Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Warenwetbesluit Levensmiddelenadditieven[Regeling vervallen per 20-01-2010.]

Geldend van 17-10-2007 t/m 19-01-2010

Besluit van 25 maart 1992, houdende Warenwetbesluit Levensmiddelenadditieven

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 25 september 1991, VVP/L/U-691763, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Overwegende, dat uitvoering moet worden gegeven aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden gebruikt (89/107/EEG) (PbEG L 40);

Overwegende, dat het voor de inzichtelijkheid van de wetgeving gewenst is dat de regels met betrekking tot de toelating van levensmiddelenadditieven zoveel mogelijk worden geconcentreerd in één Warenwetbesluit;

Overwegende, dat het om die reden tevens gewenst is dat de gebruiksvoorwaarden in of krachtens zodanig Warenwetbesluit dienen te worden vastgesteld;

Gelet op de artikelen 4, eerste lid, onderdeel a, 6, onderdeel a, 8, onderdelen a, b en c, 12 en 14 van de Warenwet (Stb. 1988, 360);

Gehoord de Adviescommissie Warenwet (advies van 12 december 1990, nr. 14245/(1)5);

De Raad van State gehoord (advies van 4 december 1991, nr. W13.91.0538);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 11 maart 1992 VVP/L-92371, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 20-01-2010]

Artikel 1 [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. levensmiddelenadditieven: alle stoffen met of zonder voedingswaarde die op zichzelf gewoonlijk niet als voedsel worden geconsumeerd en gewoonlijk niet als kenmerkend voedsel-ingrediënt worden gebruikt, en die om technische redenen bij het vervaardigen, verwerken, bereiden, behandelen, verpakken, vervoeren of opslaan van eet- of drinkwaren opzettelijk daaraan worden toegevoegd, met als gevolg, of redelijkerwijs te verwachten gevolg, dat de stoffen zelf, dan wel de derivaten ervan, direct of indirect een bestanddeel van die eet- of drinkwaren worden;

    • b. instellingen: restaurants, ziekenhuizen, kantines en andere soortgelijke instellingen,

    • c. richtlijn: de richtlijn van de Raad van de EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden gebruikt (89/107/EEG) (PbEG L 40).

  • 2 Als levensmiddelenadditief worden niet beschouwd:

    • a. gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

    • b. stoffen die als voedingsstoffen aan eet- of drinkwaren worden toegevoegd, zoals mineralen, sporeëlementen en vitamines.

  • 3 Dit besluit is niet van toepassing op

    • a. stoffen die, hoewel zij als levensmiddelenadditieven gebruikt kunnen worden, kennelijk niet als zodanig bestemd zijn;

    • b. geur- en smaakstoffen als bedoeld in het Warenwetbesluit Aroma's.

Artikel 2 [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Het is verboden levensmiddelenadditieven die niet ingevolge dit besluit zijn toegelaten om als zodanig te dienen, of die niet voldoen aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen, te verhandelen of in eet- of drinkwaren te verwerken.

  • 2 Het is verboden levensmiddelenadditieven te verhandelen anders dan met inachtneming van de voorschriften in dit besluit gesteld met betrekking tot hun aanduiding of tot het bezigen van vermeldingen.

  • 3 Het is verboden met gebruikmaking van de in dit besluit aangegeven aanduidingen andere waren te verhandelen dan levensmiddelenadditieven waaraan die aanduidingen zijn voorbehouden.

  • 4 Het is verboden eet- of drinkwaren te bereiden of te verhandelen die niet voldoen aan de eisen bij of krachtens dit besluit gesteld met betrekking tot de aanwezigheid van levensmiddelenadditieven in die eet- of drinkwaren.

§ 2. Toelating van levensmiddelenadditieven [Vervallen per 20-01-2010]

Artikel 3 [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Als levensmiddelenadditief zijn uitsluitend toegelaten stoffen die behoren tot een in bijlage I genoemde categorie van levensmiddelenadditieven.

  • 2 Indien Onze Minister ter uitvoering van krachtens de richtlijn getroffen maatregelen stoffen, behorende tot een bepaalde categorie van levensmiddelenadditieven heeft aangewezen, zijn, in afwijking van het eerste lid, binnen die categorie uitsluitend die aangewezen stoffen toegelaten.

  • 3 In afwijking van het eerste lid zijn van de stoffen behorende tot de categorie zoetstof als bedoeld in het Warenwetbesluit Zoetstoffen, als levensmiddelenadditief uitsluitend toegelaten de op grond van genoemd besluit toegelaten stoffen. De artikelen 4 tot en met 8 zijn op zoetstoffen niet van toepassing.

Artikel 4 [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Levensmiddelenadditieven moeten voldoen aan de volgende algemene zuiverheidseisen:

    • a. het gehalte aan arsenicum mag ten hoogste 3 mg per kg bedragen;

    • b. het gehalte aan lood mag ten hoogste 10 mg per kg bedragen;

    • c. het gezamenlijk gehalte aan koper en zink mag ten hoogste 50 mg per kg bedragen, waarbij het gehalte aan zink niet hoger mag zijn dan 25 mg per kg.

  • 2 Onze Minister stelt nadere regels vast met betrekking tot

    • a. de zuiverheid van levensmiddelenadditieven in het algemeen, of van bepaalde levensmiddelenadditieven;

    • b. de hoedanigheid van levensmiddelenadditieven die worden gebruikt als oplosmiddelen die als draagstof fungeren.

§ 3. Verhandeling van levensmiddelenadditieven [Vervallen per 20-01-2010]

Artikel 5 [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Bij de verhandeling moet de voor het betrokken levensmiddelenadditief van toepassing zijnde aanduiding worden gebezigd.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde aanduiding is het EEG-nummer en de bijbehorende algemeen gebruikelijke naam van het desbetreffende levensmiddelenadditief. Voor zover voor de desbetreffende stof geen EEG-nummer is vastgesteld, is die aanduiding een omschrijving van het levensmiddelenadditief die voldoende nauwkeurig is om deze te kunnen onderscheiden van andere levensmiddelenadditieven waarmee deze kan worden verward.

  • 3 Indien het levensmiddelenadditief tezamen met andere levensmiddelenadditieven worden verhandeld, moeten de desbetreffende aanduidingen in afnemende volgorde van het gewichtsaandeel worden vermeld.

  • 4 Indien een of meer levensmiddelenadditieven tezamen met andere stoffen, materialen of ingrediënten ten behoeve van de bereiding van eet- of drinkwaren worden geïntegreerd om het opslaan, verhandelen, standaardiseren, verdunnen of oplossen ervan te vergemakkelijken, moet de aanduiding, onderscheidenlijk moeten de aanduidingen bij de verhandeling worden vermeld in afnemende volgorde van het gewichtsaandeel.

  • 5 De volgende vermelding moet bij de verhandeling worden gebezigd: "voor gebruik in levensmiddelen", of "voor levensmiddelen, beperkt gebruik", dan wel een meer specifieke vermelding inzake de toepassing in de eet- of drinkwaar waarvoor het levensmiddelenadditief bestemd is.

  • 6 De in dit artikel bedoelde aanduiding en vermeldingen moeten duidelijk zichtbaar, gemakkelijk leesbaar en in een gemakkelijk te begrijpen taal zijn aangebracht, en mogen niet door vegen kunnen worden uitgewist.

Artikel 6 [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Indien de levensmiddelenadditieven als zodanig niet zijn bestemd voor de eindverbruiker of instellingen, moeten, onverminderd artikel 5, bij de verhandeling de volgende vermeldingen worden gebezigd:

    • a. zo nodig een aanwijzing omtrent de bijzondere voorwaarden voor bewaring en gebruik;

    • b. een gebruiksaanwijzing indien zonder zodanige vermelding een behoorlijk gebruik van het levensmiddelenadditief onmogelijk is;

    • c. de naam of handelsnaam en het adres van de fabrikant, verpakker of van een in het gebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is gevestigde verkoper, waarbij voor rechtspersonen de vermelding van het adres mag worden vervangen door de vermelding van de plaats van vestiging;

    • d. het percentage van elk bestanddeel waarvoor in een eet- of drinkwaar een kwantitatieve beperking geldt of andere passende gegevens over de samenstelling aan de hand waarvan de koper kan voldoen aan enigerlei voor de desbetreffende eet- of drinkwaar geldend wettelijk voorschrift, met dien verstande dat het gecombineerde percentage in één getal mag worden aangegeven indien deze kwantitatieve beperking geldt voor een groep bestanddelen die afzonderlijk of in combinatie wordt gebruikt en

    • e. de netto-hoeveelheid.

    Zij moeten duidelijk zichtbaar, gemakkelijk leesbaar en in een gemakkelijk te begrijpen taal zijn aangebracht, en mogen niet door vegen kunnen worden uitgewist.

  • 2 In afwijking van het eerste lid en artikel 5, vierde lid, behoeven de in het eerste lid, onderdelen b en d, bedoelde vermeldingen slechts voor te komen op de handelsdocumenten die de desbetreffende levensmiddelenadditieven vergezellen of die reeds voor of tegelijkertijd met de aflevering worden verzonden. In dat geval moet de volgende vermelding goed zichtbaar op de verpakking worden gebezigd: "bestemd voor de vervaardiging van levensmiddelen, niet voor de verkoop in het klein".

§ 4. Gebruik van levensmiddelenadditieven [Vervallen per 20-01-2010]

Artikel 7 [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 In eet- of drinkwaren mogen slechts levensmiddelenadditieven aanwezig zijn indien het gebruik van deze additieven in die eet- of drinkwaren in overeenstemming is met de criteria die zijn opgenomen in de Bijlage II.

  • 2 Onze Minister stelt nadere regels vast met betrekking tot het gebruik van levensmiddelenadditieven die de volgende onderwerpen betreffen:

    • a. de ten hoogste toegelaten hoeveelheid van het betrokken levensmiddelenadditief of de categorie levensmiddelenadditieven die in eet- of drinkwaren aanwezig mag zijn;

    • b. in voorkomend geval welke beperking voor wat betreft het technisch gebruiksdoel van toepassing is.

  • 3 Voor zover de in het tweede lid bedoelde regeling niet voortvloeit uit een krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap tot stand gekomen bindende regeling, stelt Onze Minister bedoelde regels vast in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

  • 4 In eet- of drinkwaren genoemd in de krachtens het tweede lid vastgestelde regeling, mogen uitsluitend levensmiddelenadditieven aanwezig zijn welke in samenhang met de desbetreffende waar zijn genoemd, een en ander met inachtneming van de beperkingen voor zover daarbij vermeld met betrekking tot de ten hoogste toegelaten hoeveelheid en de aard van de waar. In geval van een niet voor gebruik gereed zijnde waar, wordt de uit die beperkingen voortvloeiende, ten hoogste toegelaten hoeveelheid in de desbetreffende waar, berekend op het produkt verkregen uit die waar na bereiding volgens de gebruiksaanwijzing.

  • 5 Het vierde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing op voorschriften krachtens de Warenwet met betrekking tot een of meer andere dan in dat lid bedoelde eet- of drinkwaren of groepen van eet- of drinkwaren, voor wat betreft het daarin gestelde ten aanzien van de ten hoogste toegestane aanwezigheid van levensmiddelenadditieven in de aldaar bedoelde eet- of drinkwaren.

§ 5. Slotbepalingen [Vervallen per 20-01-2010]

Artikel 8 [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Als methoden van onderzoek welke bij uitsluiting beslissend zijn voor de vaststelling of met betrekking tot de in dit besluit bedoelde levensmiddelenadditieven, onderscheidenlijk met betrekking tot eet- of drinkwaren waaraan levensmiddelenadditieven zijn toegevoegd, al dan niet is voldaan aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, worden aangewezen chromatografische scheidingsmethoden, alsmede fysische, biologische en chemische isolatiemethoden.

  • 2 Voor zover de in het eerste lid bedoelde methoden van onderzoek niet voortvloeien uit een krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap tot stand gekomen bindende regeling, stelt Onze Minister bedoelde methoden vast in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Artikel 9 [Vervallen per 20-01-2010]

[Red: Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 10 [Vervallen per 20-01-2010]

[Red: Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 11 [Vervallen per 20-01-2010]

[Red: Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 12 [Vervallen per 20-01-2010]

[Red: Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 13 [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin het wordt geplaatst.

  • 2 In afwijking van het eerste lid mogen levensmiddelenadditieven welke voldoen aan de op de dag, voorafgaande aan de in het eerste lid bedoeld datum, op die waren van toepassing zijnde voorschriften, nog worden verhandeld tot en met 1 juni 1992.

Artikel 14 [Vervallen per 20-01-2010]

Dit besluit kan worden aangehaald als: Warenwetbesluit Levensmiddelenadditieven.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage, 25 maart 1992

Beatrix

De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

H. J. Simons

Uitgegeven de zevende mei 1992

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Bijlage I [Vervallen per 20-01-2010]

A [Vervallen per 20-01-2010]

De in artikel 3, eerste lid, bedoelde categorieën levensmiddelenadditieven zijn de volgende:

  • 1. antiklontermiddel

  • 2. antioxydant

  • 3. antischuimmiddel

  • 4. bevochtigingsmiddel

  • 5. conserveermiddel

  • 6. drijfgas en verpakkingsgas

  • 7. emulgator

  • 8. geleermiddel

  • 9. gemodificeerd zetmeel

  • 10. glansmiddel

  • 11. kleurstof

  • 12. meelverbeteraar

  • 13. rijsmiddel

  • 14. smaakversterker

  • 15. smeltzout

  • 16. stabilisator

  • 17. verdikkingsmiddel

  • 18. verstevigingsmiddel

  • 19. voedingszuur

  • 20. vulstof

  • 21. zoetstof

  • 22. zuurteregelaar

  • 23. complexvormers

  • 24. enzymen.

B [Vervallen per 20-01-2010]

Onder glansmiddel wordt tevens begrepen glijmiddel.

C [Vervallen per 20-01-2010]

Onder stabilisator wordt tevens begrepen schuimhoudbaarheidsmiddel.

Bijlage II. Algemene criteria voor het gebruik van levensmiddelenadditieven [Vervallen per 20-01-2010]

1. Levensmiddelenadditieven mogen alleen worden goedgekeurd:

  • - indien er voldoende technische noodzaak kan worden aangetoond en het nagestreefde doel niet met andere economisch en technisch bruikbare methoden kan worden bereikt;

  • - indien deze bij de voorgestelde hoeveelheden geen enkel gevaar voor de gezondheid van de consument opleveren, voor zover zulks op grond van de beschikbare wetenschappelijke gegevens kan worden beoordeeld;

  • - indien het gebruik ervan de consument niet misleidt.

2. Het gebruik van een levensmiddelenadditief kan alleen worden overwogen indien is bewezen dat het voorgestelde gebruik van het additief voor de consument aantoonbare voordelen heeft, met andere woorden, er moet worden aangetoond dat het, zoals dat heet, "nodig" is. Het gebruik van levensmiddelenadditieven moet beantwoorden aan de onder a tot en met d genoemde doelstellingen en mag alleen wanneer deze doelstellingen niet met andere economisch en praktisch bruikbare middelen kunnen worden bereikt en de levensmiddelenadditieven geen gevaar voor de gezondheid van de consument opleveren:

  • a. instandhouding van de voedingskwaliteit van het levensmiddel; een opzettelijke verlaging van de voedingskwaliteit van een levensmiddel is alleen gerechtvaardigd indien het levensmiddel geen wezenlijk bestanddeel vormt van een normaal dieet of wanneer het additief nodig is voor de vervaardiging van levensmiddelen voor groepen consumenten met speciale dieetbehoeften;

  • b. levering van de genoemde ingrediënten of bestanddelen van levensmiddelen die voor groepen consumenten met speciale dieetbehoeften worden vervaardigd;

  • c. verhoging van de houdbaarheid of stabiliteit van een levensmiddel of verbetering van de organoleptische eigenschappen, mits dit de aard, substantie of kwaliteit van het levensmiddel niet zodanig verandert dat de consument daardoor kan worden misleid;

  • d. vergemakkelijking van het vervaardigen, verwerken, bereiden, behandelen, verpakken, vervoeren of opslaan van levensmiddelen, mits het additief niet wordt gebruikt om de gevolgen van het gebruik van ondeugdelijke grondstoffen of van ongewenste (en ook onhygiënische) methoden tijdens één van deze activiteiten te verhullen.

3. Om de eventuele schadelijke effecten van een levensmiddelenadditief of zijn derivaten te bepalen, moet dit worden onderworpen aan gerichte toxiciteitsproeven en een toxicologische beoordeling. Bij deze beoordeling moet eveneens rekening worden gehouden met bij voorbeeld de cumulatieve, synergetische en versterkende effecten van het gebruik ervan, alsook met intolerantie van de mens voor lichaamsvreemde stoffen.

4. Alle levensmiddelenadditieven moeten voortdurend worden geobserveerd en telkens opnieuw worden beoordeeld wanneer wijzigingen in de gebruiksomstandigheden en nieuwe wetenschappelijke gegevens daartoe aanleiding geven.

5. Alle levensmiddelen moeten te allen tijde aan de goedgekeurde zuiverheidseisen voldoen.

6. Goedkeuring van levensmiddelenadditieven moet

  • a. vergezeld gaan van de vermelding van de levensmiddelen waaraan deze additieven mogen worden toegevoegd en van de voorwaarden voor de toevoeging ervan;

  • b. beperkt worden tot de kleinste hoeveelheid die nodig is om het gewenste effect te bereiken;

  • c. geschieden met inachtneming van de aanvaardbare dagelijkse dosis of een gelijkwaardig gegeven dat voor de levensmiddelenadditieven is vastgesteld en de waarschijnlijke dagelijkse opname van het additief uit alle voedselbronnen. Wanneer het levensmiddelenadditief bestemd is om te worden gebruikt in levensmiddelen voor speciale groepen consumenten, moet rekening worden gehouden met de mogelijke dagelijkse opname van het additief door consumenten van die groepen.