Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Wet luchtvaart

Geldend van 25-05-2011 t/m 31-12-2011

Wet van 18 juni 1992, houdende algemene regeling met betrekking tot het luchtverkeer

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is mede ter uitvoering van het Verdrag van Chicago (Trb. 1973, 109), het Eurocontrol Verdrag (Trb. 1961, 62 gewijzigd Trb. 1981, 182) en de Multilaterale Overeenkomst betreffende "en route" heffingen (Trb. 1981, 181), nieuwe regels te stellen omtrent de bescherming van de openbare veiligheid bij het gebruik van het luchtruim en de bevordering van de veilige, ordelijke en vlotte afwikkeling van het luchtverkeer;

dat het tevens wenselijk is om de burgerlijke luchtverkeersbeveiliging onder te brengen in een zelfstandig bestuursorgaan;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

  • 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • algemene luchtverkeersleiding: luchtverkeersleiding voor gecontroleerde vluchten;

    • AOC: door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan een onderneming of groep van ondernemingen afgegeven document waarin wordt verklaard dat de betrokken luchtvaartexploitant beschikt over beroepsbekwaamheid en organisatie om luchtvaartuigen veilig te exploiteren voor de in dat bewijs gespecificeerde luchtvaartactiviteiten (Air Operator's Certificate);

    • burgerexploitant: houder van een vergunning voor burgermedegebruik die is afgegeven voor burgerluchtvaart van commerciële aard onder vaststelling van een grenswaarde voor de geluidbelasting door dat luchthavenluchtverkeer, anders dan in de vorm van een maximum aantal vliegtuigbewegingen;

    • burgermedegebruik: gebruik van een militaire luchthaven door andere dan militaire luchtvaart;

    • communicatiediensten: vaste en mobiele diensten ten behoeve van de luchtvaart voor grond-tot-grond, lucht-tot-grond en lucht-tot-lucht-communicatie voor luchtverkeersleidingsdoeleinden;

    • EASA: het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart;

    • Eurocontrol-organisatie: de Organisatie, ingesteld bij het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart «Eurocontrol» (Trb. 1961, 62), zoals gewijzigd bij Protocol van 12 februari 1981 (Trb. 1981, 182);

    • gevaarlijke stoffen:

      • 1°. ontplofbare stoffen of voorwerpen;

      • 2°. samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen;

      • 3°. brandbare vloeistoffen;

      • 4°. brandbare vaste stoffen, voor zelfontbranding vatbare stoffen en stoffen, die bij aanraking met water brandbare gassen ontwikkelen;

      • 5°. stoffen, die de verbranding bevorderen en organische peroxyden;

      • 6°. giftige of infectueuze stoffen;

      • 7°. radioactieve stoffen;

      • 8°. bijtende stoffen;

      • 9°. andere stoffen of voorwerpen, die bij vervoer door de lucht gevaar kunnen opleveren voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu;

      indien zij krachtens artikel 6.51 of artikel 10.7, eerste lid, zijn aangewezen.

    • gezagvoerder: degene, die de leiding heeft bij en verantwoordelijk is voor de veilige uitvoering van de vlucht;

    • houder van een luchtvaartuig: degene, op wiens naam een luchtvaartuig in het register, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, dan wel in een buitenlands register van luchtvaartuigen is ingeschreven;

    • interoperabiliteitsverordening: verordening (EG) nr. 552/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2004 betreffende de interoperabiliteit van het Europese netwerk voor luchtverkeersbeveiliging (PbEU L 96);

    • kaderverordening: verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim (PbEU L 96);

    • klaring: machtiging aan de gezagvoerder van een luchtvaartuig om een vlucht aan te vangen of te vervolgen onder door een verlener van luchtverkeersleiding gestelde voorwaarden;

    • lid van het boordpersoneel: lid van het cockpitpersoneel en ieder, die aan boord van een luchtvaartuig ten behoeve van de inzittenden of de lading werkzaamheden verricht of heeft te verrichten, onder welke werkzaamheden mede wordt verstaan de voorbereidingshandelingen voorafgaande aan de vlucht;

    • lid van het cockpitpersoneel: ieder, die aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden verricht, welke van direct belang zijn voor de bediening van het luchtvaartuig tijdens de vlucht, onder welke werkzaamheden mede wordt verstaan de voorbereidingshandelingen voorafgaande aan de vlucht;

    • luchthaven: een terrein geheel of gedeeltelijk bestemd voor het opstijgen en het landen van luchtvaartuigen met inbegrip van:

      • 1°. de daarmee verband houdende bewegingen van luchtvaartuigen op de grond,

      • 2°. de afwikkeling van het in de aanhef en onder 1° bedoelde luchtverkeer, of

      • 3°. bedrijfsmatige activiteiten die samenhangen met de afwikkeling van het in de aanhef en onder 1° bedoelde luchtverkeer;

    • luchthavenbesluit: het besluit, bedoeld in de artikelen 8.43, eerste en tweede lid, 8.70, eerste lid, of 10.15;

    • luchthavengebied: het gebied dat bestemd is voor gebruik als luchthaven;

    • luchthavenindelingbesluit: het besluit, bedoeld in artikel 8.4;

    • luchthavenluchtverkeer: het onder het begrip luchthaven, in de aanhef en onder 1°, bedoelde luchtverkeer;

    • luchthavenregeling: de regeling, bedoeld in de artikelen 8.64, eerste lid, 8.77, eerste lid, of 10.39, eerste lid;

    • luchthavenverkeerbesluit: het besluit, bedoeld in artikel 8.15;

    • luchtruimbeheer: een planningsfunctie met als belangrijkste doel een maximale benutting van beschikbaar luchtruim door dynamische timesharing en, bij gelegenheid, scheiding van luchtruim tussen verschillende categorieën luchtruimgebruikers op basis van kortetermijnbehoeften;

    • luchtruimblok: luchtruim van vastgestelde afmetingen, in ruimte en tijd, waarbinnen luchtvaartnavigatiediensten worden verleend;

    • luchtruimgebruikers: alle luchtvaartuigen die als luchtverkeer opereren;

    • luchtruimverordening: verordening (EG) nr. 551/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2004 betreffende de organisatie en het gebruik van het gemeenschappelijk Europees luchtruim (PbEU L 96);

    • luchtvaartgebied: het deel van de luchthaven dat bestemd is voor luchthavenluchtverkeer;

    • luchtvaartinlichtingendienst: een binnen het vastgestelde gebied opgerichte dienst die verantwoordelijk is voor het verstrekken van luchtvaartinformatie en gegevens die nodig zijn voor de veiligheid, regelmaat en efficiency van luchtvaartnavigatie;

    • luchtvaartmaatschappij: onderneming, welke geheel of gedeeltelijk haar bedrijf maakt van het vervoer van personen, dieren of goederen met luchtvaartuigen;

    • luchtvaartnavigatiediensten: luchtverkeersdiensten, communicatie-, navigatie- en plaatsbepalingsdiensten, meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie, en luchtvaartinlichtingendiensten;

    • luchtvaartnavigatiedienstenverordening: verordening (EG) nr. 550/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2004 betreffende de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim (PbEU L 96);

    • luchtvaartuig: toestel, dat in de dampkring kan worden gehouden ten gevolge van krachten, die de lucht daarop uitoefent, anders dan de krachten van de lucht tegen het aardoppervlak;

    • luchtverkeer: het geheel der verplaatsingen van luchtvaartuigen in de lucht of op een luchthaven, alsmede het gebruik van het luchtruim door toestellen die geen luchtvaartuigen zijn;

    • luchtverkeersbeveiliging: de verzameling van functies in de lucht en functies op de grond, te weten luchtverkeersdiensten, luchtruimbeheer en regeling van luchtverkeersstromen, die nodig zijn om de veiligheid en de doeltreffendheid van de vliegtuigbewegingen in alle fasen te waarborgen;

    • luchtverkeersdiensten: vluchtinlichtingendiensten, alarmeringsdiensten, adviesdiensten voor het luchtverkeer en luchtverkeersleiding, zijnde algemene luchtverkeersleiding, naderingsluchtverkeersleiding en plaatselijke luchtverkeersleiding;

    • luchtverkeersleidingsdienst: dienst die wordt verricht teneinde:

      • 1.° botsingen te voorkomen:

        • tussen luchtvaartuigen en

        • tussen luchtvaartuigen en hindernissen op dat deel van de luchthaven dat is bedoeld voor het opstijgen, landen en taxiën met luchtvaartuigen, en

      • 2.° een geordende luchtverkeersstroom tot stand te brengen en te handhaven;

    • luchtverkeerweg: een ten behoeve van geleiding van het luchthavenluchtverkeer afgebakend deel van het luchtruim;

    • LVNL: de organisatie voor het verlenen van luchtverkeersdiensten, bedoeld in artikel 5.22;

    • meteorologische diensten: de faciliteiten en diensten die luchtvaartuigen voorzien van weersverwachtingen, instructies en waarnemingen, alsmede andere meteorologische informatie en gegevens voor gebruik in de luchtvaart;

    • naderingsluchtverkeersleiding: luchtverkeersleiding voor aankomende of vertrekkende gecontroleerde vluchten;

    • navigatiediensten: de faciliteiten en diensten die luchtvaartuigen voorzien van informatie op het gebied van positionering en timing;

    • Nederlands luchtvaartuig: een in Nederland geregistreerd luchtvaartuig;

    • opsporingsambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 11.3, eerste lid;

    • plaatsbepalingsdiensten: de faciliteiten en diensten voor het bepalen van de respectieve posities van luchtvaartuigen waarmee voor een veilige separatie wordt gezorgd;

    • plaatselijke verkeersleiding: luchtverkeersleidingsdienst voor luchtvaartterreinverkeer;

    • regeling van luchtverkeersstromen: functie die tot doel heeft bij te dragen aan een veilige, ordelijke en vlotte doorstroming van het luchtverkeer door ervoor te zorgen dat de luchtverkeersleidingscapaciteit optimaal wordt benut en dat het verkeersvolume verenigbaar is met de door de betrokken luchtverkeersdienstverleners afgegeven capaciteit;

    • STD: een trainingsinstrument zijnde een vluchtnabootser, een vliegtrainingsinstrument, een trainer voor vlieg- en navigatieprocedures of een ander trainingsinstrument (Synthetic Training Device);

    • timesharing: de verdeling in de tijd gezien van het beschikbaar luchtruim of een gedeelte daarvan over luchtruimgebruikers of verschillende categorieën luchtruimgebruikers;

    • veiligheidscertificaat: verklaring dat de exploitant van de luchthaven met het veiligheidsmanagementsysteem de veiligheidsrisico's op die luchthaven beheerst;

    • veiligheidsmanagementsysteem: een systeem voor het management van de orde en de veiligheid op de luchthaven;

    • vergoedingenverordening: verordening (EG) nr. 1794/2006 van de Commissie van de Europese Unie van 6 december 2006 tot vaststelling van een gemeenschappelijk heffingenstelsel voor luchtvaartnavigatiediensten (PbEU L 341);

    • verleners van luchtvaartnavigatiediensten: de openbare of particuliere lichamen die luchtvaartnavigatiediensten voor het luchtverkeer verlenen;

    • vlucht: de verplaatsing van het luchtvaartuig gedurende het tijdsverloop dat het in beweging komt met de bedoeling om op te stijgen, tot het ogenblik dat het weer tot volledige stilstand is gekomen na de landing;

    • vluchtinformatiegebied Amsterdam: het luchtruim boven het gebied, dat wordt begrensd door de rijksgrenzen en de kortste lijn op de ellipsoïde tussen de posities met de coördinaten 51°22'25" N 003°21'50" O en 51°30'00" N 002°00'00" O, 51°30'00" N 002°00'00" O en 55°00'00" N 005°00'00" O, de loxodroom tussen 55°00'00" N, 005°00'00" O en 55°00'00" N 006°30'00" O en de kortste lijn op de ellipsoïde tussen de posities met de coördinaten 55°00'00" N 006°30'00" O en 53°40'00" N, 006°30'00" O, uitgedrukt in het geografische referentiesysteem WGS 84;

    • voorval: een operationele onderbreking, defect, fout of andere onregelmatigheid, waardoor de vliegveiligheid wordt of kan worden beïnvloed, zonder dat sprake is van een ongeval of ernstig incident, als bedoeld in artikel 3, onderdelen a en k, van richtlijn nr. 94/56/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 november 1994, houdende vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart (PbEG L 319);

    • voorval gevaarlijke stoffen: ongeval of incident met gevaarlijke stoffen als bedoeld in de als bijlage bij Annex 18 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109) behorende Technische Voorschriften voor het veilig vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht.

  • 2 Onder lid van het cockpitpersoneel wordt ten aanzien van onbemande luchtvaartuigen mede verstaan ieder, die werkzaamheden verricht, welke van direct belang zijn voor het op afstand bedienen van het luchtvaartuig.

  • 3 Onder luchtvaartmaatschappij wordt mede verstaan de naar privaatrecht opgerichte rechtspersoon, die zich bezig houdt met het vervoer van personen, dieren of goederen met luchtvaartuigen tegen vergoeding.

  • 4 Een wijziging van artikel 3, onderdelen a en k, van richtlijn nr. 94/56/EG, gaat voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel v, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 1.2

  • 1 Deze wet is:

    • a. van toepassing op het luchtverkeer, de luchtverkeersbeveiliging, luchtvaartnavigatiediensten, de luchtvaartuigen, het vervoer en de vluchtuitvoering met luchtvaartuigen binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam;

    • b. van toepassing op Nederlandse luchtvaartuigen, alsmede het vervoer en de vluchtuitvoering met Nederlandse luchtvaartuigen buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam;

    • c. met betrekking tot het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 2, 3, en 4 en de artikelen 11.1, 11.2, 11.2a, 11.3 tot en met 11.14 van toepassing binnen de delen van het vluchtinformatiegebied Curaçao en het vluchtinformatiegebied San Juan, bedoeld in artikel 1 van de Luchtvaartwet BES, dat zich boven het territoir van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt dan wel die delen waarvoor de Minister de verantwoordelijkheid voor het verzorgen van luchtverkeersdiensten heeft aanvaard.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat, op nader in die algemene maatregel aan te geven categorieën van personeel of op bepaalde soorten van luchtvaartuigen, op bepaalde soorten van vervoer of op bepaalde vormen van vluchtuitvoering, indien toepassing van deze wet in redelijkheid niet kan worden gevergd en de veiligheid van het luchtverkeer niet in gevaar wordt gebracht, geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn:

  • 3 Bij de toepassing van het tweede lid kunnen bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur voorschriften en beperkingen worden opgenomen met betrekking tot één of meer buiten toepassing van de wet te laten onderdelen. Deze voorschriften en beperkingen kunnen mede betrekking hebben op de beperking van geluidshinder.

Artikel 1.2a

  • 1 Het is verboden toestellen, die geen luchtvaartuig zijn, in het luchtruim te gebruiken. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan bij ministeriële regeling voor door hem aan te wijzen toestellen vrijstelling verlenen van het verbod.

  • 2 Aan de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met deze voorschriften of beperkingen te handelen.

Artikel 1.3

Een luchtvaartmaatschappij is verplicht er voor zorg te dragen, dat:

  • a. de door haar geëxploiteerde luchtvaartuigen in een zodanige staat zijn, dat daarmee veilig gevlogen en vervoerd kan worden;

  • b. het boordpersoneel van de door haar geëxploiteerde luchtvaartuigen over voldoende kennis, bedrevenheid en ervaring beschikt;

  • c. al datgene wordt gedaan, wat in haar vermogen ligt om ernstige lichamelijke of geestelijke vermoeidheid van de leden van het boordpersoneel bij de bediening van luchtvaartuigen te voorkomen.

Artikel 1.4

Voor zover Onze Minister van Verkeer en Waterstaat onderscheidenlijk Onze Minister van Defensie, beslissingen neemt ingevolge bij of krachtens deze wet verleende bevoegdheden, die mede betrekking hebben op de militaire luchtvaart onderscheidenlijk de burgerluchtvaart handelt hij in overeenstemming met Onze Minister van Defensie onderscheidenlijk Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Hoofdstuk 2. Personeel

Titel 2.1. Bewijzen van bevoegdheid

Artikel 2.1

  • 1 Het is verboden een luchtvaartuig te bedienen, luchtverkeersdiensten te verlenen of een grondstation of een mobiel station in de luchtvaartmobiele band, waarvoor een vergunning is vereist als bedoeld in artikel 3.3 van de Telecommunicatiewet of de Wet telecommunicatievoorzieningen BES, te bedienen zonder het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid of geldige bewijs van gelijkstelling.

  • 2 Voor het bedienen van een Nederlands burgerluchtvaartuig, het verlenen van luchtverkeersdiensten of het bedienen van een grondstation of een mobiel station als bedoeld in het eerste lid is het bezit vereist van hetzij:

    • a. een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling,

    • b. een bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling, afgegeven door de bevoegde autoriteit van een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op grond van artikel 2.8 aangewezen staat of door een door hem aangewezen internationale organisatie. Betrokkene dient in geval van toepassing van onderdeel a tevens in het bezit te zijn van een geldige medische verklaring, bedoeld in artikel 2.4, afgegeven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat dan wel door de bevoegde autoriteit van een door hem aangewezen staat, hetzij

    • c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere werkzaamheden aan boord van een burgerluchtvaartuig worden aangewezen, die niet mogen worden verricht zonder een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven bewijs van bevoegdheid, bewijs van gelijkstelling of een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.

  • 4 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens dit artikel, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

  • 5 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat trekt de door hem verleende ontheffing in, wanneer

    • a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen;

    • b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft.

  • 6 Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift als bedoeld in het vierde lid.

  • 7 Voor zover het eerste lid betrekking heeft op het bedienen van een grondstation of een mobiel station als bedoeld in dat lid, is het onverminderd artikel 1.2, eerste lid, eveneens van toepassing op het continentaal plat, bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet, voor zover dat buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam ligt.

Artikel 2.1a

Onverminderd de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is hoofdstuk 2 van overeenkomstige toepassing op de erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in die wet.

Artikel 2.2

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag een bewijs van bevoegdheid af, wanneer degene, die het bewijs van bevoegdheid heeft aangevraagd:

    • a. beschikt over een geldige medische verklaring;

    • b. beschikt over voldoende kennis, bedrevenheid en ervaring met betrekking tot het bewijs van bevoegdheid dat hij heeft aangevraagd; en

    • c. daartoe voldoende onderricht heeft genoten aan een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of door de bevoegde autoriteit van een door hem aangewezen staat:

      • 1°. erkende, gekwalificeerde of geregistreerde opleidingsinstelling, of

      • 2°. gecertificeerde opleidingsinstelling indien degene die het bewijs van bevoegdheid heeft aangevraagd een bewijs van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten heeft aangevraagd.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag op het bewijs van bevoegdheid een of meer bevoegdverklaringen weer. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing behoudens ter zake van de medische verklaring.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke bewijzen van bevoegdheid Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan afgeven en welke bevoegdverklaringen Onze Minister van Verkeer en Waterstaat daarop kan weergeven; in die algemene maatregel worden voor elk bewijs van bevoegdheid en voor elke algemene bevoegdverklaring de bevoegdheden en eventueel aan de bevoegdverklaring te verbinden beperkingen aangegeven. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden aangegeven welke bijzondere bevoegdverklaringen en voor welke termijn Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op het bewijs van bevoegdheid kan weergeven en welke beperkingen daaraan kunnen worden verbonden.

  • 4 Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot het model en de uitvoering van het document, waarop een bewijs van bevoegdheid en een of meer bevoegdverklaringen worden weergegeven, eisen vaststellen.

  • 5 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat houdt van de door hem afgegeven bewijzen van bevoegdheid een register bij. In het belang van een goede uitvoering en handhaving van deze wet en de daarop berustende bepalingen verwerkt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in het register gegevens omtrent afgegeven bewijzen van bevoegdheid en bewijzen van gelijkstelling, rechterlijke uitspraken houdende ontzegging van de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen, luchtverkeersdiensten te verlenen of een grondstation of een mobiel station als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, te bedienen en persoonsgegevens betreffende de gezondheid van houders van een bewijs van bevoegdheid.

  • 6 Het derde lid is niet van toepassing op bewijzen van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten. Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke bewijzen van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan afgeven en welke bevoegdverklaringen Onze Minister op die bewijzen van bevoegdheid kan weergeven. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gesteld aan de bewijzen van bevoegdheid, bevoegdverklaringen en daaraan te verbinden machtigingen voor het verlenen van luchtverkeersdiensten.

  • 7 Het eerste lid, onderdeel c, onder 2°, is niet van toepassing op degene die zijn taken uitoefent onder de verantwoordelijkheid van verleners van luchtvaartnavigatiediensten die deze diensten voornamelijk aanbieden aan andere bewegingen van luchtvaartuigen dan aan het algemeen luchtverkeer.

  • 8 Onder algemeen luchtverkeer als bedoeld in het zevende lid wordt verstaan: alle bewegingen van burgerluchtvaartuigen, alsmede alle bewegingen van staatsluchtvaartuigen, met inbegrip van militaire, douane- en politieluchtvaartuigen, voorzover deze bewegingen worden uitgevoerd in overeenstemming met de procedures van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109).

Artikel 2.3

  • 1 Een bewijs van bevoegdheid wordt afgegeven voor onbepaalde tijd dan wel voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, welke termijn voor de verschillende bewijzen van bevoegdheid verschillend kan zijn.

  • 2 Indien een bewijs van bevoegdheid voor onbepaalde tijd is verleend, is dit bewijs slechts geldig indien daarop ten minste één geldige bevoegdverklaring is weergegeven en voor de bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn waarvoor die bevoegdverklaring is afgegeven.

  • 3 Indien een bewijs van bevoegdheid voor bepaalde tijd is verleend, verlengt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op aanvraag het bewijs van bevoegdheid, indien de houder daarvan beschikt over voldoende kennis, bedrevenheid en ervaring met betrekking tot dat bewijs van bevoegdheid; het bewijs van bevoegdheid wordt voor de krachtens het eerste lid vastgestelde termijn verlengd.

  • 4 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag een bevoegdverklaring af en verlengt deze, indien de houder daarvan beschikt over voldoende bedrevenheid en ervaring met betrekking tot die bevoegdverklaring. De bevoegdverklaring wordt voor de krachtens het tweede lid vastgestelde termijn verlengd.

  • 5 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven, dat de houder van een in die algemene maatregel aan te geven bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring bij het bereiken van een in die algemene maatregel bepaalde leeftijd daarin aan te geven bevoegdheden:

    • a. niet meer mag uitoefenen;

    • b. slechts onder in die algemene maatregel bepaalde voorwaarden mag uitoefenen.

  • 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot artikel 2.2 en dit artikel. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:

    • a. de aanvraag en afgifte van bewijzen van bevoegdheid en de aanvraag, afgifte en verlenging van bevoegdverklaringen;

    • b. de leeftijd, die een aanvrager ten minste moet hebben om voor een bewijs van bevoegdheid in aanmerking te kunnen komen;

    • c. de eisen, waaraan de aanvrager van een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring of van de verlenging daarvan moet voldoen alsmede de wijze, waarop hij kan doen blijken, dat hij aan die eisen voldoet;

    • d. de te houden examens;

    • e. de eisen, waaraan examinatoren moeten voldoen, alsmede de eisen waaraan examinatoren moeten voldoen teneinde een autorisatie te verkrijgen;

    • f. aan STD's te stellen eisen voor kwalificatie;

    • g. de vernieuwing van het document, waarop bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen worden weergegeven;

    • h. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van het bewijs van bevoegdheid, een bevoegdverklaring of het bewijs van gelijkstelling, de verlenging van een bewijs van bevoegdheid of verlenging een bevoegdverklaring, het afleggen van een theorie- of praktijkexamen, de vernieuwing van het document, bedoeld in onderdeel g, de afgifte van de autorisatie, bedoeld in onderdeel e, de afgifte en verlenging van de medische verklaring, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, en de afgifte en verlenging van de kwalificatie, bedoeld in onderdeel f.

  • 7 Bij het besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, bedoeld in het zesde lid, onderdeel e, kunnen in aanmerking genomen worden het aantal reeds geautoriseerde examinatoren, hun specifieke deskundigheid en de spreiding van examinatoren over het land in relatie tot de regionale of plaatselijke behoefte.

Artikel 2.4

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag de medische verklaring, bedoeld in artikel 2.2, af, indien betrokkene voldoet aan de eisen van medische geschiktheid om de werkzaamheden te verrichten, waarvoor betrokkene een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring heeft aangevraagd of is verleend.

  • 2 De medische verklaring wordt, al dan niet onder beperkingen, verleend voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verlengt op aanvraag de medische verklaring voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, indien de houder voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent:

    • a. de eisen van medische geschiktheid;

    • b. de ten behoeve van de afgifte van een medische verklaring te verrichten medische keuring;

    • c. de verplichtingen van de houder van de medische verklaring;

    • d. de eisen waaraan een geneeskundige of geneeskundige instantie moet voldoen teneinde een autorisatie te verkrijgen;

    • e. de aanwijzing van instellingen die in het kader van een autorisatie als bedoeld in onderdeel d een certificaat kunnen afgeven;

    • f. de mogelijkheid van herbeoordeling;

    • g. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van de autorisatie, bedoeld in onderdeel d.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven omtrent de beperkingen waaronder een medische verklaring kan worden afgegeven.

  • 5 Onze Minister autoriseert geneeskundigen of geneeskundige instanties die met het verrichten van medische keuringen worden belast.

  • 6 Bij het besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat over de autorisatie kunnen in aanmerking worden genomen het aantal reeds geautoriseerde geneeskundigen of geneeskundige instanties, hun specialisme en de spreiding van de geautoriseerde geneeskundigen of geneeskundige instanties over het land in relatie tot de regionale of plaatselijke behoefte.

  • 7 De medische verklaring is ongeldig gedurende de periode dat de gezondheidstoestand van de houder zodanig is, dat deze niet meer in staat is de werkzaamheden, waarvoor hem een bewijs van bevoegdheid is verleend, te verrichten.

Artikel 2.5

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bewijs van bevoegdheid dan wel een daarop weergegeven bevoegdverklaring schorsen wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de houder van het bewijs van bevoegdheid:

    • a. niet over voldoende kennis of bedrevenheid beschikt met betrekking tot dat bewijs van bevoegdheid of die bevoegdverklaring;

    • b. bij het verrichten van de hem toegestane werkzaamheden de veiligheid in gevaar kan brengen;

    • c. niet in het bezit is van een geldige medische verklaring.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat neemt het document waarop het geschorste bewijs van bevoegdheid of de geschorste bevoegdverklaring is weergegeven in. De houder van het betrokken bewijs van bevoegdheid is verplicht hieraan alle medewerking te verlenen. In geval van schorsing van een of meer bevoegdverklaringen verstrekt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een aan de schorsing aangepast document.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heft de schorsing op zodra de redenen, die tot de schorsing hebben geleid, zijn komen te vervallen.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot:

    • a. de wijze, waarop de houder van het betrokken bewijs van bevoegdheid opnieuw kan doen blijken over voldoende kennis of bedrevenheid met betrekking tot het geschorste bewijs van bevoegdheid of de geschorste bevoegdverklaring te beschikken;

    • b. de wijze, waarop de houder van het betrokken bewijs van bevoegdheid kan doen blijken, dat hij bij het verrichten van de hem toegestane werkzaamheden de veiligheid niet in gevaar brengt;

    • c. de wijze waarop de houder van een autorisatie als bedoeld in artikel 2.4, derde lid, onderdeel d, opnieuw kan doen blijken aan de bij of krachtens dat onderdeel bedoelde eisen te voldoen.

  • 5 Onze Minister kan een autorisatie als bedoeld in artikel 2.4, derde lid, onderdeel d, schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de houder van de autorisatie niet langer voldoet aan de bij of krachtens dat onderdeel gestelde eisen.

  • 8 Schorsing van het bewijs van bevoegdheid betekent schorsing van op het document weergegeven bevoegdverklaringen voor de duur van die schorsing.

  • 9 Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat regels geven met betrekking tot de procedure van schorsing.

Artikel 2.6

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bewijs van bevoegdheid of een bevoegdverklaring intrekken:

    • a. op aanvraag van de houder;

    • b. wanneer het bewijs van bevoegdheid of de daarop weergegeven bevoegdverklaring ten minste drie maanden is geschorst;

    • c. wanneer gedurende een periode van ten minste zes maanden van het betrokken bewijs van bevoegdheid of de daarop weergegeven bevoegdverklaring geen gebruik is gemaakt;

    • d. wanneer bij de aanvraag of het verzoek om verlenging van het bewijs van bevoegdheid, de bevoegdverklaring of de medische verklaring onjuiste gegevens zijn verstrekt.

  • 2 Een bewijs van bevoegdheid of een bevoegdverklaring voor het verlenen van luchtverkeersdiensten kan eveneens worden ingetrokken in geval van:

    • a. grove nalatigheid tijdens het uitoefenen van het verlenen van luchtverkeersdiensten;

    • b. misbruik van het bewijs van bevoegdheid of de bevoegdverklaring.

  • 3 Indien de houder van een bewijs van bevoegdheid of een of meer bevoegdverklaringen de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen, luchtverkeersdiensten te verlenen of een grondstation of mobiel station als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, te bedienen is ontzegd, dan wel zijn bewijs van bevoegdheid of een of meer bevoegdverklaringen zijn ingetrokken, is hij verplicht het document, waarop zijn bewijs van bevoegdheid en eventuele bevoegdverklaringen zijn weergegeven, onverwijld bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in te leveren.

  • 7 Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat regels geven met betrekking tot de procedure van intrekking.

Artikel 2.7

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag een bewijs van gelijkstelling met een in een andere staat door een daar bevoegde autoriteit afgegeven bewijs van bevoegdheid afgeven. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Het bewijs van gelijkstelling geeft niet meer bevoegdheden dan het betrokken bewijs van bevoegdheid en wordt slechts eenmaal afgegeven voor ten hoogste de duur van geldigheid van het betrokken bewijs van bevoegdheid doch niet langer dan een jaar.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven over de voorwaarden en omstandigheden waaronder een bewijs van gelijkstelling wordt afgegeven.

Artikel 2.8

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op grond van internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties bewijzen van bevoegdheid, bewijzen van gelijkstelling of medische verklaringen, die op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens artikel 2.3, zesde lid, onderdeel c, of artikel 2.4, derde lid, gestelde eisen, zijn afgegeven door:

  • a. de bevoegde autoriteit van een door hem bij ministeriële regeling aangewezen staat, of

  • b. een door hem bij ministeriële regeling aangewezen internationale organisatie

erkennen als geldig bewijs van bevoegdheid, geldig bewijs van gelijkstelling of geldige medische verklaring. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

Artikel 2.8a

  • 1 Indien de houder van een bewijs van bevoegdheid, dat overeenkomstig richtlijn nr. 2006/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 inzake een communautaire vergunning van luchtverkeersleiders (PbEU L 114) door een andere lidstaat van de Europese Unie is verstrekt, binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam onder verantwoordelijkheid van een aangewezen instantie als bedoeld in artikel 5.13, 5.14 of 5.14a of een andere verlener van luchtverkeersdiensten als bedoeld in artikel 5.14b, eerste lid, luchtverkeersdiensten verleent, verstrekt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat hem op aanvraag een gelijkwaardig bewijs van bevoegdheid als bedoeld in deze wet.

  • 2 Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat regels geven met betrekking tot de procedure van aanvraag.

  • 3 Een wijziging van richtlijn nr. 2006/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 inzake een communautaire vergunning van luchtverkeersleiders (PbEU L 114) gaat voor de toepassing van het eerste lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 2.9

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een opleidingsinstelling ter verkrijging van een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring erkennen, kwalificeren of registreren, indien die opleidingsinstelling voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.

  • 2 Onverminderd het eerste lid kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een opleidingsinstelling ter verkrijging van een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring voor het verlenen van luchtverkeersdiensten certificeren indien die opleidingsinstelling voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan de erkenning, kwalificatie of registratie van een opleidingsinstelling geheel of deels intrekken, wanneer die opleidingsinstelling niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met betrekking tot de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van de erkenning, kwalificatie of registratie, bedoeld in het eerste lid.

  • 5 Artikel 2.8 en het derde en vierde lid van onderhavig artikel zijn van overeenkomstige toepassing op het certificeren van een opleidingsinstelling als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 2.10

  • 1 De houder van een bewijs van bevoegdheid, dat de bevoegdheid geeft een luchtvaartuig te bedienen, en de leerling-vlieger dienen onder door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te stellen regelen een logboek bij te houden.

  • 2 Het is verboden

    • a. in het logboek onjuiste gegevens of onjuiste aantekeningen op te nemen, te doen opnemen of toe te laten dat zij daarin worden opgenomen;

    • b. het logboek te beschadigen of te vernietigen, te doen beschadigen of vernietigen dan wel toe te laten, dat het wordt beschadigd of vernietigd.

TITEL 2.2. ALGEMENE GEZONDHEIDSTOESTAND; VERBOD GEBRUIK ALCOHOL, DRUGS EN PSYCHOTROPE GENEESMIDDELEN

Artikel 2.11

  • 1 Het is de houder van een bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling verboden werkzaamheden, tot het verrichten waarvan dat bewijs de bevoegdheid geeft, te verrichten wanneer de houder daardoor in verband met zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid de veiligheid van het luchtverkeer in gevaar brengt of in gevaar kan brengen.

  • 2 Onverminderd het eerste lid is het verboden luchtverkeersdiensten te verlenen dan wel een grondstation of een mobiel station als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, te bedienen, terwijl degene, die luchtverkeersdiensten verleent dan wel een grondstation of een mobiel station bedient, verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de vaardigheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten of het bedienen van een grondstation of een mobiel station kan verminderen, dat hij niet in staat moet worden geacht zulks naar behoren te verrichten.

Artikel 2.12

  • 1 Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de vaardigheid voor het verrichten van die werkzaamheden kan verminderen, dat hij niet in staat moet worden geacht die werkzaamheden naar behoren te verrichten.

  • 2 Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten, indien hij binnen de tien daaraan voorafgaande uren alcoholhoudende drank heeft gebruikt.

  • 3 Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

    • a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan negentig microgram (90 µg) alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel

    • b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan eenvijfde milligram (0,2 mg) alcohol per milliliter bloed.

  • 5 Het is verboden een lid van het boordpersoneel van wie men weet of redelijkerwijs moet weten, dat deze verkeert in een toestand, als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, of in het eerste of derde lid van dit artikel, werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te doen verrichten.

  • 6 Het derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op eenieder die luchtverkeersdiensten verleent of een grondstation of een mobiel station als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, bedient.

Artikel 2.13

Aan de ambtenaren, die belast zijn met de handhaving van artikel 2.12 worden uit het register, bedoeld in artikel 126 van de Wegenverkeerswet 1994, op door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze de gegevens verstrekt, die zij voor de uitoefening van hun taak nodig hebben.

TITEL 2.3. ADVIESCOMMISSIE ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN

Artikel 2.14

  • 1 Er is een Adviescommissie arbeidsomstandigheden boordpersoneel Nederlandse burgerluchtvaart.

  • 2 De Adviescommissie heeft tot taak in het belang van de veiligheid in de burgerluchtvaart Onze Minister van Verkeer en Waterstaat desgevraagd of uit eigen beweging van advies te dienen over de uitvoering van het beleid en van de regelgeving met betrekking tot de arbeidsomstandigheden van het boordpersoneel van in Nederland geregistreerde burgerluchtvaartuigen.

  • 3 De Adviescommissie bestaat uit elf leden, die door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden benoemd. Hiervan worden vier leden benoemd op voordracht van naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat representatieve organisaties van leden van het boordpersoneel, vier leden op voordracht van de betrokken luchtvaartmaatschappijen en drie leden als onafhankelijken.

  • 4 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wijst uit de drie onafhankelijke leden de voorzitter aan.

  • 5 De leden worden voor een periode van vier jaren benoemd. Aftredende leden zijn terstond herbenoembaar.

  • 6 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleent tussentijds ontslag aan een lid:

    • a. wanneer deze zijn hoedanigheid verliest op grond waarvan hij is benoemd;

    • b. op eigen verzoek;

    • c. bij het bereiken van de zeventigjarige leeftijd;

    • d. wegens ongeschiktheid voor de functie.

  • 7 De Adviescommissie stelt een reglement vast ter nadere regeling van haar werkzaamheden. Het reglement wordt ter kennisneming toegezonden aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Hoofdstuk 3. Luchtvaartuigen

Titel 3.1. Nationaliteitskenmerken en registratie van luchtvaartuigen

Artikel 3.1

  • 1 Het is verboden een luchtvaartuig te gebruiken, dat niet is voorzien van een geldig nationaliteits- en inschrijvingskenmerk en een geldig bewijs van inschrijving.

  • 2 Het is verboden:

    • a. op een luchtvaartuig een ander dan het in het eerste lid bedoelde kenmerk aan te brengen, of

    • b. een luchtvaartuig te gebruiken dan wel te doen of te laten gebruiken, dat is voorzien van een ander dan het in het eerste lid bedoelde kenmerk, met het oogmerk het te doen voorkomen, dat het luchtvaartuig is voorzien van een geldig kenmerk.

Artikel 3.2

  • 1 De houder van een Nederlands luchtvaartuig voorziet het luchtvaartuig van:

    • a. een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie vastgesteld nationaliteitskenmerk en een voor dat luchtvaartuig vastgesteld inschrijvingskenmerk; en

    • b. een bewijs van inschrijving in het register, bedoeld in artikel 3.3.

  • 2 De kenmerken, bedoeld in het eerste lid, bestaan voor burgerluchtvaartuigen uit letters of cijfers of een combinatie van beide; zij worden op bij ministeriële regeling nader aan te geven plaats, wijze en uitvoering op het desbetreffende luchtvaartuig aangebracht.

  • 3 Voor militaire luchtvaartuigen bestaat het nationaliteitskenmerk uit een afbeelding en het inschrijvingskenmerk uit letters of cijfers of een combinatie van beide; zij worden op bij ministeriële regeling nader aan te geven plaats, wijze en uitvoering op het desbetreffende luchtvaartuig aangebracht.

  • 4 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan voor luchtvaartuigen, die naar zijn oordeel van historische waarde zijn, kenmerken toestaan, die van het eerste lid, onderdeel a, afwijken.

Artikel 3.3

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie houdt een register bij van Nederlandse burgerluchtvaartuigen respectievelijk Nederlandse militaire luchtvaartuigen. Het register voor burgerluchtvaartuigen is openbaar.

  • 2 In het register voor burgerluchtvaartuigen worden op aanvraag op naam van de aanvrager burgerluchtvaartuigen ingeschreven, wanneer zowel de aanvrager als de in te schrijven burgerluchtvaartuigen voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde eisen. De inschrijving geschiedt voor onbepaalde tijd.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een luchtvaartuig tijdelijk inschrijven:

    • a. indien het desbetreffende luchtvaartuig slechts voor een bepaalde termijn aan de houder ter beschikking is gesteld, voor ten hoogste die bepaalde termijn; of

    • b. in afwachting van het voldoen aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, voor ten hoogste zes maanden, welke termijn eenmaal voor ten hoogste dezelfde periode kan worden verlengd.

  • 4 In het buitenland geregistreerde burgerluchtvaartuigen worden niet in het register ingeschreven.

  • 5 Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie regels geven inzake de in het register op te nemen gegevens.

Artikel 3.4

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag van de houder van een burgerluchtvaartuig de inschrijving wijzigen, nadat de houder de nodige gegevens heeft verstrekt en het bewijs van inschrijving, bedoeld in artikel 3.5, bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heeft ingeleverd.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een inschrijving ambtshalve wijzigen, wanneer:

    • a. onjuiste gegevens zijn verstrekt, of

    • b. de feiten die ten grondslag liggen aan de gegevens, tijdens de duur van de inschrijving wijziging hebben ondergaan.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat haalt op aanvraag van de houder van een burgerluchtvaartuig de inschrijving door, nadat de houder de nodige gegevens heeft verstrekt en het bewijs van inschrijving, bedoeld in artikel 3.5, bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heeft ingeleverd.

  • 4 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een inschrijving ambtshalve doorhalen, wanneer:

    • a. de houder ten behoeve van de inschrijving onjuiste gegevens heeft verstrekt;

    • b. de houder niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, of

    • c. gedurende langer dan een jaar het desbetreffende luchtvaartuig niet voorzien is van een geldig bewijs van luchtwaardigheid als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid.

  • 5 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat haalt een inschrijving ambtshalve door, wanneer het betrokken luchtvaartuig:

    • a. in het buitenland is geregistreerd, of

    • b. definitief niet meer aan het luchtverkeer deelneemt.

Artikel 3.5

  • 1 Ten bewijze van inschrijving in het register, bedoeld in artikel 3.3, verstrekt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie met betrekking tot het ingeschreven luchtvaartuig een bewijs van inschrijving. Onze Minister wie het aangaat kan een inschrijvingsbewijs wijzigen. Het bewijs wordt verstrekt voor onbepaalde tijd.

  • 2 In geval van toepassing van artikel 3.3, derde lid, verstrekt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een bewijs van inschrijving voor de termijn, waarvoor het betrokken luchtvaartuig is ingeschreven.

  • 3 In geval van:

    • a. wijziging van de inschrijving, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, of

    • b. doorhaling van de inschrijving, bedoeld in artikel 3.4, derde lid, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan de aanvrager een tijdelijk bewijs van inschrijving ver trekken voor ten hoogste vier weken. Wijziging of doorhaling van de inschrijving vindt plaats na verstrijken van de termijn, waarvoor het tijdelijk bewijs van inschrijving is verleend.

  • 4 In geval van ambtshalve wijziging of doorhaling van de inschrijving, bedoeld in artikel 3.4, tweede respectievelijk vierde of vijfde lid, levert de houder van het bewijs van inschrijving dit bewijs terstond in bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

  • 5 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kunnen met betrekking tot het model en de uitvoering van het bewijs van inschrijving eisen worden vastgesteld.

Artikel 3.6

Voor luchtvaartuigen, die behoren tot de bedrijfsvoorraad van een natuurlijke of rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld in artikel 3.25 is verleend, geldt het vereiste, dat een inschrijvingskenmerk voor een bepaald luchtvaartuig is vastgesteld, niet, mits het betrokken luchtvaartuig een inschrijvingskenmerk voert, dat door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan die natuurlijke of rechtspersoon met het oog op de bedrijfsvoorraad is opgegeven. Artikel 3.2, tweede lid, is van toepassing.

Artikel 3.7

Ten aanzien van burgerluchtvaartuigen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven ter uitvoering van de artikelen 3.4 en 3.5. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:

  • a. de procedure van aanvraag, wijziging of doorhaling van een inschrijving, alsmede de gegevens, welke bij elke procedure dienen te worden verstrekt;

  • b. de vernieuwing van het inschrijvingsbewijs, en

  • c. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om inschrijving en om wijziging of doorhaling van de inschrijving alsmede voor afgifte en vernieuwing van een bewijs van inschrijving.

Titel 3.2. Luchtwaardigheids- en geluidseisen

§ 3.2.1. Type-certificaat, bewijs van luchtwaardigheid, geluidscertificaat, geluidsverklaring

Artikel 3.8

  • 1 Het is verboden een vlucht uit te voeren met een luchtvaartuig, dat:

    • a. niet luchtwaardig is, of

    • b. niet voorzien is van een geldig bewijs van luchtwaardigheid.

  • 2 Voor het uitvoeren van een vlucht met een Nederlands luchtvaartuig is een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie afgegeven bewijs van luchtwaardigheid vereist.

Artikel 3.9

  • 1 Onze Minister van Defensie geeft met betrekking tot een type-ontwerp van een militair luchtvaartuig dan wel van een voortstuwingsinrichting of propeller bestemd voor een militair luchtvaartuig, een type-certificaat af, indien wordt voldaan aan de bij regeling van Onze Minister van Defensie gestelde eisen.

  • 2 Een type-certificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd.

  • 3 Het type-certificaat geldt ten aanzien van alle militaire luchtvaartuigen, voortstuwingsinrichtingen of propellers bestemd voor een militair luchtvaartuig, die conform het onderzochte type-ontwerp zijn.

  • 4 Onze Minister van Defensie wijzigt een type-certificaat, wanneer voldaan wordt aan de bij regeling van Onze Minister van Defensie gestelde eisen.

  • 5 Onze Minister van Defensie kan een aanvullend type-certificaat afgeven. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.10 [Vervallen per 02-08-2006]

Artikel 3.11 [Vervallen per 02-08-2006]

Artikel 3.12

  • 1 Onze Minister van Defensie kan een typecertificaat of aanvullend type-certificaat schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat met betrekking tot de luchtvaartuigen dan wel voortstuwingsinrichtingen of propellers waarvoor dat type-certificaat of aanvullend typecertificaat is afgegeven, niet aan de bij regeling van Onze Minister van Defensie gestelde eisen wordt voldaan.

  • 2 Onze Minister van Defensie heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.

  • 3 Onze Minister van Defensie kan een typecertificaat of aanvullend type-certificaat intrekken, wanneer de luchtvaartuigen dan wel voortstuwingsinrichtingen of propellers met betrekking waartoe dat type-certificaat is afgegeven, niet aan daarvoor bij regeling van Onze Minister van Defensie gestelde eisen voldoen.

Artikel 3.13

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke bewijzen van luchtwaardigheid Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan afgeven, alsmede de verplichtingen en de bevoegdheden, welke aan ieder bewijs verbonden zijn.

  • 2 Van overeenkomstige toepassing op niet-militaire staatsluchtvaartuigen zijn:

    • a. de Verordening (EG) 1592/2002 van het Europese Parlement en de Raad van 15 juli 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (PbEU L 240),

    • b. de Verordening (EG) nr. 1702/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 september 2003 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PbEU L 243), en

    • c. de Verordening (EG) nr. 2042/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 november 2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PbEU L 315).

  • 3 In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangegeven in welke gevallen aan de houder van een luchtvaartuig, waarvoor EASA geen type-certificaat of aanvullend type-certificaat heeft afgegeven, Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een type-certificaat, aanvullend type-certificaat dan wel een bewijs van luchtwaardigheid kan afgeven of wijzigen.

  • 4 Aan een bewijs van luchtwaardigheid kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.

  • 5 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan met betrekking tot een luchtvaartuig, dat naar zijn oordeel van historische waarde is en niet voldoet aan de eisen van EASA, een bewijs van luchtwaardigheid afgeven, mits het betrokken luchtvaartuig voldoet aan de bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot de luchtwaardigheid van dat luchtvaartuig gestelde eisen.

Artikel 3.14

  • 1 Onze Minister van Defensie geeft met betrekking tot Nederlandse militaire luchtvaartuigen bewijzen van luchtwaardigheid af, indien:

    • a. ten aanzien van het betrokken type-ontwerp een typecertificaat is afgegeven als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid; en

    • b. het betrokken luchtvaartuig voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen; deze eisen kunnen voor verschillende categorieën luchtvaartuigen verschillend zijn.

  • 2 Bij ministeriële regeling wordt aangegeven welke bewijzen van luchtwaardigheid Onze Minister van Defensie kan afgeven.

  • 3 In afwijking van het eerste lid, onder a, wordt in de ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, aangegeven in welke gevallen met betrekking tot een militair luchtvaartuig, waarvoor geen type-certificaat is afgegeven, door Onze Minister van Defensie een bewijs van luchtwaardigheid kan worden afgegeven.

  • 4 Aan een bewijs van luchtwaardigheid kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.

  • 5 Onze Minister van Defensie kan met betrekking tot een luchtvaartuig, dat naar zijn oordeel van historische waarde is en niet voldoet aan een van de eisen, bedoeld in het eerste lid, een bewijs als bedoeld in het tweede lid afgeven. Het betrokken luchtvaartuig dient te voldoen aan door Onze Minister van Defensie met betrekking tot de luchtwaardigheid van dat luchtvaartuig gestelde eisen.

Artikel 3.15

  • 1 Het bewijs van luchtwaardigheid voor burgerluchtvaartuigen wordt afgegeven voor onbepaalde tijd dan wel voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, welke voor de verschillende bewijzen van luchtwaardigheid verschillend kan zijn.

  • 2 Op aanvraag van de houder verlengt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig, indien wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 3.13 gestelde eisen.

  • 3 Het bewijs van luchtwaardigheid voor militaire luchtvaartuigen wordt afgegeven voor onbepaalde tijd.

Artikel 3.16

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag van de houder een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig wijzigen, nadat hij het bewijs van luchtwaardigheid bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat daartoe heeft ingeleverd.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wijzigt een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig ambtshalve, indien aan het betrokken burgerlichtvaartuig veranderingen zijn aangebracht, die de gegevens als vermeld op het bewijs van luchtwaardigheid beïnvloeden.

  • 3 In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, levert de houder van het betrokken burgerluchtvaartuig op eerste vordering van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, terstond het betrokken bewijs «van luchtwaardigheid bij Onze Minister» van Verkeer en Waterstaat ter wijziging in.

Artikel 3.17

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig schorsen, wanneer:

    • a. een ernstig vermoeden rijst dat het betrokken luchtvaartuig niet lichtwaardig is;

    • b. het desbetreffende luchtvaartuig niet meer in het register, bedoeld in artikel 3.3, is ingeschreven;

    • c. de houder van het betrokken luchtvaartuig dat luchtvaartuig niet overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen onderhoudt of laat onderhouden, of

    • d. de houder van het betrokken luchtvaartuig anderszins het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet nakomt.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat trekt een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig ambtshalve in, wanneer:

    • a. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is ingetrokken;

    • b. ter verkrijging van het bewijs van luchtwaardigheid onjuiste gegevens zijn verstrekt, of

    • c. het betrokken luchtvaartuig onherstelbaar is beschadigd.

  • 4 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig intrekken, wanneer:

    • a. het betrokken luchtvaartuig anders dan wegens onherstelbare beschadiging niet luchtwaardig is, of

    • b. het bewijs van luchtwaardigheid gedurende ten minste drie maanden is geschorst.

Artikel 3.18

  • 1 Onze Minister van Defensie kan een bewijs van luchtwaardigheid voor een militair luchtvaartuig schorsen, wanneer:

    • a. een ernstig vermoeden rijst dat het betrokken luchtvaartuig niet luchtwaardig is, of

    • b. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is geschorst of ingetrokken.

  • 2 Onze Minister van Defensie heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.

  • 3 Onze Minister van Defensie trekt een bewijs van luchtwaardigheid voor een militair luchtvaartuig in, wanneer het betrokken luchtvaartuig:

    • a. onherstelbaar is beschadigd, of

    • b. definitief buiten gebruik wordt gesteld.

  • 4 Onze Minister van Defensie kan een bewijs van luchtwaardigheid voor een militair luchtvaartuig intrekken, wanneer het betrokken luchtvaartuig anders dan wegens onherstelbare beschadiging niet luchtwaardig is.

  • 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven.

Artikel 3.19

  • 1 De houder van een burgerluchtvaartuig, waarvan het type-certificaat, het beperkt type-certificaat of het aanvullend type-certificaat afgegeven door de EASA is ingetrokken, dan wel het bewijs van luchtwaardigheid is geschorst of ingetrokken, levert op eerste vordering van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het bewijs van luchtwaardigheid van het betrokken luchtvaartuig, terstond in bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

  • 2 Wanneer de schorsing wordt opgeheven doet Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het ingeleverde bewijs van luchtwaardigheid terstond wederom toekomen aan de houder van het betrokken luchtvaartuig.

Artikel 3.19a

  • 1 Het is verboden een vlucht uit te voeren met een burgerluchtvaartuig, dat:

    • a. niet voldoet aan de voor dat luchtvaartuig geldende geluidseisen, of

    • b. niet is voorzien van een geldig voor dat luchtvaartuig afgegeven geluidscertificaat of van een passende verklaring in een ander document dat door de staat van registratie is goedgekeurd voor zover dit voor dat luchtvaartuig vereist is.

  • 2 Voor het uitvoeren van een vlucht met een Nederlands burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting is vereist een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven (voorlopig) geluidscertificaat, (voorlopige) geluidsverklaring of (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven in welke gevallen aan de houder van een burgerluchtvaartuig, waarvoor geen type-certificaat is afgegeven, door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een geluidscertificaat kan worden afgegeven.

  • 4 Een geluidscertificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Vooruitlopend op de afgifte van een geluidscertificaat kan een voorlopig geluidscertificaat worden afgegeven.

  • 5 Aan een geluidscertificaat dan wel een voorlopig geluidscertificaat kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden in verband met het onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.

  • 6 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan met betrekking tot een luchtvaartuig, dat naar zijn oordeel van historische waarde is, geluidseisen stellen die afwijken van de door EASA vastgestelde geluidseisen.

Artikel 3.19b [Vervallen per 02-08-2006]

Artikel 3.19c

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting, waarvoor geen geluidseisen gelden, en dat in Nederland is ingeschreven, een geluidsverklaring af. Op deze verklaring wordt vermeld dat voor het betrokken luchtvaartuig geen geluidseisen gelden.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig een geluidsverklaring afgeven omtrent geluidsniveaus bepaald op andere wijze dan ingevolge de geldende eisen. Op deze verklaring wordt vermeld dat voor het betreffende luchtvaartuig een geluidscertificaat is afgegeven alsmede de wijze waarop van de voorschriften ingevolge de geldende eisen is afgeweken.

  • 3 De geluidsverklaring wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Vooruitlopend op de afgifte van een geluidsverklaring respectievelijk een aanvullende geluidsverklaring, als bedoeld in de voorgaande leden, kan een voorlopige geluidsverklaring respectievelijk een voorlopige aanvullende geluidsverklaring worden afgegeven.

  • 4 Aan een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring kunnen voorschriften of beperkingen met betrekking tot het onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.

Artikel 3.19d

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wijzigt op aanvraag van de houder een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig, nadat de houder een wijziging aan het luchtvaartuig heeft uitgevoerd, indien:

    • a. het luchtvaartuig na de wijziging aan de geluidseisen blijft voldoen, en

    • b. de houder het geluidscertificaat daartoe bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heeft ingeleverd.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een geluidscertificaat ambtshalve wijzigen wanneer:

    • a. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verwerkt of verstrekt, of

    • b. gegevens op het certificaat wijziging hebben ondergaan.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging van een geluidsverklaring.

Artikel 3.19e

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een (voorlopig) geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig vernieuwen, indien het verloren is gegaan, beschadigd of anderszins onbruikbaar is geworden.

  • 2 Indien een (voorlopig) geluidscertificaat wegens verlies is vernieuwd en het certificaat wordt teruggevonden, levert de houder van het betrokken luchtvaartuig het teruggevonden (voorlopige) certificaat binnen acht dagen bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in.

  • 3 Indien een (voorlopig) geluidscertificaat anders dan wegens verlies is vernieuwd, levert de houder van het betrokken luchtvaartuig het oorspronkelijke (voorlopige) geluidscertificaat binnen acht dagen na ontvangst van het vernieuwde (voorlopige) certificaat bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in.

  • 4 Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.

Artikel 3.19f

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig schorsen, wanneer:

    • a. een ernstig vermoeden rijst dat niet meer aan de geluidseisen wordt voldaan;

    • b. een ernstig vermoeden rijst dat de houder van het betrokken luchtvaartuig dat luchtvaartuig niet overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen onderhoudt of laat onderhouden;

    • c. een ernstig vermoeden rijst dat met betrekking tot dat luchtvaartuig een wijziging is aangebracht, zonder dat de houder een daardoor noodzakelijk geworden wijziging van het geluidscertificaat heeft aangevraagd of zonder dat deze wijziging van het luchtvaartuig is goedgekeurd;

    • d. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is geschorst of ingetrokken;

    • e. een ernstig vermoeden rijst dat ter verkrijging van een geluidscertificaat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • f. een ernstig vermoeden rijst dat op het geluidscertificaat onjuiste gegevens zijn vermeld; of

    • g. de houder van het luchtvaartuig anderszins het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet nakomt.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn vervallen.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig intrekken, wanneer:

    • a. een wijziging met betrekking tot het luchtvaartuig is aangebracht, zonder dat de houder een daardoor noodzakelijk geworden wijziging van het geluidscertificaat heeft aangevraagd of zonder dat deze wijziging van het luchtvaartuig is goedgekeurd;

    • b. het geluidscertificaat gedurende tenminste drie maanden is geschorst;

    • c. ter verkrijging van een geluidscertificaat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, of

    • d. op het geluidscertificaat onjuiste gegevens zijn vermeld.

  • 4 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat trekt een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig in, wanneer:

    • a. het luchtvaartuig niet aan de geluidseisen voldoet ;

    • b. het betrokken luchtvaartuig onherstelbaar is beschadigd, of

    • c. het betrokken luchtvaartuig uit het register van Nederlandse burgerluchtvaartuigen is uitgeschreven.

  • 5 De houder van het burgerluchtvaartuig waarvan het geluidscertificaat is geschorst of ingetrokken, levert op eerste vordering van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het geluidscertificaat binnen acht dagen in bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

  • 6 Wanneer de schorsing wordt opgeheven doet Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het ingeleverde geluidscertificaat terstond wederom toekomen aan de houder van het betrokken burgerluchtvaartuig.

  • 7 Het eerste lid onder b tot en met g, het tweede, derde, vierde lid onder b en c, het vijfde en het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.

  • 8 Onverminderd het zevende lid wordt een (voorlopige) geluidsverklaring, afgegeven in aanvulling op een (voorlopig) geluidscertificaat, geschorst indien het betrokken (voorlopige) geluidscertificaat wordt geschorst, onderscheidenlijk ingetrokken, wanneer het betrokken (voorlopige) geluidscertificaat wordt ingetrokken.

Artikel 3.20 [Vervallen per 02-08-2006]

Artikel 3.21

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag van de houder, respectievelijk Onze Minister van Defensie kan ambtshalve ontheffing verlenen van de bij of krachtens deze paragraaf gegeven regels, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie trekt de ontheffing in, wanneer:

    • a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen, of

    • b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft.

Artikel 3.22

  • 1 De houder van een Nederlands burgerluchtvaartuig, waarvoor een bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven:

    • a. ziet er op toe, dat het luchtvaartuig zijn luchtwaardigheid behoudt, en

    • b. onderhoudt of laat het luchtvaartuig onderhouden overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels.

  • 2 De houder van een Nederlands burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting ziet er op toe dat:

    • a. het luchtvaartuig blijft voldoen aan de geldende geluidseisen, en

    • b. het luchtvaartuig in de configuratie blijft waarvoor het geluidscertificaat of de geluidsverklaring is verleend.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan worden aangegeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden een afwijking van beperkte duur van het bepaalde in het tweede lid, onder b, is toegestaan.

  • 4 De houder van een Nederlands burgerlichtvaartuig, waarvoor een bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven, volgt de door EASA en door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat gegeven aanwijzingen met betrekking tot de luchtwaardigheid op.

  • 5 Onze Minister van Defensie ziet er op toe dat militaire luchtvaartuigen worden onderhouden overeenkomstig de daartoe gestelde eisen.

Artikel 3.23

Ten aanzien van burgerluchtvaartuigen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld met betrekking tot het in deze paragraaf bepaalde. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:

  • a. de aanvraag en de afgifte van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een bewijs van luchtwaardigheid, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring;

  • b. de wijziging en overdracht van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring, een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring en een bewijs van luchtwaardigheid en de verlenging van zulk een bewijs;

  • c. de procedure van aanvraag, wijziging, schorsing en intrekking van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring;

  • d. de procedure van aanvraag, wijziging, verlenging, schorsing en intrekking van een bewijs van luchtwaardigheid;

  • e. hetgeen moet worden verstaan onder een ingrijpende wijziging van het type-ontwerp waarvoor een type-certificaat is afgegeven;

  • f. het aan luchtvaartuigen te verrichten onderhoud;

  • g. de vernieuwing van een bewijs van luchtwaardigheid, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring;

  • h. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of overdracht van een type-certificaat, of van een aanvullend type-certificaat, en

  • i. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of vernieuwing van een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring, een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring en een bewijs van luchtwaardigheid of de verlenging van een bewijs van luchtwaardigheid, dan wel van zijn aanvraag om een ontheffing;

  • j. de vergoeding die de aanvrager verschuldigd is voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om goedkeuring of wijziging van een onderhoudsprogramma.

Artikel 3.24

Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het model en de uitvoering van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een bewijs van luchtwaardigheid, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring of een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring voor een burgerluchtvaartuig regels worden gesteld.

§ 3.2.2. Erkenningen

Artikel 3.25

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleent voor het verrichten van werkzaamheden verband houdende met de luchtwaardigheid of de geluidsproductie van burgerluchtvaartuigen of onderdelen daarvan op aanvraag aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning, wanneer die erkenning niet door EASA moet worden verleend en de desbetreffende natuurlijke persoon of rechtspersoon een bedrijf voert, dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot die erkenning gestelde eisen. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke erkenningen Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan verlenen, alsmede de bevoegdheden, welke aan iedere erkenning verbonden zijn.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden verband houdende met de luchtwaardigheid van burgerluchtvaartuigen of onderdelen daarvan door een natuurlijke persoon of rechtspersoon zonder erkenning als bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Het is behoudens het derde lid verboden de werkzaamheden verband houdende met de luchtwaardigheid van burgerluchtvaartuigen of onderdelen daarvan, bedoeld in het eerste lid, te verrichten zonder een daartoe strekkende erkenning.

Artikel 3.26

  • 1 Een erkenning wordt verleend voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn dan wel voor onbepaalde tijd.

  • 2 Op aanvraag van de houder kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de erkenning wijzigen.

  • 3 Op aanvraag van de houder verlengt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de erkenning, indien wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot die erkenning gestelde eisen.

Artikel 3.27

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat het betrokken bedrijf niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens artikel 3.25.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning intrekken, wanneer:

    • a. de houder daarom verzoekt;

    • b. het betrokken bedrijf niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens artikel 3.25;

    • c. de houder krachtens de hem verleende erkenning werkzaamheden verricht, waartoe deze niet erkend is;

    • d. de houder van de erkenning de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft;

    • e. de erkenning gedurende ten minste drie maanden is geschorst, of

    • f. de houder in staat van faillissement verkeert.

Artikel 3.28

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op grond van een internationale overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie natuurlijke of rechtspersonen, die bedrijven voeren, welke op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens artikel 3.25 gestelde eisen,

  • a. erkend zijn door de bevoegde autoriteit van een door hem bij ministeriële regeling aangewezen staat, of

  • b. erkend zijn door een door hem bij ministeriële regeling aangewezen internationale organisatie erkennen als erkende bedrijven. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

Artikel 3.29

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot deze paragraaf. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:

  • a. de aanvraag en de afgifte van een erkenning;

  • b. de verlenging of wijziging van een erkenning;

  • c. de procedure van aanvraag, verlenging, wijziging, schorsing of intrekking van een erkenning;

  • d. de vernieuwing van de erkenning,

  • e. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, verlenging, vernieuwing of wijziging van een erkenning;

  • f. de vergoeding die de aanvrager verschuldigd is voor het verlenen van toestemming tot het verrichten van werkzaamheden zonder erkenning als bedoeld in artikel 3.25, derde lid en

  • g. het model en de uitvoering van de erkenningen.

§ 3.2.3. Diverse bepalingen

Artikel 3.30

  • 2 Behoudens artikel 3.25 is het verboden zonder toezicht onderhoud aan burgerluchtvaartuigen te verrichten indien het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid ontbreekt.

Artikel 3.31

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot startinrichtingen voor luchtvaartuigen zonder voortstuwingsinrichting.

Hoofdstuk 4. Vluchtuitvoering

Artikel 4.1

  • 1 Voor zover bij internationale overeenkomst of besluit van een volkenrechtelijke organisatie niet anders is bepaald, is het verboden met luchtvaartuigen vluchten tegen vergoeding uit te voeren zonder een daartoe door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven AOC.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag de AOC af, wanneer wordt voldaan aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. De AOC wordt slechts afgegeven aan een luchtvaartmaatschappij.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan aangegeven worden welke AOC's Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan afgeven alsmede de verplichtingen en bevoegdheden welke aan een AOC verbonden zijn.

  • 4 Aan een AOC kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden vluchten uit te voeren in strijd met de aan een AOC verbonden voorschriften of beperkingen.

Artikel 4.2

  • 1 De AOC wordt afgegeven voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, welke termijn voor de verschillende AOC's verschillend kan zijn.

  • 2 Op aanvraag van de houder verlengt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de AOC, indien wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 4.1, tweede en derde lid, gestelde eisen.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een AOC op verzoek van de houder wijzigen.

  • 4 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wijzigt een AOC ambtshalve, wanneer:

    • a. onjuiste gegevens zijn verstrekt;

    • b. de vluchtuitvoering, waarvoor de AOC is verleend, tijdens de duur van de AOC veranderingen heeft ondergaan, of

    • c. redenen van nationaal of internationaal beleid op het gebied van de vluchtuitvoering zulks vereisen.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot artikel 4.1 en dit artikel. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:

    • a. de aanvraag om afgifte van een AOC of een wijziging of verlenging daarvan, en

    • b. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte van een AOC of om een wijziging, het onderhouden of de verlenging daarvan.

Artikel 4.3

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een AOC schorsen:

    • a. wegens vluchtuitvoering in strijd met bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften;

    • b. wegens overtreding van de aan de AOC verbonden voorschriften of beperkingen, of

    • c. indien ter verkrijging van de AOC onjuiste gegevens zijn verstrekt.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een AOC intrekken:

    • a. indien de AOC-houder daarom verzoekt;

    • b. wegens het gedurende een aangesloten periode van ten minste twaalf maanden niet uitvoeren van vluchten;

    • c. indien ter verkrijging van de AOC onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, of

    • d. indien de AOC ten minste drie maanden is geschorst.

Artikel 4.4

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag van de houder ontheffing verlenen van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht.

  • 2 Aan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat trekt de door hem verleende ontheffing in, wanneer:

    • a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen, of

    • b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft.

Artikel 4.5

De houder van een AOC volgt de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat gegeven aanwijzingen met betrekking tot de vluchtuitvoering op.

Artikel 4.6

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot vluchtuitvoering die niet door een luchtvaartmaatschappij dan wel niet tegen vergoeding wordt uitgevoerd.

  • 2 Het is verboden vluchten uit te voeren in strijd met de bij of krachtens het eerste lid gestelde regels.

Artikel 4.7

De artikelen 4.1 tot en met 4.6 zijn niet van toepassing op de vluchtuitvoering ten behoeve van douane- en politiedoeleinden.

Artikel 4.8

De gezagvoerder van een burgerluchtvaartuig is verplicht de bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat genoemde documenten mee te voeren.

Hoofdstuk 5. Luchtverkeer, luchtverkeersbeveiliging en luchtverkeersbeveiligingsorganisatie

Titel 5.1. Luchtverkeer

Artikel 5.1

Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.3 tot en met 5.9 is van toepassing op:

  • a.. deelnemers aan het luchtverkeer binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam, en

  • b. Nederlandse luchtvaartuigen, waar deze zich ook bevinden, tenzij dit onverenigbaar is met de daar ter plaatse geldende regels of de regels die in overeenstemming met internationale afspraken worden gehanteerd door de ter plaatse voor het verlenen van luchtverkeersdiensten verantwoordelijke Staat.

Artikel 5.2

Buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam houdt de gezagvoerder van een Nederlands luchtvaartuig zich aan de daar ter plaatse geldende regels. Indien in overeenstemming met internationale afspraken andere regels worden gehanteerd door de ter plaatse voor het verlenen van luchtverkeersdiensten verantwoordelijke Staat, houdt de gezagvoerder zich aan deze regels.

Artikel 5.3

Het is verboden op zodanige wijze aan het luchtverkeer deel te nemen dan wel luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen dat daardoor personen of zaken in gevaar worden of kunnen worden gebracht.

Artikel 5.4

Het is verboden boven gebieden met aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenmenigten, aan het luchtverkeer deel te nemen op een zodanige hoogte dat het niet meer mogelijk is een noodlanding uit te voeren zonder personen of zaken op het aardoppervlak in gevaar te brengen, tenzij zulks noodzakelijk is:

  • a. om op te stijgen van of te landen op een luchthaven;

  • b. voor de uitvoering van naderings- en vertrekprocedures, alsmede van luchtverkeerspatronen.

Artikel 5.5

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter bescherming van de openbare veiligheid bij het gebruik van het luchtruim, ter bevordering van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van het luchtverkeer of ter bescherming van personen of zaken aan boord van het luchtvaartuig of op het aardoppervlak regels worden gesteld aan deelnemers van het luchtverkeer.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorts regels worden gesteld betreffende:

    • a. de uitvoering van vluchten;

    • b. de met betrekking tot de uitvoering van vluchten te verstrekken inlichtingen;

    • c. de communicatie tussen deelnemers aan het luchtverkeer onderling en met de instanties en organisaties belast met het verlenen van luchtverkeersdiensten;

    • d. de in en ten behoeve van het luchtverkeer te gebruiken tekens en seinen;

    • e. het gebruik van het luchtruim anders dan door luchtverkeer; en

    • f. gedrag van het verkeer op een luchthaven.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing of vrijstelling verlenen van het bepaalde bij of krachtens het eerste en tweede lid, mede met inachtneming van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van het luchtverkeer. Aan de ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.

  • 4 De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en de afgifte van de in het derde lid bedoelde ontheffing of een wijziging daarvan, worden ten laste gebracht van de aanvrager.

  • 5 De bedragen ter vergoeding van de kosten worden vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 5.6

Het is verboden een vlucht uit te voeren zonder dat een gezagvoerder is aangewezen.

Artikel 5.7

  • 1 De gezagvoerder bevindt zich aan boord van het luchtvaartuig.

  • 2 De gezagvoerder is, ongeacht of hij daadwerkelijk de stuurorganen bedient of niet, ervoor verantwoordelijk dat de uitvoering van de vlucht geschiedt in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels. Van de regels bedoeld in de eerste volzin mag slechts worden afgeweken indien de omstandigheden dit in het belang van de veiligheid dringend noodzakelijk maken.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing op door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie bij ministeriële regeling aan te wijzen onbemande luchtvaartuigen.

Artikel 5.8

Voor de aanvang van iedere vlucht, neemt de gezagvoerder kennis van alle gegevens en inlichtingen die voor de uitvoering van de vlucht van belang zijn.

Artikel 5.9

  • 1 Voor de aanvang van iedere vlucht waaraan luchtverkeersleidingsdiensten worden verleend wordt door of namens de gezagvoerder een vliegplan ingediend overeenkomstig de bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, onderdeel c, gestelde regels. Het vliegplan bevat de gegevens en inlichtingen omtrent de voorgenomen vlucht.

  • 2 Alvorens een vlucht waaraan luchtverkeersleidingsdiensten worden verleend aan te vangen, of een gedeelte daarvan uit te voeren moet een desbetreffende klaring zijn gevraagd en verkregen.

  • 3 De gezagvoerder komt de door de verlener van luchtverkeersleidingsdiensten gegeven voorwaarden van de klaring na. Van de voorwaarden bedoeld in de eerste volzin mag slechts worden afgeweken indien de omstandigheden dit in het belang van de veiligheid dringend noodzakelijk maken. Een afwijking wordt zo spoedig mogelijk gemeld aan de betrokken verlener van luchtverkeersleidingsdiensten.

Artikel 5.10

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan bij ministeriële regeling het uitoefenen van het burgerluchtverkeer tijdelijk of blijvend beperken of verbieden boven Nederland of gedeelten daarvan:

    • a. om redenen van openbare orde en veiligheid;

    • b. om andere dringende redenen, waarbij het uitoefenen van de luchtvaart en omstandigheden of gebeurtenissen op het aardoppervlak elkaar kunnen beïnvloeden;

  • 2 Onze Minister van Defensie kan bij ministeriële regeling het uitoefenen van het burgerluchtverkeer beperken of verbieden om reden van militaire noodzaak.

  • 3 Op voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het uitoefenen van het burgerluchtverkeer boven gebieden aangewezen overeenkomstig artikel 1.2, tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer.

  • 4 Van de regelingen krachtens het eerste en tweede lid wordt mededeling gedaan via de luchtvaartpublicaties bedoeld in artikel 5.23, eerste lid, onder d, en voor zover nodig via de verlener van luchtverkeersdiensten aan de betrokken gezagvoerder.

  • 5 Het is verboden aan het luchtverkeer deel te nemen in strijd met het bepaalde krachtens het eerste, tweede en derde lid van dit artikel.

Artikel 5.11

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur:

    • a. worden, met inachtneming van het type en de dichtheid van het luchtverkeer, delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam alsmede luchthavens aangewezen waar de daarbij bepaalde vormen van luchtverkeersdiensten worden verleend;

    • b. worden in het vluchtinformatiegebied Amsterdam luchtverkeersroutes en -procedures vastgesteld, waaronder mede zijn begrepen naderings-, vertrek- en wachtprocedures, alsmede luchtverkeerspatronen;

    • c. kunnen delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam worden aangewezen als bijzondere luchtverkeersgebieden, waar daarbij gegeven voorschriften gelden.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing of vrijstelling verlenen van het bepaalde bij of krachtens het eerste lid, mede met inachtneming van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van het luchtverkeer. Aan de ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.

  • 3 De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en de afgifte van de in het tweede lid bedoelde ontheffing of een wijziging daarvan, worden ten laste gebracht van de aanvrager.

  • 4 De bedragen ter vergoeding van de kosten worden vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Titel 5.2. Bepalingen met betrekking tot het verlenen van luchtverkeersdiensten

§ 5.2.1. Het verlenen van luchtverkeersdiensten

Artikel 5.12

  • 1 Luchtverkeersdiensten worden verleend in het belang van de algemene luchtverkeersveiligheid en een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop luchtverkeersdiensten worden verleend.

Artikel 5.13

  • 1 Binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam kunnen luchtverkeersdiensten worden verleend door:

    • a. de LVNL.

    • b. Onze Minister van Defensie;

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Defensie tezamen wijzen de gebieden waarbinnen en het luchtverkeer waaraan de in het eerste lid genoemde instanties luchtverkeersdiensten verlenen, aan.

Artikel 5.14

In afwijking van artikel 5.13, kunnen Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Defensie:

  • a. delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam aanwijzen waarbinnen door de Eurocontrol-organisatie luchtverkeersdiensten worden verleend;

  • b. in bijzondere situaties delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam aanwijzen waarbinnen luchtverkeersdiensten worden verleend door een andere verlener van luchtverkeersdiensten dan de in artikel 5.13 genoemde verleners van luchtverkeersdiensten.

Artikel 5.14a

Indien op basis van artikel 5 van de luchtruimverordening een luchtruimblok is ingesteld, waarvan een gedeelte van of het gehele vluchtinformatiegebied Amsterdam deel uitmaakt, wijzen, in afwijking van de artikelen 5.13 en 5.14, Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Defensie in overeenstemming met het bevoegde gezag van de overige betrokken staat of staten voor dat bepaalde gebied een of meer verleners van luchtverkeersdiensten aan, alsmede het luchtverkeer waaraan de bedoelde instanties luchtverkeersdiensten verlenen.

Artikel 5.14b

  • 1 Een bij of krachtens artikel 5.13, 5.14 of 5.14a aangewezen instantie kan, onverminderd haar verantwoordelijkheid voor het verlenen van de diensten waartoe deze instantie is aangewezen, na schriftelijke instemming door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat luchtverkeersdiensten laten verrichten door een andere verlener van luchtverkeersdiensten.

  • 2 Ter verkrijging van de in het eerste lid bedoelde instemming dient de bij of krachtens artikel 5.13, 5.14 of 5.14a aangewezen instantie hiertoe een verzoek in bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

  • 3 De bij of krachtens artikel 5.13, 5.14 of 5.14a aangewezen instantie verstrekt alle informatie die benodigd is voor de beoordeling van een verzoek als bedoeld in het tweede lid.

  • 4 Gronden waarop instemming als bedoeld in het eerste lid kan worden onthouden zijn:

    • a. het niet voldoen of niet kunnen voldoen door de verlener van wiens diensten gebruik zal worden gemaakt aan de op grond van artikel 5.14d, derde lid, aan het certificaat van de aangewezen instantie gestelde beperkingen en voorschriften;

    • b. strijd met het belang van een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer; of

    • c. strijd met het recht.

Artikel 5.14c

  • 1 Het is verboden luchtverkeersdiensten te verlenen zonder hiertoe te zijn aangewezen bij of krachtens deze wet, dan wel zonder de hiertoe vereiste instemming, bedoeld in artikel 5.14b.

  • 2 Het is verboden luchtverkeersdiensten te doen verlenen zonder de hiertoe vereiste instemming, bedoeld in artikel 5.14b.

Artikel 5.14d

  • 1 Het is verboden luchtvaartnavigatiediensten te verlenen zonder te beschikken over een daartoe bestemd certificaat als bedoeld in artikel 7 van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verstrekt een certificaat als bedoeld in het eerste lid, indien de aanvrager voldoet aan de in artikel 6 van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening bedoelde eisen.

  • 3 Aan een certificaat kunnen de voorschriften en beperkingen, zoals bedoeld in Bijlage II van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening, worden verbonden.

  • 4 De in het derde lid bedoelde voorschriften en beperkingen kunnen tijdens de geldigheidsduur van het certificaat ambtshalve worden gewijzigd of aangevuld wegens:

    • a. wijziging van de krachtens deze wet gestelde regels;

    • b. wijziging van de kaderverordening, luchtvaartnavigatiedienstenverordening, luchtruimverordening of interoperabiliteitsverordening; of

    • c. wijziging van bepalingen die op grond van de in onderdeel b genoemde verordeningen zijn gesteld.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de geldigheidsduur, aanvraag, verlening en verlenging van een certificaat.

  • 6 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat neemt binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag voor het verlenen van een certificaat een besluit omtrent de afgifte daarvan.

  • 7 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een certificaat geheel of gedeeltelijk schorsen, indien een ernstig vermoeden rijst dat de houder van het certificaat:

    • a. niet voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid;

    • b. niet voldoet aan de voorschriften of beperkingen, bedoeld in het derde lid; of

    • c. ter verkrijging van het certificaat onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt.

  • 8 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een certificaat intrekken, indien:

    • a. de houder van het certificaat niet voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid;

    • b. de houder van het certificaat niet voldoet aan de voorschriften of beperkingen, bedoeld in het derde lid; of

    • c. het certificaat gedurende ten minste drie maanden is geschorst.

  • 9 Dit artikel is niet van toepassing op verleners van luchtvaartnavigatiediensten die deze diensten hoofdzakelijk aanbieden aan andere bewegingen van luchtvaartuigen dan aan het algemeen luchtverkeer als bedoeld in artikel 2.2, achtste lid.

Artikel 5.14e

Ten aanzien van de luchtverkeers-, communicatie-, navigatie- of plaatsbepalingsdiensten worden bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat veiligheidsvoorschriften vastgesteld voor technisch en ontwikkelingspersoneel dat operationele aan de veiligheid gerelateerde taken verricht.

Artikel 5.15

De instanties belast met het verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten coördineren de uitvoering van deze taken met de instanties belast met het verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten binnen hetzelfde gebied of in aangrenzende gebieden.

Artikel 5.16

Onverminderd artikel 2.1, eerste lid, is het verboden luchtverkeersdiensten te verlenen zonder een daartoe verkregen opdracht van een bij of krachtens artikel 5.13, 5.14 of 5.14a aangewezen instantie of van een andere verlener van luchtverkeersdiensten als bedoeld in artikel 5.14b, eerste lid.

Artikel 5.17

  • 1 Een bij of krachtens artikel 5.13, 5.14 of 5.14a aangewezen instantie of een andere verlener van luchtverkeersdiensten als bedoeld in artikel 5.14b, eerste lid, houdt een registratie bij van de daadwerkelijk gewerkte uren van de houders van een bewijs van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten aan wie deze instanties een opdracht als bedoeld in artikel 5.16 hebben gegeven.

  • 2 Ten behoeve van het behoud van de geldigheid en de verlenging van een bewijs van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat om inzage in de registratie als bedoeld in het eerste lid verzoeken.

Artikel 5.17a [Vervallen per 28-05-2008]

Artikel 5.18

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter bevordering van een veilige, ordelijke en vlotte afwikkeling van het luchtverkeer regels worden gesteld betreffende de prioriteitstelling bij het verlenen van luchtverkeersdiensten.

Artikel 5.19

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de exploitant van een burgerluchthaven met inachtneming van de daarbij te stellen regels na overleg met de gebruikers en de betrokken verlener van luchtverkeersleidingsdiensten, de volgorde van het gebruik van de luchthaven vaststelt.

§ 5.2.2. Vergoedingen

Artikel 5.20

  • 1 De gebruiker van luchtvaartnavigatiediensten, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de vergoedingenverordening, is in het vluchtinformatiegebied Amsterdam een vergoeding verschuldigd voor de bestrijding van kosten van:

    • a. luchtvaartnavigatiediensten voor «en route»-verkeer als bedoeld in de op 12 februari 1981 te Brussel gesloten Multilaterale Overeenkomst betreffende «en route»-heffingen (Trb. 1981, 181),

    • b. plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten.

  • 2 De Eurocontrol-organisatie stelt jaarlijks de hoogte van het eenheidstarief, bedoeld in artikel 13 van de vergoedingenverordening, vast ter berekening van de vergoeding voor luchtvaartnavigatiediensten voor «en route»-verkeer.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt aan de hand van voorstellen van de desbetreffende verleners van plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten, jaarlijks de hoogte van het eenheidstarief, bedoeld in artikel 13 van de vergoedingenverordening, vast ter berekening van de vergoeding voor plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten.

  • 4 De Eurocontrol-organisatie int de vergoeding ter bestrijding van de kosten voor luchtvaartnavigatiediensten voor «en route»-verkeer en draagt aan de desbetreffende verleners van deze diensten het hun toekomende deel van het geïnde bedrag af.

  • 5 De verleners van plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten dragen zorg voor de inning van de vergoedingen ter bestrijding van de kosten van deze diensten en stemmen daartoe onderling af.

  • 6 Bij algemene maatregel van bestuur worden heffingszones als bedoeld in artikel 4 van de vergoedingenverordening vastgesteld en worden nadere voorschriften gesteld met betrekking tot de bekendmaking en de inning van vergoedingen, bedoeld in het vierde en het vijfde lid, en de termijnen binnen welke betaling van de vergoedingen plaats moet vinden.

  • 7 De Eurocontrol-organisatie kan rechtsvorderingen tot inning van vergoedingen als bedoeld in het vierde lid en van andere vergoedingen uit hoofde van de op 12 februari 1981 te Brussel gesloten Multilaterale Overeenkomst betreffende «en route»-heffingen (Trb. 1981, 181) uitsluitend aanhangig maken bij de arrondissementsrechtbank te Amsterdam.

  • 8 Bij algemene maatregel van bestuur kan overeenkomstig artikel 9 van de vergoedingenverordening vrijstelling worden verleend van betaling van vergoedingen voor luchtvaartnavigatiediensten.

  • 9 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot het treffen van stimuleringsmaatregelen ter verbetering van het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten.

  • 10 De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde vergoeding moet worden betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.

  • 11 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden voorschriften gesteld voor de raadpleging van vertegenwoordigers van luchtruimgebruikers over het vergoedingenbeleid.

Artikel 5.21

  • 1 De vergoedingenverordening en artikel 5.20 zijn niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen luchtvaartnavigatiediensten die worden verleend op luchthavens met minder dan 50.000 commerciële luchtvervoersbewegingen per jaar, ongeacht de maximale startmassa en het aantal passagierszitplaatsen. Daarbij worden de bewegingen geteld als de som van de starts en de landingen en berekend als een gemiddelde van de voorafgaande drie jaar.

  • 2 De gebruiker van luchtvaartnavigatiediensten als bedoeld in het eerste lid is een vergoeding verschuldigd ter bestrijding van de kosten van de verlening van deze diensten. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gesteld ten aanzien van de hoogte, de berekening, de vaststelling, de inning en de bekendmaking van deze vergoeding, en de termijn binnen welke betaling van deze vergoeding plaats moet vinden.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde vergoeding moet worden betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.

  • 4 Voor de toepassing van het eerste lid wordt de North Sea Area Amsterdam zijnde het gebied dat als NSA Amsterdam is gedefinieerd in de door LVNL uitgegeven luchtvaartgids, volume I, hoofdstuk ENR 6-2-5 aangemerkt als luchthaven.

  • 4 Bij algemene maatregel van bestuur kan vrijstelling worden verleend van de verplichting tot betaling van vergoedingen als bedoeld in het tweede lid.

Titel 5.3. De luchtverkeersbeveiligings-organisatie

§ 5.3.1. De LVNL

Artikel 5.22

Er is een organisatie voor het verlenen van luchtverkeersdiensten. Hij heeft rechtspersoonlijkheid.

§ 5.3.2. Taken van de LVNL

Artikel 5.23

  • 1 De LVNL is, ter bevordering van een zo groot mogelijke veiligheid van het luchtverkeer in het vluchtinformatiegebied Amsterdam, belast met de volgende taken:

    • a. het verlenen van luchtverkeersdiensten;

    • b. het verlenen van communicatie-, navigatie- en plaatsbepalingsdiensten;

    • c. het verlenen van luchtvaartinlichtingendiensten en het uitgeven van luchtvaartpublicaties en luchtvaartkaarten;

    • d. het verzorgen of doen verzorgen van opleidingen ten behoeve van luchtverkeersbeveiliging en het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten;

    • e. het adviseren van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat alsmede Onze Minister van Defensie betreffende aangelegenheden op het gebied van de luchtverkeersbeveiliging en het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten;

    • f. het verrichten van andere bij of krachtens deze wet opgedragen taken.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan de LVNL belasten met het verlenen van luchtverkeersdiensten buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam.

  • 3 De LVNL kan, in ieder geval tegen vergoeding van kosten, diensten aan anderen dan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Defensie verlenen op het gebied van en verband houdende met taken bedoeld in het eerste lid. De in de eerste volzin bedoelde diensten kunnen buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam worden verleend.

  • 4 De LVNL kan, onverminderd zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de aan hem opgedragen taken, luchtverkeersdiensten laten verrichten door een andere verlener van luchtverkeersdiensten, indien hiervoor instemming is verleend op grond van artikel 5.14b, eerste lid.

  • 5 De LVNL kan, onverminderd zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de aan hem opgedragen taken, luchtvaartnavigatiediensten anders dan de in het vierde lid bedoelde diensten laten verrichten door een andere verlener van luchtvaartnavigatiediensten.

  • 6 De LVNL kan, onverminderd zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de aan hem opgedragen taken, andere werkzaamheden dan die zijn bedoeld in het vierde en vijfde lid laten verrichten door derden, voor zover deze werkzaamheden een ondersteunend karakter hebben.

  • 7 De LVNL is verplicht zijn taken te verrichten overeenkomstig het bepaalde in Nederland bindende verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

§ 5.3.3. Organen, inrichting en beheer van de organisatie

Artikel 5.24

De LVNL heeft een bestuur en een raad van toezicht.

Artikel 5.25

  • 1 Het bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden. De raad van toezicht stelt het aantal leden en hun onderlinge taakverdeling vast.

  • 2 De hoedanigheid van lid van het bestuur is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat benoemt, schorst en ontslaat de leden van het bestuur op voordracht van de raad van toezicht. De raad van toezicht besluit terzake van de voordracht met een meerderheid van het aantal leden.

  • 4 De leden van het bestuur worden benoemd voor een periode van ten hoogste vijf jaren. Bij afloop van deze termijn kunnen zij worden herbenoemd.

Artikel 5.26

  • 1 Het bestuur is belast met de dagelijkse leiding van de LVNL.

  • 2 Alle bevoegdheden van de LVNL welke niet bij of krachtens deze wet aan de raad van toezicht zijn opgedragen, komen toe aan het bestuur.

  • 3 Het bestuur verstrekt de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere gegevens.

Artikel 5.27

  • 1 Het bestuur vertegenwoordigt de LVNL in en buiten rechte.

  • 2 Het bestuur kan onder zijn verantwoordelijkheid de vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, opdragen aan een of meer bestuursleden of andere personen. Het kan bepalen dat deze vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde onderdelen van de taak van de LVNL dan wel op bepaalde aangelegenheden.

Artikel 5.28

Ingeval van schorsing of ontstentenis van een lid van het bestuur voorziet de raad van toezicht in de waarneming van zijn functie.

Artikel 5.29

Het bestuur legt jaarlijks, en voorts tussentijds indien hiertoe naar het oordeel van de raad van toezicht bijzondere aanleiding bestaat, aan de raad van toezicht verantwoording af over het door hem gevoerde beleid.

Artikel 5.30

De raad van toezicht bestaat uit zes leden, waaronder de voorzitter, alsmede een waarnemer, die de Minister van Verkeer en Waterstaat in de raad van toezicht vertegenwoordigt.

Artikel 5.31

  • 1 De leden van de raad van toezicht worden zonder last of ruggespraak benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn eenmaal voor een tijdvak van vier jaren herbenoembaar. Hun kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen ontslag worden verleend.

  • 2 De waarnemer in de raad van toezicht wordt aangewezen voor een tijdvak van vier jaren en kan eenmaal voor een tijdvak van vier jaar opnieuw worden aangewezen. De aanwijzing kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen worden ingetrokken.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat benoemt, schorst en ontslaat de leden, met dien verstande dat:

    • a. een lid wordt benoemd op voordracht van Onze Minister van Defensie;

    • b. twee leden worden benoemd op voordracht van de raad van toezicht uit verschillende in Nederland werkzame luchtvaartmaatschappijen;

    • c. een lid wordt benoemd op voordracht van de raad van toezicht uit de kring van de exploitanten van Nederlandse luchthavens; en

    • d. een lid, tevens voorzitter, wordt benoemd op voordracht van de raad van toezicht. Omtrent de voordracht besluiten de leden van de raad van toezicht met gewone meerderheid, met dien verstande dat de voorzitter niet deelneemt aan de vaststelling van de voordracht.

  • 4 Zolang in een vacature in de raad van toezicht niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht, met de bevoegdheid van de volledige raad.

Artikel 5.32

  • 1 De raad van toezicht ziet toe op de werkzaamheden van het bestuur, en staat dit met raad terzijde.

  • 2 Bij de vervulling van hun taak nemen de leden van de raad van toezicht tot richtsnoer de verwezenlijking van de taakstelling en het belang van de LVNL waaronder de continuïteit van zijn bedrijfsvoering.

  • 3 Besluiten van het bestuur betreffende de volgende onderwerpen behoeven voorafgaande instemming van de raad van toezicht:

    • a. de reglementen bedoeld in de artikelen 5.34, 5.36, 5.37 en 5.39;

    • b. voorstellen aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot de hoogte van het eenheidstarief, bedoeld in artikel 5.20, derde lid, en de hoogte van de vergoeding, bedoeld in artikel 5.21, tweede lid;

    • c. investeringen die een door de raad van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan;

    • d. de financiële begroting, en het financiële meerjarenbeleidsplan;

    • e. het jaarverslag en de jaarrekening;

    • f. het aangaan of garanderen van geldleningen die een door de raad van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan;

    • g. de bij of krachtens de wet aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat uit te brengen rapportages.

  • 4 De raad van toezicht kan geen rechtsgeldige besluiten nemen indien niet tenminste tweederde van het aantal leden ter vergadering aanwezig is.

  • 5 De raad van toezicht stelt bij reglement zijn werkwijze vast.

Artikel 5.33

  • 1 De raad van toezicht heeft een eigen secretariaat; de kosten daarvan komen ten laste van de LVNL.

  • 2 De raad van toezicht kan zijn leden, ten laste van de LVNL, een vergoeding toekennen voor hun werkzaamheden.

  • 3 De leden van de raad van toezicht hebben aanspraak op vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte reis- en verblijfkosten.

§ 5.3.4. Inrichting en bedrijfsvoering

Artikel 5.34

Het bestuur stelt bij reglement de hoofdlijnen vast van de inrichting van de LVNL en van de wijze van bedrijfsvoering.

Artikel 5.34a [Vervallen per 28-05-2008]

Artikel 5.35

De bedrijfsvoering van de LVNL geschiedt zoveel mogelijk overeenkomstig die, welke algemeen gebruikelijk is bij het particuliere bedrijfsleven.

§ 5.3.5. Geïnstitutionaliseerd overleg met gebruikers

Artikel 5.36

Het bestuur van de LVNL voert op bij reglement vast te stellen wijze overleg met gebruikers van door de organisatie geleverde diensten of met hun vertegenwoordigers omtrent aangelegenheden terzake waarvan naar zijn oordeel overleg dienstig is, alsmede omtrent aangelegenheden terzake waarvan de deelnemers aan het geïnstitutionaliseerde overleg het bestuur te kennen hebben gegeven overleg te willen voeren.

§ 5.3.6. Personeel van de organisatie

Artikel 5.37

  • 1 Het personeel van de LVNL, de leden van het bestuur daaronder begrepen, is ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet.

  • 2 Het bestuur stelt bij reglement de regeling van de rechtstoestand van het personeel vast.

  • 3 Onverminderd hetgeen reeds bij of krachtens de wet is geregeld, geeft het reglement bedoeld in het tweede lid van dit artikel in ieder geval voorschriften betreffende de volgende onderwerpen:

    • a. aanstelling;

    • b. schorsing;

    • c. ontslag;

    • d. het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid;

    • e. bezoldiging;

    • f. wachtgeld;

    • g. diensttijden;

    • h. verlof en vakantie;

    • i. voorzieningen in verband met ziekte;

    • j. bescherming bij de arbeid;

    • k. woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;

    • l. medezeggenschap;

    • m. overige rechten en verplichtingen van het personeel;

    • n. disciplinaire straffen;

    • o. de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand en de bezoldiging van het personeel van de LVNL;

    • p. een geschillenregeling met betrekking tot de onder l en o genoemde onderwerpen.

§ 5.3.7. Geldmiddelen en financieel beheer

Artikel 5.38

De geldmiddelen van de LVNL bestaan uit:

  • a. de opbrengst van de in artikel 5.20 en 5.21 bedoelde vergoedingen;

  • b. de opbrengst van de vergoedingen voor verleende diensten waarvan de kosten niet reeds de basis vormen voor de vergoedingen bedoeld in de artikelen 5.20 en 5.21;

  • c. andere baten hoe ook genoemd.

Artikel 5.39

Het bestuur stelt bij reglement de werkwijze vast voor het financiële beheer en de administratieve organisatie van de LVNL.

Artikel 5.40

  • 1 De begroting van de LVNL bevat een raming van alle baten en lasten, de investeringsuitgaven en financiering.

  • 2 De begroting bestaat uit:

    • a. de jaarlijkse financiële begroting, bestaande uit een exploitatiebegroting en een kapitaalsbegroting;

    • b. het financiële meerjarenbeleidsplan.

  • 3 Tot de lasten van de LVNL worden gerekend de kosten voortvloeiende uit de taken van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op het gebied van de luchtverkeersbeveiliging.

§ 5.3.8. Inlichtingen, verslaglegging en controle

Artikel 5.41

  • 1 Het bestuur stelt jaarlijks een jaarverslag en een jaarrekening vast.

  • 2 Het boekjaar van de LVNL valt samen met het kalenderjaar.

  • 3 Het bestuur zendt jaarlijks voor 1 mei van het jaar volgende op het jaar waarop het betrekking heeft een jaaroverzicht aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Het jaaroverzicht omvat:

    • a. het jaarverslag;

    • b. de jaarrekening;

    • c. een opgave over de toepassing van de arbeidsvoorwaarden;

    • d. de verklaring van de door de raad van toezicht aangewezen externe registeraccountant; en

    • e. een document, houdende de instemming bedoeld in artikel 5.32, derde lid onder e.

Artikel 5.42

  • 1 Het bestuur verstrekt desgevraagd aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen.

  • 2 Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

  • 3 Onze Minister stelt met betrekking tot het eerste en tweede lid een informatiestatuut vast.

  • 4 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan het bestuur opdragen periodiek rapportage uit te brengen op een door hem, na overleg met het bestuur, te bepalen wijze.

  • 5 Het bestuur geeft bij het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde gegevens waar nodig aan welke gegevens een vertrouwelijk karakter dragen. Dit vertrouwelijke karakter kan voortvloeien uit de aard van de gegevens, dan wel uit het feit dat natuurlijke of rechtspersonen deze aan de LVNL hebben verstrekt onder het beding dat zij als vertrouwelijk zullen gelden.

Artikel 5.43

  • 1 De volgende stukken worden door het bestuur vastgesteld en behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat:

    • a. de financiële begroting;

    • b. het financiële meerjarenbeleidsplan.

  • 2 Het bestuur stelt de stukken bedoeld in het eerste lid vast en zendt deze aan de Minister van Verkeer en Waterstaat toe vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.

  • 3 Indien Onze Minister van Verkeer en Waterstaat binnen vier weken na de in het tweede lid bedoelde toezending de goedkeuring aan de in het eerste lid, onder a, b en c, genoemde stukken, niet heeft onthouden, wordt deze geacht te zijn verleend.

  • 4 Het bestuur verstrekt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vóór 15 januari van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat voor het opstellen van de Rijksbegroting vereiste gegevens.

  • 5 Het bestuur verstrekt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de inlichtingen en andere gegevens waarover hij moet beschikken om inzicht in het financiële beheer van de LVNL te verkrijgen.

Artikel 5.44

Waar in deze wet de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is vereist, verleent dan wel onthoudt hij die, behoudens het bepaalde in artikel 5.43, derde lid, binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de goed te keuren stukken. Indien Onze Minister van Verkeer en Waterstaat goedkeuring onthoudt aan de financiële begroting, is het bestuur gerechtigd voor iedere maand gedurende welke de goedkeuring wordt onthouden, uitgaven te doen ter grootte van maximaal een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar.

Artikel 5.45

Indien naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het bestuur dan wel de raad van toezicht van de LVNL zijn taak niet of niet naar behoren vervult, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, na overleg met het betrokken orgaan, de noodzakelijke voorzieningen treffen. Onze Minister stelt de Tweede Kamer der Staten-Generaal onverwijld in kennis van de door hem getroffen voorzieningen.

Artikel 5.46

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet en vervolgens na iedere vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de werking en doeltreffendheid van de LVNL. De LVNL is gehouden aan deze evaluatie medewerking te verlenen.

Hoofdstuk 6. Luchtvervoer

Titel 6.5. Vervoer van gevaarlijke stoffen

Artikel 6.50

Deze titel is, met uitzondering van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6.55, 6.56 en 6.57, niet van toepassing op het vervoer van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Kernenergiewet.

Artikel 6.51

  • 1 Het is verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen met een luchtvaartuig te vervoeren, ten vervoer aan te bieden of aan te nemen, alsmede te laden in of te lossen uit een luchtvaartuig, of tijdens het vervoer neer te leggen.

  • 2 Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen, indien aan de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur terzake gestelde regels is voldaan.

  • 3 Onder het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt mede begrepen het laten staan op een luchthaven van een luchtvaartuig waarin zich dergelijke stoffen bevinden.

Artikel 6.52

  • 1 Het is verboden gevaarlijke stoffen ten vervoer aan te bieden onder een andere benaming of onder opgave van een andere categorie-indeling dan die welke bij of krachtens deze wet is voorgeschreven.

  • 2 De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

Artikel 6.53

  • 1 De regels, bedoeld in artikel 6.51, tweede lid, kunnen onder meer betrekking hebben op:

    • a. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van luchtvaartuigen, waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd;

    • b. de documenten die met betrekking tot gevaarlijke stoffen opgemaakt dienen te worden;

    • c. de stuwage en de belading van luchtvaartuigen met inbegrip van samenlading;

    • d. het onderzoek van gevaarlijke stoffen naar hun eigenschappen;

    • e. de eisen ten aanzien van verpakking van gevaarlijke stoffen, met inbegrip van de daarbij behorende inrichting of uitrusting, en het testen of keuren daarvan, alsmede de uitgifte en intrekking van verpakkingskenmerken;

    • f. de etiketten, kenmerken of andere aanduidingen op de verpakking, bedoeld in onderdeel e;

    • g. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van inrichtingen, voertuigen of werktuigen met behulp waarvan gevaarlijke stoffen worden geladen of gelost;

    • h. de keuring van de inrichtingen, voertuigen of werktuigen, bedoeld in onderdeel g;

    • i. de melding voorafgaande aan het verrichten van een handeling, als bedoeld in artikel 6.51;

    • j. het opstellen van een risico-inventarisatie met betrekking tot het vervoeren, laden of lossen van door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat daartoe aangewezen stoffen;

    • k. het aanwijzen van luchtroutes waarlangs door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

  • 2 De betrokkene is een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vast te stellen vergoeding verschuldigd voor de kosten van een keuring, als bedoeld in onderdeel h van het eerste lid, gebaseerd op de werkelijke kosten.

Artikel 6.54

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het belang van de openbare veiligheid ten aanzien van luchtvaartuigen die door hem aangewezen gevaarlijke stoffen vervoeren, bepalen dat die luchtvaartuigen uitsluitend van door hem aangewezen luchthavens mogen starten of op die luchthavens mogen landen.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het belang van de openbare veiligheid bepalen, dat de in het eerste lid bedoelde gevaarlijke stoffen op de in het eerste lid bedoelde luchthavens slechts mogen worden geladen, gelost of neergelegd op door hem op die luchthavens aangewezen plaatsen.

  • 3 Onze Minister van Defensie kan ten aanzien van militaire helikopters de in het eerste en tweede lid bedoelde beperkingen ook doen gelden voor door hem aangewezen terreinen, niet zijnde luchthavens.

  • 4 Het is verboden te handelen in strijd met het bepaalde krachtens het eerste of tweede lid.

Artikel 6.55

  • 1 Het is verboden gevaarlijke stoffen ten vervoer aan te bieden, te vervoeren, te doen of laten vervoeren met luchtvaartuigen, zonder een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleende erkenning.

  • 2 Een erkenning wordt verleend voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, dan wel voor onbepaalde tijd indien door de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon voldaan wordt aan de bij of krachtens die maatregel met betrekking tot de erkenning gestelde eisen. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke erkenningen Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan verlenen, alsmede de bevoegdheden, welke aan iedere erkenning verbonden zijn.

  • 4 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon:

    • a. niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens het tweede lid;

    • b. handelt in strijd met het bij of krachtens deze titel bepaalde.

    Hij heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.

  • 5 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning intrekken, wanneer:

    • a. de houder daarom verzoekt;

    • b. de houder niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens het tweede lid;

    • c. de houder krachtens de hem verleende erkenning werkzaamheden verricht, waartoe deze niet erkend is;

    • d. de houder handelt in strijd met de artikelen 6.51, tweede lid, of 6.52;

    • e. de erkenning gedurende ten minste drie maanden is geschorst;

    • f. de houder in staat van faillissement verkeert.

  • 6 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen regels gegeven worden met betrekking tot de procedure van aanvraag, afgifte, wijziging, verlenging, schorsing en intrekking van erkenningen, alsmede de vergoeding die de aanvrager van de erkenning verschuldigd is voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of verlenging, welke gebaseerd is op de werkelijke kosten.

Artikel 6.56

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat erkent een opleiding voor een theoretisch of praktisch examen als opleiding voor een theoretisch of praktisch examen benodigd ter verkrijging van een erkenning, als bedoeld in artikel 6.55, eerste lid, indien die opleiding voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan de erkenning van een opleiding intrekken, wanneer die opleiding niet meer aan de krachtens het eerste lid gestelde eisen voldoet.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van het eerste en tweede lid nadere regels worden gegeven.

Artikel 6.57

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ter uitvoering van internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties natuurlijke personen of rechtspersonen, die handelingen als bedoeld in artikel 6.55, eerste lid, verrichten op zodanige wijze, dat deze voldoen aan eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens artikel 6.55 gestelde eisen, erkennen als erkende bedrijven voor zover die bedrijven erkend zijn door de bevoegde autoriteit van een bij ministeriële regeling aangewezen land of internationale organisatie. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

Artikel 6.58

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de bij of krachtens deze titel gegeven regels, wanneer die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

  • 2 Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften of de beperkingen bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De ontheffing kan worden geweigerd op grond van de openbare veiligheid.

  • 4 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een ontheffing wijzigen:

    • a. op verzoek van de houder;

    • b. op grond van de openbare veiligheid.

  • 5 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan de ontheffing intrekken, wanneer

    • a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen;

    • b. de openbare veiligheid dit vereist;

    • c. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft.

  • 6 De aanvrager van de ontheffing of van de wijziging daarvan is Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een door deze vast te stellen vergoeding voor de behandeling van de aanvraag verschuldigd, gebaseerd op de werkelijke kosten.

Artikel 6.59

Het is passagiers en leden van het boordpersoneel verboden gevaarlijke stoffen aan boord van een luchtvaartuig te brengen, of met zich mee te voeren in hun bagage, anders dan met inachtneming van de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie aangewezen Technische Voorschriften van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht.

Artikel 6.60

  • 1 Degene, die een handeling als bedoeld in artikel 6.51, eerste lid, verricht, is verplicht, indien zich daarbij voorvallen gevaarlijke stoffen voordoen waardoor gevaar voor de openbare veiligheid is ontstaan of is te duchten, daarvan onverwijld mededeling te doen aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de procedure en de wijze van mededeling als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 6.61

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan van degenen die handelingen verrichten als bedoeld in artikel 6.51 , alle inlichtingen of documenten vragen die naar zijn redelijk oordeel nodig zijn ten behoeve van het analyseren van voorvallen gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 6.60.

  • 2 De betrokkenen zijn verplicht de gevraagde inlichtingen volledig en naar waarheid te verstrekken binnen een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie in redelijkheid te stellen termijn.

Artikel 6.61a

  • 1 Indien zich binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam een luchtvaartongeval voordoet verstrekt de houder van het betrokken luchtvaartuig onverwijld aan de betrokken hulpverlenende instanties informatie over de gevaarlijke stoffen die zich aan boord van dat luchtvaartuig bevinden.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie wordt vastgesteld welke informatie door tussenkomst van welke instantie verstrekt dient te worden.

Titel 6.6. Vervoer van dieren

Artikel 6.62

  • 1 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen met het oog op de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen tijdens het vervoer van dieren in die luchtvaartuigen in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij regels worden gegeven met betrekking tot dat vervoer.

  • 2 Het is verboden dieren te vervoeren in strijd met het bepaalde krachtens het eerste lid.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde regels.

Hoofdstuk 7. Diverse bepalingen inzake luchtvaart

Titel 7.1. Melding van voorvallen

Artikel 7.1

  • 1 Voorvallen worden gemeld aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden natuurlijke personen of rechtspersonen aangewezen die verplicht zijn tot het melden van een voorval.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde meldingen en kunnen regels worden gesteld voor het vrijwillig melden van tekortkomingen in de luchtvaart welke niet verplicht gemeld moeten worden maar die de melder als een reëel of mogelijk gevaar beschouwt.

Artikel 7.2

  • 1 Gegevens ontvangen uit een in artikel 7.1, eerste lid, bedoelde melding, dan wel ontvangen van een lidstaat van de Europese Unie naar aanleiding van een soortgelijke melding in die lidstaat, zijn niet openbaar.

  • 2 Iedere instantie met regelgevende bevoegdheid op het gebied van de veiligheid in de burgerluchtvaart of met onderzoeksbevoegdheid voor ongevallen en incidenten die zich in de Europese Gemeenschap voordoen, heeft toegang tot de in het eerste lid bedoelde gegevens.

  • 3 Bij het registreren van de melding worden geen namen en adressen van individuele personen opgenomen.

Titel 7.2. Slotallocatie

Artikel 7.3

Een luchthavencoördinator als bedoeld in Verordening nr. 95/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van «slots» op communautaire luchthavens (PbEG L 14) die bij de uitvoering van zijn taak krachtens de verordening schade toebrengt aan luchtvaartmaatschappijen of anderen, is te dier zake niet aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of roekeloosheid.

Titel 7.3. Verzekering

Artikel 7.4

  • 1 De luchtvervoerder en de exploitant van luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 785/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake de verzekeringseisen voor luchtvervoerders en exploitanten van luchtvaartuigen (PbEU L 138) hebben een verzekering die voldoet aan de artikelen 4, 6 en 7 van voornoemde verordening.

  • 2 Met betrekking tot niet-commerciële diensten van luchtvaartuigen met een MTOM van 2700 kg of minder bedraagt de verzekeringsdekking ten minste 100 000 BTR per passagier.

Titel 7.4. Exploitatieverbod

Artikel 7.5

Het is een vliegtuigexploitant als bedoeld in artikel 3, onder o, van richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr. 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 (PbEU 2009, L 8), verboden een vlucht uit te voeren met een luchtvaartuig zolang en voor zover de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 16, tiende lid, van eerstgenoemde richtlijn aan de betrokken vliegtuigexploitant een exploitatieverbod heeft opgelegd.

Hoofdstuk 8. Luchthavens

Titel 8.1. Algemeen

Artikel 8.1

  • 1 Luchthavens zijn te onderscheiden in:

    • a. de luchthaven Schiphol,

    • b. overige burgerluchthavens, en

    • c. militaire luchthavens.

  • 2 Overige burgerluchthavens zijn van regionale betekenis of van nationale betekenis. Deze luchthavens zijn van nationale betekenis indien:

    • a. zij zijn gelegen buiten provinciegrenzen zoals bepaald bij of krachtens de Provinciewet, of

    • b. dit bij wet is bepaald.

  • 3 Luchthavens van nationale betekenis zijn:

    • a. de luchthaven Lelystad,

    • b. de luchthaven Eelde,

    • c. de luchthaven Maastricht, en

    • d. de luchthaven Rotterdam.

  • 4 Indien het militaire gebruik van een militaire luchthaven, met uitzondering van de militaire luchthaven Twenthe, wordt beëindigd door intrekking van:

    • a. de aanwijzing op grond van de Luchtvaartwet van die luchthaven als militaire luchthaven, of

    • b. het luchthavenbesluit dat op deze luchthaven betrekking heeft,

    en op die plaats een burgerluchthaven wordt gevestigd, dan is deze luchthaven van nationale betekenis.

  • 5 In afwijking van het vierde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld dat een luchthaven als bedoeld in dat lid van regionale betekenis is.

  • 6 De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

  • 7 Indien het militaire gebruik van de militaire luchthaven Twenthe wordt beëindigd door intrekking van:

    • a. de aanwijzing op grond van de Luchtvaartwet van die luchthaven als militaire luchthaven, of

    • b. het luchthavenbesluit dat op deze luchthaven betrekking heeft,

    en op die plaats een burgerluchthaven wordt gevestigd, dan is deze luchthaven van nationale betekenis.

Artikel 8.1a

  • 1 Het is verboden met een luchtvaartuig op te stijgen of te landen, anders dan van of op een luchthaven.

  • 2 Het is verboden de luchthaven Schiphol in bedrijf te hebben indien voor deze luchthaven geen luchthavenindelingbesluit en luchthavenverkeerbesluit gelden en indien de exploitant van deze luchthaven niet beschikt over een geldig veiligheidscertificaat.

  • 3 Het is verboden een overige burgerluchthaven in bedrijf te hebben indien voor deze luchthaven geen luchthavenbesluit of luchthavenregeling geldt. Vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist indien buiten het luchthavengebied het externe-veiligheidsrisico of de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer zodanig is dat dit gevolgen heeft voor de ruimtelijke indeling van het gebied rond de luchthaven. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de mate van externe-veiligheidsrisico of geluidbelasting buiten het luchthavengebied bepaald die vaststelling van gevolgen voor de ruimtelijke indeling van het gebied rond de luchthaven noodzakelijk maakt. Daarbij kan worden bepaald dat voor daarbij te omschrijven luchthavens in elk geval kan worden volstaan met de vaststelling van een luchthavenregeling. De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

  • 4 Het is de exploitant van een overige burgerluchthaven waarvoor vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist, verboden die luchthaven in bedrijf te hebben indien hij niet beschikt over een geldig veiligheidscertificaat. Bij algemene maatregel van bestuur kan dit verbod van toepassing worden verklaard op burgerluchthavens waarvoor vaststelling van een luchthavenregeling mogelijk is.

  • 5 Voor een militaire luchthaven is een luchthavenbesluit of een luchthavenregeling van kracht.

  • 6 [Red: Dit lid is nog niet in werking getreden.]

Titel 8.2. De luchthaven Schiphol

Afdeling 8.2.1. Algemeen

Artikel 8.1b

  • 1 In deze titel wordt verstaan onder:

    • exploitant van de luchthaven: de N.V. Luchthaven Schiphol, of, indien dit een ander is, de houder van de luchthavenexploitatievergunning;

    • gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;

    • inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat;

    • luchthavenexploitatievergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 8.25;

    • luchthavennetwerk: een groep luchthavens die als zodanig door de lidstaat is aangewezen en die wordt geëxploiteerd door een en dezelfde exploitant van de luchthaven;

    • raad: de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, bedoeld in artikel 2 van de Mededingingswet;

    • representatieve organisatie: een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoon die de belangen vertegenwoordigt van gebruikers.

Artikel 8.2

Deze titel is van toepassing ten aanzien van de luchthaven Schiphol.

Artikel 8.2a

  • 1 De overheid bezit ten minste een meerderheid van het economisch en juridisch belang in de exploitant van de luchthaven.

  • 2 Onze Minister van Financiën wijst bij regeling een of meerdere overheidsorganisaties aan ter voldoening van de in het eerste lid genoemde eis.

  • 3 De krachtens het tweede lid vast te stellen regeling heeft in ieder geval betrekking op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de in het eerste lid genoemde eis en de wijze waarop de overheid in gezamenlijkheid blijvend invulling geeft aan de continuïteit van de Mainport.

  • 4 Het voorstel voor de krachtens het tweede lid vast te stellen regeling wordt gedaan door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd.

  • 5 Aan de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders van de exploitant van de luchthaven zijn onderworpen de besluiten van het bestuur van de exploitant van de luchthaven omtrent investeringen welke een bedrag vereisen gelijk aan ten minste een tiende van het bedrag van de activa volgens de geconsolideerde balans met toelichting volgens de laatst vastgestelde jaarrekening van de exploitant van de luchthaven.

Artikel 8.3

De uitoefening van de bevoegdheden die voortvloeien uit deze titel is gericht op het bevorderen van een optimaal gebruik van de luchthaven als kwalitatief hoogwaardig knooppunt van nationaal en internationaal luchtverkeer, met inachtneming van de grenzen die met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de geurbelasting noodzakelijk zijn.

Afdeling 8.2. De ruimtelijke indeling van en rond de luchthaven

§ 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit

Artikel 8.4

Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de luchthaven een luchthavenindelingbesluit vastgesteld.

Artikel 8.5

  • 1 In het luchthavenindelingbesluit worden het luchthavengebied en het beperkingengebied vastgesteld.

  • 2 Als luchthavengebied wordt het gebied vastgesteld dat bestemd is voor gebruik als luchthaven.

  • 3 Als beperkingengebied wordt het gebied vastgesteld waar in verband met de nabijheid van de luchthaven met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting beperkingen noodzakelijk zijn ten aanzien van de bestemming of het gebruik van de grond.

  • 4 Het luchthavengebied en het beperkingengebied overlappen elkaar niet. De gebieden kunnen bestaan uit niet aaneengesloten delen.

  • 5 De gebieden worden vastgesteld met behulp van kaarten waarop de ligging van de gebieden is aangegeven. De kaarten voor het luchthavengebied worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 10 000. De kaarten voor het beperkingengebied worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 50 000. Zo nodig worden delen van de gebieden vastgelegd met behulp van kaarten op een schaal met een kleiner verhoudingsgetal.

  • 6 Bij de vaststelling van het luchthavenindelingsbesluit wordt, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

    • a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

    • b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

    • c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken, die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het luchthavenindelingsbesluit ouder zijn dan twee jaar, het luchthavenindelingsbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

Artikel 8.6

Het luchthavenindelingbesluit bevat voor het luchthavengebied regels omtrent de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op het gebruik van het gebied als luchthaven.

Artikel 8.7

  • 1 Het luchthavenindelingbesluit bevat voor het beperkingengebied regels waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven.

  • 2 Het besluit bevat in ieder geval regels omtrent beperking van:

    • a. de bestemming en het gebruik van grond in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer;

    • b. de bestemming en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer;

    • c. de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer;

    • d. een bestemming die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer.

  • 3 Bij de regels, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, worden in ieder geval gronden aangewezen die niet bestemd of gebruikt worden voor woningen of andere in het besluit aangewezen gebouwen.

  • 4 Elk besluit, volgend op het eerste luchthavenindelingbesluit, biedt een beschermingsniveau ten aanzien van externe veiligheid en geluidbelasting, dat voor ieder van deze aspecten, gemiddeld op jaarbasis vastgesteld, per saldo gelijkwaardig is aan of beter is dan het niveau zoals dat geboden werd door het eerste besluit.

Artikel 8.8

  • 1 Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening voor een gebied dat is gelegen binnen het luchthavengebied of het beperkingengebied, wordt het luchthavenindelingbesluit in acht genomen.

  • 2 Voor het gebied dat ligt binnen het luchthavengebied of het beperkingengebied, waarvoor geen bestemmingsplan of beheersverordening geldt dat in overeenstemming is met het besluit, geldt het besluit als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor zover het besluit geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel 3.7, vijfde lid, van die wet niet van toepassing.

  • 3 De gemeenteraad is verplicht binnen een jaar nadat het besluit in werking is getreden het bestemmingsplan of de beheersverordening overeenkomstig het besluit vast te stellen.

  • 4 Indien een bestemmingsplan of een beheersverordening niet in overeenstemming is met het besluit, is het college van burgemeester en wethouders verplicht aan degenen die inzage verlangen in het bestemmingsplan of de beheersverordening, tevens inzage te verlenen in het besluit.

Artikel 8.9

  • 3 Bij de toepassing van de artikelen, genoemd in het eerste lid, kan van het besluit worden afgeweken indien van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de verklaring is ontvangen dat hij tegen de afwijking geen bezwaar heeft.

  • 4 De verklaring van geen bezwaar die betrekking heeft op het luchthavengebied kan worden geweigerd met het oog op het gebruik van het gebied als luchthaven.

  • 5 De verklaring van geen bezwaar die betrekking heeft op het beperkingengebied kan worden geweigerd met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven.

Artikel 8.10

Voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in de uitvoering van het luchthavenindelingbesluit is artikel 3.8, eerste lid, onderdeel d, van de Wet ruimtelijke ordening niet van toepassing.

Artikel 8.11

Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht worden een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9, derde lid, en het besluit waarop de verklaring betrekking heeft als één besluit aangemerkt.

Artikel 8.12

  • 2 Het is verboden een object op te richten of te plaatsen indien dit in strijd is met een regel in het luchthavenindelingbesluit omtrent de maximale hoogte van objecten.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van het verbod. De ontheffing wordt slechts geweigerd in het belang van de veiligheid.

  • 4 De ontheffing wordt voor een bepaalde periode verleend. Aan de ontheffing kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden in het belang van de veiligheid.

  • 5 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt regels omtrent de vergoeding die de aanvrager van een ontheffing verschuldigd is voor de kosten van het verlenen van de ontheffing.

§ 8.2.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit

Artikel 8.13

De voordracht voor een luchthavenindelingbesluit wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschiedt, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

Artikel 8.14

Artikel 8.13 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigen van het luchthavenindelingbesluit.

Afdeling 8.3. Het luchthavenluchtverkeer

§ 8.3.1. Het luchthavenverkeerbesluit

Artikel 8.15

Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de luchthaven een luchthavenverkeerbesluit vastgesteld.

Artikel 8.16

Het luchthavenverkeerbesluit bevat een beschrijving van de luchtverkeerwegen.

Artikel 8.17

  • 1 Het luchthavenverkeerbesluit bevat regels omtrent het luchthavenluchtverkeer voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de geurbelasting.

  • 2 Het besluit bevat in ieder geval regels omtrent:

    • a. de gevallen waarin van een luchtverkeerweg gebruik gemaakt wordt;

    • b. een op beperking van belasting gerichte wijze van gebruik van het luchtruim in andere gevallen;

    • c. de beschikbaarheid van de luchthaven voor het luchthavenluchtverkeer.

  • 3 Het besluit kan regels bevatten omtrent:

    • a. de wijze van gebruik van de luchtverkeerwegen;

    • b. de tijdstippen waarop, de frequentie waarmee en de categorieën van luchtvaartuigen waarmee van het luchtruim gebruik gemaakt wordt.

  • 4 De regels bevorderen het realiseren van een beschermingsniveau, waarbij de in het besluit beschreven grenswaarden met betrekking tot de door het luchthavenluchtverkeer veroorzaakte belasting ten aanzien van veiligheid, geluid en lokale luchtverontreiniging niet worden overschreden.

  • 5 Het besluit bevat in ieder geval:

    • a. de grenswaarden voor het externe-veiligheidsrisico;

    • b. de grenswaarden voor de geluidbelasting, waarbij in ieder geval punten in of aan de rand van woonbebouwing in de nabijheid van de luchthaven bepaald worden met de grenswaarden die op ieder van die punten van toepassing zijn;

    • c. de grenswaarden voor de emissie van de stoffen die lokale luchtverontreiniging veroorzaken.

  • 6 Het besluit kan ten aanzien van de in het tweede en derde lid bedoelde onderwerpen, grenzen stellen aan de maatregelen die de inspecteur-generaal op grond van artikel 8.22 kan treffen.

  • 7 Elk besluit, volgend op het eerste luchthavenverkeerbesluit, biedt een beschermingsniveau ten aanzien van externe veiligheid, geluidbelasting en lokale luchtverontreiniging, dat voor ieder van deze aspecten, gemiddeld op jaarbasis vastgesteld, per saldo gelijkwaardig is aan of beter is dan het niveau zoals dat geboden werd door het eerste besluit.

  • 8 Bij de vaststelling van het luchthavenverkeersbesluit wordt, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

    • a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

    • b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

    • c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken, die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het luchthavenverkeersbesluit ouder zijn dan twee jaar, het luchthavenverkeersbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

Artikel 8.18

De exploitant van de luchthaven, de verlener van luchtverkeersdiensten en de luchtvaartmaatschappijen bevorderen het goede verloop van het luchthavenluchtverkeer overeenkomstig het luchthavenverkeerbesluit. Zij treffen daartoe zelf en in onderlinge samenwerking de voorzieningen die redelijkerwijs van hen kunnen worden gevergd om te bewerkstelligen dat de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer de in artikel 8.17, vierde lid, bedoelde grenswaarden niet overschrijdt.

Artikel 8.19

De exploitant van de luchthaven stelt de luchthaven beschikbaar overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit. De exploitant kan hiervan afwijken als dit in het belang van de veiligheid nodig is.

Artikel 8.20

Luchtverkeersdiensten worden verleend overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit. De verlener van de luchtverkeersdiensten kan hiervan afwijken als dit in het belang van de veiligheid nodig is.

Artikel 8.21

  • 1 De gezagvoerder neemt deel aan het luchthavenluchtverkeer overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit.

  • 2 De gezagvoerder kan afwijken van het eerste lid op advies van de verlener van luchtverkeersdiensten.

  • 3 De gezagvoerder kan afwijken van het eerste lid als dit in het belang van de veiligheid nodig is.

Artikel 8.22

  • 1 Zodra de inspecteur-generaal constateert dat de in artikel 8.17, vierde lid, bedoelde grenswaarden zijn overschreden, schrijft hij maatregelen voor die naar zijn oordeel bijdragen aan het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden.

  • 3 De inspecteur-generaal trekt de maatregelen in of matigt deze voor zover zij naar zijn oordeel niet langer nodig zijn voor het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden.

  • 4 Voordat de inspecteur-generaal een maatregel voorschrijft stelt hij degene tot wie de maatregel is gericht in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken.

Artikel 8.23

  • 1 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, kan indien ten gevolge van groot onderhoud van een baan het normale gebruik van een luchthaven naar hun oordeel ernstig wordt belemmerd:

    • a. vrijstelling worden verleend van een regel in het luchthavenverkeerbesluit;

    • b. een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde grenswaarde voor de geluidbelasting in een bepaald punt worden vervangen door een andere grenswaarde.

  • 2 Een vrijstelling kan slechts worden verleend voor een bepaalde in de vrijstelling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar.

  • 3 Aan een vrijstelling kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de geurbelasting. De artikelen 8.18 tot en met 8.21 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de beperkingen en voorschriften.

  • 4 Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een vervanging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 5 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, indien ten gevolge van een bijzonder voorval het normale gebruik van een luchthaven naar hun oordeel ernstig wordt belemmerd vrijstelling verlenen van een regel in het luchthavenverkeerbesluit of een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde grenswaarde vervangen. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.23a

  • 1 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, kan worden bepaald dat bij wijze van experiment wordt afgeweken van krachtens artikel 8.15 gestelde voorschriften, mits de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel 8.34 of een ander bij ministeriële regeling aan te wijzen regionaal orgaan, bij advies heeft aangegeven dat het experiment een gunstig effect kan hebben op de hinderbeleving. De afwijking kan bestaan uit:

    • a. het verlenen van vrijstelling van een regel in het luchthavenverkeerbesluit voorzover deze de luchtverkeerwegen of het gebruik van het luchtruim en de beschikbaarheid van de banen betreft, of

    • b. het vervangen van een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde grenswaarde voor de geluidbelasting in een bepaald punt door een andere grenswaarde.

  • 2 In de ministeriële regeling wordt het doel van het experiment vastgesteld, alsmede op welke wijze van welke voorschriften wordt afgeweken en op welke wijze eventuele nadelige gevolgen zo veel mogelijk worden beperkt.

  • 3 In de ministeriële regeling kan worden bepaald in hoeverre, op welke wijze en door wie eventuele nadelige gevolgen worden gecompenseerd. In dat geval is artikel 8.31 niet van toepassing.

  • 4 Tevens worden in de ministeriële regeling regels gesteld over de uitvoering en de gevolgen van het experiment, over criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of het experiment wordt omgezet in een structurele wettelijke regeling, en worden voorzieningen getroffen voor onvoorziene gevallen die zich gedurende het experiment kunnen voordoen.

  • 5 Een experiment kan slechts worden toegestaan voor een bepaalde in de ministeriële regeling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar. Deze termijn kan eenmaal met maximaal een jaar worden verlengd. De looptijd van een experiment sluit zoveel mogelijk aan bij een gebruiksjaar. Bij voortijdige beëindiging van het experiment stelt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, een overgangsregeling vast.

  • 6 Indien voor afloop van een experiment en in overeenstemming met de artikelen 8.13, 8.14 of 8.24 een ontwerp is bekendgemaakt om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan bij ministeriële regeling de termijn van het experiment worden verlengd tot het tijdstip waarop het ontwerp is vastgesteld en in werking treedt.

  • 7 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voldoende tijdig voor het einde van de werkingsduur van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkhuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bericht de beide kamers der Staten-Generaal bij vaststelling van deze ministeriële regeling wanneer en over de wijze waarop hij verslag zal doen.

  • 8 Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder vastgesteld dan nadat het voorstel voor advies is voorgelegd aan de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel 8.34, in de Staatscourant en in een regionaal dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te brengen.

  • 9 De commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel 8.34, danwel een ander per ministeriële regeling aan te wijzen orgaan, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verzoeken om een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid vast te stellen. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, overweegt het verzoek en deelt uiterlijk zes weken na ontvangst van het verzoek zijn overwegingen, met redenen omkleed, aan de commissie en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal mee.

§ 8.3.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit

Artikel 8.24

De artikelen 8.13 en 8.14 zijn van overeenkomstige toepassing op het voorbereiden en het wijzigen van het luchthavenverkeerbesluit.

Afdeling 8.4. De exploitatie van de luchthaven

Artikel 8.24a

  • 1 De exploitant van de luchthaven is verplicht om met inachtneming van de bij of krachtens deze wet of de Luchtvaartwet gestelde bepalingen, luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart op de luchthaven toe te laten.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op circuitvluchten, oefenvluchten en proefvluchten.

  • 3 De exploitant is verplicht om in door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen gevallen met inachtneming van de bij of krachtens deze wet of de Luchtvaartwet gestelde bepalingen, luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de militaire luchtvaart op de luchthaven toe te laten.

Artikel 8.25

  • 1 Het is verboden de luchthaven te exploiteren zonder vergunning van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

  • 2 Een luchthavenexploitatievergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.

Artikel 8.25a

De exploitant van de luchthaven is verplicht tot exploitatie van de luchthaven en treft met inachtneming van artikel 8.3 daartoe de voorzieningen die nodig zijn voor een goede afwikkeling van het luchthavenluchtverkeer en het daarmee samenhangende personen- en goederenvervoer op de luchthaven.

Artikel 8.25b

  • 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een vergunning intrekken indien:

    • a. de exploitant van de luchthaven zich schuldig maakt aan wanbeheer waardoor de continuïteit van de luchthaven in gevaar wordt gebracht;

    • b. het nationale ruimtelijke beleid niet langer voorziet in een luchthaven op de desbetreffende locatie.

  • 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag van de exploitant van de luchthaven de vergunning intrekken indien het algemeen belang zich niet tegen die intrekking verzet.

Artikel 8.25c

Indien een ernstig vermoeden bestaat dat een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.25b, onderdeel a, zich dreigt voor te doen, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de exploitant van de luchthaven een aanwijzing geven om binnen een door hem te stellen termijn maatregelen te treffen ter voorkoming van wanbeheer.

Artikel 8.25d

  • 1 De exploitant van de luchthaven stelt ten minste eenmaal per jaar de tarieven en voorwaarden vast voor de activiteiten van de exploitant van de luchthaven ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers. De exploitant van de luchthaven doet voorafgaande aan de periode waarop de tarieven en voorwaarden betrekking hebben, mededeling van de tarieven en voorwaarden.

  • 2 De tarieven en voorwaarden zijn redelijk en non-discriminatoir.

  • 3 De tarieven kunnen worden gedifferentieerd uit een oogpunt van algemeen belang, met inbegrip van de bescherming van het milieu. De criteria voor deze tariefsdifferentiatie dienen differentiatie te kunnen rechtvaardigen en zijn objectief en transparant.

  • 4 De tarieven voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn voor het geheel van de activiteiten kostengeoriënteerd.

  • 5 Onverminderd het vierde lid, zijn de tarieven voor de beveiliging van passagiers en hun bagage, alsmede vracht voor het geheel van de beveiligingsactiviteiten kostengeoriënteerd.

  • 6 Bij de vaststelling van de tarieven neemt de exploitant van de luchthaven de toegerekende opbrengsten in aanmerking uit overige activiteiten van de exploitant van de luchthaven die rechtstreeks verband houden met de activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

  • 7 Bij de vaststelling van de tarieven neemt de exploitant van de luchthaven de kosten in aanmerking van structurele maatregelen voor de uitvoering van een bijzondere aanwijzing van Onze Minister van Justitie, bedoeld in artikel 37ac, tweede lid, van de Luchtvaartwet, voor zover die maatregelen betrekking hebben op de beveiliging van passagiers en hun bagage.

  • 8 Bij de vaststelling van de tarieven kan, in afwijking van het vierde en vijfde lid, de exploitant van de luchthaven een bijdrage uit andere activiteiten dan die, bedoeld in het eerste en zesde lid, in aanmerking nemen.

  • 9 Bij de vaststelling van de tarieven wordt de bijdrage, bedoeld in het achtste lid, naar rato van de kosten toegerekend aan de activiteiten voor de beveiliging van passagiers en hun bagage, bedoeld in het vijfde lid, en de overige activiteiten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers, bedoeld in het zesde lid.

  • 10 De exploitant van de luchthaven verrekent bij de vaststelling van de tarieven, nadat deze zijn bepaald met inachtneming van het tweede tot en met negende lid, het verschil tussen de geraamde en de werkelijke opbrengsten en kosten in verband met de prognoses en de realisatie van het volume van het luchthavenluchtverkeer, het vervoer van passagiers en vracht en van de uitvoering van investeringen, zoals volgt uit de financiële verantwoording over het aan het moment van vaststelling van de tarieven voorafgaande boekjaar.

  • 11 Bij de vaststelling van het tarief voor de beveiliging van passagiers en hun bagage, nadat deze is bepaald met inachtneming van het tweede tot en met negende lid, verrekent de exploitant van de luchthaven de extra opbrengst voor de beveiliging van passagiers en hun bagage die is verkregen nadat een structurele maatregel als bedoeld in het zevende lid, is ingetrokken, en het tarief voor de beveiliging van passagiers en hun bagage nog niet dienovereenkomstig is aangepast.

  • 12 De exploitant van de luchthaven hanteert de tarieven en voorwaarden die ingevolge het eerste lid zijn vastgesteld, gedurende de periode waarop de vaststelling van de tarieven en voorwaarden betrekking heeft.

  • 13 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:

    • a. de activiteiten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers waarvoor tarieven en voorwaarden als bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld;

    • b. de activiteiten, bedoeld in het zesde lid, die rechtstreeks verband houden met de activiteiten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven, bedoeld in het eerste lid;

    • c. de wijze en het tijdstip waarop de mededeling, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt;

    • d. de kostenoriëntatie, bedoeld in het vierde en vijfde lid;

    • e. het tijdstip van vaststelling en inwerkingtreding van de tarieven en voorwaarden;

    • f. de wijze waarop de exploitant van de luchthaven, zonodig in afwijking van de regels, bedoeld in onderdeel e, uitvoering geeft aan het zevende lid.

  • 14 De voordracht voor een krachtens het dertiende lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 8.25da

  • 1 Onze minister van Verkeer en Waterstaat kan een groep luchthavens die wordt geëxploiteerd door de exploitant van de luchthaven of, indien dit een ander is, een en dezelfde houder van de luchthavenexploitatievergunning, aanwijzen als luchthavennetwerk.

  • 2 Onze minister van Verkeer en Waterstaat kan de exploitant van het luchthavennetwerk toestemming verlenen om een gemeenschappelijk, transparant systeem van tarieven vast te stellen voor het gehele luchthavennetwerk.

  • 3 Onze minister van Verkeer en Waterstaat kan de exploitant van de luchthaven en de exploitant van elke deelnemende overige burgerluchthaven, voor zover zij luchtverbindingen voor dezelfde stad of agglomeratie verzorgen, toestemming verlenen om een gemeenschappelijk, transparant systeem van tarieven vast te stellen voor alle luchthavens die de luchtverbindingen voor dezelfde stad of agglomeratie verzorgen.

  • 4 In geval van een gemeenschappelijk, transparant systeem van tarieven, als bedoeld in het tweede of derde lid, doet de exploitant van de luchthaven aan de gebruikers mededeling van een voorstel voor de tarieven en voorwaarden en stelt hij de tarieven en voorwaarden vast voor de luchthaven Schiphol overeenkomstig de artikelen 8.25d tot en met 8.25i. De exploitant van elke deelnemende overige burgerluchthaven doet aan de gebruikers mededeling van een voorstel en stelt de tarieven vast overeenkomstig de artikelen 8.25d, eerste, tweede, zesde en tiende lid, 8.25e, 8.25f, 8.25h, 8.25i en 8.25j. De exploitant en de deelnemende overige burgerluchthavens dragen zorg voor de noodzakelijke onderlinge afstemming.

  • 5 In het geval dat een overige burgerluchthaven de drempelwaarde van vijf miljoen passagiersbewegingen overschrijdt, doet de exploitant van deze luchthaven aan de gebruikers mededeling van een voorstel voor de tarieven en voorwaarden en stelt hij de tarieven en voorwaarden vast overeenkomstig de artikelen 8.25d, eerste, tweede, zesde en tiende lid, 8.25e, 8.25f, 8.25h, 8.25i en 8.25j.

Artikel 8.25e

  • 1 Voorafgaand aan de vaststelling van de tarieven en voorwaarden, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, doet de exploitant van de luchthaven aan de gebruikers van de luchthaven en representatieve organisaties mededeling van een voorstel van deze tarieven en voorwaarden met een omschrijving van de daarvoor te leveren diensten, alsmede een toelichting, inhoudende een economische onderbouwing en een omschrijving, aan de hand van indicatoren, van het kwaliteitsniveau van de aangeboden diensten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven.

  • 2 Voorafgaand aan het voorstel voor de vaststelling van de tarieven en voorwaarden, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, verstrekken de gebruikers aan de exploitant de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorgeschreven informatie.

  • 3 De exploitant van de luchthaven raadpleegt de gebruikers van de luchthaven en representatieve organisaties over het voorstel, bedoeld in het eerste lid, alvorens de tarieven en voorwaarden vast te stellen.

  • 4 De exploitant van de luchthaven houdt bij de vaststelling van de tarieven en voorwaarden rekening met de zienswijze van de gebruikers van de luchthaven en van representatieve organisaties naar aanleiding van de raadpleging, bedoeld in het derde lid, en motiveert bij de vaststelling van de tarieven en voorwaarden zijn overwegingen omtrent de ingebrachte zienswijzen.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:

    • a. de wijze en het tijdstip waarop de mededeling, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt;

    • b. de wijze waarop de raadpleging, bedoeld in het derde lid, plaatsvindt;

    • c. de indicatoren, bedoeld in het eerste lid;

    • d. de gegevens die door de exploitant van de luchthaven moeten worden opgenomen in het voorstel voor de tarieven en voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, en de daarbij behorende toelichting.

  • 6 De op basis van dit artikel door de exploitant aan de gebruikers van de luchthaven verstrekte informatie dient door de gebruikers te worden beschouwd en behandeld als bedrijfsvertrouwelijk of economisch gevoelig. De op basis van dit artikel door de gebruikers van de luchthaven aan de exploitant verstrekte informatie dient door de exploitant evenzeer te worden beschouwd en behandeld als bedrijfsvertrouwelijk of economisch gevoelig en mag door de exploitant bovendien niet in een tot een gebruiker herleidbare vorm in het voorstel worden verwerkt.

Artikel 8.25ea

  • 1 Gebruikers van de luchthaven die gebruik wensen te maken van diensten op maat of specifiek voor hen gereserveerde terminals of delen van terminals, kunnen een verzoek daartoe richten aan de exploitant.

  • 2 De exploitant van de luchthaven stelt relevante, objectieve, transparante en non-discriminatoire criteria vast, op basis waarvan een verzoek van gebruikers van de luchthaven wordt beoordeeld.

  • 3 Naast de criteria, bedoeld in het tweede lid, kan de exploitant van de luchthaven aanvullende criteria hanteren indien de inhoud van het verzoek daartoe noodzaakt. De aanvullende criteria voldoen aan dezelfde eisen als de criteria bedoeld in het tweede lid.

  • 4 Indien binnen vier weken nadat de exploitant van de luchthaven heeft beslist op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, daartoe een aanvraag van een gebruiker is ingediend, stelt de raad vast of de beslissing van de exploitant in strijd is met bij of krachtens deze wet gestelde regels. De raad geeft zijn oordeel binnen drie maanden. Indien de raad vaststelt dat de beslissing in strijd is met bij of krachtens deze wet gestelde regels, deelt hij dit terstond mede aan de exploitant van de luchthaven. De exploitant van de luchthaven neemt binnen vier weken een nieuwe beslissing op het verzoek met inachtneming van de overwegingen van de raad.

Artikel 8.25f

  • 1 Indien binnen vier weken na de mededeling, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, van de vaststelling van de tarieven en voorwaarden bij de raad een aanvraag van een gebruiker of van een representatieve organisatie is ingediend tot vaststelling of de tarieven en voorwaarden in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, treden de tarieven en voorwaarden op de voorgenomen ingangsdatum niet in werking. De raad deelt de exploitant van de luchthaven terstond mede dat een aanvraag van een gebruiker of van een representatieve organisatie is ontvangen.

  • 2 De raad neemt binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag een besluit omtrent de inwerkingtreding van de door de exploitant vastgestelde tarieven en voorwaarden. De raad wijst daarbij de tarieven en voorwaarden aan waarvoor, gelet op de aanvraag, de in het eerste lid bedoelde opschorting van de inwerkingtreding noodzakelijk blijft. In plaats van deze aangewezen tarieven en voorwaarden hanteert de exploitant de tarieven en voorwaarden die golden in de periode voorafgaand aan de periode waarvoor de aangewezen tarieven en voorwaarden waren vastgesteld. De tarieven en voorwaarden die niet zijn aangewezen, treden op de door de exploitant voorgenomen ingangsdatum in werking. Het nemen van een besluit als bedoeld in de eerste volzin, blijft achterwege indien binnen de daarin genoemde termijn een besluit over de aanvraag kan worden genomen.

  • 3 De raad beslist zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan in uitzonderlijke gevallen met twee maanden worden verlengd. De raad doet de aanvrager voor het einde van de in de eerste volzin bedoelde termijn met redenen omkleed mededeling van de verlenging.

  • 4 Indien de raad vaststelt dat de tarieven en voorwaarden in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, deelt hij dit terstond mede aan de exploitant van de luchthaven. De exploitant van de luchthaven stelt opnieuw de tarieven en voorwaarden vast met inachtneming van de overwegingen van de raad. Nadat de tarieven en voorwaarden opnieuw zijn vastgesteld, trekt de raad het besluit omtrent de inwerkingtreding bedoeld in het tweede lid in. De opnieuw vastgestelde tarieven en voorwaarden gelden vanaf de door de exploitant oorspronkelijk voorgenomen ingangsdatum.

  • 5 Indien de raad heeft vastgesteld dat de tarieven en voorwaarden niet in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, trekt hij het besluit omtrent de inwerkingtreding bedoeld in het tweede lid in, en gelden deze tarieven en voorwaarden vanaf de door de exploitant oorspronkelijk voorgenomen ingangsdatum.

  • 6 Eventuele verschillen in tarieven, voortvloeiende uit beslissingen van de raad als bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, worden vereffend bij de hernieuwde vaststelling van de tarieven en voorwaarden.

  • 7 Het eerste lid en artikel 8.25e zijn niet van toepassing op de vaststelling van tarieven en voorwaarden als bedoeld in het vierde lid.

  • 8 De exploitant van de luchthaven hanteert de ingevolge het vierde lid vastgestelde tarieven en voorwaarden gedurende het resterende deel van de periode waarvoor de tarieven en voorwaarden overeenkomstig artikel 8.25d, eerste lid, waren vastgesteld.

  • 9 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aan de raad en omtrent de vaststelling van tarieven en voorwaarden, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 8.25g

  • 1 De exploitant van de luchthaven stelt een toerekeningssysteem vast voor de kosten en opbrengsten van de activiteiten, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, dat voldoet aan de eisen van marktconformiteit, proportionaliteit en integraliteit. De exploitant van de luchthaven legt het toerekeningssysteem ter goedkeuring voor aan de raad.

  • 2 De exploitant van de luchthaven voert voor de activiteiten met betrekking tot het gebruik van de luchthaven door gebruikers een gescheiden administratie binnen de boekhouding, waarbinnen de kosten en opbrengsten van de uitvoering van de beveiliging van passagiers en hun bagage, bedoeld in artikel 8.25d, vijfde lid, afzonderlijk worden geadministreerd.

  • 3 Op grond van de gescheiden administratie binnen de boekhouding, bedoeld in het tweede lid, stelt de exploitant van de luchthaven jaarlijks een financiële verantwoording op over het voorafgaande boekjaar, die bestaat uit een afzonderlijke exploitatierekening en een overzicht van de toegedeelde materiële vaste activa voor het geheel van de activiteiten, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid. De financiële verantwoording bevat een toelichting en is voorzien van een verklaring van een onafhankelijke accountant.

  • 4 De exploitant van de luchthaven legt binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar van de exploitant van de luchthaven de financiële verantwoording over het voorafgaande boekjaar tezamen met de verklaring van de onafhankelijke accountant, over aan de raad en de gebruikers die daarom verzoeken.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de inrichting en goedkeuring van het toerekeningssysteem, bedoeld in het eerste lid, de toedeling van activa aan de activiteiten, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, de inrichting van de gescheiden administratie binnen de boekhouding, bedoeld in het tweede lid, en omtrent de financiële verantwoording, bedoeld in het derde lid.

  • 8 De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 8.25ga

De exploitant van de luchthaven zendt de raad en de gebruikers binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar een rapportage omtrent het gerealiseerde kwaliteitsniveau van de geleverde diensten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven, bedoeld in artikel 8.25e, eerste lid, over het voorafgaande boekjaar, mede aan de hand van ervaringen van passagiers. De rapportage omtrent het gerealiseerde kwaliteitsniveau geschiedt aan de hand van de indicatoren, bedoeld in artikel 8.25e, eerste lid.

Artikel 8.25h

  • 2 De raad is bevoegd van de exploitant van de luchthaven alle inlichtingen en gegevens te verlangen, die hij voor de uitoefening van zijn taak op grond van deze wet redelijkerwijs nodig acht.

  • 3 De exploitant van de luchthaven verleent binnen de door de raad gestelde redelijke termijn alle medewerking die deze redelijkerwijs kan verlangen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op grond van deze wet. Artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Justitie verstrekken de raad desgevraagd de inlichtingen en gegevens die deze voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.

  • 5 De raad gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij heeft verkregen op grond van deze wet uitsluitend voor de uitoefening van zijn bevoegdheden op grond van deze wet.

Artikel 8.25ha [Vervallen per 01-01-2011]

Artikel 8.25i

  • 2 Een belanghebbende kan beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven tegen een besluit omtrent de voorlopige inwerkingtreding als bedoeld in artikel 8.25f, tweede lid.

Artikel 8.25j

Een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 8.25d tot en met 8.25g wordt gedaan door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.

Afdeling 8.5. Informatievoorziening

§ 8.5.1. Algemeen

Artikel 8.26

Een ministeriële regeling op grond van deze afdeling wordt vastgesteld door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

§ 8.5.2. Het registreren van het veiligheidsrisico en de milieubelasting

Artikel 8.27

  • 1 De exploitant van de luchthaven draagt zorg voor het registreren van de veiligheids- en milieubelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer. Hij verricht de metingen en berekeningen die voor die registratie noodzakelijk zijn.

  • 2 Het registreren wordt zodanig uitgevoerd dat een vergelijking mogelijk is met de in artikel 8.17, vierde lid, bedoelde grenswaarden.

  • 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent het registreren en omtrent de metingen en berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn.

§ 8.5.3. Gegevensverstrekking, verslaglegging en openbaarmaking

Artikel 8.28

  • 1 De exploitant van de luchthaven verstrekt de inspecteur-generaal:

    • a. de op grond van artikel 8.27 geregistreerde gegevens;

    • b. gegevens over de in artikel 8.27 bedoelde metingen en berekeningen.

  • 2 De exploitant, de verlener van luchtverkeersdiensten en de luchtvaartmaatschappijen verstrekken de inspecteur-generaal gegevens over de ter uitvoering van artikel 8.18 getroffen voorzieningen.

  • 3 De exploitant verstrekt de inspecteur-generaal gegevens over de afwijkingen, bedoeld in artikel 8.19. De verlener van luchtverkeersdiensten verstrekt de inspecteur-generaal gegevens over de afwijkingen, bedoeld in de artikelen 8.20 en 8.21.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de gegevensverstrekking.

Artikel 8.29

  • 1 De inspecteur-generaal brengt elk half jaar aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verslag uit over de veiligheids- en milieuaspecten van het luchthavenluchtverkeer. Het verslag bevat ten minste een beschrijving van:

    • a. de ter uitvoering van artikel 8.18 getroffen voorzieningen en van de doelmatigheid en doeltreffendheid van die voorzieningen;

    • b. de ter uitvoering van artikel 8.22 getroffen maatregelen en van de doelmatigheid en de doeltreffendheid van die maatregelen.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de verslaglegging.

Artikel 8.29a

  • 1 De exploitant van de luchthaven brengt elke drie jaar, of zoveel eerder als Onze Minister van Verkeer en Waterstaat nodig oordeelt, aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verslag uit over de exploitatie van de luchthaven. Het verslag bevat ten minste een beschrijving van de ter uitvoering van artikel 8.25a getroffen voorzieningen, een overzicht van alle daartoe relevante gegeve