Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Wijzigingswet Wet toezicht verzekeringsbedrijf (verzelfstandiging van de Verzekeringskamer)

Geldend van 01-09-1992 t/m heden

Wet van 1 juli 1992, houdende regelen met betrekking tot de verzelfstandiging van de Verzekeringskamer

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is over te gaan tot de beheersmatige verzelfstandiging van de Verzekeringskamer en dat in verband daarmee wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf, de Pensioen- en spaarfondsenwet, de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling en het treffen van enkele andere wettelijke voorzieningen noodzakelijk zijn;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel I

[Red: Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel II

[Red: Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel III

[Red: Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel IV

[Red: Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel V

De in de artikelen VI, VII, VIII en IX zonder nadere aanduiding met arabische cijfers aangehaalde bepalingen zijn die van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf, zoals zij luiden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel VI

Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden gemachtigd om namens de Staat der Nederlanden een stichting op te richten die zij overeenkomstig artikel 2a kunnen aanwijzen als Verzekeringskamer.

Artikel VII

  • 1 Behoudens het bepaalde in artikel VIII gaan op de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2a, alle vermogensbestanddelen welke aan de Verzekeringskamer worden toegerekend, onder algemene titel over op de aangewezen rechtspersoon.

  • 2 Onze Minister van Financiën doet van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen door een registeraccountant of een accountant die een vergunning heeft als bedoeld in artikel 70b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de Registeraccountants (Stb. 1962, 258), een verklaring opstellen, die door de aangewezen rechtspersoon wordt nedergelegd ten kantore van de Kamer van Koophandel en Fabrieken van de plaats waar hij volgens zijn statuten zijn zetel heeft.

  • 3 Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden. De daartoe nodige opgaven worden door de zorg van Onze Minister van Financiën aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.

Artikel VIII

  • 1 Ieder personeelslid dat op de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2a, hetzij als ambtenaar, hetzij op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, in dienst is bij de Verzekeringskamer heeft het recht bij de krachtens artikel 2a aangewezen rechtspersoon in dienst te treden op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, ingaande op die datum. Dit recht kan, tenzij op die datum bij Onze Minister van Financiën bezwaren tegen de arbeidsovereenkomst als zodanig zijn ingediend, niet na die datum worden uitgeoefend.

  • 2 Ten aanzien van de personeelsleden die waren aangesteld in vaste dienst dan wel voor onbepaalde tijd op arbeidsovereenkomst werkzaam waren, en die gebruik maken van het in het eerste lid bedoelde recht bij de aangewezen rechtspersoon in dienst te treden op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, geldt deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tenzij het bepaalde in artikel 2d, eerste lid, van toepassing is.

  • 3 Ten aanzien van de personeelsleden die waren aangesteld voor een bepaalde tijd of op arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd werkzaam waren, en die gebruik maken van het in het eerste lid bedoelde recht bij de aangewezen rechtspersoon in dienst te treden op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, geldt deze arbeidsovereenkomst voor de niet verstreken tijd van de tijdelijke dienst of arbeidsovereenkomst.

  • 4 De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk in dienst bij de Verzekeringskamer vervulde, dan wel die voor hem passend mag worden geacht.

  • 5 De arbeidsvoorwaarden zullen in hun geheel ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij de Verzekeringskamer.

  • 6 De aangewezen rechtspersoon is gehouden de arbeidsovereenkomst aan te gaan zonder nadere selectie of keuring.

  • 7 Ieder personeelslid is met ingang van de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2a, van rechtswege eervol ontslagen uit de dienst van het Ministerie van Financiën.

  • 8 Indien Onze Minister van Financiën op de in het eerste lid bedoelde bezwaren heeft beslist, kan het personeelslid binnen een maand na de kennisgeving van die beslissing alsnog zijn recht uitoefenen. Onze Minister van Financiën kan de aangewezen rechtspersoon verplichten het personeelslid een arbeidsovereenkomst aan te bieden waarvan de inhoud aan dit artikel voldoet.

  • 9 Onze Minister van Financiën kan nadere regels stellen omtrent het bepaalde in dit artikel.

Artikel IX

  • 1 Met ingang van de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2a, verkrijgen de in artikel VIII, tweede en derde lid, bedoelde personeelsleden jegens de aangewezen instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, aanspraken die in totaliteit gelijkwaardig zijn aan die, welke deze personeelsleden op bedoelde datum krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540) hebben.

  • 2

    • a. Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds verstrekt aan een personeelslid als bedoeld in het eerste lid een schriftelijke opgave van de uit hoofde van zijn ambtenaarschap opgebouwde aanspraken ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet en van de desbetreffende wiskundige reserve. Het desbetreffende personeelslid dient binnen twee maanden aan het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds schriftelijk kenbaar te maken of hij met deze opgave instemt. Artikel N 15, eerste lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet is van overeenkomstige toepassing.

    • b. Het personeelslid heeft eveneens ingestemd met de opgave, indien hij het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds niet binnen twee maanden de schriftelijke kennisgeving als bedoeld onder a heeft doen toekomen.

    • c. De vaststelling door het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds van de uit hoofde van het ambtenaarschap opgebouwde aanspraken na de kennisgeving door het desbetreffende personeelslid als bedoeld onder a of na de periode van twee maanden als bedoeld onder b, is een beslissing als bedoeld in artikel S 1, eerste lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet. De artikelen S 1, S 2 en, tot de datum van feitelijke waarde-overdracht, S 3 van die wet zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3 De aanspraken die de personeelsleden op wie het eerste lid van toepassing is, toekomen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet, met uitzondering van de aanspraken die voor de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2a, geldend zijn gemaakt of geldend gemaakt hadden kunnen worden, vervallen op die datum, evenals de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds jegens die personeelsleden.

  • 4 Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt aan de in het eerste lid bedoelde instelling een deel van het vermogen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds over. De overdrachtssom wordt bepaald op basis van de aanspraken op ouderdomspensioen die krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden zijn opgebouwd tot en met de dag voorafgaande aan de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2a. In de totale overdrachtssom is voorts ten minste een aan bedoelde aanspraken evenredig aandeel in de voorziening voor nabestaandenpensioenen en in de algemene reserve begrepen, een en ander volgens een door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds op te stellen opgebouwde aanspraken-balans. Het over te dragen vermogen heeft hetzelfde rendementspotentieel als het bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds achterblijvende vermogen.

  • 5 Ten behoeve van de berekening van het effect voor het Algemeen burgerlijk pensioenfonds van het vervallen van de verplichtingen jegens de uitgetreden personeelsleden krachtens het derde lid en van de waarde-overdracht krachtens het vierde lid, maakt het Algemeen burgerlijk pensioenfonds een berekening van de waarde-overdracht indien deze gebaseerd zou zijn op lasten-min-baten. Hiertoe wordt voor de dag voorafgaande aan de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2a, een evenwichtige lasten-en-batenbalans opgesteld voor deze groep personeelsleden. Als basisbijdragepercentage wordt op deze balans ingezet het percentage dat in de toekomst nodig is om de nog op te bouwen rechten van gerechtigden op pensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet juist te dekken zonder rekening te houden met toekomstige inflatie. Als inhaalbijdragepercentage wordt het percentage gebruikt dat nodig is om de lasten-en-batenbalans van het fonds in evenwicht te brengen.

  • 6 Het verschil tussen de waarde-overdracht krachtens het vierde lid en de lasten-min-batenuitkomst krachtens het vijfde lid wordt verrekend tussen het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en de Minister van Financiën.

Artikel X

Ter zake van de verkrijging door de aangewezen rechtspersoon van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel VII, eerste lid, blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.

Artikel XI

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 1 juli 1992

Beatrix

De Minister van Financiën,

W. Kok

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

E. ter Veld

Uitgegeven de zestiende juli 1992

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin