KruimelpadGeldend op 16-03-2012
De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling.
Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van
in de balk hierboven.
TWK Voor deze bijlage is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
1. Uitleveringswet.
2. Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.
3. Artikel 7, eerste en tweede lid, en afdeling 4 van Titel 14 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de artikelen 63d, 156 en 266 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover de aanvraag is toegewezen.
4. De artikelen 29, 32, eerste en tweede lid, 34, derde lid, 35, tweede lid, 37, tweede lid, 38d en 43b, van de Politiewet 1993.
5. Artikel 285 van de Faillissementswet.
6. De artikelen 41, achtste lid, 59, achtste lid, en 100 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
1. Artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet.
2. Hoofdstuk 2 van de Algemene wet gelijke behandeling, met uitzondering van de artikelen 16 en 17 en de op grond van artikel 21, tweede lid, gestelde regels.
3. De artikelen 44, 49, 167, derde lid, en 179, derde lid, van de Provinciewet.
4. De artikelen 45, 49, 169, derde lid, en 180, derde lid, van de Gemeentewet.
5. Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid, met uitzondering van beslissingen ten aanzien van de algemeen secretaris en de medewerkers van het bureau.
1. onteigeningswet.
2. Artikel 2.1, artikel 2.2, artikel 2.3, artikel 3.7, artikel 3.30, eerste lid, aanhef, artikel 3.33, eerste lid, aanhef, artikel 3.35, eerste lid, aanhef, artikel 4.1, vijfde lid, artikel 4.2, eerste lid, voor zover niet begrepen onder artikel 8.2, eerste lid, onder f, artikel 4.2, derde lid, artikel 4.3, vierde lid, artikel 4.4, eerste lid, onder a, voor zover niet begrepen onder artikel 8.2, eerste lid, onder f, en onder b en c, artikel 4.4, derde lid, artikel 6.15, eerste lid, voor zover de herziening uitsluitend betrekking heeft op onderdelen, bedoeld in het derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
3. De bepalingen, genoemd in artikel 20.2, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer.
4. Artikel 43 van de Wet bodembescherming, voor zover inhoudende de afwijzing van een verzoek.
5. Artikel 7 van de Wet geurhinder en veehouderij.
6. De artikelen 2.27, eerste lid, 2.34, eerste lid, met uitzondering van beroep dat wordt ingesteld door het bevoegde gezag ter zake van het besluit waarop de verklaring of aanwijzing betrekking heeft, 5.7, eerste lid, 5.8, eerste lid, laatste volzin, 5.9, eerste lid, 5.9, zesde lid, voor zover het een aanwijzing betreft ter zake van de uitvoering van het bepaalde krachtens artikel 5.3 en 5.24, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1. De artikelen 4.1, 4.4 en 6.28 van de Waterwet.
D.2. De artikelen 3.4, eerste lid, onder b, voorzover het een aanwijzing betreft, 3.10 en 18.9, eerste en tweede lid, van de Telecommunicatiewet.
3. De artikelen 8.4 en 8.15 van de Wet luchtvaart, alsmede:
a. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden,]
b. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden.]
4. De artikelen 132c, vijfde lid, en 132d, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
5. Artikel 2, eerste lid, artikel 4, eerste lid, onderdeel c, en artikel 23, eerste lid, van de Tracéwet.
1. De artikelen 36, eerste lid, 37, 44, eerste lid, 45 en 70 van de Reconstructiewet Midden-Delfland.
2. De artikelen 20 tot en met 22, 72, eerste lid, 75 en 101, derde lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën.
1. Artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945.
2. Artikel 45, eerste lid, van de Algemene Bijstandswet en de artikelen 74 en 140 en hoofdstuk VII van de Algemene bijstandswet, paragraaf 6.5 van de Wet werk en bijstand en de artikelen 52 en 81 van de Wet werk en bijstand, artikel 37, artikel 57 en artikel 91, voor zover het besluiten van de voorzitter van gedeputeerde staten betreft, van de Wet investeren in jongeren en artikel 14 van de Wet werk en inkomen kunstenaars.
3. Artikelen 40 en 42 van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
[Vervallen.]
1. Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen.
2. De artikelen 31 en 35 van de Wet publieke gezondheid.
3. Artikel 3, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorg, alsmede artikel 6, eerste lid, van die wet voor zover dit besluit is genomen ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van die wet of in artikel 10, eerste lid, onder c, van die wet met uitzondering van de daarin bedoelde nazorg en de daarin genoemde begeleiding, bedoeld in artikel 77hh van het Wetboek van Strafrecht, en de artikelen 29o tot en met 29r, 29t en 29v van de Wet op de jeugdzorg.
4. Artikel 9a van de Zorgverzekeringswet, alsmede artikel 18f, eerste lid, juncto artikel 18d of artikel 18e, van die wet, voor zover een besluit is genomen over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan.
1. Invorderingswet 1990, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a.
2. Kostenwet invordering rijksbelastingen, met uitzondering van artikel 7.
3. De artikelen 2, eerste lid, 3, eerste en tweede lid, 4, 9, 12, en 30 van de Wet toezicht financiële verslaggeving.
1. Artikel 49a, eerste lid, van de Mededingingswet, voor zover de aanvraag is afgewezen, alsmede artikel 49c, tweede lid, van die wet, voor zover de intrekking of wijziging geschiedt op de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b of c, van dat artikel.
2. De artikelen 9b, vierde lid, 9c, derde lid, 9d, tweede en derde lid, 9f, zesde lid, 20a, derde lid, 20b, derde lid, en 20c, tweede en derde lid, van de Elektriciteitswet 1998.
3. De artikelen 39b, derde lid, 39c, derde lid, en 39d, tweede en derde lid, van de Gaswet.
4. De artikelen 141a, derde lid, 141b, derde lid, en 141c, tweede en derde lid, van de Mijnbouwwet.
1. Invorderingswet 1990, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a.
2. Kostenwet invordering rijksbelastingen, met uitzondering van artikel 7.
3. De artikelen 2, eerste lid, 3, eerste en tweede lid, 4, 9, 12, en 30 van de Wet toezicht financiële verslaggeving.
4. Artikel 30, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.
5. De artikelen 1:75, eerste en tweede lid, en 1:76, eerste en derde lid, van de Wet op het financieel toezicht, indien De Nederlandsche Bank N.V. een mededeling als bedoeld in artikel 3:159d van die wet heeft gedaan, alsmede artikel 3:159d, tweede lid, aanhef en onderdeel a of b, van die wet.