7.61, vierde lid, bedoelde procedure en de gevallen waarin deze procedure achterwege kan worden gelaten,

    • f. de wijze waarop in het secretariaat van het college van beroep wordt voorzien, alsmede

    • g. de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen.

  • 2 Het reglement van orde alsmede wijzigingen daarvan, behoeven de instemming van het instellingsbestuur.

Artikel 7.63. Inlichtingenplicht

De organen en personeelsleden alsmede de examinatoren van de instelling verstrekken aan het college van beroep de gegevens die dit college voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.

Paragraaf 2. College van beroep voor het hoger onderwijs

Artikel 7.64. College van beroep voor het hoger onderwijs

  • 1 Er is een college van beroep voor het hoger onderwijs, gevestigd te 's-Gravenhage.

  • 2 Het college van beroep heeft ten minste drie en ten hoogste zeven leden. Het aantal plaatsvervangende leden is niet groter dan het aantal leden.

  • 3 Het college van beroep houdt zitting in kamers van drie of vijf leden.

Artikel 7.65. Benoeming en ontslag leden en plaatsvervangende leden

  • 1 De leden en de plaatsvervangende leden van het college van beroep worden benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar. De benoeming geschiedt bij koninklijk besluit.

  • 2 De voorzitter van het college van beroep wordt bij koninklijk besluit aangewezen uit de leden. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door een plaatsvervangende voorzitter overeenkomstig het in artikel 7.66, derde lid, bedoelde reglement van orde. De leden en de plaatsvervangende leden moeten voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 1d van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. De voorzitter van een kamer wordt door het college van beroep aangewezen uit de leden. De tweede volzin is van toepassing.

  • 3 Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep bij koninklijk besluit ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaren wordt hun bij koninklijk besluit ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden bij koninklijk besluit ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de voorgaande volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich terzake te doen horen.

  • 4 De toelage aan de voorzitter, de overige leden en de plaatsvervangende leden wordt vastgesteld bij koninklijk besluit, te nemen op gemeenschappelijke voordracht van Onze minister en Onze Minister van Financiën.

  • 5 Het college van beroep wordt bijgestaan door een bezoldigd secretaris, die bij koninklijk besluit wordt benoemd. Aan de secretaris kan Onze minister een of meer ambtenaren toevoegen.

Artikel 7.66. Bevoegdheid college van beroep voor het hoger onderwijs

  • 1 Het college van beroep oordeelt bij uitsluiting, voorzover niet op grond van artikel 7.61, eerste lid, beroep openstaat op een college van beroep voor de examens, dan wel niet op grond van artikel 7.68 beroep openstaat op een college van beroep voor het bijzonder onderwijs, over het beroep dat door een betrokkene is ingesteld tegen:

    • a. beslissingen genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk met het oog op inschrijving,

    • b. beslissingen van het instellingsbestuur, genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens titel 3 van dit hoofdstuk, en

    • c. beslissingen van het instellingsbestuur, genomen op grond van artikel 7.57h.

  • 3 Het college van beroep stelt ten behoeve van zijn werkzaamheden een reglement van orde vast waarin in elk geval de splitsing in kamers en de verdeling van werkzaamheden voor de verschillende kamers worden geregeld alsmede de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen.

  • 4 Tegen uitspraken van het college van beroep staat generlei beroep open.

  • 5 De besturen van de instellingen verstrekken aan het college van beroep de gegevens die dit college voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.

Artikel 7.67. Griffierecht

Het griffierecht bedraagt € 29. Artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3. Colleges van beroep bijzonder onderwijs

Artikel 7.68. Colleges van beroep bijzonder onderwijs

  • 1 Het bestuur van een bijzondere instelling voor hoger onderwijs kan, al dan niet in samenwerking met de besturen van een of meer andere bijzondere instellingen voor hoger onderwijs, een college van beroep instellen ter behandeling van de geschillen, bedoeld in artikel 7.66, eerste lid, niet zijnde beslissingen als bedoeld in artikel 7.61, eerste lid, dan wel zich aansluiten bij een dergelijk college. De beslissing waarbij een college van beroep wordt ingesteld, bevat tevens een regeling van de onderwerpen, genoemd in artikel 7.62, eerste lid, alsmede van de rechtsgang bij het college. De beslissing waarbij een college van beroep wordt ingesteld, alsmede wijzigingen daarvan, dan wel een beslissing tot aansluiting bij een college wordt zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze minister gebracht.

Hoofdstuk 8. Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Artikel 8.1. Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

  • 1 Met het oog op de samenwerking tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs, genoemd in de bijlage van deze wet, kunnen de besturen van die instellingen een gemeenschappelijke regeling sluiten.

  • 2 De regeling omvat bepalingen omtrent wijziging, opheffing, toetreding en uittreding.

  • 3 Bij de regeling kan een samenwerkingsinstituut worden ingesteld. De regeling omvat bepalingen omtrent de inrichting en het bestuur van het instituut, en omtrent het verstrekken van inlichtingen door het instituut aan de besturen van de deelnemende instellingen.

  • 4 De regeling kan voorzien in de overdracht van bepaalde bevoegdheden van organen van de deelnemende instellingen aan organen van een andere deelnemende instelling of aan organen van het samenwerkingsinstituut.

  • 5 Op de besluiten van het samenwerkingsinstituut, genomen krachtens enige door het bestuur van een openbare instelling overgedragen bevoegdheid zijn de wettelijke bepalingen omtrent schorsing en vernietiging van besluiten van dat bestuur krachtens de overgedragen bevoegdheid van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 9. Het bestuur en de inrichting van de universiteiten

TITEL 1. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

Artikel 9.1. Reikwijdte

Deze titel heeft betrekking op de openbare universiteiten.

Paragraaf 1. Het bestuur van de universiteit

Artikel 9.2. Algemene bevoegdheden college van bestuur

  • 1 Het college van bestuur is belast met het bestuur van de universiteit in haar geheel en met het beheer daarvan, onverminderd de bevoegdheden van de raad van toezicht volgens dit hoofdstuk.

  • 2 Het college van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald.

  • 3 De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de universiteit in en buiten rechte.

Artikel 9.3. Samenstelling college van bestuur; rechtspositie leden

  • 1 Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de rector magnificus van de universiteit.

  • 2 De leden van het college van bestuur worden door de raad van toezicht benoemd, geschorst en ontslagen. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. De benoeming geschiedt voor een door de raad van toezicht te bepalen termijn. Met het einde van de maand waarin een lid de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend.

  • 3 Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur over te gaan, hoort de raad van toezicht vertrouwelijk de universiteitsraad of de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.

  • 4 De voorzitter van het college van bestuur wordt uit de leden door de raad van toezicht benoemd.

  • 5 In het bestuurs- en beheersreglement worden nadere regels gegeven omtrent de wijze van voordracht en benoeming van de rector magnificus.

  • 6 Een lid van het college van bestuur kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.

  • 7 Een lid van het college van bestuur kan niet tevens zijn:

    • a. lid van de raad van toezicht,

    • b. decaan van een faculteit of lid van het bestuur daarvan, tenzij een universiteit slechts een faculteit omvat,

    • c. lid van het bestuur van een opleiding, voorzover dat met toepassing van artikel 9.17 is ingesteld, of

    • d. lid van de raad van toezicht of van het college van bestuur van een andere universiteit.

  • 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur.

Artikel 9.4. Bestuurs- en beheersreglement

Het college van bestuur stelt een bestuurs- en beheersreglement ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de universiteit vast.

Artikel 9.5. Richtlijnen aan decanen

Het college van bestuur kan richtlijnen vaststellen met het oog op de organisatie en coördinatie van de uitoefening van de in de artikelen 9.14, derde lid, en 9.15, eerste lid, bedoelde bevoegdheden.

Artikel 9.6. Verantwoordings- en inlichtingenplicht college van bestuur

  • 1 Het college van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht.

  • 2 Het college van bestuur verstrekt de raad van toezicht de gevraagde inlichtingen betreffende zijn besluiten en andere handelingen.

  • 3 Het college van bestuur verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de universiteit.

Artikel 9.7. Samenstelling raad van toezicht

  • 1 De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden.

  • 2 De voorzitter en de andere leden worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. Onze minister benoemt een lid dat in het bijzonder het vertrouwen geniet van de universiteitsraad, dan wel het vertrouwen geniet van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, gezamenlijk. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren.

  • 3 Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van de raad van toezicht over te gaan, hoort Onze minister de universiteitsraad, dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, vertrouwelijk over het door hem voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.

  • 4 Een lid kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.

  • 5 Een lid van de raad van toezicht kan niet tevens:

    • a. voor het merendeel van zijn arbeidstijd personeelslid zijn van een in de bijlage van deze wet opgenomen universiteit of voor het merendeel werkzaam zijn aan een onderzoekinstituut of onderzoekschool,

    • b. werkzaam zijn bij een departement van algemeen bestuur, of

    • c. lid zijn van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  • 6 Het college van bestuur voorziet in de administratieve ondersteuning van de raad van toezicht.

  • 7 De leden van het college van bestuur wonen de vergaderingen van de raad van toezicht bij, tenzij de raad anders beslist. Zij hebben daarin een adviserende stem.

  • 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent toelagen en tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht.

Artikel 9.8. Taken en bevoegdheden raad van toezicht

  • 1 De raad van toezicht is belast met het toezicht op het bestuur van de universiteit in haar geheel en op het beheer daarvan. Hij staat het college van bestuur met raad bij. De raad van toezicht ziet er op toe dat het college van bestuur bij de uitoefening van zijn bevoegdheden de op de universiteit betrekking hebbende wetten alsmede de krachtens die wetten uitgevaardigde regelingen, richtlijnen, aanwijzingen en reglementen naleeft.

  • 2 De raad van toezicht is belast met de goedkeuring dan wel instemming van:

    • a. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4,

    • b. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,

    • c. de begroting, bedoeld in artikel 2.8,

    • d. het verslag, bedoeld in artikel 2.9,

    • e. het document, bedoeld in artikel 4.2, derde lid,

    • f. het besluit of de herroeping daarvan, bedoeld in artikel 9.30, en, in voorkomende gevallen, van de daarbij behorende medezeggenschapsregeling, en

    • g. een besluit betreffende een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 8.1.

  • 3 De goedkeuring, bedoeld in onderdeel d, kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 9.9. Verantwoordings- en inlichtingenplicht raad van toezicht

  • 1 De raad van toezicht is verantwoording verschuldigd aan Onze minister.

  • 2 De raad van toezicht verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelen.

Artikel 9.10. College voor promoties

  • 1 Aan een universiteit is een college voor promoties verbonden. Het college voor promoties bestaat uit hoogleraren.

  • 2 Het college voor promoties hoort het college van bestuur over het verlenen van het doctoraat honoris causa, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid.

  • 3 In het bestuurs- en beheersreglement worden de taak, de samenstelling en de wijze van benoeming van het college voor promoties nader geregeld.

Paragraaf 2. Onderwijs en wetenschapsbeoefening

Artikel 9.11. Faculteiten en opleidingen

In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald welke faculteiten of faculteit een universiteit omvat. Tevens wordt in dat reglement vermeld welke opleidingen in die faculteiten of faculteit zijn ingesteld.

Artikel 9.12. Faculteit; decaan

  • 1 De verzorging van het onderwijs en de beoefening van de wetenschap geschieden in de faculteit. Aan het hoofd van de faculteit staat de decaan van de faculteit.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan in het bestuurs- en beheersreglement worden bepaald dat aan het hoofd van de faculteit een bestuur staat, bestaande uit de decaan van de faculteit, tevens voorzitter, en een of meer andere leden. Indien de eerste volzin toepassing heeft gevonden, wordt in deze titel en in titel 2 met uitzondering van artikel 9.13, vierde en zesde lid, onder decaan tevens verstaan het bestuur van de faculteit. Indien aan het hoofd van de faculteit een meerhoofdig bestuur staat, wordt een student van de desbetreffende faculteit in de gelegenheid gesteld de vergaderingen van dit bestuur bij te wonen in welke vergaderingen deze student een adviserende stem heeft. In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald, op welke wijze de in de vorige volzin bedoelde student wordt aangewezen.

  • 3 Indien een universiteit slechts een faculteit omvat:

    • a. is de rector magnificus tevens decaan,

    • b. staat aan het hoofd van de faculteit een bestuur,

    • c. wordt in deze titel en in titel 2 met uitzondering van artikel 9.13, vierde en zesde lid, onder decaan tevens verstaan het bestuur van de faculteit, en

    • d. worden de taken en bevoegdheden van het bestuur van de faculteit uitgeoefend door het college van bestuur.

  • 4 Een lid van het bestuur van de faculteit kan niet tevens lid zijn van de faculteitsraad van die faculteit.

Artikel 9.13. Benoeming en ontslag decaan

  • 1 De decaan wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het college van bestuur. De benoeming geschiedt voor een door het college van bestuur te bepalen termijn.

  • 2 Alvorens tot benoeming of ontslag van de decaan over te gaan, hoort het college van bestuur vertrouwelijk de faculteitsraad van de desbetreffende faculteit over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.

  • 3 De decaan kan om gewichtige redenen worden geschorst of tussentijds worden ontslagen.

  • 4 De decaan bezit de hoedanigheid van hoogleraar.

  • 5 Indien aan het hoofd van de faculteit een bestuur als bedoeld in artikel 9.12, tweede lid, staat, zijn het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 6 Dit artikel is niet van toepassing, indien de rector magnificus tevens decaan is.

Artikel 9.14. Taken en bevoegdheden decaan algemeen; faculteitsreglement

  • 1 De decaan is belast met de algemene leiding van de faculteit. De decaan is voorts belast met het bestuur en de inrichting van de faculteit voor het onderwijs en de wetenschapsbeoefening.

  • 2 De decaan werkt mede aan het bestuur van de universiteit door onder meer het plegen van overleg met het college van bestuur terzake van de voorbereiding van het instellingsplan en de begroting.

  • 3 Onverminderd artikel 9.5 stelt de decaan ter nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de faculteit het faculteitsreglement vast.

  • 4 Het faculteitsreglement behoeft de goedkeuring van het college van bestuur. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  • 5 Indien binnen een door het college van bestuur te bepalen termijn het faculteitsreglement niet of niet volledig is vastgesteld, stelt het college van bestuur het reglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vast.

Artikel 9.15. Overige taken en bevoegdheden decaan

  • 1 De decaan is, onverminderd artikel 9.5, voorts belast met:

    • a. het vas