Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Bouwbesluit[Regeling vervallen per 01-01-2003.]

Geldend van 01-01-2000 t/m 31-12-2002

Besluit van 16 december 1991, houdende technische voorschriften omtrent het bouwen van bouwwerken en de staat van bestaande bouwwerken

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordrachten van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 23 januari 1991, nr. MJZ20d90002, en van 16 juli 1991, nr. MJZ16791004, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Overwegende, dat uit het oogpunt van veiligheid technische voorschriften moeten worden gegeven omtrent het bouwen van een bouwwerk en de staat van een bestaand bouwwerk die ertoe strekken dat gevaar voor gebruikers van dat bouwwerk of voor derden wordt voorkomen of beperkt;

dat uit het oogpunt van gezondheid technische voorschriften moeten worden gegeven omtrent het bouwen van een bouwwerk en de staat van een bestaand bouwwerk die ertoe strekken dat schadelijke of hinderlijke gevolgen voor gebruikers van dat bouwwerk of voor derden worden voorkomen of beperkt;

dat uit het oogpunt van bruikbaarheid technische voorschriften moeten worden gegeven omtrent het bouwen van een bouwwerk en de staat van een bestaand bouwwerk die ertoe strekken dat in dat bouwwerk de voor dat bouwwerk kenmerkende activiteiten kunnen worden verricht;

dat uit het oogpunt van energiezuinigheid technische voorschriften moeten worden gegeven omtrent het bouwen van een gebouw die ertoe strekken dat dat gebouw bijdraagt tot een zuinig verbruik van energie in dat gebouw;

dat voorschriften moeten worden gegeven ter uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake voor de bouw bestemde produkten (89/106/EEG, PbEG L40);

Gelet op de artikelen 2, 3, 5, 6, 88 en 120 van de Woningwet (Stb. 1991, 439);

De Raad van State gehoord (advies van 4 september 1991, no.W08.91.0043);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 december 1991, nr. MJZ 13d91024, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt verstaan onder:

    • a. bouwconstructie: constructie van een bouwwerk of onderdeel van die constructie, welke constructie of welk onderdeel is bestemd om belasting te dragen;

    • b. gebruiksoppervlakte: gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580;

    • c. gemeenschappelijke ruimte: tot een gebouw behorende ruimte waarop twee of meer woningen of logiesverblijven zijn aangewezen;

    • d. klimlijn: denkbeeldige, vloeiend verlopende lijn die de voorkanten van de treden van een trap met elkaar verbindt;

    • e. NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;

    • f. netto-inhoud: netto-inhoud als bedoeld in NEN 2580;

    • g. richtlijn bouwprodukten: richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake voor de bouw bestemde produkten (89/106/EEG, PbEG L 40);

    • h. inwendige scheidingsconstructie: constructie die de scheiding vormt tussen twee voor mensen toegankelijke besloten ruimten van een gebouw, waaronder begrepen de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift;

    • i. uitwendige scheidingsconstructie: constructie die de scheiding vormt tussen een voor mensen toegankelijke besloten ruimte van een gebouw en de buitenlucht, de grond of het water, waaronder begrepen de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift;

    • j. technische ruimte: besloten ruimte, bestemd voor de plaatsing van de voor het functioneren van een gebouw noodzakelijke apparatuur;

    • k. toegankelijkheidssector: gedeelte van een gebouw, bestaande uit een of meer met elkaar in verbinding staande ruimten die mede zijn bestemd voor gebruik door bezoekers;

    • l. bijzondere toegankelijkheidssector: gedeelte van een toegankelijkheidssector dat mede is bestemd voor gebruik door rolstoelgebruikers;

    • m. veiligheidstrappehuis: verkeersruimte waarin een trap is gelegen waarover een vluchtweg voert, welke ruimte in de vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een niet besloten ruimte;

    • n. verblijfsgebied: besloten ruimte, bestaande uit een of meer met elkaar in verbinding staande, op dezelfde bouwlaag gelegen verblijfsruimten en andere afzonderlijke ruimten, anders dan een toilet- of badruimte, technische ruimte of gemeenschappelijke verkeersruimte;

    • o. verblijfsruimte: besloten ruimte, bestemd voor het verblijven van mensen;

    • p. verkeersruimte: ruimte van een bouwwerk, bestemd voor het bereiken van een andere, van het bouwwerk deel uitmakende ruimte;

    • q. vluchtmogelijkheid: van rook gevrijwaarde route, uitsluitend voerend over een of meer vloeren, trappen of hellingbanen, langs welke route het aansluitende terrein kan worden bereikt zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend;

    • r. vluchtweg: van brand gevrijwaarde vluchtmogelijkheid die uitsluitend door een of meer verkeersruimten voert;

    • s. vrije doorgang: vrije doorgang als bedoeld in NEN 2580;

    • t. vrije hoogte: vrije hoogte als bedoeld in NEN 2580;

    • u. vrije vloeroppervlakte: vloeroppervlakte waarboven zich een vrije hoogte bevindt van ten minste 2,1 m.

  • 2 Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder:

    • a. bijeenkomstgebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte blijkens zijn constructie en inrichting is bestemd voor doeleinden van mondelinge communicatie of cultuur;

    • b. cel: gebouw of gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte blijkens zijn constructie en inrichting is bestemd voor gedwongen tijdelijk verblijf van mensen die hun hoofdverblijf elders hebben;

    • c. cellengebouw: gebouw of een gedeelte van een gebouw, in welk gebouw of welk gedeelte twee of meer cellen zijn gelegen die zijn te bereiken door een of meer verkeersruimten;

    • d. complex: verzameling van niet in een logiesgebouw gelegen logiesverblijven die in het kader van een bedrijf of in enigerlei vorm van samenwerking door de rechthebbenden wordt beheerd;

    • e. gezondheidszorggebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte blijkens zijn constructie en inrichting is bestemd voor doeleinden van medische verpleging, verzorging of behandeling dan wel van medisch onderzoek;

    • f. horecagebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, welk gebouw of gedeelte blijkens zijn constructie en inrichting is bestemd voor het bedrijfsmatig verstrekken van consumpties en het gebruik daarvan ter plaatse;

    • g. industriegebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte blijkens zijn constructie en inrichting is bestemd voor doeleinden van bedrijfsmatige bewerking of opslag van materialen of goederen, het bedrijfsmatig telen of opslaan van gewassen of het bedrijfsmatig houden van dieren;

    • h. kantoorgebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte blijkens zijn constructie en inrichting is bestemd voor doeleinden van administratie;

    • i. logiesgebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, in welk gebouw of welk gedeelte twee of meer logiesverblijven zijn gelegen die zijn te bereiken door een of meer gemeenschappelijke verkeersruimten;

    • j. logiesverblijf: gebouw of gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte blijkens zijn constructie en inrichting is bestemd voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan mensen die hun hoofdverblijf elders hebben;

    • k. onderwijsgebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte blijkens zijn constructie en inrichting is bestemd voor doeleinden van onderwijs;

    • l. sportgebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte blijkens zijn constructie en inrichting is bestemd voor doeleinden van sport;

    • m. stationsgebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte blijkens zijn constructie en inrichting is bestemd voor aankomst en vertrek van openbare voorzieningen van weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer;

    • n. winkelgebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte blijkens zijn constructie en inrichting is bestemd voor het verhandelen van materialen, goederen of diensten, en

    • o. woongebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, in welk gebouw of welk gedeelte twee of meer woningen zijn gelegen die zijn te bereiken door een of meer gemeenschappelijke verkeersruimten.

Hoofdstuk II. Technische voorschriften omtrent het bouwen van woningen en woongebouwen [Vervallen per 01-01-2003]

Afdeling 1. Voorschriften uit het oogpunt van veiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Constructieve veiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 2. Sterkte van de bouwconstructie [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een in NEN 6702 bedoelde uiterste grenstoestand van een bouwconstructie mag, opdat die constructie duurzaam bestand is tegen de daarop werkende krachten, bij de in die norm bedoelde fundamentele belastingscombinaties niet zijn overschreden.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, mag een uiterste grenstoestand van een in NEN 6702 bedoelde bouwconstructie bij de in die norm bedoelde bijzondere belastingscombinaties niet zijn overschreden.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, mag, ter voorkoming van voortschrijdende instorting, een in dat lid bedoelde uiterste grenstoestand van de in NEN 6702 bedoelde hoofddraagconstructie bij de in die norm bedoelde bijzondere belastingscombinaties, met uitzondering van de combinaties met brand, niet zijn overschreden.

  • 4 Het niet-overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, moet zijn bepaald overeenkomstig:

    • a. NEN 6710 en NEN 6770, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die normen bedoeld metaal;

    • b. NEN 6720 en NEN 6790, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die normen bedoeld steenachtig materiaal;

    • c. NEN 6760, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die norm bedoeld hout;

    • d. NEN 2608, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die norm bedoeld glas, en

    • e. NEN 6707, indien de bouwconstructie de in die norm bedoelde bevestiging van dakbedekking is.

  • 5 Indien een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan in het vierde lid is bedoeld, moet het niet-overschrijden van een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie zijn bepaald overeenkomstig NEN 6700.

  • 6 Onverminderd het derde lid, mag, opdat een woning of woongebouw bij brand op veilige wijze kan worden verlaten, een uiterste grenstoestand van een in tabel I aangegeven bouwconstructie bij de overeenkomstig NEN 6702 in geval van brand aan te houden bijzondere belastingscombinaties, gedurende de in die tabel voor die bouwconstructie aangegeven tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken, bepaald overeenkomstig NEN 6069 dan wel, voor zover van toepassing, NEN 6071, NEN 6072 of NEN 6073, niet zijn overschreden.

    Tabel I Brandwerendheid met betrekking tot bezwijken

    Bouwconstructie

    Brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minuten

    bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een vluchtmogelijkheid

    30

       

    in NEN 6702 bedoelde hoofddraagconstructie van een niet in een woongebouw gelegen woning

    60

       

    in NEN 6702 bedoelde hoofddraagconstructie van een woongebouw waarin geen vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 13 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het woongebouw

    90

       

    in NEN 6702 bedoelde hoofddraagconstructie van een woongebouw waarin een vloer van een verblijfsgebied is gelegen op een hoogte van merer dan 13 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het woongebouw

    120

  • 7 De in tabel I aangegeven waarde van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van een hoofddraagconstructie als bedoeld in die tabel, mag met ten hoogste 30 minuten zijn verminderd, indien de permanente vuurbelasting van de woning of het woongebouw, bepaald overeenkomstig NEN 6090, niet groter is dan 500 MJ/m2.

§ 2. Gebruiksveiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 3. Vloerafscheiding [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een vloer moet, ter voorkoming van het van die vloer kunnen vallen, bij de randen zijn voorzien van een afscheiding waarvan de hoogte, gemeten vanaf de vloer, ten minste 1 m is.

  • 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid, moet, indien de vloer hoger is gelegen dan 13 m boven een aangrenzende vloer of boven het aansluitende terrein of water, de hoogte van de afscheiding ten minste 1,2 m zijn.

  • 3 In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid, mag, indien de afscheiding zich bevindt ter plaatse van een raam, zijn volstaan met een hoogte van ten minste 0,85 m.

  • 4 Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op een vloer ter plaatse van de bovenste trede van een trap of ter plaatse van de bovenkant van een hellingbaan en op een vloer die niet hoger is gelegen dan 0,6 m boven een aangrenzende vloer dan wel boven het aansluitende terrein of water.

  • 5 Tussen een vloer en een afscheiding als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, mag, horizontaal gemeten, geen opening aanwezig zijn die breder is dan 0,05 m.

  • 6 Openingen in een afscheiding als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, mogen niet breder zijn dan 0,1 m, tenzij die openingen zich bevinden op een hoogte van meer dan 0,7 m boven de vloer.

  • 7 In een afscheiding als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, mogen zich, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden bevinden tussen 0,2 m en 0,7 m boven de vloer.

Artikel 4. Overbrugging van hoogteverschillen [Vervallen per 01-01-2003]

Een hoogteverschil van meer dan 0,21 m tussen vloeren van verblijfsgebieden, toiletruimten, badruimten en gemeenschappelijke verkeersruimten dan wel tussen één van die vloeren en het aansluitende terrein moet, opdat die gebieden en ruimten op veilige wijze kunnen worden bereikt en verlaten, zijn overbrugd door een trap of hellingbaan.

Artikel 5. Trap [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De afmetingen van een trap als bedoeld in artikel 4, moeten ten minste voldoen aan kolom A van tabel II, of, indien de trap is bestemd voor het ontsluiten van een woning met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 dan wel voor het ontsluiten van een woongebouw of van de in dat gebouw gelegen woningen, aan kolom B van die tabel.

    Tabel II Afmetingen van een trap

     

    A

    B

    minimum breedte van de trap

    0,8 m

    1,1 m

    minimum vrije hoogte boven de trap

    2,1 m

    2,1 m

    maximum hoogte van de trap

    4  m

    4  m

    minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede

    0,185 m

    0,21 m

    maximum afmeting van een optrede

    0,21 m

    0,21 m

    minimum breedte van het tredevlak, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak

    0,05 m

    0,17 m

    minimum breedte van het tredevlak ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak

    0,23 m

    0,23 m

    minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap

    0,3 m

    0,3 m

  • 2 In afwijking van het eerste lid, mag de trap die is bestemd voor het ontsluiten van woningen met een gezamenlijke gebruiksoppervlakte van ten hoogste 270 m2, voldoen aan kolom A van tabel II.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, mag de som van een aantrede en twee optreden, gemeten ter plaatse van de klimlijn, ten hoogste 0,7 m, doch niet minder dan 0,57 m zijn.

  • 4 Een trap die voldoet aan kolom A van tabel II en een trap als bedoeld in het tweede lid, moeten ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 0,8 m * 0,8 m.

  • 5 Een trap die moet voldoen aan kolom B van tabel II, moet ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,1 m * 1,1 m.

  • 6 Een trap als bedoeld in het eerste lid, waarmee een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 0,6 m, moet aan beide zijkanten vanaf een hoogte van 0,6 m zijn voorzien van een afscheiding met een hoogte van ten minste 0,8 m boven de voorkant van de tredevlakken van de trap.

  • 7 Op een afscheiding als bedoeld in het zesde lid, is artikel 3, vijfde tot en met zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 8 Een trap als bedoeld in het zesde lid, waarvan de klimlijn een helling heeft die groter is dan 2:3, moet aan ten minste één zijkant zijn voorzien van een leuning waarvan de bovenkant zich bevindt op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m boven de voorkant van de tredevlakken van de trap.

  • 9 In afwijking in zoverre van het achtste lid, moet een trap die moet voldoen aan kolom B van tabel II, aan beide zijkanten zijn voorzien van een leuning als bedoeld in dat lid.

  • 10 Een trap die is bestemd voor het ontsluiten van een woning of woongebouw en waarmee, gemeten vanaf het aansluitende terrein of een aangrenzende vloer, een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, moet zijn gelegen in een besloten ruimte waarvan de uitwendige scheidingsconstructie, bepaald overeenkomstig NEN 2778, ten minste regenwerend is.

Artikel 6. Hellingbaan [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een hellingbaan als bedoeld in artikel 4, moet een breedte hebben van ten minste 1,1 m, mag geen grotere hoogte hebben dan 1 m en mag voorts geen grotere helling hebben dan:

    • a. 1:12, indien het hoogteverschil niet groter is dan 0,25 m;

    • b. 1:16, indien het hoogteverschil groter is dan 0,25 m doch niet groter dan 0,5 m, en

    • c. 1:20, indien het hoogteverschil groter is dan 0,5 m.

  • 2 Een hellingbaan als bedoeld in het eerste lid, moet aan de bovenkant over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,4 m * 1,4 m.

  • 3 Een hellingbaan als bedoeld in het eerste lid, moet:

    • a. tot een hoogte van minder dan 0,6 m aan beide zijkanten zijn voorzien van een afscheiding met een hoogte van ten minste 0,04 m boven de hellingbaan, en

    • b. vanaf een hoogte van 0,6 m aan beide zijkanten zijn voorzien van een afscheiding met een hoogte van ten minste 0,85 m boven de hellingbaan.

  • 4 Op een afscheiding als bedoeld in het derde lid, is artikel 3, vijfde tot en met zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7. Elektriciteits- en noodstroomvoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning en in een woongebouw moet, opdat op veilige wijze over energie kan worden beschikt, een voorziening voor elektriciteit aanwezig zijn die ten minste voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor elektrische energie van de Vereniging van Exploitanten van Elektriciteitsbedrijven in Nederland.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, moet de voorziening voor elektriciteit in de meterruimte ten minste één aansluitmogelijkheid hebben voor aansluiting op het distributienet van elektriciteit.

  • 3 Een voorziening voor noodstroom moet ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor elektrische energie van de Vereniging van Exploitanten van Elektriciteitsbedrijven in Nederland.

Artikel 8. Verlichting [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte moet, opdat op veilige wijze van die ruimte gebruik kan worden gemaakt, ten minste één verlichtingsinstallatie aanwezig zijn die is aangesloten op de voorziening voor elektriciteit en die over de ten minste vereiste breedte van die ruimte, gemeten op de vloer van die ruimte, een verlichtingssterkte van ten minste 10 lux kan geven.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een in een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte gelegen trap of hellingbaan, alsmede op de kooi van een lift.

  • 3 De verlichtingsinstallatie van de kooi van een lift is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, die binnen vijftien seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, gedurende ten minste zestig minuten een verlichtingssterkte kan geven van ten minste één lux.

Artikel 9. Gasvoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning moet, opdat op veilige wijze over energie kan worden beschikt, een voorziening voor gas aanwezig zijn.

  • 2 Het eerste lid geldt niet voor een woning in een woongebouw, indien die woning kan worden aangesloten op een gemeenschappelijke voorziening voor de verwarming van de in dat woongebouw gelegen woningen.

  • 3 Indien het tweede lid van toepassing is, moet in het woongebouw een voorziening voor gas aanwezig zijn.

  • 4 Een voorziening voor gas moet ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor gas van de Vereniging van Exploitanten van Gasbedrijven in Nederland.

  • 5 Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing, indien de woning of het woongebouw is aangesloten op het distributienet van de stadsverwarming of op een andere voorziening die is bestemd voor de verwarming van meer dan één woning.

Artikel 10. Aansluitingen voor gas [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De voorziening voor gas, bedoeld in artikel 9, eerste lid, moet, opdat gas kan worden betrokken, in de meterruimte ten minste één aansluitmogelijkheid hebben voor aansluiting op het distributienet van gas.

  • 2 De voorziening voor gas, bedoeld in artikel 9, eerste lid, moet, opdat op die voorziening op gas gestookte verbrandingstoestellen kunnen worden aangesloten, voorts onderscheidenlijk ten minste één aansluitpunt hebben ter plaatse van:

    • a. de opstelplaats voor een kooktoestel, bedoeld in artikel 53;

    • b. de opstelplaats voor een stooktoestel, bedoeld in artikel 55, en

    • c. de opstelplaats voor een warmwatertoestel, bedoeld in artikel 56.

  • 3 Het tweede lid, aanhef en onderdeel c, is niet van toepassing, indien in de woning het stooktoestel en het warmwatertoestel zijn samengevoegd dan wel in het woongebouw een gemeenschappelijk warmwatertoestel aanwezig is.

  • 4 De voorziening voor gas, bedoeld in artikel 9, derde lid, moet, opdat gas kan worden betrokken, in de gemeenschappelijke meterruimte een aansluitmogelijkheid hebben voor aansluiting op het distributienet van gas.

  • 5 De voorziening voor gas, bedoeld in artikel 9, derde lid, moet, opdat op die voorziening een stooktoestel kan worden aangesloten, ten minste één aansluitpunt hebben ter plaatse van de opstelplaats, bedoeld in artikel 64.

Artikel 11. Beweegbare constructie-onderdelen [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich in enige stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg of boven een strook van 0,6 m grenzend aan die weg, moet, ter voorkoming van gevaar voor gebruikers van die weg of strook, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, hoger zijn gelegen dan 4,2 m boven die weg of strook.

  • 2 Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich in enige stand kan bevinden boven een niet voor motorvoertuigen openstaande weg, moet, ter voorkoming van gevaar voor gebruikers van die weg, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, hoger zijn gelegen dan 2,2 m boven die weg.

  • 3 Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich in enige stand kan bevinden boven een vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte of boven een trap of hellingbaan die in die ruimte is gelegen, moet, ter voorkoming van gevaar voor gebruikers van die ruimte, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, hoger zijn gelegen dan 2,2 m boven die vloer, respectievelijk die trap of hellingbaan.

  • 4 Het derde lid is niet van toepassing op een deur, indien de gemeenschappelijke verkeersruimte, gemeten ter plaatse van die deur in een onder een hoek van 90° geopende stand, een vrije doorgang heeft van ten minste 0,85 m.

§ 3. Brandveiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 12. Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Materiaal, toegepast ter plaatse van of in de nabijheid van een in NEN 6061 bedoelde stookplaats moet, ter beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie, onbrandbaar zijn als bedoeld in NEN 6064, voor zover:

    • a. ter plaatse van of in de nabijheid van die stookplaats een overeenkomstig NEN 6061 bepaalde intensiteit van de warmtestraling kan optreden van meer dan 2 kW/m2, of

    • b. in dat materiaal een overeenkomstig NEN 6061 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 363 K.

  • 2 Materiaal, toegepast aan de binnenzijde van een schacht, koker of kanaal moet, indien die schacht, die koker of dat kanaal grenst aan meer dan één brandcompartiment als bedoeld in NEN 6082, en een inwendige doorsnede heeft die groter is dan 0,015 m2, over een dikte van 0,01 m, gemeten loodrecht op de binnenzijde, onbrandbaar zijn als bedoeld in NEN 6064.

  • 3 Het tweede lid is niet van toepassing, indien de schacht, de koker of het kanaal is gelegen in en uitsluitend is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen toiletruimten of badruimten.

  • 4 Onverminderd het tweede lid, moet een schacht, koker of kanaal, bestemd voor de afvoer van rook, brandveilig zijn overeenkomstig NEN 6062.

  • 5 Onverminderd het tweede en vierde lid, moet materiaal waaruit de voorziening voor de afvoer van rook is samengesteld, alsmede materiaal dat in de nabijheid van die voorziening is toegepast, voor zover in dat materiaal een overeenkomstig NEN 6062 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 363 K, onbrandbaar zijn als bedoeld in NEN 6064.

  • 6 De horizontale afstand tussen de uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rook van een op vaste brandstof gestookt toestel en een in NEN 6063 bedoeld brandgevaarlijk dak van een ander bouwwerk mag niet minder zijn dan 15 m.

  • 7 Een dak mag, bepaald overeenkomstig NEN 6063, niet brandgevaarlijk zijn.

  • 8 Het zevende lid is niet van toepassing op het dak van een woning, voor zover dat dak is gelegen op een afstand van ten minste 15 m van de perceelsgrens.

  • 9 In afwijking van het achtste lid, mag, indien het perceel waarop de woning is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

Artikel 13. Beperking van de ontwikkeling van brand [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een constructie-onderdeel, met uitzondering van een dak, vloer of de bovenzijde van een trap, moet, ter beperking van de ontwikkeling van brand, ten minste behoren tot klasse 4 van de in NEN 6065 bedoelde bijdrage tot brandvoortplanting, bepaald overeenkomstig NEN 6082.

  • 2 Een vloer en de bovenzijde van een trap moeten ten minste behoren tot klasse T3 van de in NEN 1775 bedoelde bijdrage tot brandvoortplanting, bepaald overeenkomstig NEN 6082.

  • 3 In afwijking in zoverre van het eerste lid, moet een constructie-onderdeel van een ruimte waardoor een vluchtweg voert, met uitzondering van een vloer en de bovenzijde van een trap, aan de naar de vluchtweg toegekeerde zijde ten minste behoren tot klasse 2 van de bijdrage tot brandvoortplanting.

  • 4 In afwijking in zoverre van het tweede lid, moeten een vloer en de bovenzijde van een trap waarover een vluchtweg voert, behoren tot klasse T1 van de bijdrage tot brandvoortplanting.

  • 5 In afwijking in zoverre van het eerste lid, moet een uitwendige scheidingsconstructie van een woongebouw waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 5 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw, aan de naar de buitenlucht toegekeerde zijde tot een hoogte van ten minste 2,5 m boven het aansluitende terrein behoren tot klasse 1 van de in NEN 6065 bedoelde bijdrage tot brandvoortplanting.

  • 6 Het vijfde lid is niet van toepassing op een borstwering waarvan de bovenkant niet hoger is gelegen dan 1,5 m boven het aansluitende terrein, en op een deur, raam, kozijn en een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel.

Artikel 14. Beperking van uitbreiding van brand [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De in NEN 6068 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een besloten ruimte waardoor geen vluchtweg voert, anders dan een gemeenschappelijke toiletruimte of een gemeenschappelijke badruimte, en een besloten verkeersruimte waardoor een vluchtweg voert, is, ter beperking van uitbreiding van brand, bepaald overeenkomstig NEN 6068, ten minste 30 minuten. Indien die vluchtweg door een veiligheidstrappehuis voert, is die weerstand ten minste 60 minuten.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, moet de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen brandcompartimenten als bedoeld in NEN 6082, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste 60 minuten zijn.

  • 3 In afwijking van het tweede lid, mag de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen in een woongebouw gelegen woningen waarvan de permanente vuurbelasting, bepaald overeenkomstig NEN 6090, niet groter is dan 100 MJ/m2, ten minste 30 minuten zijn.

  • 4 In een inwendige scheidingsconstructie tussen brandcompartimenten als bedoeld in NEN 6082, mag zich geen beweegbaar constructie-onderdeel bevinden, anders dan een zelfsluitende deur.

  • 5 In een inwendige scheidingsconstructie tussen een stookruimte en een andere besloten ruimte mag zich geen beweegbaar constructie-onderdeel bevinden, anders dan een zelfsluitende deur.

  • 6 De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een brandcompartiment als bedoeld in NEN 6082, en een schacht, koker of kanaal met een inwendige doorsnede groter dan 0,015 m2 is, bepaald volgens NEN 6068, ten minste 60 minuten.

  • 7 Het zesde lid is niet van toepassing ten aanzien van een schacht, koker of kanaal, bestemd voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht en hetzij grenzend aan ten hoogste één brandcompartiment als bedoeld in NEN 6082, hetzij gelegen in en uitsluitend bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen toiletruimten of badruimten.

  • 8 De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een woning of woongebouw en een ander, op hetzelfde perceel gelegen gebouw moet, bepaald overeenkomstig NEN 6082, ten minste 60 minuten zijn. Dit voorschrift geldt niet tussen een woning en een gebouw met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2, bestaande uit een of meer gebouwen die:

    • 1°. uitsluitend zijn bestemd voor opslag van goederen of materialen, anders dan bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen, of

    • 2°. geen woning zijn of gebouwen zijn anders dan bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel a tot en met c en e tot en met o.

  • 9 De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een woning of woongebouw en een op een ander perceel gelegen gebouw moet, bepaald overeenkomstig NEN 6082, ten minste 60 minuten zijn, met dien verstande dat bij de bepaling van die weerstand moet zijn uitgegaan van een identiek, doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw.

  • 10 In afwijking van het achtste en negende lid mag, indien de permanente vuurbelasting van de woning of het woongebouw, bepaald overeenkomstig NEN 6090, niet groter is dan 500 MJ/m2, de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag ten minste 30 minuten zijn.

  • 11 In een inwendige scheidingsconstructie, waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, tussen een woning of woongebouw en een ander gebouw dan wel tussen een woning of woongebouw en een ander gedeelte van het gebouw waarin de woning of het woongebouw is gelegen mag zich geen beweegbaar constructie-onderdeel bevinden, anders dan een zelfsluitende deur.

Artikel 15. Vluchten uit een woning [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning moet zich, opdat bij brand vanuit de woning op veilige wijze het aansluitende terrein kan worden bereikt, tussen verblijfsruimten die niet op dezelfde bouwlaag zijn gelegen een inwendige scheidingsconstructie bevinden waarvan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bepaald overeenkomstig NEN 6068, ten minste 20 minuten is.

  • 2 In een woning moet zich tussen een verblijfsruimte en een ruimte die is gelegen op een andere bouwlaag die niet grenst aan de bouwlaag waarop de verblijfsruimte is gelegen, een inwendige scheidingsconstructie bevinden waarvan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bepaald overeenkomstig NEN 6068, ten minste 20 minuten is.

  • 3 In een woning moet zich in de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte van waaruit het aansluitende terrein niet rechtstreeks kan worden bereikt door een of meer verkeersruimten waarvan de inwendige scheidingsconstructie met een verblijfsruimte, badruimte of bergruimte een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bepaald overeenkomstig NEN 6068, heeft van ten minste 20 minuten, ten minste één beweegbaar constructie-onderdeel bevinden, waarvan de onderzijde niet hoger is gelegen dan 1 m boven de vloer van de verblijfsruimte en waarmee een opening kan worden bewerkstelligd waarvan de afmetingen in horizontale richting ten minste 0,5 m en in verticale richting ten minste 0,8 m zijn.

  • 4 In afwijking van het derde lid, moet de verblijfsruimte waarvan een vloer hoger is gelegen dan 7 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van de woning of het woongebouw, wat brandveiligheid betreft zodanig zijn ingericht, dat vanuit die ruimte op gelijkwaardige wijze het aansluitende terrein kan worden bereikt als met dat lid is beoogd.

  • 5 In afwijking in zoverre van het eerste tot en met derde lid, behoeft, indien zich in de inwendige scheidingsconstructie een deur bevindt, een onder de deur gelegen deel van die constructie met een oppervlakte van ten hoogste 0,018 m2, van welk deel de bovenkant niet meer dan 0,05 m boven het vloeroppervlak is gelegen, niet aan de in die leden gestelde eisen te voldoen.

  • 6 De kortste afstand tussen een in NEN 6061 bedoelde stookplaats en de verticale projectie van een trap waarmee een hoogteverschil is overbrugd tussen de vloer van de ruimte waarin die opstelplaats zich bevindt en de vloer van een hoger gelegen ruimte, mag niet minder zijn dan 1,5 m.

Artikel 16. Vluchtmogelijkheden [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een woning met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 en een woongebouw moeten, opdat bij brand vanuit die woning of dat gebouw op veilige wijze het aansluitende terrein kan worden bereikt, zijn voorzien van vluchtmogelijkheden die wat aantal, situering en inrichting betreft, ten minste voldoen aan het daaromtrent gestelde in NEN 6082.

  • 2 De in NEN 6066 bedoelde rookproduktie van een constructie-onderdeel mag aan de naar een besloten ruimte van de woning of het woongebouw toegekeerde zijde, bepaald overeenkomstig NEN 6082, geen grotere rookdichtheid als bedoeld in NEN 6066 hebben dan 10 m-1.

  • 3 In afwijking in zoverre van het tweede lid moet, indien door de besloten ruimte een vluchtweg voert, de rookdichtheid een waarde hebben van ten minste:

    • a. 5,4 m-1, indien het constructie-onderdeel behoort tot klasse 1 van de in NEN 6065 bedoelde bijdrage tot brandvoortplanting, bepaald overeenkomstig NEN 6082, en

    • b. 2,2 m-1, indien het constructie-onderdeel behoort tot klasse 2 van de in NEN 6065 bedoelde bijdrage tot brandvoortplanting, bepaald overeenkomstig NEN 6082.

  • 4 Het derde lid is niet van toepassing op een vloer en de bovenzijde van een trap waarover de vluchtweg voert.

  • 5 De in NEN 6075 bedoelde weerstand tegen rookdoorgang tussen:

    • a. ruimten waardoor een vluchtweg voert;

    • b. een in NEN 6082 bedoeld brandcompartiment en een in die norm bedoeld vluchttrappehuis;

    • c. een in NEN 6082 bedoeld brandcompartiment en een liftschacht waarin een brandweerlift is gelegen;

    • d. een schacht, koker of kanaal en een ruimte waardoor een vluchtweg voert, en

    • e. een schacht, koker of kanaal en een liftschacht waarin een brandweerlift is gelegen,

    moet, bepaald overeenkomstig NEN 6075, een waarde hebben van ten minste 30 minuten.

  • 6 Het vijfde lid is niet van toepassing ten aanzien van een schacht, koker of kanaal, welke is bestemd voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht en is gelegen in en uitsluitend is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen toiletruimten of badruimten.

  • 7 In de inwendige scheidingsconstructie tussen de in het vijfde lid, onderdelen a tot en met c bedoelde ruimten mag zich geen beweegbaar constructie-onderdeel bevinden, anders dan een deur die, tenzij het in onderdeel b bedoelde brandcompartiment een woning is, zelfsluitend moet zijn.

Artikel 17. Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woongebouw mag, opdat de brandweer gebruikers van dat gebouw in geval van brand kan redden en brand kan bestrijden, de afstand tussen een toegang van een gemeenschappelijke verkeersruimte waarin een trap is gelegen waarover een vluchtmogelijkheid voert, en de toegang van een op die trap aangewezen, op dezelfde bouwlaag gelegen woning of gemeenschappelijk verblijfsgebied, gemeten langs de kortste route, niet groter zijn dan 45 m.

  • 2 Een woongebouw waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 20 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw, moet zijn voorzien van een overeenkomstig het derde lid te bepalen aantal brandweerliften waarvan de inrichting ten minste voldoet aan NEN-EN 81-1 voor zover het een elektrisch aangedreven lift betreft, of NEN-EN 81-2 voor zover het een hydraulisch aangedreven lift betreft.

  • 3 De afstand tussen de toegang van een brandweerlift en de toegang van een op die lift aangewezen, op dezelfde bouwlaag gelegen woning of gemeenschappelijk verblijfsgebied, mag, gemeten langs de kortste route, niet groter zijn dan 90 m.

  • 4 Een woning met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 moet, opdat gebruikers van die woning op veilige wijze uit die woning kunnen vluchten, zijn voorzien van vluchtwegaanduidingen die ten minste voldoen aan NEN 6088.

Artikel 18. Bestrijding van brand [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een woongebouw waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 20 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw, moet, met het oog op brandbestrijding, zijn voorzien van een overeenkomstig het tweede lid te bepalen aantal droge blusleidingen waarvan de inrichting ten minste voldoet aan NEN 1594.

  • 2 De afstand tussen een brandslangaansluiting van een blusleiding als bedoeld in het eerste lid, en een toegang van een op die aansluiting aangewezen, op dezelfde bouwlaag gelegen woning of gemeenschappelijk verblijfsgebied mag, gemeten langs de kortste route, niet groter zijn dan 50 m.

  • 3 Indien in een woongebouw een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw, moet een blusleiding als bedoeld in het eerste lid, zijn voorzien van een elektrisch aangedreven pomp.

  • 4 De pomp, bedoeld in het derde lid, moet zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom, opdat die pomp binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 24 uren kan functioneren en gedurende ten minste 6 uren in bedrijf kan blijven.

  • 5 Een woning met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 moet zijn voorzien van een overeenkomstig het zevende lid te bepalen aantal brandslanghaspels.

  • 6 Een brandslanghaspel als bedoeld in het vijfde lid, moet zijn voorzien van een slang met een lengte van ten hoogste 20 m, van welke slang de statische druk bij het mondstuk bij gelijktijdig gebruik van twee op dezelfde waterleiding aangesloten brandslanghaspels ten minste 100 kPa is en de capaciteit ten minste 1,3 m3/h is.

  • 7 Bij de bepaling van het aantal brandslanghaspels als bedoeld in het vijfde lid, moet, opdat elk punt van een vloer van de woning met bluswater kan worden bereikt, zijn uitgegaan van:

    • a. 2/3 van de beschikbare slanglengte, voor zover die slang voert door een verblijfsgebied, en

    • b. de totale beschikbare slanglengte, voor zover die slang niet voert door een verblijfsgebied,

    vermeerderd met 5 m.

Artikel 19. Brandveiligheid van woongebouwen hoger dan 70 m [Vervallen per 01-01-2003]

Onverminderd de artikelen 12 tot en met 18, moet een woongebouw waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 70 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw, wat brandveiligheid betreft zodanig zijn ingericht dat het gebouw in gelijke mate brandveilig is als is beoogd met de bij of krachtens die artikelen gegeven voorschriften.

§ 4. Sociale veiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 20. Toegang van een woongebouw [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een toegang van een woongebouw moet, met het oog op het tegengaan van veel voorkomende criminaliteit, zijn voorzien van een zelfsluitende deur die van buitenaf slechts met behulp van een sleutel kan worden geopend.

  • 2 Ten minste één deur als bedoeld in het eerste lid, moet vanuit elke woning die op die deur is aangewezen, rechtstreeks kunnen worden geopend.

  • 3 Ter plaatse van de in het tweede lid bedoelde deur moet aan de buitenkant een voorziening aanwezig zijn waarmee een in de woning waarneembaar signaal kan worden gegeven, alsmede een vanuit de woning bedienbare spreekinstallatie.

Artikel 20a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen in een uitwendige scheidingsconstructie van een woning, die bepaald overeenkomstig NEN 5087, bereikbaar zijn, moeten, bepaald overeenkomstig NEN 5096, een weerstandsklasse voor inbraakwerendheid hebben van tenminste 2.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie tussen een woning en een niet in die woning gelegen ruimte.

§ 5. Gelijkwaardige veiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 2 tot en met 20a, moet een woning of woongebouw een mate van veiligheid bieden die ten minste gelijk is aan de mate van veiligheid die is beoogd met het desbetreffende bij of krachtens die artikelen gegeven voorschrift.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid en het desbetreffende voorschrift tevens valt te herleiden tot overwegingen van gezondheid, bruikbaarheid of energiezuinigheid, moeten die overwegingen daarbij in ten minste dezelfde mate in acht zijn genomen.

Afdeling 2. Voorschriften uit het oogpunt van gezondheid [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Bescherming tegen schadelijke of hinderlijke invloeden [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 22. Bescherming tegen geluid van buiten [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht moet, ter beperking van geluidhinder in het verblijfsgebied, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste gelijk zijn aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die scheidingsconstructie, bepaald overeenkomstig de Wet geluidhinder (Stb. 1979, 99), en 35 dB(A), met een minimum van 20 dB(A).

  • 2 In afwijking van het eerste lid moet, indien ingevolge de Wet geluidhinder in het verblijfsgebied een hogere geluidsbelasting dan 35 dB(A) is toegestaan, de karakteristieke geluidwering van een in dat lid bedoelde uitwendige scheidingsconstructie, bepaald overeenkomstig NEN 5077, ten minste gelijk zijn aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die scheidingsconstructie en de toegestane geluidsbelasting in dat gebied, met een minimum van 20 dB(A).

  • 3 De in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht, moet, bepaald overeenkomstig NEN 5077, afhankelijk van de in de eerste kolom van tabel III gegeven geluidsbelasting van die constructie, bepaald overeenkomstig de Luchtvaartwet (Stb. 1958, 47), ten minste gelijk zijn aan de bij die geluidsbelasting in de tweede kolom van die tabel aangegeven waarde. Tabel III Geluidwering in geval van luchtvaartlawaai

    Geluidsbelasting in Ke Vereiste karakteristieke geluidwering

    in dB(A)

    36-40 30

    41-45 33

    46-50 36

    meer dan 50 39

  • 4 De karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van een woning, bestemd voor nachtverblijf, die de scheiding vormt tussen dat gebied en de buitenlucht, bepaald volgens NEN 5077, is ten minste gelijk aan het verschil tussen de LAeq geluidsbelasting, veroorzaakt door structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer, op die constructie en LAeq 26 dB(A); de LAeq geluidsbelasting in dB(A) buiten een woning voor startend en landend vliegverkeer wordt berekend overeenkomstig de Regeling berekening nachtelijke geluidsbelasting, waarbij de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie onderscheiden naar startend en landend vliegverkeer (Lgevel;m) gelijk wordt gesteld aan 0 dB(A).

  • 5 Indien krachtens de Luchtvaartwet of artikel 108 van de Wet geluidhinder een andere dan de in het derde en het vierde lid, gegeven eis ten aanzien van de geluidwering van een in dat lid bedoelde uitwendige scheidingsconstructie is gesteld, blijven het derde en het vierde lid buiten toepassing.

  • 6 Indien op grond van het eerste tot en met het vijfde lid met betrekking tot een of meer soorten geluid tegelijkertijd verschillende eisen aan de geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie zijn gesteld, geldt de zwaarste van de ingevolge die leden gestelde eisen.

  • 7 Op een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, voor zover die constructie niet de scheiding vormt met een ander verblijfsgebied, zijn het eerste tot en met het zesde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 8 De in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, voor zover die constructie de scheiding vormt met de buitenlucht, moet, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste gelijk zijn aan de waarde van de karakteristieke geluidwering, bedoeld in het eerste tot en met het zesde lid, verminderd met 2 dB(A).

  • 9 Op een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, voor zover die constructie niet de scheiding vormt met een andere verblijfsruimte, is het achtste lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23. Bescherming tegen geluid van installaties [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidsniveau van een in een woning gelegen toilet met waterspoeling, kraan of mechanisch ventilatiesysteem mag, ter beperking van geluidsoverlast, bepaald overeenkomstig die norm, in een niet tot die woning behorend verblijfsgebied niet hoger zijn dan 30 dB(A).

  • 2 Het in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidsniveau van een in een woongebouw, doch buiten een van dat gebouw deel uitmakende woning gelegen toilet met waterspoeling, warmwatertoestel, installatie voor het verhogen van de waterdruk, kraan, mechanisch ventilatiesysteem of lift, mag, bepaald overeenkomstig die norm, in een verblijfsgebied van een woning of van een ander gebouw niet hoger zijn dan 30 dB(A).

Artikel 24. Geluidwering tussen ruimten [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De in NEN 5077 bedoelde karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de in die norm bedoelde isolatie-index voor contactgeluid tussen een besloten ruimte van een woning en een niet tot die woning behorend verblijfsgebied alsmede tussen een besloten ruimte van een woongebouw en een in een woning gelegen verblijfsgebied moeten, ter beperking van geluidhinder in het verblijfsgebied, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste gelijk zijn aan 0 dB.

  • 2 De in NEN 5077 bedoelde karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de in die norm bedoelde isolatie-index voor contactgeluid tussen een besloten ruimte van een woning en een tot een andere woning of een woongebouw behorende besloten, niet van een verblijfsgebied deel uitmakende ruimte, geen gemeenschappelijke verkeersruimte zijnde, moeten, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste gelijk zijn aan -5 dB.

  • 3 De in NEN 5077 bedoelde karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de in die norm bedoelde isolatie-index voor contactgeluid tussen in een woning gelegen verblijfsruimten moeten, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste gelijk zijn aan -20 dB.

  • 4 Het derde lid is niet van toepassing, indien de in dat lid bedoelde verblijfsruimten in dezelfde bouwlaag zijn gelegen en in open verbinding staan met elkaar dan wel zich in de inwendige scheidingsconstructie tussen die verblijfsruimten een beweegbaar constructie-onderdeel bevindt.

Artikel 25. Beperking van galm [Vervallen per 01-01-2003]

De getalwaarde van de in NEN 5078 bedoelde totale geluidsabsorptie van een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte die is bestemd voor het ontsluiten van in een woongebouw gelegen woningen, moet, ter beperking van geluidhinder in aan die verkeersruimte grenzende woningen, in elk van de octaafbanden met middenfrequenties van 250, 500, 1000 en 2000 Hz, uitgedrukt in m2 en bepaald overeenkomstig die norm, ten minste gelijk zijn aan 1/8 van de getalwaarde van de inhoud van die ruimte, uitgedrukt in m3.

Artikel 26. Wering van vocht van buiten [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte moet, ter beperking van het kunnen binnendringen van vocht in de woning of het woongebouw, bepaald overeenkomstig NEN 2778, waterdicht zijn.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte en de kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die constructie aan dit lid.

  • 3 Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte, voorzover die constructie niet de scheiding vormt met een ander verblijfsgebied of met een andere toiletruimte of badruimte, moet, bepaald overeenkomstig NEN 2778, waterdicht zijn.

  • 4 Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte en de kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die constructie aan dit lid, mag, bepaald overeenkomstig NEN 2690, geen grotere specifieke luchtvolumestroom als bedoeld in die norm hebben dan 20.10-6 m3/(m2.s).

Artikel 27. Wering van vocht van binnen [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De in NEN 2778 bedoelde factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte mag, ter beperking van vorming van allergenen, bepaald overeenkomstig die norm, niet lager zijn dan 0,65.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte en de kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die constructie aan dit lid.

  • 3 De in NEN 2778 bedoelde factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte van een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte, voor zover die constructie niet de scheiding vormt met een ander verblijfsgebied of met een andere toiletruimte of badruimte, mag, bepaald overeenkomstig die norm, niet lager zijn dan 0,65.

  • 4 Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op in de in die leden bedoelde scheidingsconstructies aanwezige kozijnen, alsmede op in die constructies aanwezige deuren en ramen of daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen.

  • 5 Een constructie die de scheiding vormt tussen een toiletruimte en een andere besloten ruimte, de buitenlucht, de grond of het water, mag, ter beperking van het vanuit de toiletruimte kunnen binnendringen van vocht in die constructie, aan de naar de toiletruimte toegekeerde oppervlakte tot een hoogte van 1,2 m boven de vloer van die ruimte, bepaald overeenkomstig NEN 2778, gemiddeld geen grotere wateropname als bedoeld in die norm hebben dan 0,01 kg/(m2.s½), met dien verstande dat op geen enkele plaats op die oppervlakte de wateropname groter mag zijn dan 0,2 kg/(m2.s1/2).

  • 6 Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op een badruimte, met dien verstande dat ter plaatse van het bad of de douche over een lengte van ten minste 3 m een hoogte van 2,1 m boven de vloer van die ruimte moet zijn aangehouden.

§ 2. Bescherming tegen schadelijke of hinderlijke stoffen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 28. Afvoer van afvalwater en faecaliën [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een woning of woongebouw moet, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie in en bij de woning of het woongebouw, een voorziening hebben voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, die kan worden aangesloten op het openbaar riool.

  • 2 De voorziening voor afvalwater en faecaliën heeft ten minste één aansluitpunt:

    • a. bij een opstelplaats voor het aanrecht;

    • b. in een toiletruimte;

    • c. in een badruimte, en

    • d. bij een opstelplaats voor wasapparatuur.

  • 3 De voorziening voor afvalwater en faecaliën moet een capaciteit hebben die, bepaald overeenkomstig NEN 3215, ten minste gelijk is aan de in die norm aangegeven belasting van die voorziening en moet, bepaald overeenkomstig die norm, lucht- en waterdicht zijn.

Artikel 29. Afvoer van hemelwater [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het dak moet, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie bij de woning of het woongebouw, een voorziening hebben voor de opvang en afvoer van hemelwater, die kan worden aangesloten op het openbaar riool.

  • 2 De voorziening voor hemelwater moet voor de opvang en afvoer van hemelwater een capaciteit hebben die, bepaald overeenkomstig NEN 3215, ten minste gelijk is aan de overeenkomstig die norm bepaalde belasting van die voorziening.

  • 3 De voorziening voor hemelwater, voor zover die voorziening binnen de woning of het woongebouw is gelegen, moet, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie in de woning of het woongebouw, bepaald overeenkomstig NEN 3215, lucht- en waterdicht zijn.

  • 4 De voorziening voor hemelwater mag zijn samengevoegd met de voorziening voor afvalwater en faecaliën, tenzij de voorziening voor hemelwater kan worden aangesloten op het openbaar riool dat uitsluitend is bestemd voor de afvoer van hemelwater.

  • 5 Indien toepassing is gegeven aan het vierde lid, moet de samengevoegde voorziening een capaciteit hebben die, bepaald overeenkomstig NEN 3215, ten minste gelijk is aan de overeenkomstig die norm bepaalde belasting van die voorziening.

Artikel 30. Luchtverversing van een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte moet, ter beperking van het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht, een voorziening aanwezig zijn voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht.

  • 2 De inrichting van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet voldoen aan NEN 1087, met dien verstande dat:

    • a. bij de bepaling van de richting van de luchtstroming, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven, en

    • b. bij de bepaling van de ligging van een opening van de voorziening, voorzieningen voor de afvoer van rook en voorzieningen voor de afvoer van binnenlucht die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woningbouw is gelegen, en voorzieningen ten behoeve van de ontluchting van een voorziening voor afvalwater en faecaliën buiten beschouwing blijven.

  • 3 Een opening van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet zijn gelegen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de woning of het woongebouw.

  • 4 In afwijking van het derde lid, mag, indien het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

  • 5 De voorziening voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsgebied en voor de afvoer van binnenlucht uit dat gebied moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste 0,9.10-3 m3/s per m2 vloeroppervlakte van dat gebied, met een minimum van 7.10-3 m3/s.

  • 6 Onverminderd het vijfde lid, moet, indien in het verblijfsgebied een opstelplaats voor een kooktoestel is gelegen, de capaciteit voor de toevoer van verse lucht naar dat gebied en de afvoer van binnenlucht uit dat gebied, bepaald overeenkomstig NEN 1087, ten minste 21.10-3 m3/s zijn, met dien verstande dat de afvoer van die capaciteit rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden.

  • 7 De toevoer van verse lucht, bedoeld in het vijfde en zesde lid, naar een in een woning gelegen verblijfsgebied moet plaatsvinden vanuit een ander in die woning gelegen verblijfsgebied, een tot de woning behorende verkeersruimte of van buiten, met dien verstande dat ten minste 50% van de in die leden bedoelde capaciteit voor de toevoer naar de in de woning gelegen verblijfsgebieden rechtstreeks van buiten moet plaatsvinden.

  • 8 De toevoer van verse lucht, bedoeld in het vijfde en zesde lid, naar een gemeenschappelijk verblijfsgebied van een woongebouw moet rechtstreeks van buiten plaatsvinden.

  • 9 De voorziening voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsruimte en voor de afvoer van binnenlucht uit die ruimte moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste 7.10-3 m3/s.

  • 10 Onverminderd het negende lid, moet, indien zich in de verblijfsruimte een opstelplaats voor een kooktoestel bevindt, de capaciteit voor de toevoer van verse lucht naar die ruimte en de afvoer van binnenlucht uit die ruimte ten minste 21.10-3 m3/s zijn, met dien verstande dat de afvoer van die capaciteit rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden.

  • 11 De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste:

    • a. 7.10-3 m3/s voor een toiletruimte, en

    • b. 14.10-3 m3/s voor een al of niet met een toiletruimte samengevoegde badruimte.

  • 12 De afvoer van binnenlucht, bedoeld in het elfde lid, moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.

  • 13 In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een woning moeten, opdat sterk verontreinigde binnenlucht snel kan worden afgevoerd, beweegbare constructie-onderdelen aanwezig zijn waarmee, bepaald overeenkomstig NEN 1087, in een verblijfsgebied een totale capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kan worden bewerkstelligd van ten minste 6.10-3 m3/s per m2 vloeroppervlakte van dat gebied.

  • 14 Onverminderd het dertiende lid, moet in een verblijfsruimte een capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kunnen worden bewerkstelligd van ten minste 3.10-3 m3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

Artikel 31. Luchtverversing van overige ruimten [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een ruimte als bedoeld in het vijfde lid moet, ter beperking van het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht, een voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht aanwezig zijn.

  • 2 De inrichting van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, wat de richting van de luchtstroming betreft, voldoen aan NEN 1087, met dien verstande dat bij de bepaling van die richting bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven. Op de inrichting van de voorziening voor de afvoer van binnenlucht van een opslagruimte voor afval is voorts van toepassing de eis voor de plaats van een opening, bedoeld in NEN 1087; daarbij blijven buiten beschouwing bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een aangrenzend perceel liggen.

  • 3 Een opening de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet zijn gelegen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de woning of het woongebouw.

  • 4 In afwijking van het derde lid, mag, indien het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

  • 5 De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste:

    • a. 0,7.10-3 m3/s per m2 vrije vloeroppervlakte van een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte, gemeten over de ten minste vereiste breedte van die ruimte;

    • b. 6.10-3 m3/s per m2 vrije vloeroppervlakte van een liftkooi;

    • c. 0,1 m3/s voor een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m3, en

    • d. 2.10-3 m3/s per m3 netto-inhoud voor een meterruimte, met een minimum van 2.10-3 m3/s.

  • 6 De toevoer van verse lucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte of een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m3, moet rechtstreeks van buiten plaatsvinden.

  • 7 De afvoer van binnenlucht uit een gemeenschappelijke verkeersruimte of een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m3 moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.

  • 8 De toevoer van verse lucht naar de kooi van een brandweerlift en de afvoer van binnenlucht uit die kooi moeten plaatsvinden vanuit respectievelijk naar de liftschacht.

  • 9 De toevoer van verse lucht naar de liftschacht, bedoeld in het achtste lid, en de afvoer van binnenlucht uit die schacht mogen niet vanuit respectievelijk naar een andere binnen de woning of het woongebouw gelegen besloten ruimte plaatsvinden, tenzij die ruimte een gemeenschappelijke verkeersruimte is, waarin een trap is gelegen die is bestemd voor het ontsluiten van in het woongebouw gelegen woningen.

Artikel 32. Verbrandingslucht en rook [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning of woongebouw moet, ter voorkoming van een onaanvaardbare ophoping van vergiftige of hinderlijke gassen, ten behoeve van een opstelplaats voor een verbrandingstoestel, niet zijnde een kooktoestel met een nominale belasting als bedoeld in NEN 2757 van niet meer dan 15 kW, een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook aanwezig zijn.

  • 2 De voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook moet, wat de toevoer van verbrandingslucht betreft, bepaald overeenkomstig NEN 1087, en, wat de afvoer van rook betreft, bepaald overeenkomstig NEN 2757, een in NEN 2757 aangegeven capaciteit hebben.

  • 3 Onverminderd het tweede lid, moet bij een verbrandingstoestel met een nominale belasting als bedoeld in NEN 2757 van meer dan 130 kW, de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook zodanig zijn, dat de toe- en afvoer met een op dat toestel afgestemde capaciteit plaatsvinden.

  • 4 Onverminderd het tweede of derde lid, moet, tenzij artikel 9, vijfde lid, van toepassing is, ten behoeve van:

    • a. de opstelplaats voor een kooktoestel, bedoeld in artikel 53 of 62, zijn uitgegaan van een op gas gestookt toestel met een belasting van ten minste 2 kW;

    • b. de opstelplaats voor een stooktoestel, bedoeld in artikel 55 of 64, zijn uitgegaan van een op gas gestookt toestel met een belasting van ten minste 30 W per m2 gebruiksoppervlakte van de woning of van de op dat toestel aangewezen woningen in een woongebouw met een minimum van 6 kW per opstelplaats, en

    • c. de opstelplaats voor een warmwatertoestel, bedoeld in artikel 56 of 65, zijn uitgegaan van een op gas gestookt toestel met een belasting van ten minste 20 W per m2 gebruiksoppervlakte van de woning of van de op dat toestel aangewezen woningen in een woongebouw met een minimum van 6 kW per opstelplaats.

  • 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid, mag, indien het warmwatertoestel is samengevoegd met het stooktoestel, zijn uitgegaan van een belasting van dat samengevoegde toestel van ten minste 30 W per m2 gebruiksoppervlakte van de woning, met een minimum van 6 kW per opstelplaats.

  • 6 De inrichting van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die voorziening is bestemd voor de toevoer van verbrandingslucht, moet, indien die toevoer rechtstreeks van buiten plaatsvindt, ten minste voldoen aan NEN 2757, met dien verstande dat:

    • a. bij de bepaling van de richting van de luchtstroming, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven, en

    • b. bij de bepaling van de ligging van een opening van de voorziening, voorzieningen voor de afvoer van rook en voorzieningen voor de afvoer van binnenlucht die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, en voorzieningen ten behoeve van de ontluchting van een voorziening voor afvalwater en faecaliën buiten beschouwing blijven.

  • 7 De opening van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die opening is bestemd voor de toevoer van verbrandingslucht, moet zijn gelegen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de woning of het woongebouw.

  • 8 In afwijking van het zevende lid, mag, indien het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

  • 9 De inrichting van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die voorziening is bestemd voor de afvoer van rook, moet ten minste voldoen aan NEN 2757, met dien verstande dat:

    • a. bij de bepaling van de plaats van de uitmonding van die voorziening in een uitwendige scheidingsconstructie, niet zijnde het dak, tussen die uitmonding en de perceelsgrens, langszij gemeten, een afstand moet zijn aangehouden van ten minste 1 m en, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie, van ten minste 2 m, en

    • b. bij de bepaling van de plaats van de uitmonding van die voorziening, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven.

  • 10 In afwijking van het negende lid, onderdeel a, mag, indien het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

  • 11 Indien toepassing is gegeven aan het negende lid, aanhef en onderdeel b, moet de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die voorziening is bestemd voor natuurlijke afvoer van rook, ter voorkoming van het terugstromen van die rook, zijn voorzien van een goed functionerende kap.

Artikel 33. Beperking van de toepassing van schadelijke materialen [Vervallen per 01-01-2003]

Bij ministeriële regeling kunnen, ter beperking van de aanwezigheid in of bij een woning of woongebouw van een voor de gezondheid onaanvaardbare mate van vergiftige of hinderlijke stoffen of van ioniserende stralen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82), voorschriften worden gegeven omtrent het in de constructie toepassen van materialen waaruit die stoffen kunnen vrijkomen of die stralen kunnen ontstaan.

Artikel 34. Beperking van het kunnen binnendringen van uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling [Vervallen per 01-01-2003]

Bij ministeriële regeling kunnen, ter beperking van blootstelling van gebruikers van een woning of woongebouw aan uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling, voorschriften worden gegeven waaraan een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met de grond, alsmede een constructie die de scheiding vormt tussen een woning of woongebouw en de kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die constructie aan dit artikel, moeten voldoen.

§ 3. Wering van schadelijk of hinderlijk gedierte [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 35. Bescherming tegen ratten en muizen [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een uitwendige scheidingsconstructie mogen zich, ter beperking van het in de woning of het woongebouw kunnen binnendringen van ratten en muizen, geen onafsluitbare openingen bevinden die breder zijn dan 0,01 m.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op een opening die aan de bovenkant de uitmonding vormt van een verticaal kanaal.

  • 3 Onder een woning of woongebouw moet ter plaatse van de uitwendige scheidingsconstructie tot een diepte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf het aansluitende terrein, een scherm aanwezig zijn waarin zich geen openingen bevinden die breder zijn dan 0,01 m.

§ 4. Watervoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 36. Drinkwatervoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning of woongebouw moet, opdat kan worden beschikt over voor de menselijke consumptie en hygiëne geschikt water, een voorziening voor drinkwater aanwezig zijn.

  • 2 De inrichting van een voorziening voor drinkwater moet ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland.

Artikel 37. Aansluitingen voor drinkwater [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De voorziening voor drinkwater, bedoeld in artikel 36, eerste lid, moet, opdat drinkwater kan worden betrokken, in de meterruimte, bedoeld in artikel 50, of, indien toepassing is gegeven aan artikel 58, 59, 62, 63 of 65, in de meterruimte, bedoeld in artikel 61, ten minste één aansluitmogelijkheid hebben voor aansluiting op het distributienet van drinkwater.

  • 2 De voorziening voor drinkwater heeft, opdat op die voorziening watertoestellen kunnen worden aangesloten, voorts ten minste één aansluitpunt:

    • a. bij een opstelplaats voor het aanrecht;

    • b. in een toiletruimte;

    • c. in een badruimte;

    • d. bij een opstelplaats voor wasapparatuur;

    • e. bij een opstelplaats voor een warmwatertoestel, en

    • f. bij een brandslanghaspel.

Artikel 38. Warmwatervoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning of woongebouw, moet, opdat kan worden beschikt over voor de menselijke hygiëne geschikt warm water, een voorziening voor warm water aanwezig zijn, waarvan de inrichting ten minste voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland.

  • 2 De warmwatervoorziening moet, opdat voor de menselijke hygiëne geschikt warm water kan worden betrokken, ter plaatse van de opstelplaats voor een warmwatertoestel, bedoeld in artikel 56 of 65, ten minste één aansluitpunt hebben voor aansluiting van dat toestel op die voorziening.

  • 3 De warmwatervoorziening heeft voorts ten minste één aansluitpunt in de badruimte.

§ 5. Daglichttoetreding [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 39. Daglicht en uitzicht [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een verblijfsgebied moet, met het oog op de toetreding van daglicht en het uitzicht naar buiten, een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in NEN 2057, aanwezig zijn, die, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste gelijk is aan 10% van de vloeroppervlakte van het verblijfsgebied.

  • 2 In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een verblijfsruimte moet, bepaald overeenkomstig NEN 2057, een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in die norm, van ten minste 0,5 m2 aanwezig zijn.

  • 3 Bij de bepaling van de in het eerste en tweede lid bedoelde equivalente daglichtoppervlakte blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, en daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie, voor zover die openingen, gemeten loodrecht op die openingen, zijn gelegen op een afstand van minder dan 2 m van de perceelsgrens, buiten beschouwing.

  • 4 In afwijking in zoverre van het derde lid, mag, indien het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

  • 5 Bij de bepaling van de in het eerste en tweede lid bedoelde equivalente daglichtoppervlakte moet de in rekening te brengen belemmeringshoek , bedoeld in NEN 2057, ten minste 25° zijn.

  • 6 In afwijking in zoverre van het eerste of tweede lid, mag de equivalente daglichtoppervlakte zich bevinden in een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied of verblijfsruimte, indien die inwendige constructie niet de scheiding vormt met een ander verblijfsgebied of met een toiletruimte, badruimte of bergruimte.

§ 6. Gelijkwaardige bescherming van de gezondheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 40 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 22 tot en met 39, moet een woning of woongebouw een mate van bescherming van de gezondheid bieden, die ten minste gelijk is aan de mate van bescherming die is beoogd met het desbetreffende bij of krachtens die artikelen gegeven voorschrift.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid en het desbetreffende voorschrift tevens valt te herleiden tot overwegingen van veiligheid, bruikbaarheid of energiezuinigheid, moeten die overwegingen daarbij in ten minste dezelfde mate in acht zijn genomen.

Afdeling 3. Voorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Toegankelijkheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 41 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een toegang van een woning of woongebouw, een verblijfsgebied, een verblijfs-, toilet-, en badruimte, de bergruimte, de gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval, een gemeenschappelijk verblijfsgebied, een gemeenschappelijke verblijfsruimte, een gemeenschappelijke verkeersruimte en van een lift, heeft, met het oog op de toegankelijkheid, een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste 2,1 m boven die breedte.

  • 2 Een verkeersruimte heeft een vrije vloeroppervlakte met een breedte van ten minste 0,85 m. Voor een gemeenschappelijke verkeersruimte is de breedte ten minste 1,1 m.

  • 3 In een woongebouw is ter plaatse van de toegang van dat gebouw en ter plaatse van de toegang van een lift een vrije vloeroppervlakte gelegen met een breedte van ten minste 1,5 m en een lengte van ten minste 1,5 m.

  • 4 Een gemeenschappelijke verkeersruimte heeft, opdat rolstoelgebruikers kunnen keren, ten minste één vrije vloeroppervlakte met een breedte van ten minste 1,5 m en een lengte van 1,5 m. Deze eis geldt niet, indien een rolstoelgebruiker vanaf die verkeersruimte zonder te behoeven keren het aansluitende terrein kan bereiken.

Artikel 42. Bereikbaarheid [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het hoogteverschil tussen ten minste één toegang van een woning en van een woongebouw en het aansluitende terrein of de vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte is, opdat die woning mede door rolstoelgebruikers kan worden binnengegaan en verlaten, ten hoogste 0,02 m.

    Het hoogteverschil tussen een vloer van een woning of van een woongebouw en de buitenruimte is ten hoogste 0,02 m.

  • 2 In of bij een woongebouw waarin de toegang van een woning hoger ligt dan 3 m boven de vloer ter plaatse van de toegang van het woongebouw, is op elke bouwlaag van dat gebouw een opstelplaats voor een lift aanwezig. De oppervlakte van deze opstelplaats is afgestemd op het kunnen plaatsen van een lift met een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.

  • 3 Een hoogteverschil tussen de toegang van een woning, gelegen in een woongebouw, en ten minste één toegang van het gebouw is, onverminderd artikel 4, overbrugd door een lift, indien:

    a. de vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 12,5 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het woongebouw, of

    b. het woongebouw een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 3.500 m2 die hoger ligt dan 1,5 m boven de vloer ter plaatse van de toegang van het woongebouw.

    In het woongebouw mag de afstand tussen de toegang van de lift en de toegang van een op die lift aangewezen, op dezelfde bouwlaag gelegen woning, gemeten langs de kortste route, niet groter zijn dan 90 m.

    De kooi van de lift heeft een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.

  • 4 In een woongebouw met een lift mag geen groter hoogteverschil dan 0,02 m aanwezig zijn tussen de vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte en de vloer van:

    • a. een liftkooi;

    • b. een andere gemeenschappelijke verkeersruimte, indien door die verkeersruimten vanaf de toegang van het woongebouw of vanaf de toegang van een woning de lift kan worden bereikt, en

    • c. een gemeenschappelijke toiletruimte.

Artikel 43. Bijzondere toegankelijkheid [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 moet, opdat die woning mede door rolstoelgebruikers kan worden gebruikt, ten minste 35% van het verblijfsgebied zijn gelegen in een gedeelte van de woning dat rechtstreeks bereikbaar is vanaf het aansluitende terrein.

  • 2 Een verkeersruimte in het in het eerste lid bedoelde gedeelte van de woning moet een vrije vloeroppervlakte hebben met een breedte van ten minste 1,4 m.

  • 3 Een toegang van een ruimte, gelegen in het in het eerste lid bedoelde gedeelte van de woning, moet een vrije doorgang hebben met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste 2,1 m.

  • 4 In het in het eerste lid bedoelde gedeelte van de woning moeten ten minste één toiletruimte en ten minste één badruimte zijn gelegen.

  • 5 Het hoogteverschil tussen ten minste één toegang van het in het eerste lid bedoelde gedeelte van de woning en het aansluitende terrein mag niet groter zijn dan 1 m en moet, tenzij het hoogteverschil niet groter is dan 0,02 m, zijn overbrugd door een hellingbaan als bedoeld in artikel 6.

  • 6 Hoogteverschillen van meer dan 0,02 m tussen de vloeren van ruimten, gelegen in het in het eerste lid bedoelde gedeelte van de woning, moeten zijn overbrugd door een hellingbaan als bedoeld in artikel 6, of een lift, waarvan de vrije vloeroppervlakte ten minste 1,05 m * 1,35 m is.

§ 2. Ruimten en opstelplaatsen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 44. Verblijfsgebied [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning moet, opdat daarin voor het wonen kenmerkende activiteiten kunnen plaatsvinden, ten minste 55% van de gebruiksoppervlakte, met een minimum van 24 m2, in een of meer verblijfsgebieden zijn gelegen.

  • 2 Een verblijfsgebied moet een vloeroppervlakte hebben van ten minste 5 m2, waarvan de breedte ten minste 1,8 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,4 m is.

  • 3 Een verblijfsgebied moet vanaf de toegang van de woning bereikbaar zijn zonder dat een toiletruimte, badruimte, bergruimte of technische ruimte behoeft te worden betreden.

Artikel 45. Verblijfsruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een woning mag, opdat wordt voorkomen dat zij door indeling in afzonderlijke ruimten minder bruikbaar is:

    • a. ten hoogste één afzonderlijke verblijfsruimte hebben, indien in de woning het verblijfsgebied een vloeroppervlakte heeft van minder dan 30 m2;

    • b. ten hoogste twee afzonderlijke verblijfsruimten hebben, indien in de woning het verblijfsgebied een vloeroppervlakte heeft van ten minste 30 m2 doch minder dan 37 m2, en

    • c. meer dan twee afzonderlijke verblijfsruimten hebben, indien in de woning het verblijfsgebied een vloeroppervlakte heeft van 37 m2 of meer, met dien verstande dat bij die 37 m2 dan wel voor elke 7 m2 meer aan vloeroppervlakte, het aantal afzonderlijke verblijfsruimten met één mag zijn vermeerderd.

  • 2 Een verblijfsruimte moet een vloeroppervlakte hebben van ten minste 5 m2, waarvan de breedte ten minste 1,8 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,4 m is.

  • 3 In afwijking in zoverre van het tweede lid, moet ten minste één in de woning gelegen verblijfsruimte een vloeroppervlakte hebben van:

    • a. ten minste 3,3 m * 3,3 m, indien de gebruiksoppervlakte van de woning kleiner is dan 50 m2, of

    • b. ten minste 3,6 m * 3,6 m, indien de gebruiksoppervlakte van de woning 50 m2 of meer is.

Artikel 46. Toiletruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning moet, opdat daarin sanitaire handelingen kunnen worden verricht, voor elke gebruiksoppervlakte van 125 m2 of gedeelte daarvan, ten minste één afsluitbare toiletruimte aanwezig zijn.

  • 2 De toiletruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,9 m x ten minste 1,2 m, boven welke oppervlakte de hoogte ten minste 2,1 m is.

  • 3 In afwijking in zoverre van het tweede lid, moet de toiletruimte, bedoeld in artikel 43, vierde lid, een vloeroppervlakte hebben van ten minste 2,2 m * 2,2 m.

Artikel 47. Badruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning moet, met het oog op het zich kunnen wassen, ten minste één afsluitbare badruimte aanwezig zijn.

  • 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid, moet in een woning met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2, voor elke gebruiksoppervlakte van 250 m2 of gedeelte daarvan, ten minste één badruimte aanwezig zijn.

  • 3 De badruimte, bedoeld in het eerste en tweede lid, moet een vloeroppervlakte hebben van ten minste 1,6 m2, waarvan de breedte ten minste 0,8 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,1 m is.

  • 4 In afwijking in zoverre van het derde lid, moet de badruimte, bedoeld in artikel 43, vierde lid, een vloeroppervlakte hebben van ten minste 2,2 m * 2,2 m.

  • 5 Een badruimte, behoudens die, bedoeld in het vierde lid, mag, met het oog op een doelmatige benutting van de gebruiksoppervlakte van de woning, zijn samengevoegd met een toiletruimte, behoudens die, bedoeld in artikel 43, vierde lid, mits de vloeroppervlakte van die samengevoegde ruimte ten minste 2,6 m2 is, waarvan de breedte ten minste 0,8 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,1 m is.

Artikel 48. Bergruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Tot een woning moet, opdat voorwerpen beschermd tegen weer en wind kunnen worden opgeborgen, ten minste één, van buiten de woning toegankelijke, afsluitbare bergruimte behoren, waarvan de vloeroppervlakte ten minste 6,5% van de gebruiksoppervlakte van de woning is, met een minimum van 3,5 m2, van welke vloeroppervlakte de breedte ten minste 1,5 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,1 m is.

  • 2 Een uitwendige scheidingsconstructie van de bergruimte, bedoeld in het eerste lid, moet, ter beperking van het kunnen binnendringen van vocht in die ruimte, bepaald overeenkomstig NEN 2778, ten minste regenwerend zijn.

Artikel 49. Buitenruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Tot een woning moet, opdat in de buitenlucht voor het wonen kenmerkende activiteiten kunnen worden verricht, een niet-besloten, rechtstreeks vanuit de woning bereikbare ruimte (buitenruimte), niet zijnde een gemeenschappelijke verkeersruimte, behoren.

  • 2 De buitenruimte, bedoeld in het eerste lid, moet een vrije vloeroppervlakte hebben van ten minste 5% van de gebruiksoppervlakte van de woning, met een minimum van 3 m2, van welke vloeroppervlakte de breedte ten minste 1,3 m is.

Artikel 50. Meterruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Tot een woning moet, opdat de centrale schakel-, verdeel- en meetapparatuur voor elektriciteit, gas, water, telecommunicatiesignalen en, voor zover van toepassing, stadsverwarming kan worden geplaatst, een afsluitbare meterruimte behoren die wat afmetingen, indeling en leidingdoorvoeren betreft, ten minste voldoet aan NEN 2768.

  • 2 Een uitwendige scheidingsconstructie van een meterruimte moet, ter beperking van het kunnen binnendringen van vocht in die ruimte, bepaald overeenkomstig NEN 2778, ten minste regenwerend zijn.

  • 3 De meterruimte, bedoeld in het eerste lid, mag, ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, niet rechtstreeks toegankelijk zijn vanuit een verblijfsruimte, toiletruimte of badruimte.

  • 4 De meterruimte, bedoeld in het eerste lid, mag, gemeten langs de kortste route, niet zijn gelegen op een grotere afstand dan 3 m vanaf de toegang van de woning, tenzij die ruimte vanaf een toegang van het woongebouw uitsluitend bereikbaar is door een of meer gemeenschappelijke verkeersruimten.

Artikel 51. Liftschacht [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning of woongebouw waarin een lift aanwezig is, moet, met het oog op het doelmatig functioneren van die lift, een besloten ruimte (liftschacht) aanwezig zijn.

  • 2 Een uitwendige scheidingsconstructie van een liftschacht moet, bepaald overeenkomstig NEN 2778, waterdicht zijn.

  • 3 De vloer van een liftschacht mag niet hoger zijn gelegen dan:

    • a. 1,4 m onder de vloer ter plaatse van de laagstgelegen vloer waartoe de lift toegang geeft, indien het hoogteverschil tussen de laagste en hoogste vloer waartoe de lift toegang geeft niet groter is dan 50 m, of

    • b. 1,6 m onder de vloer ter plaatse van de laagstgelegen vloer waartoe de lift toegang geeft, indien het hoogteverschil tussen de laagste en hoogste vloer waartoe de lift toegang geeft groter is dan 50 m.

  • 4 Het plafond van een liftschacht mag niet lager zijn gelegen dan:

    • a. 3,6 m boven de vloer ter plaatse van de hoogstgelegen vloer waartoe de lift toegang geeft, indien het hoogteverschil tussen de hoogste en laagste vloer waartoe de lift toegang geeft niet groter is dan 50 m, of

    • b. 3,8 m boven de vloer ter plaatse van de hoogstgelegen vloer waartoe de lift toegang geeft, indien het hoogteverschil tussen de hoogste en laagste vloer waartoe de lift toegang geeft groter is dan 50 m.

  • 5 In de liftschacht mogen geen leidingen of installaties aanwezig zijn die niet voor de werking of veiligheid van de lift vereist zijn.

Artikel 52. Liftmachineruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning of woongebouw waarin een lift aanwezig is, moet, opdat liftapparatuur kan worden geplaatst, een besloten ruimte (liftmachineruimte) aanwezig zijn.

  • 2 Een uitwendige scheidingsconstructie van een liftmachineruimte moet, ter beperking van het kunnen binnendringen van vocht in die ruimte, bepaald overeenkomstig NEN 2778, ten minste regenwerend zijn.

  • 3 Een liftmachineruimte moet een op de omvang van de in die ruimte te plaatsen apparatuur afgestemde vloeroppervlakte hebben.

  • 4 Een liftmachineruimte in een woongebouw mag, met het oog op het onbelemmerd kunnen bereiken van die ruimte, vanaf een toegang van het woongebouw uitsluitend bereikbaar zijn door een of meer gemeenschappelijke verkeersruimten.

Artikel 53. Aanrecht en opstelplaats voor een kooktoestel [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Ten minste één verblijfsruimte van een woning heeft, opdat spijzen kunnen worden bereid, een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel.

  • 2 De opstelplaats voor het aanrecht heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,5 m x 0,6 m.

  • 3 De opstelplaats voor een kooktoestel, bedoeld in het eerste lid, moet een vloeroppervlakte hebben van ten minste 0,6 m * 0,6 m.

  • 4 Indien de opstelplaats voor het aanrecht en de opstelplaats voor het kooktoestel liggen in de verblijfsruimte met de vloeroppervlakte van ten minste 3,3 m x 3,3 m of met de vloeroppervlakte van ten minste 3,6 m x 3,6 m, is de afstand tussen de opstelplaats voor het aanrecht of de opstelplaats voor het kooktoestel en de rand van die vloeroppervlakte, gemeten loodrecht op de voorkant van de opstelplaatsen, ten minste 0,6 m.

Artikel 54. Opstelplaats voor wasapparatuur [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning moet, opdat kleding en linnengoed kunnen worden gewassen, ten minste één opstelplaats voor wasapparatuur aanwezig zijn, die niet in een verblijfsgebied mag zijn gelegen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, mag de opstelplaats voor wasapparatuur in de bergruimte, bedoeld in artikel 48, zijn gelegen, mits die bergruimte rechtstreeks vanuit de woning toegankelijk is.

  • 3 De opstelplaats, bedoeld in het eerste of tweede lid, moet een vloeroppervlakte hebben van ten minste 1 m2, waarvan de breedte ten minste 0,8 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,1 m is.

  • 4 Indien de opstelplaats, bedoeld in het eerste of tweede lid, is gelegen in de toiletruimte, badruimte of bergruimte, bedoeld in onderscheidenlijk de artikelen 46, 47 of 48, moet de ingevolge die artikelen vereiste vloeroppervlakte van die ruimte zijn vermeerderd met ten minste 1 m2.

Artikel 55. Opstelplaats voor een stooktoestel [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning moet, opdat verwarmingsapparatuur kan worden geplaatst, ten minste één opstelplaats voor een stooktoestel aanwezig zijn, die niet mag zijn gelegen in een toiletruimte of badruimte.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, mag de opstelplaats voor een stooktoestel zijn gelegen in de bergruimte, bedoeld in artikel 48, mits die bergruimte rechtstreeks vanuit de woning toegankelijk is.

  • 3 In afwijking in zoverre van het eerste lid, moet een opstelplaats die is bestemd voor de plaatsing van een of meer stooktoestellen met een totale nominale belasting als bedoeld in NEN 2757 van meer dan 130 kW, zijn gelegen in een afzonderlijke besloten ruimte (stookruimte).

  • 4 Het eerste lid is niet van toepassing, indien de woning kan worden aangesloten op het distributienet van de stadsverwarming of op een andere voorziening die is bestemd voor de verwarming van meer dan één woning.

Artikel 56. Opstelplaats voor een warmwatertoestel [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning moet, opdat apparatuur voor het opwarmen van water kan worden geplaatst, ten minste één opstelplaats voor een warmwatertoestel zijn gelegen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, mag de opstelplaats voor een warmwatertoestel zijn gelegen in de bergruimte, bedoeld in artikel 48, mits die bergruimte rechtstreeks vanuit de woning toegankelijk is.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing, indien het warmwatertoestel is samengevoegd met een stooktoestel.

§ 3. Gemeenschappelijke ruimten en opstelplaatsen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 57. Gemeenschappelijk verblijfsgebied [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In afwijking in zoverre van artikel 44, mag ten hoogste 35% van de vloeroppervlakte van het totaal aan verblijfsgebieden van de in een woongebouw gelegen woningen deel uitmaken van een of meer in dat woongebouw gelegen gemeenschappelijke verblijfsgebieden, mits:

    • a. in het totaal aan verblijfsgebied van elke afzonderlijke woning ten minste 18 m2 aan vloeroppervlakte aanwezig is, en

    • b. het verschil tussen 24 m2 aan in het totaal aan verblijfsgebied gelegen vloeroppervlakte en de in de woning aanwezige, in het totaal aan verblijfsgebied gelegen vloeroppervlakte, voor zover laatstbedoelde vloeroppervlakte kleiner is dan 24 m2, deel uitmaakt van een in een gemeenschappelijk verblijfsgebied gelegen vloeroppervlakte van ten minste 18 m2.

  • 2 Een gemeenschappelijk verblijfsgebied mag, opdat dat gebied onbelemmerd en beschut kan worden bereikt, vanaf de toegangen van de op dat gebied aangewezen woningen uitsluitend bereikbaar zijn door een of meer besloten gemeenschappelijke verkeersruimten.

Artikel 58. Gemeenschappelijke toiletruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In afwijking in zoverre van artikel 46, mag de toiletruimte van een in een woongebouw gelegen woning met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2, buiten de woning zijn gelegen, mits in dat woongebouw een of meer gemeenschappelijke toiletruimten aanwezig zijn.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, mag zijn volstaan met één gemeenschappelijke toiletruimte voor elke gebruiksoppervlakte van 125 m2 of gedeelte daarvan, van het totaal aan gebruiksoppervlakten van de woningen die op die gemeenschappelijke toiletruimte zijn aangewezen.

  • 3 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid en in het woongebouw ingevolge artikel 42, derde lid, een lift aanwezig is, moet ten minste één gemeenschappelijke toiletruimte een vloeroppervlakte hebben van ten minste 2,2 m * 2,2 m, waarboven de hoogte ten minste 2,1 m is.

  • 4 Een gemeenschappelijke toiletruimte mag, opdat die ruimte onbelemmerd en beschut kan worden bereikt, vanaf de toegangen van de op die ruimte aangewezen woningen uitsluitend bereikbaar zijn door een of meer besloten gemeenschappelijke verkeersruimten.

  • 5 Tussen de vloer van een gemeenschappelijke toiletruimte anders dan de toiletruimte, bedoeld in het derde lid, en de vloer waarop zich de toegangen van de op die ruimte aangewezen woningen bevinden, mag, opdat die ruimte binnen redelijke tijd kan worden bereikt, geen groter hoogteverschil aanwezig zijn dan 3 m.

  • 6 Tussen de toegang van een gemeenschappelijke toiletruimte anders dan de toiletruimte, bedoeld in het eerste lid, en de toegangen van de op die ruimte aangewezen woningen mag, gemeten langs de kortste route, geen grotere afstand aanwezig zijn dan 25 m.

Artikel 59. Gemeenschappelijke badruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In afwijking in zoverre van artikel 47, mag de badruimte van een in een woongebouw gelegen woning met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2, buiten de woning zijn gelegen, mits in dat woongebouw een of meer gemeenschappelijke badruimten aanwezig zijn.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, mag zijn volstaan met één gemeenschappelijke badruimte voor elke gebruiksoppervlakte van 250 m2 of gedeelte daarvan, van het totaal aan gebruiksoppervlakten van de woningen die op die gemeenschappelijke badruimte zijn aangewezen.

  • 3 Een gemeenschappelijke badruimte mag, opdat die ruimte onbelemmerd en beschut kan worden bereikt, vanaf de toegangen van de op die ruimte aangewezen woningen uitsluitend bereikbaar zijn door een of meer besloten gemeenschappelijke verkeersruimten.

  • 4 Tussen de vloer van een gemeenschappelijke badruimte en de vloer waarop zich de toegangen van de op die ruimte aangewezen woningen bevinden, mag, opdat die ruimte binnen redelijke tijd kan worden bereikt, geen groter hoogteverschil aanwezig zijn dan 3 m.

  • 5 Tussen de toegang van een gemeenschappelijke badruimte en de toegangen van de op die ruimte aangewezen woningen mag, gemeten langs de kortste route, geen grotere afstand aanwezig zijn dan 25 m.

Artikel 60. Gemeenschappelijke buitenruimte [Vervallen per 01-01-2003]

In afwijking in zoverre van artikel 49, mag de buitenruimte van een in een woongebouw gelegen woning met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2, deel uitmaken van een gemeenschappelijke buitenruimte, mits die gemeenschappelijke buitenruimte:

  • a. een vrije vloeroppervlakte heeft van ten minste 5% van het totaal aan gebruiksoppervlakten van de woningen die op die gemeenschappelijke buitenruimte zijn aangewezen, en

  • b. rechtstreeks vanuit een in het woongebouw gelegen gemeenschappelijke verkeersruimte of gemeenschappelijk verblijfsgebied bereikbaar is.

Artikel 61. Gemeenschappelijke meterruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Tot een woongebouw moet, opdat de centrale schakel-, verdeel-, en meetapparatuur voor de in gemeenschappelijke ruimten aanwezige voorzieningen van elektriciteit, gas, water, telecommunicatiesignalen en, voor zover van toepassing, stadsverwarming kan worden geplaatst, een afsluitbare gemeenschappelijke meterruimte behoren.

  • 2 In afwijking in zoverre van artikel 50, mag de meterruimte van een in een woongebouw gelegen woning met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2, deel uitmaken van de gemeenschappelijke meterruimte, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De afmetingen van een gemeenschappelijke meterruimte moeten zijn afgestemd op de omvang van de in die ruimte te plaatsen schakel-, verdeel- en meetapparatuur en mogen niet kleiner zijn dan de in NEN 2768 gegeven afmetingen voor een meterruimte.

  • 4 Op de indeling en leidingdoorvoeren van een gemeenschappelijke meterruimte is NEN 2768 van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Een uitwendige scheidingsconstructie van een gemeenschappelijke meterruimte moet, ter beperking van het kunnen binnendringen van vocht in die ruimte, bepaald overeenkomstig NEN 2778, ten minste regenwerend zijn.

  • 6 Een in een woongebouw gelegen gemeenschappelijke meterruimte mag, opdat die ruimte onbelemmerd kan worden bereikt, vanaf de toegang van het woongebouw uitsluitend bereikbaar zijn door een of meer gemeenschappelijke verkeersruimten.

Artikel 61a. Gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien de afstand, gemeten langs de kortste route, tussen een toegang van een woning, gelegen in een woongebouw, en de toegang tot de bergruimte, behorende tot die woning, of het hoogteverschil tussen de toegang van een woning en de toegang van die bergruimte zodanig is dat die afstand of dat hoogteverschil een beletsel vormt voor het doeltreffend gescheiden kunnen opslaan van huishoudelijk afval, heeft het woongebouw ten minste één gemeenschappelijke ruimte voor het plaatsen van containers voor huishoudelijk afval.

  • 2 De opslagruimte is rechtstreeks vanuit een gemeenschappelijke verkeersruimte bereikbaar; de opslagruimte is afsluitbaar met een deur die van buitenaf slechts met behulp van een sleutel kan worden geopend.

  • 3 De opslagruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,0075 m2 per m2 gebruiksoppervlakte van de in het woongebouw gelegen, op die opslagruimte aangewezen woningen, met een minimum van 1,6 m2; de breedte van die vloeroppervlakte is ten minste 0,8 m; de hoogte boven die vloeroppervlakte is ten minste 2,1 m.

  • 4 De afstand, gemeten langs de kortste route, tussen de toegang van de opslagruimte en de toegang van een woning, aangewezen op die opslagruimte is zodanig dat die afstand geen beletsel vormt voor een doeltreffend gebruik van de containers, geplaatst in die ruimte. Onder de afstand is tevens begrepen het te overbruggen hoogteverschil.

  • 5 Een hoogteverschil tussen de vloer van de opslagruimte en de vloer ter plaatse van een toegang van het woongebouw, langs welke toegang het aansluitende terrein kan worden bereikt, is zodanig overbrugd dat de containers voor huishoudelijk afval op normale wijze buiten het woongebouw kunnen worden geplaatst.

Artikel 62. Gemeenschappelijk aanrecht en opstelplaats voor een gemeenschappelijk kooktoestel [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In afwijking in zoverre van artikel 53, mogen de opstelplaats voor het aanrecht en de opstelplaats voor een kooktoestel van een in een woongebouw gelegen woning waarvan de gebruiksoppervlakte minder is dan 50 m2, zijn gelegen in een gemeenschappelijk verblijfsgebied.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, mag zijn volstaan met:

    • a. één opstelplaats voor een aanrecht met een oppervlakte van ten minste 2,1 m x 0,6 m, voor elke gebruiksoppervlakte van 500 m2 of gedeelte daarvan, van het totaal aan gebruiksoppervlakten van de woningen die daarop zijn aangewezen, en

    • b. één opstelplaats voor een kooktoestel voor elke gebruiksoppervlakte van 200 m2 of gedeelte daarvan, van het totaal aan gebruiksoppervlakten van de woningen die daarop zijn aangewezen.

Artikel 63. Opstelplaats voor gemeenschappelijke wasapparatuur [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In afwijking van artikel 54, mag de opstelplaats voor wasapparatuur van een in een woongebouw gelegen woning zijn gelegen in een afzonderlijke gemeenschappelijke ruimte (wasruimte).

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, moet de gemeenschappelijke wasruimte voor elke gebruiksoppervlakte van 350 m2 of gedeelte daarvan, van het totaal aan gebruiksoppervlakten van de woningen die op die gemeenschappelijke wasruimte zijn aangewezen, zijn voorzien van ten minste één opstelplaats voor wasapparatuur.

  • 3 De gemeenschappelijke wasruimte, bedoeld in het eerste lid, moet een vloeroppervlakte hebben die ten minste gelijk is aan 0,5% van het totaal aan gebruiksoppervlakten van de op die ruimte aangewezen woningen, met een minimum van 2 m2, van welke vloeroppervlakte de breedte ten minste 0,8 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,1 m is.

Artikel 64. Opstelplaats voor een gemeenschappelijk stooktoestel [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In afwijking van artikel 55, mag, indien een in een woongebouw gelegen woning kan worden aangesloten op een gemeenschappelijke voorziening voor de verwarming van de in het woongebouw gelegen woningen, de opstelplaats voor een stooktoestel zijn gelegen in een afzonderlijke besloten gemeenschappelijke ruimte (stookruimte).

  • 2 De afmetingen van een stookruimte moeten zijn afgestemd op de daarin te plaatsen apparatuur.

Artikel 65. Opstelplaats voor een gemeenschappelijk warmwatertoestel [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In afwijking van artikel 56, mag, indien een in een woongebouw gelegen woning kan worden aangesloten op een gemeenschappelijke warmwatervoorziening voor de in het woongebouw gelegen woningen, de opstelplaats voor een warmwatertoestel zijn gelegen in een gemeenschappelijke ruimte, niet zijnde een verkeersruimte.

  • 2 De afmetingen van de opstelplaats, bedoeld in het eerste lid, moeten zijn afgestemd op de daarop te plaatsen apparatuur.

  • 3 In afwijking van het eerste lid, behoeft, indien het warmwatertoestel is samengevoegd met een stooktoestel als bedoeld in artikel 64, voor dat warmwatertoestel geen afzonderlijke opstelplaats aanwezig te zijn.

§ 4. Telecommunicatievoorzieningen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 66. Telefoon-, radio- en televisieaansluiting [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning moet, opdat telecommunicatiesignalen kunnen worden ontvangen, een voorziening aanwezig zijn die voldoet aan het tweede tot en met vijfde lid.

  • 2 De voorziening moet een aansluitmogelijkheid hebben voor aansluiting op het openbare telefoonnet, alsmede een aansluitmogelijkheid voor aansluiting op een gemeenschappelijke of centrale antenne-inrichting.

  • 3 De voorziening moet in ten minste één verblijfsgebied ten minste één aansluitpunt hebben voor onderscheidenlijk een telefoontoestel, radiotoestel en televisietoestel.

  • 4 De voorziening moet ten minste bestaan uit twee afzonderlijke, onbedrade buizen die vanaf de buitenzijde van een uitwendige scheidingsconstructie leiden naar de aansluitmogelijkheden, bedoeld in het tweede lid, en vanaf die aansluitmogelijkheden leiden naar de aansluitpunten, bedoeld in het derde lid.

  • 5 De voorziening moet voorts bij de onderscheiden aansluitpunten, bedoeld in het derde lid, ten minste één inbouwdoos hebben.

§ 5. Verplaatsing en vervorming [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 67. Verplaatsing [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De bovenkant van een in NEN 6740 bedoeld funderingselement mag, ter beperking van verzakking of scheefzakking van de woning of het woongebouw, bij momentane belastingscombinaties als bedoeld in NEN 6702, bepaald overeenkomstig NEN 6740, geen grotere zakking hebben dan 0,15 m.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, mag de som van de rotatie en de relatieve rotatie aan de bovenkant van het in het eerste lid bedoelde funderingselement niet groter zijn dan 3,5.10-3 rad.

Artikel 68. Vervorming [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een vloer van een verblijfsgebied mag, ter beperking van doorbuiging, bij de respons die voortvloeit uit de in NEN 6702 bedoelde incidentele en momentane belastingscombinaties, geen grotere doorbuiging in de eindtoestand als bedoeld in die norm hebben dan het produkt van 4.10-3 en de in die norm bedoelde overspanning van die vloer.

  • 2 De doorbuiging, bedoeld in het eerste lid, moet zijn bepaald overeenkomstig het gestelde met betrekking tot de bepaling van de vervorming in:

    • a. NEN 6710 en NEN 6770, indien de vloer is vervaardigd van in die normen bedoeld metaal;

    • b. NEN 6720, indien de vloer is vervaardigd van in die norm bedoeld beton, en

    • c. NEN 6760, indien de vloer is vervaardigd van in die norm bedoeld hout.

  • 3 Indien een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan in het tweede lid bedoeld, moet de doorbuiging, bedoeld in het eerste lid, zijn bepaald overeenkomstig NEN 6700.

§ 6. Gelijkwaardige bruikbaarheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 69 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 41 tot en met 68, moet een woning of woongebouw een mate van bruikbaarheid bieden die ten minste gelijk is aan de mate van bruikbaarheid die is beoogd met het desbetreffende bij of krachtens die artikelen gegeven voorschrift.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid en het desbetreffende voorschrift tevens valt te herleiden tot overwegingen van veiligheid, gezondheid of energiezuinigheid, moeten die overwegingen daarbij in ten minste dezelfde mate in acht zijn genomen.

Afdeling 4. Voorschriften uit het oogpunt van energiezuinigheid [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Beperking van warmteverlies [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 70. Thermische isolatie [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte heeft, ter beperking van warmteverlies door overdracht of geleiding, bepaald overeenkomstig NEN 1068, een warmteweerstand van ten minste 2,5 m2.K/W.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op een deur, raam, kozijn en daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel, voorzover die deur, dat raam, dat kozijn of dat constructie-onderdeel, bepaald overeenkomstig NEN 5128, een warmtedoorgangscoëfficiënt heeft van ten hoogste 4,2 W/m2.K.

  • 3 Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op:

    • a. een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte en de kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die constructie aan het eerste of tweede lid, en

    • b. een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte, voor zover die constructie niet de scheiding vormt met een ander verblijfsgebied of met een andere toiletruimte of badruimte, waarvan de uitwendige scheidingsconstructies, bepaald overeenkomstig NEN 1068, een warmteweerstand heeft van ten minste 2,5 m2.K/W of waarvan, indien het een deur, raam, kozijn of daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel betreft, bepaald overeenkomstig NEN 5128, de warmtedoorgangscoëfficiënt ten hoogste 4,2 W/m2.K is.

  • 4 In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies, waaronder begrepen inwendige scheidingsconstructies als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, mag ten hoogste 2% van de gebruiksoppervlakte van de woning of het woongebouw aan constructie-onderdelen aanwezig zijn, dat niet voldoet aan het eerste tot en met het derde lid.

Artikel 71. Beperking van luchtdoorlatendheid [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het totaal aan:

    • a. uitwendige scheidingsconstructies van een woning;

    • b. inwendige scheidingsconstructies tussen een woning en een niet in die woning gelegen ruimte, en

    • c. constructies die de scheiding vormen tussen een woning en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructies aansluitende delen van andere constructies,

    mag, ter beperking van warmteverlies door tocht, bepaald overeenkomstig NEN 2686, geen grotere luchtvolumestroom als bedoeld in die norm hebben dan 0,2 m3/s.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een gemeenschappelijk verblijfsgebied.

  • 3 Bij de bepaling van de luchtvolumestroom, bedoeld in het eerste of tweede lid, mogen ruimten, niet zijnde een verblijfsgebied, toilet- of badruimte, buiten beschouwing blijven.

  • 4 Bij de bepaling van de luchtvolumestroom bedoeld in het eerste of tweede lid, blijft een ruimte waarin een niet-afsluitbare voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht aanwezig is met een capaciteit, bepaald volgens NEN 1087, van ten minste 3.10-3m3/s per m2 gebruiksoppervlakte van die ruimte buiten beschouwing.

Artikel 71a [Vervallen per 01-01-2003]

Onverminderd de artikelen 70 en 71, heeft ter verdere besparing van energie, een woning geen deel uitmakend van een woongebouw, of een woongebouw, bepaald volgens NEN 5128, een energieprestatiecoëfficiënt, als bedoeld in die norm, van ten hoogste 1.

§ 2. Gelijkwaardige energiezuinigheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 72 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 70 tot en met 71a, heeft een woning of woongebouw een mate van energiezuinigheid die ten minste gelijk is aan de mate van energiezuinigheid die is beoogd met het desbetreffende bij of krachtens die artikelen gegeven voorschrift.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid en het desbetreffende voorschrift tevens valt te herleiden tot overwegingen van veiligheid, gezondheid of bruikbaarheid, moeten die overwegingen daarbij in ten minste dezelfde mate in acht zijn genomen.

Hoofdstuk III. Technische voorschriften omtrent de staat van bestaande woningen en woongebouwen [Vervallen per 01-01-2003]

Afdeling 1. Voorschriften uit het oogpunt van veiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Constructieve veiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 73. Sterkte van de bouwconstructie [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een in NEN 6702 bedoelde uiterste grenstoestand van een bouwconstructie mag, opdat die constructie bestand is tegen de daarop werkende krachten, bij belastingscombinaties als aangegeven bij ministeriële regeling, niet zijn overschreden.

  • 2 Het niet-overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in het eerste lid, moet zijn bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, mag, opdat een woning of woongebouw bij brand op veilige wijze kan worden verlaten, een uiterste grenstoestand van de in NEN 6702 bedoelde hoofddraagconstructie van een woning of woongebouw waarin een vloer van een verblijfsruimte hoger is gelegen dan 5 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van de woning of het woongebouw, dan wel een uiterste grenstoestand van een vloer of trap waarover een vluchtmogelijkheid als bedoeld in artikel 84, voert, bij de overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften in geval van brand aan te houden belastingscombinaties, gedurende de in die voorschriften voor die hoofddraagconstructie, vloer of trap aangegeven tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken, bepaald overeenkomstig NEN 6069, niet zijn overschreden.

§ 2. Gebruiksveiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 74. Vloerafscheiding [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een vloer moet, ter voorkoming van het van die vloer kunnen vallen, bij de randen zijn voorzien van een afscheiding waarvan de hoogte, gemeten vanaf de vloer, ten minste 0,9 m is.

  • 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid, mag, indien de afscheiding zich bevindt ter plaatse van een raam, zijn volstaan met een hoogte van ten minste 0,6 m.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een vloer ter plaatse van de bovenste trede van een trap of ter plaatse van de bovenkant van een hellingbaan en op een vloer die niet hoger is gelegen dan 1 m boven een aangrenzende vloer dan wel boven het aansluitende terrein of water.

  • 4 Tussen een vloer en een afscheiding als bedoeld in het eerste en tweede lid, mag, horizontaal gemeten, geen opening aanwezig zijn die breder is dan 0,1 m.

  • 5 Openingen in een afscheiding als bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen niet breder zijn dan 0,2 m, tenzij die openingen zich bevinden op een hoogte van meer dan 0,6 m boven de vloer.

Artikel 75. Overbrugging van hoogteverschillen [Vervallen per 01-01-2003]

Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen vloeren van verblijfsruimten, toiletruimten, badruimten en gemeenschappelijke verkeersruimten dan wel tussen één van die vloeren en het aansluitende terrein moet, opdat die ruimten op veilige wijze kunnen worden bereikt en verlaten, zijn overbrugd door een trap of hellingbaan.

Artikel 76. Trap [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De afmetingen van een trap als bedoeld in artikel 75, moeten ten minste voldoen aan tabel IV.

    Tabel IV Afmetingen van een trap

    0,7 m minimum vrije hoogte boven de trap

    1,9 m

    minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede

    0,13 m

    maximum afmeting van een optrede

    0,22 m

    minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap

    0,2 m

  • 2 Een trap als bedoeld in het eerste lid, moet ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 0,7 m * 0,7 m.

  • 3 Een trap van een woongebouw waarmee een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1 m, moet aan beide zijkanten vanaf een hoogte van 1 m zijn voorzien van een afscheiding met een hoogte van ten minste 0,6 m boven de voorkant van de tredevlakken van de trap.

  • 4 Op een afscheiding als bedoeld in het derde lid, is artikel 74, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Een trap als bedoeld in het derde lid, waarvan de klimlijn een helling heeft die groter is dan 2:3, moet aan ten minste één zijkant zijn voorzien van een leuning waarvan de bovenkant zich bevindt op een hoogte van ten minste 0,6 m en ten hoogste 1 m boven de voorkant van de tredevlakken van de trap.

Artikel 77. Hellingbaan [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een hellingbaan als bedoeld in artikel 75, moet een breedte hebben van ten minste 0,7 m en mag geen grotere helling hebben dan 1:10.

  • 2 Een hellingbaan als bedoeld in het eerste lid, moet aan de bovenkant over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 0,7 m * 0,7 m.

  • 3 Een hellingbaan van een woongebouw, voor zover met die hellingbaan een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1 m, moet aan beide zijkanten vanaf een hoogte van 1 m zijn voorzien van een afscheiding met een hoogte van ten minste 0,6 m boven de hellingbaan.

  • 4 Op een afscheiding als bedoeld in het derde lid, is artikel 74, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 78. Elektriciteits- en noodstroomvoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning en in een woongebouw moet, opdat op veilige wijze over energie kan worden beschikt, een voorziening voor elektriciteit aanwezig zijn die is aangesloten op het distributienet van elektriciteit en die ten minste voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor elektrische energie van de Vereniging van Exploitanten van Elektriciteitsbedrijven in Nederland.

  • 2 Een voorziening voor noodstroom moet ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor elektrische energie van de Vereniging van Exploitanten van Elektriciteitsbedrijven in Nederland.

Artikel 79. Verlichting [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte moet, opdat op veilige wijze van die ruimte gebruik kan worden gemaakt, ten minste één verlichtingsinstallatie aanwezig zijn die is aangesloten op de voorziening voor elektriciteit en die over een breedte van ten minste 0,5 m van die ruimte, gemeten op de vloer daarvan, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux kan geven.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een in een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte gelegen trap of hellingbaan, alsmede op de kooi van een lift.

Artikel 80. Gasvoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

Een voorziening voor gas moet, opdat op veilige wijze over energie kan worden beschikt, zijn aangesloten op het distributienet van gas en moet ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor gas van de Vereniging van Exploitanten van Gasbedrijven in Nederland.

Artikel 81. Beweegbare constructie-onderdelen [Vervallen per 01-01-2003]

Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich in enige stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg, moet, ter voorkoming van gevaar voor gebruikers van die weg, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, hoger zijn gelegen dan 4,2 m boven die weg.

§ 3. Brandveiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 82. Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Materiaal, toegepast ter plaatse van of in de nabijheid van een in NEN 6061 bedoelde stookplaats moet, ter beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie, onbrandbaar zijn als bedoeld in NEN 6064, voor zover:

    • a. ter plaatse van of in de nabijheid van die stookplaats een overeenkomstig NEN 6061 bepaalde intensiteit van de warmtestraling kan optreden van meer dan 2 kW/m2, of

    • b. in dat materiaal een overeenkomstig NEN 6061 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 363 K.

  • 2 Een voorziening voor de afvoer van rook moet luchtdicht zijn overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften.

  • 3 Onverminderd het tweede lid, moet materiaal waaruit de voorziening voor de afvoer van rook is samengesteld, alsmede materiaal dat in de nabijheid van die voorziening is toegepast, voor zover in dat materiaal een overeenkomstig NEN 6062 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 363 K, onbrandbaar zijn als bedoeld in NEN 6064.

  • 4 De horizontale afstand tussen de uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rook van een op vaste brandstof gestookt toestel en een in NEN 6063 bedoeld brandgevaarlijk dak van een ander bouwwerk mag niet minder zijn dan 15 m.

Artikel 83. Beperking van uitbreiding van brand [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een woning en een woongebouw, alsmede een bij ministeriële regeling aangegeven gedeelte van een woning en van een woongebouw zijn aan te merken als een brandcompartiment.

  • 2 De in NEN 6068 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een brandcompartiment als bedoeld in het eerste lid, en een andere besloten ruimte moet, ter beperking van uitbreiding van brand, ten minste voldoen aan bij ministeriële regeling gegeven voorschriften.

Artikel 84. Vluchten bij brand [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een woning en een woongebouw, alsmede een bij ministeriële regeling aangegeven gedeelte van een woning en van een woongebouw moeten, opdat bij brand op veilige wijze het aansluitende terrein kan worden bereikt, zijn voorzien van vluchtmogelijkheden, waarvan aantal en inrichting ten minste voldoen aan bij die regeling gegeven voorschriften.

  • 2 Een constructie-onderdeel moet een klasse van de in NEN 6065 of NEN 1775 bedoelde bijdrage tot brandvoortplanting hebben als voor dat onderdeel is aangegeven in bij ministeriële regeling gegeven voorschriften.

  • 3 De in NEN 6066 bedoelde rookproduktie van een naar een besloten ruimte toegekeerde zijde van een constructie-onderdeel mag geen grotere rookdichtheid als bedoeld in die norm hebben, dan voor dat onderdeel bij ministeriële regeling is aangegeven.

  • 4 De in NEN 6075 bedoelde weerstand tegen rookdoorgang van een bij ministeriële regeling aangegeven inwendige scheidingsconstructie moet, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste voldoen aan bij die regeling gegeven voorschriften.

Artikel 85. Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een brandweerlift moet, opdat de brandweer gebruikers van een woongebouw in geval van brand kan redden en brand kan bestrijden, ten minste voldoen aan het gestelde ten aanzien van de brandweerschakelaar en de voeding van de lift in NEN-EN 81-1, voor zover het een elektrisch aangedreven lift betreft, en in NEN-EN 81-2, voor zover het een hydraulisch aangedreven lift betreft.

  • 2 Een woning met een bij ministeriële regeling aangegeven gebruiksoppervlakte moet, opdat gebruikers van die woning op veilige wijze uit die woning kunnen vluchten, zijn voorzien van vluchtwegaanduidingen die ten minste voldoen aan bij ministeriële regeling gegeven voorschriften.

Artikel 86. Bestrijding van brand [Vervallen per 01-01-2003]

Een woongebouw waarin een vloer van een verblijfsruimte hoger is gelegen dan 20 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw, moet, met het oog op brandbestrijding, zijn voorzien van een of meer droge blusleidingen die voldoen aan bij ministeriële regeling gegeven voorschriften.

§ 4. Sociale veiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 87. Toegang van een woongebouw [Vervallen per 01-01-2003]

Indien een toegang van een woongebouw is voorzien van een deur die van buitenaf alleen met behulp van een sleutel kan worden geopend, moet die deur, met het oog op het tegengaan van veel voorkomende criminaliteit, zelfsluitend zijn en moet ter plaatse van die deur aan de buitenkant een voorziening aanwezig zijn waarmee een in de woning waarneembaar signaal kan worden gegeven.

§ 5. Gelijkwaardige veiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 88 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 73 tot en met 87, moet een woning of woongebouw een mate van veiligheid bieden die ten minste gelijk is aan de mate van veiligheid die is beoogd met het desbetreffende bij of krachtens die artikelen gegeven voorschrift.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid en het desbetreffende voorschrift tevens valt te herleiden tot overwegingen van gezondheid of bruikbaarheid, moeten die overwegingen daarbij in ten minste dezelfde mate in acht zijn genomen.

Afdeling 2. Voorschriften uit het oogpunt van gezondheid [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Bescherming tegen schadelijke of hinderlijke invloeden [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 89. Wering van vocht van buiten [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, toiletruimte of badruimte moet, ter beperking van het kunnen binnendringen van vocht in de woning of het woongebouw, bepaald overeenkomstig NEN 2778, waterdicht zijn.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsruimte, toiletruimte of badruimte en de kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die constructie aan dit lid.

  • 3 Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, toiletruimte of badruimte, voor zover die constructie niet de scheiding vormt met een andere verblijfsruimte, toiletruimte of badruimte, moet, bepaald overeenkomstig NEN 2778, waterdicht zijn.

Artikel 90. Wering van vocht van binnen [Vervallen per 01-01-2003]

Een constructie die de scheiding vormt tussen een badruimte en een andere besloten ruimte, de buitenlucht, de grond of het water, mag, ter beperking van het vanuit de badruimte kunnen binnendringen van vocht in die constructie, aan de naar de badruimte toegekeerde oppervlakte tot een hoogte van 1 m boven de vloer van die ruimte, bepaald overeenkomstig NEN 2778, gemiddeld geen grotere wateropname als bedoeld in die norm hebben dan 0,01 kg/(m2.s½), met dien verstande dat op geen enkele plaats op die oppervlakte de wateropname groter mag zijn dan 0,2 kg/(m2.s½).

§ 2. Bescherming tegen schadelijke of hinderlijke stoffen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 91. Afvoer van afvalwater en faecaliën [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een woning of woongebouw moet, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie in en bij de woning of het woongebouw, een voorziening hebben voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, die is aangesloten op het openbaar riool.

  • 2 De voorziening voor afvalwater en faecaliën moet een zodanige afvoercapaciteit hebben dat elk op die voorziening aangesloten lozingstoestel als bedoeld in NEN 3215, binnen ten hoogste 5 minuten is geleegd, en moet, bepaald overeenkomstig die norm, lucht- en waterdicht zijn.

Artikel 92. Luchtverversing van een verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte moet, ter beperking van het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht, een voorziening aanwezig zijn voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht.

  • 2 De voorziening voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsruimte en voor de afvoer van binnenlucht uit die ruimte moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben van ten minste 7.10-3 m3/s.

  • 3 Onverminderd het tweede lid, moet, indien in de verblijfsruimte een opstelplaats voor een kooktoestel is gelegen, de capaciteit voor de toevoer van verse lucht naar die ruimte en de afvoer van binnenlucht uit die ruimte ten minste 21.10 -3 m3/s zijn, met dien verstande dat de afvoer van die capaciteit rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden.

  • 4 De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben van ten minste:

    • a. 7.10-3 m3/s voor een toiletruimte, en

    • b. 14.10-3 m3/s voor een al of niet met een toiletruimte samengevoegde badruimte.

  • 5 De afvoer van binnenlucht, bedoeld in het vierde lid, moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.

  • 6 In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een woning moeten, opdat sterk verontreinigde binnenlucht snel kan worden afgevoerd, beweegbare constructie-onderdelen aanwezig zijn waarmee, bepaald overeenkomstig NEN 1087, in een verblijfsruimte een totale capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kan worden bewerkstelligd van ten minste 3.10-3 m3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

Artikel 93. Luchtverversing van overige ruimten [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een ruimte als bedoeld in het tweede lid, moet, ter beperking van het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht, een voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht aanwezig zijn.

  • 2 De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben van ten minste:

    • a. 6.10-3 m3/s per m2 vrije vloeroppervlakte van een liftkooi;

    • b. 0,1 m3/s voor een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m3, en

    • c. 2.10-3 m3/s per m3 netto-inhoud voor een besloten ruimte waarin zich de centrale meetapparatuur voor gas bevindt.

  • 3 De toevoer van verse lucht naar een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m3 moet rechtstreeks van buiten plaatsvinden.

  • 4 De afvoer van binnenlucht uit een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m3 moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.

Artikel 94. Verbrandingslucht en rook [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning of woongebouw moet, ter voorkoming van een onaanvaardbare ophoping van vergiftige of hinderlijke gassen, ten behoeve van een opstelplaats voor een verbrandingstoestel, niet zijnde een kooktoestel met een nominale belasting als bedoeld in NEN 2757 van niet meer dan 15 kW, een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook aanwezig zijn.

  • 2 De voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een in die voorschriften aangegeven inrichting en capaciteit hebben.

  • 3 De inrichting van de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook moet, wat de richting van de stroming van de afvoer van rook betreft, ten minste voldoen aan bij ministeriële regeling gegeven voorschriften.

§ 3. Wering van schadelijk of hinderlijk gedierte [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 95. Bescherming tegen ratten en muizen [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een uitwendige scheidingsconstructie mogen zich, ter beperking van het in de woning of het woongebouw kunnen binnendringen van ratten en muizen, geen onafsluitbare openingen bevinden die breder zijn dan 0,01 m.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op een opening die aan de bovenkant de uitmonding vormt van een verticaal kanaal en op de ruimte die zich bevindt tussen de dakbedekking en het onder die bedekking gelegen deel van het dak.

§ 4. Watervoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 96. Drinkwatervoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning of woongebouw moet, opdat kan worden beschikt over voor de menselijke consumptie en hygiëne geschikt water, een voorziening voor drinkwater aanwezig zijn die is aangesloten op het distributienet van drinkwater.

  • 2 De inrichting van een voorziening voor drinkwater moet ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland.

Artikel 97. Warmwatervoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

De inrichting van een voorziening voor warm water moet, opdat kan worden beschikt over voor de menselijke hygiëne geschikt warm water, ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland.

§ 5. Daglichttoetreding [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 98. Daglicht en uitzicht [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een verblijfsruimte moet, met het oog op de toetreding van daglicht en het uitzicht naar buiten, bepaald overeenkomstig NEN 2057, een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in die norm, van ten minste 0,5 m2 aanwezig zijn.

  • 2 Bij de bepaling van de in het eerste lid bedoelde equivalente daglichtoppervlakte blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, en daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie, voor zover die openingen, gemeten loodrecht op die openingen, zijn gelegen op een afstand van minder dan 2 m van de perceelsgrens, buiten beschouwing.

  • 3 In afwijking in zoverre van het tweede lid, mag, indien het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

  • 4 Bij de bepaling van de in het eerste lid bedoelde equivalente daglichtoppervlakte moet de in rekening te brengen belemmeringshoek α, bedoeld in NEN 2057, ten minste 25° zijn.

  • 5 In afwijking in zoverre van het eerste lid, mag de equivalente daglichtoppervlakte zich bevinden in een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, indien die inwendige constructie niet de scheiding vormt met een andere verblijfsruimte of met een toiletruimte, badruimte of bergruimte.

§ 6. Gelijkwaardige bescherming van de gezondheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 99 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 89 tot en met 98, moet een woning of woongebouw een mate van bescherming van de gezondheid bieden, die ten minste gelijk is aan de mate van bescherming die is beoogd met het desbetreffende bij of krachtens die artikelen gegeven voorschrift.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid en het desbetreffende voorschrift tevens valt te herleiden tot overwegingen van veiligheid of bruikbaarheid, moeten die overwegingen daarbij in ten minste dezelfde mate in acht zijn genomen.

Afdeling 3. Voorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Ruimten en opstelplaatsen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 100. Verblijfsruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning moet, opdat daarin voor het wonen kenmerkende activiteiten kunnen plaatsvinden, een totaal aan vloeroppervlakte aan verblijfsruimte van ten minste 14 m2 aanwezig zijn.

  • 2 Boven de vloeroppervlakte van een verblijfsruimte moet een hoogte van ten minste 2,1 m aanwezig zijn.

  • 3 Een verblijfsruimte moet vanaf de toegang van de woning bereikbaar zijn zonder dat een toiletruimte, badruimte of bergruimte behoeft te worden betreden.

  • 4 In een woning moet ten minste één verblijfsruimte aanwezig zijn met een vloeroppervlakte van ten minste 7,5 m2, waarvan de breedte ten minste 2,4 m is.

Artikel 101. Toiletruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Tot een woning moet, opdat sanitaire handelingen kunnen worden verricht, ten minste één afsluitbare toiletruimte behoren.

  • 2 De toiletruimte, bedoeld in het eerste lid, moet een vloeroppervlakte hebben van ten minste 0,64 m2, waarvan de breedte ten minste 0,6 m en de hoogte boven de helft van die oppervlakte ten minste 2 m is.

Artikel 102. Badruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een badruimte in een woning moet, met het oog op het zich kunnen wassen, een vloeroppervlakte hebben van ten minste 0,36 m2, waarvan de breedte ten minste 0,6 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2 m is.

  • 2 Een badruimte als bedoeld in het eerste lid, mag, met het oog op een doelmatige benutting van de gebruiksoppervlakte van de woning, zijn samengevoegd met een binnen de woning bereikbare toiletruimte, mits de vloeroppervlakte van die samengevoegde ruimte ten minste 1 m2 is, waarvan de breedte ten minste 0,6 m en de hoogte boven twee derde van die oppervlakte ten minste 2 m is.

Artikel 103. Aanrecht en opstelplaats voor een kooktoestel [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Tot een woning behoren, opdat spijzen kunnen worden bereid, een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel, gelegen in een besloten ruimte.

  • 2 De vloeroppervlakte van de opstelplaats voor het aanrecht en de opstelplaats voor het kooktoestel vallen niet samen met de oppervlakte van 7,5 m2, die voor ten minste één verblijfsruimte is vereist.

  • 3 De opstelplaats voor het aanrecht heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,4 m.

  • 4 De opstelplaats voor een kooktoestel, bedoeld in het eerste lid, moet een vloeroppervlakte hebben van ten minste 0,4 m * 0,4 m.

Artikel 104. Opstelplaats voor een stooktoestel [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woning moet, opdat verwarmingsapparatuur kan worden geplaatst, ten minste één opstelplaats voor een stooktoestel aanwezig zijn, die niet mag zijn gelegen in een toiletruimte of badruimte.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, mag de opstelplaats voor een stooktoestel buiten de woning in een tot de woning behorende besloten ruimte zijn gelegen.

  • 3 In afwijking in zoverre van het eerste lid, moet een opstelplaats die is bestemd voor de plaatsing van een of meer stooktoestellen met een totale nominale belasting als bedoeld in NEN 2757 van meer dan 160 kW, zijn gelegen in een afzonderlijke besloten ruimte (stookruimte).

  • 4 Het eerste lid is niet van toepassing, indien de woning is aangesloten op het distributienet van de stadsverwarming of op een andere voorziening die is bestemd voor de verwarming van meer dan één woning.

§ 2. Gemeenschappelijke ruimten en opstelplaatsen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 105. Gemeenschappelijke verblijfsruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In afwijking in zoverre van artikel 100, mag een deel van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimte van een in een woongebouw gelegen woning deel uitmaken van een in dat woongebouw gelegen gemeenschappelijke verblijfsruimte, mits in de woning ten minste 10 m2 vloeroppervlakte aan verblijfsruimte aanwezig is.

  • 2 Een gemeenschappelijke verblijfsruimte mag, opdat die ruimte onbelemmerd en beschut kan worden bereikt, vanaf de toegangen van de op die ruimte aangewezen woningen uitsluitend bereikbaar zijn door een of meer besloten gemeenschappelijke verkeersruimten.

Artikel 106. Gemeenschappelijke toiletruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In afwijking in zoverre van artikel 101, behoeft een in een woongebouw gelegen woning niet te zijn voorzien van een toiletruimte, mits binnen dat woongebouw een of meer gemeenschappelijke toiletruimten aanwezig zijn.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, mag zijn volstaan met één gemeenschappelijke toiletruimte voor elke gebruiksoppervlakte van 165 m2 of gedeelte daarvan, van het totaal aan gebruiksoppervlakten van de woningen die op die gemeenschappelijke toiletruimte zijn aangewezen.

  • 3 Een gemeenschappelijke toiletruimte mag, opdat die ruimte onbelemmerd en beschut kan worden bereikt, vanaf de toegangen van de op die ruimte aangewezen woningen uitsluitend bereikbaar zijn door een of meer besloten gemeenschappelijke verkeersruimten.

Artikel 107. Gemeenschappelijke badruimte [Vervallen per 01-01-2003]

Een gemeenschappelijke badruimte in een woongebouw moet, met het oog op het zich kunnen wassen, een vloeroppervlakte hebben van ten minste 0,36 m2, waarvan de breedte ten minste 0,6 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2 m is.

Artikel 108. Gemeenschappelijk aanrecht en opstelplaats voor een gemeenschappelijk kooktoestel [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In afwijking in zoverre van artikel 103, mag, voor zover het in een woongebouw gelegen woningen betreft, worden volstaan met één opstelplaats voor een gemeenschappelijk aanrecht en één opstelplaats voor een gemeenschappelijk kooktoestel buiten die woningen, mits die opstelplaatsen zich in een gemeenschappelijke verblijfsruimte bevinden.

  • 2 De opstelplaats voor het gemeenschappelijke aanrecht heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,5 m x 0,5 m.

  • 3 De opstelplaats voor een gemeenschappelijk kooktoestel, bedoeld in het eerste lid, moet een vloeroppervlakte hebben van ten minste 0,5 m * 0,5 m.

Artikel 109. Opstelplaats voor een gemeenschappelijk stooktoestel [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In afwijking van artikel 104, mag, indien een in een woongebouw gelegen woning is aangesloten op een gemeenschappelijke voorziening voor de verwarming van de in het woongebouw gelegen woningen, de opstelplaats voor een stooktoestel zich bevinden in een besloten gemeenschappelijke ruimte, niet zijnde een toiletruimte, badruimte of verkeersruimte.

  • 2 De afmetingen van de opstelplaats, bedoeld in het eerste lid, moeten zijn afgestemd op de daarop te plaatsen apparatuur.

  • 3 In afwijking in zoverre van het eerste lid, moet de opstelplaats die is bestemd voor de plaatsing van een of meer stooktoestellen met een totale nominale belasting als bedoeld in NEN 2757 van meer dan 160 kW, zijn gelegen in een afzonderlijke besloten gemeenschappelijke ruimte (stookruimte).

  • 4 De afmetingen van een stookruimte moeten zijn afgestemd op de in die ruimte te plaatsen apparatuur.

§ 3. Gelijkwaardige bruikbaarheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 110 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 100 tot en met 109, moet een woning of woongebouw een mate van bruikbaarheid bieden die ten minste gelijk is aan de mate van bruikbaarheid die is beoogd met het desbetreffende bij of krachtens die artikelen gegeven voorschrift.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid en het desbetreffende voorschrift tevens valt te herleiden tot overwegingen van veiligheid of gezondheid, moeten die overwegingen daarbij in ten minste dezelfde mate in acht zijn genomen.

Hoofdstuk IV. Technische voorschriften omtrent het bouwen van woonwagens en standplaatsen [Vervallen per 01-01-2003]

Afdeling 1. Voorschriften uit het oogpunt van veiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Constructieve veiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 111. Sterkte van de bouwconstructie [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een in NEN 6702 bedoelde uiterste grenstoestand van een bouwconstructie van een woonwagen en van de op een standplaats ten behoeve van een woonwagen aanwezige fundering mag, opdat die woonwagen en fundering duurzaam bestand zijn tegen de daarop werkende krachten, bij de in die norm bedoelde fundamentele belastingscombinaties niet zijn overschreden.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, moet voor de bepaling van de op de bouwconstructie van de fundering aan te brengen belastingscombinatie zijn uitgegaan van:

    • a. een laststelsel, bestaande uit twee verticale, evenwijdige lijnlasten die elk een rekenwaarde hebben ter grootte van 6,8 kN/m en een lengte van 15 m, en die op een afstand van ten minste 2,5 m en ten hoogste 3 m van elkaar moeten zijn gelegen;

    • b. een puntlast met een rekenwaarde van 50 kN, die als vrije belasting als bedoeld in NEN 6702, in rekening moet zijn gebracht, en

    • c. de rekenwaarde van het eigen gewicht van de fundering.

  • 3 In afwijking in zoverre van het tweede lid, moet, indien de standplaats is gelegen in een onbebouwd gebied I als bedoeld in NEN 6702, voor de in dat lid bedoelde lijnlasten zijn uitgegaan van een rekenwaarde ter grootte van 7,3 kN/m.

  • 4 Het niet-overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in het eerste lid, moet zijn bepaald overeenkomstig:

    • a. NEN 6710 en NEN 6770, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die normen bedoeld metaal;

    • b. NEN 6720 en NEN 6790, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die normen bedoeld steenachtig materiaal;

    • c. NEN 6760, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die norm bedoeld hout;

    • d. NEN 2608, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die norm bedoeld glas, en

    • e. NEN 6707, indien de bouwconstructie de in die norm bedoelde bevestiging van dakbedekking is.

  • 5 Indien een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan in het vierde lid is bedoeld, moet het niet-overschrijden van een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie zijn bepaald overeenkomstig NEN 6700.

§ 2. Gebruiksveiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 112. Elektriciteitsvoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op een standplaats moet, opdat op veilige wijze over energie kan worden beschikt, een voorziening voor elektriciteit aanwezig zijn die ten minste voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor elektrische energie van de Vereniging van Exploitanten van Elektriciteitsbedrijven in Nederland.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, moet de voorziening voor elektriciteit in de meterruimte ten minste één aansluitmogelijkheid hebben voor aansluiting op het distributienet van elektriciteit.

  • 3 In een woonwagen moet, opdat daarin op veilige wijze over energie kan worden beschikt, een voorziening voor elektriciteit aanwezig zijn die is aangesloten op de voorziening, bedoeld in het eerste lid, en die ten minste voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor elektrische energie van de Vereniging van Exploitanten van Elektriciteitsbedrijven in Nederland.

Artikel 113. Gasvoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op een standplaats moet, opdat op veilige wijze over energie kan worden beschikt, een voorziening voor gas aanwezig zijn die ten minste voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor gas van de Vereniging van Exploitanten van Gasbedrijven in Nederland.

  • 2 In een woonwagen moet, opdat daarin op veilige wijze over energie kan worden beschikt, een voorziening voor gas aanwezig zijn die is aangesloten op de voorziening, bedoeld in het eerste lid, en die ten minste voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor gas van de Vereniging van Exploitanten van Gasbedrijven in Nederland.

  • 3 In afwijking van het eerste en tweede lid, geldt de verplichting tot het hebben van een voorziening voor gas niet, indien de standplaats en de woonwagen zijn aangesloten op het distributienet van de stadsverwarming of op een andere voorziening die is bestemd voor de verwarming van meer dan één woonwagen.

Artikel 114. Aansluitingen voor gas [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De voorziening voor gas, bedoeld in artikel 113, eerste lid, moet, opdat gas kan worden betrokken, in de meterruimte ten minste één aansluitmogelijkheid hebben voor aansluiting op het distributienet van gas.

  • 2 Indien de in de artikelen 144 en 145 bedoelde opstelplaatsen voor een stooktoestel en voor een warmwatertoestel zijn gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140, moet de voorziening voor gas, bedoeld in artikel 113, eerste lid, opdat op die voorziening op gas gestookte verbrandingstoestellen kunnen worden aangesloten, voorts ten minste één aansluitpunt hebben ter plaatse van die opstelplaatsen, met dien verstande dat indien het stooktoestel en warmwatertoestel zijn samengevoegd, mag zijn volstaan met één aansluitpunt.

  • 3 De voorziening voor gas, bedoeld in artikel 113, tweede lid, moet, opdat op die voorziening op gas gestookte verbrandingstoestellen kunnen worden aangesloten, onderscheidenlijk ten minste één aansluitpunt hebben ter plaatse van:

    • a. de opstelplaats voor een kooktoestel, bedoeld in artikel 142;

    • b. de opstelplaats voor een stooktoestel, bedoeld in artikel 144, indien die opstelplaats in de woonwagen is gelegen, en

    • c. de opstelplaats voor een warmwatertoestel, bedoeld in artikel 145, indien die opstelplaats in de woonwagen is gelegen.

  • 4 Het derde lid, aanhef en onderdeel c, is niet van toepassing, indien in de woonwagen het stooktoestel en het warmwatertoestel zijn samengevoegd.

Artikel 115. Beweegbare constructie-onderdelen [Vervallen per 01-01-2003]

Een beweegbaar constructie-onderdeel van een woonwagen mag zich, ter voorkoming van gevaar voor gebruikers van een aangrenzend perceel of terrein of van een aangrenzende openbare weg, in geopende stand slechts bevinden boven de standplaats waarop de woonwagen is geplaatst.

§ 3. Brandveiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 116. Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Materiaal, toegepast ter plaatse van of in de nabijheid van een in NEN 6061 bedoelde stookplaats moet, ter beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie, onbrandbaar zijn als bedoeld in NEN 6064, voor zover:

    • a. ter plaatse van of in de nabijheid van die stookplaats een overeenkomstig NEN 6061 bepaalde intensiteit van de warmtestraling kan optreden van meer dan 2 kW/m2, of

    • b. in dat materiaal een overeenkomstig NEN 6061 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 363 K.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, moet een voorziening voor de afvoer van rook brandveilig zijn overeenkomstig NEN 6062.

  • 3 Onverminderd het tweede lid, moet materiaal waaruit de voorziening voor de afvoer van rook is samengesteld, alsmede materiaal dat in de nabijheid van die voorziening is toegepast, voor zover in dat materiaal een overeenkomstig NEN 6062 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 363 K, onbrandbaar zijn als bedoeld in NEN 6064.

  • 4 Het dak van een woonwagen mag, bepaald overeenkomstig NEN 6063, niet brandgevaarlijk zijn.

Artikel 117. Beperking van de ontwikkeling van brand en van het ontstaan van rook [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een constructie-onderdeel van een woonwagen, met uitzondering van het dak en de vloer, moet, opdat gebruikers van de woonwagen direct na het uitbreken van brand op veilige wijze uit de woonwagen kunnen vluchten of daaruit kunnen worden gered, ten minste behoren tot klasse 4 van de in NEN 6065 bedoelde bijdrage tot brandvoortplanting, bepaald overeenkomstig die norm.

  • 2 De vloer van een woonwagen moet ten minste behoren tot klasse T3 van de in NEN 1775 bedoelde bijdrage tot brandvoortplanting, bepaald overeenkomstig die norm.

  • 3 De in NEN 6066 bedoelde rookproduktie van een constructie-onderdeel mag aan de naar een besloten ruimte van de woonwagen toegekeerde zijde, bepaald overeenkomstig die norm, geen grotere rookdichtheid als bedoeld in die norm hebben dan 10 m-1.

  • 4 Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de in die leden bedoelde constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte.

Artikel 118. Beperking van uitbreiding van brand [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De in NEN 6068 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een woonwagen en een besloten ruimte moet, ter beperking van uitbreiding van brand, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste 30 minuten zijn.

  • 2 Bij de bepaling van de weerstand, bedoeld in het eerste lid, moet zijn uitgegaan van een identieke, doch spiegelsymmetrisch op een afstand van 5 m geplaatste woonwagen.

§ 4. Gelijkwaardige veiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 119 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 111 tot en met 118, moeten een woonwagen en een standplaats een mate van veiligheid bieden die ten minste gelijk is aan de mate van veiligheid die is beoogd met het desbetreffende bij of krachtens die artikelen gegeven voorschrift.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid en het desbetreffende voorschrift tevens valt te herleiden tot overwegingen van gezondheid, bruikbaarheid of energiezuinigheid, moeten die overwegingen daarbij in ten minste dezelfde mate in acht zijn genomen.

Afdeling 2. Voorschriften uit het oogpunt van gezondheid [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Bescherming tegen schadelijke of hinderlijke invloeden [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 120. Bescherming tegen geluid van buiten [Vervallen per 01-01-2003]

De in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een woonwagen moet, ter beperking van geluidhinder in de woonwagen, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste 20 dB(A) zijn.

Artikel 121. Wering van vocht van buiten [Vervallen per 01-01-2003]

Een uitwendige scheidingsconstructie van een woonwagen moet, ter beperking van het kunnen binnendringen van vocht in de woonwagen, bepaald overeenkomstig NEN 2778, waterdicht zijn.

Artikel 122. Wering van vocht van binnen [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De in NEN 2778 bedoelde factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte van een uitwendige scheidingsconstructie van een woonwagen mag, ter beperking van vorming van allergenen, bepaald overeenkomstig die norm, niet lager zijn dan 0,65.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op in de in dat lid bedoelde scheidingsconstructie aanwezige kozijnen, alsmede op in die constructie aanwezige deuren en ramen of daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen.

  • 3 Een constructie die de scheiding vormt tussen een toiletruimte en een andere besloten ruimte of de buitenlucht mag, ter beperking van het vanuit de toiletruimte kunnen binnendringen van vocht in die constructie, aan de naar de toiletruimte toegekeerde oppervlakte tot een hoogte van 1,2 m boven de vloer van die ruimte, bepaald overeenkomstig NEN 2778, gemiddeld geen grotere wateropname als bedoeld in die norm hebben dan 0,01 kg/(m2.s½), met dien verstande dat op geen enkele plaats op die oppervlakte de wateropname groter mag zijn dan 0,2 kg/(m2.s½).

  • 4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een badruimte, met dien verstande dat ter plaatse van het bad of de douche over een lengte van ten minste 3 m een hoogte van 2,1 m boven de vloer van die ruimte moet zijn aangehouden.

§ 2. Bescherming tegen schadelijke of hinderlijke stoffen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 123. Afvoer van afvalwater en faecaliën [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op een standplaats moet, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie op de standplaats, een voorziening aanwezig zijn voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, die kan worden aangesloten op het openbaar riool.

  • 2 Een woonwagen moet, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie in de woonwagen, een voorziening hebben voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, die is aangesloten op de voorziening, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De voorziening voor afvalwater en faecaliën van een standplaats heeft ten minste één aansluitpunt:

    • a. in een toiletruimte, gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140;

    • b. in een badruimte, gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140, en

    • c. bij een opstelplaats voor wasapparatuur, gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140.

  • 4 De voorziening voor afvalwater en faecaliën van een woonwagen heeft ten minste één aansluitpunt:

    • a. bij een opstelplaats voor het aanrecht;

    • b. in een toiletruimte;

    • c. in een badruimte, en

    • d. bij een opstelplaats voor wasapparatuur.

  • 5 De voorzieningen voor afvalwater en faecaliën, bedoeld in het eerste en tweede lid, moeten, bepaald overeenkomstig NEN 3215, een capaciteit hebben die ten minste gelijk is aan de in die norm aangegeven belasting van die voorzieningen en moeten, bepaald overeenkomstig die norm, lucht- en waterdicht zijn.

Artikel 124. Afvoer van hemelwater [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op een standplaats moet, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie op die standplaats, een voorziening aanwezig zijn voor de afvoer van hemelwater, die kan worden aangesloten op het openbaar riool.

  • 2 Het dak van een woonwagen moet een voorziening hebben voor de opvang en afvoer van hemelwater.

  • 3 De uitmonding van de in het tweede lid bedoelde voorziening voor de afvoer van hemelwater moet, verticaal gemeten, zijn gelegen op een afstand van ten hoogste 0,5 m boven de standplaats waarop de woonwagen is geplaatst.

  • 4 De voorzieningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, moeten een capaciteit hebben die, bepaald overeenkomstig NEN 3215, ten minste gelijk is aan de overeenkomstig die norm bepaalde belasting van die voorzieningen.

  • 5 De voorziening voor hemelwater, bedoeld in het eerste lid, mag zijn samengevoegd met de voorziening voor afvalwater en faecaliën, bedoeld in artikel 123, eerste lid, tenzij de voorziening voor hemelwater kan worden aangesloten op het openbaar riool dat uitsluitend is bestemd voor de afvoer van hemelwater.

  • 6 Indien toepassing is gegeven aan het vijfde lid, moet de samengevoegde voorziening, bepaald overeenkomstig NEN 3215, een capaciteit hebben die ten minste gelijk is aan de overeenkomstig die norm bepaalde belasting van die voorziening.

Artikel 125. Luchtverversing [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte van een woonwagen moet, ter beperking van het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht, een voorziening aanwezig zijn voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht.

  • 2 De inrichting van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet voldoen aan NEN 1087, met dien verstande dat bij de bepaling van de richting van de luchtstroming en de ligging van een opening van de voorziening, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen buiten beschouwing blijven.

  • 3 De voorziening voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsruimte en voor de afvoer van binnenlucht uit die ruimte moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste 0,8.10-3 m3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 7.10-3 m3/s.

  • 4 Onverminderd het derde lid, moet, indien in de verblijfsruimte een opstelplaats voor een kooktoestel is gelegen, de in dat lid bedoelde capaciteit ten minste 21.10-3 m3/s zijn, met dien verstande dat de afvoer van die capaciteit rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden.

  • 5 Ten minste 50% van de capaciteit voor de toevoer van verse lucht, bedoeld in het derde en vierde lid, moet rechtstreeks van buiten plaatsvinden.

  • 6 De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste:

    • a. 7.10-3 m3/s voor een toiletruimte, en

    • b. 14.10-3 m3/s voor een al of niet met een toiletruimte samengevoegde badruimte.

  • 7 De afvoer van binnenlucht, bedoeld in het zesde lid, moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.

  • 8 In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een woonwagen moeten, opdat sterk verontreinigde binnenlucht snel kan worden afgevoerd, beweegbare constructie-onderdelen aanwezig zijn waarmee, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een totale capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kan worden bewerkstelligd van ten minste 6.10-3 m3/s per m2 gebruiksoppervlakte van de woonwagen.

  • 9 Onverminderd het achtste lid, moet in een verblijfsruimte een capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kunnen worden bewerkstelligd van ten minste 3.10-3 m3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

Artikel 126. Verbrandingslucht en rook [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woonwagen of in een gebouw als bedoeld in artikel 140, moet, tenzij artikel 113, derde lid, van toepassing is, ter voorkoming van een onaanvaardbare ophoping van vergiftige of hinderlijke gassen, ten behoeve van een opstelplaats voor een verbrandingstoestel, niet zijnde een kooktoestel met een nominale belasting als bedoeld in NEN 2757 van niet meer dan 15 kW, een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook aanwezig zijn.

  • 2 De voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook moet, wat de toevoer van verbrandingslucht betreft, bepaald overeenkomstig NEN 1087, en wat de afvoer van rook betreft, bepaald overeenkomstig NEN 2757, een in NEN 2757 aangegeven capaciteit hebben.

  • 3 Onverminderd het tweede lid, moet ten behoeve van:

    • a. de opstelplaats voor een kooktoestel, bedoeld in artikel 142, zijn uitgegaan van een op gas gestookt toestel met een belasting van ten minste 2 kW;

    • b. de opstelplaats voor een stooktoestel, bedoeld in artikel 144, zijn uitgegaan van een op gas gestookt toestel met een belasting van ten minste 6 kW, en

    • c. de opstelplaats voor een warmwatertoestel, bedoeld in artikel 145, zijn uitgegaan van een op gas gestookt toestel met een belasting van ten minste 6 kW.

  • 4 In afwijking in zoverre van het derde lid, mag, indien het warmwatertoestel is samengevoegd met het stooktoestel, zijn uitgegaan van een belasting van dat samengevoegde toestel van ten minste 6 kW.

  • 5 De inrichting van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die voorziening is bestemd voor de toevoer van verbrandingslucht, moet, indien die toevoer rechtstreeks van buiten plaatsvindt, wat de snelheid en de richting van de luchtstroming alsmede de regelbaarheid van de voorziening betreft, ten minste voldoen aan NEN 2757, met dien verstande dat bij de bepaling van die richting en van de ligging van een opening van de voorziening, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen buiten beschouwing blijven.

  • 6 De inrichting van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook moet, voor zover die voorziening is bestemd voor de afvoer van rook, ten minste voldoen aan NEN 2757, met dien verstande dat bij de bepaling van de plaats van de uitmonding van die voorziening, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen buiten beschouwing blijven.

Artikel 127. Beperking van de toepassing van schadelijke materialen [Vervallen per 01-01-2003]

Bij ministeriële regeling kunnen, ter beperking van de aanwezigheid in de woonwagen van een voor de gezondheid onaanvaardbare mate van vergiftige of hinderlijke stoffen of van ioniserende stralen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Kernenergiewet, voorschriften worden gegeven omtrent het in de constructie van een woonwagen toepassen van materialen waaruit die stoffen kunnen vrijkomen of die stralen kunnen ontstaan.

Artikel 128. Beperking van het kunnen binnendringen van uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling [Vervallen per 01-01-2003]

Bij ministeriële regeling kunnen, ter beperking van blootstelling van gebruikers van een woonwagen aan uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling, voorschriften worden gegeven waaraan de vloer van een woonwagen moet voldoen.

§ 3. Wering van schadelijk of hinderlijk gedierte [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 129. Bescherming tegen ratten en muizen [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een uitwendige scheidingsconstructie van een woonwagen mogen zich, ter beperking van het in de woonwagen kunnen binnendringen van ratten en muizen, geen onafsluitbare openingen bevinden die breder zijn dan 0,01 m.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op een opening die aan de bovenkant de uitmonding vormt van een verticaal kanaal.

§ 4. Watervoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 130. Drinkwatervoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op een standplaats moet, opdat kan worden beschikt over voor de menselijke consumptie en hygiëne geschikt water, een voorziening voor drinkwater aanwezig zijn die ten minste voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland.

  • 2 In een woonwagen moet een voorziening voor drinkwater aanwezig zijn die is aangesloten op de voorziening, bedoeld in het eerste lid, en die ten minste voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland.

Artikel 131. Aansluitingen voor drinkwater [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De voorziening voor drinkwater, bedoeld in artikel 130, eerste lid, moet, opdat drinkwater kan worden betrokken, in de meterruimte een aansluitmogelijkheid hebben voor aansluiting op het distributienet van drinkwater.

  • 2 De voorziening voor drinkwater van een standplaats heeft, opdat op die voorziening watertoestellen kunnen worden aangesloten, voorts ten minste één aansluitpunt:

    • a. in een toiletruimte, gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140;

    • b. in een badruimte, gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140;

    • c. bij een opstelplaats voor wasapparatuur, gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140, en

    • d. bij een opstelplaats voor het warmwatertoestel, gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140.

  • 3 De voorziening voor drinkwater van een woonwagen heeft ten minste één aansluitpunt:

    • a. bij een opstelplaats voor het aanrecht;

    • b. in een toiletruimte;

    • c. in een badruimte;

    • d. bij een opstelplaats voor wasapparatuur, en

    • e. een opstelplaats voor een warmwatertoestel.

Artikel 132. Warmwatervoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien de badruimte, bedoeld in artikel 139, of de opstelplaats voor een warmwatertoestel, bedoeld in artikel 145, zich bevindt in het gebouw, bedoeld in artikel 140, moet, opdat kan worden beschikt over voor de menselijke hygiëne geschikt warm water, op de standplaats een voorziening aanwezig zijn voor warm water, waarvan de inrichting ten minste voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland.

  • 2 Indien de badruimte, bedoeld in artikel 139, of de opstelplaats voor een warmwatertoestel, bedoeld in artikel 145, zich in de woonwagen bevindt, moet in de woonwagen een voorziening aanwezig zijn voor warm water, waarvan de inrichting ten minste voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland.

  • 3 De warmwatervoorziening van een standplaats heeft, opdat op die voorziening watertoestellen kunnen worden aangesloten, ten minste één aansluitpunt:

    • a. in een badruimte gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140, en

    • b. bij een opstelplaats voor het warmwatertoestel, gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140.

  • 4 De warmwatervoorziening van een woonwagen heeft ten minste één aansluitpunt:

    • a. in een badruimte, en

    • b. bij een opstelplaats voor het warmwatertoestel.

§ 5. Daglichttoetreding [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 133. Daglicht en uitzicht [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van de verblijfsruimten van een woonwagen moet, met het oog op de toetreding van daglicht en het uitzicht naar buiten, een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in NEN 2057 aanwezig zijn die, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste gelijk is aan 8% van de gebruiksoppervlakte van de woonwagen, met dien verstande dat in elke verblijfsruimte van de woonwagen ten minste 0,5 m2 aan equivalente daglichtoppervlakte aanwezig moet zijn.

  • 2 Bij de bepaling van de in het eerste lid bedoelde equivalente daglichtoppervlakte blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen buiten beschouwing en moet de in rekening te brengen belemmeringshoek α, bedoeld in NEN 2057, ten minste 25° zijn.

§ 6. Gelijkwaardige bescherming van de gezondheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 134 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 120 tot en met 133, moeten een woonwagen en een standplaats een mate van bescherming van de gezondheid bieden, die ten minste gelijk is aan de mate van bescherming die is beoogd met het desbetreffende bij of krachtens die artikelen gegeven voorschrift.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid en het desbetreffende voorschrift tevens valt te herleiden tot overwegingen van veiligheid, bruikbaarheid of energiezuinigheid, moeten die overwegingen daarbij in ten minste dezelfde mate in acht zijn genomen.

Afdeling 3. Voorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Oppervlakte van de standplaats [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 135. Oppervlakte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De oppervlakte van een standplaats moet, opdat de woonwagen met bijbehorende voorzieningen daarop kan worden geplaatst, ten minste 160 m2 zijn.

  • 2 Van de standplaats moet in elk geval een oppervlak deel uitmaken met een lengte van ten minste 16,5 m en een breedte van ten minste 7,5 m.

§ 2. Toegankelijkheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 136. Vrije doorgang [Vervallen per 01-01-2003]

De toegang van een woonwagen moet, met het oog op de toegankelijkheid, een vrije doorgang hebben met een breedte van ten minste 0,8 m en een hoogte van ten minste 2,1 m.

§ 3. Ruimten en opstelplaatsen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 137. Verblijfsruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woonwagen moet, opdat daarin voor het wonen kenmerkende activiteiten kunnen plaatsvinden, ten minste 60% van de gebruiksoppervlakte, met een minimum van 24 m2, in een of meer verblijfsruimten zijn gelegen.

  • 2 Een verblijfsruimte moet een vloeroppervlakte hebben van ten minste 4 m2, waarvan de breedte ten minste 1,6 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,2 m is.

  • 3 In afwijking in zoverre van het tweede lid, moet ten minste één in de woonwagen gelegen verblijfsruimte een vloeroppervlakte hebben van ten minste 12 m2, waarvan de breedte ten minste 3 m is.

  • 4 Indien de in het derde lid bedoelde vloeroppervlakte nabij de toegang van de woonwagen is gelegen, mag de afstand tussen de toegang en die vloeroppervlakte niet minder zijn dan 0,9 m.

  • 5 Een verblijfsruimte moet vanaf de toegang van de woonwagen bereikbaar zijn zonder dat een toiletruimte, badruimte of bergruimte behoeft te worden betreden.

Artikel 138. Toiletruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woonwagen moet, opdat sanitaire handelingen kunnen worden verricht, ten minste één afsluitbare toiletruimte aanwezig zijn.

  • 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid, mag de in dat lid bedoelde toiletruimte deel uitmaken van het gebouw, bedoeld in artikel 140.

  • 3 De toiletruimte, bedoeld in het eerste of tweede lid, moet een vloeroppervlakte hebben van ten minste 1 m2, waarvan de breedte ten minste 0,8 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,1 m is.

Artikel 139. Badruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woonwagen moet, met het oog op het zich kunnen wassen, ten minste één afsluitbare badruimte aanwezig zijn.

  • 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid, mag de in dat lid bedoelde badruimte deel uitmaken van het gebouw, bedoeld in artikel 140.

  • 3 De badruimte, bedoeld in het eerste of tweede lid, moet een vloeroppervlakte hebben van ten minste 1,6 m2, waarvan de breedte ten minste 0,8 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,1 m is.

  • 4 Een badruimte mag, met het oog op een doelmatige benutting van de gebruiksoppervlakte van de woonwagen of van het gebouw, bedoeld in artikel 140, zijn samengevoegd met een toiletruimte, mits de vloeroppervlakte van die samengevoegde ruimte ten minste 2,6 m2 is, waarvan de breedte ten minste 0,8 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,1 m is.

Artikel 140. Bergruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op een standplaats moet, opdat voorwerpen beschermd tegen weer en wind kunnen worden opgeborgen, ten behoeve van een woonwagen een gebouw aanwezig zijn waarin zich een bergruimte bevindt met een vloeroppervlakte van ten minste 6 m2, waarvan de breedte ten minste 1,8 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,1 m is.

  • 2 Een uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw, bedoeld in het eerste lid, moet, ter beperking van het kunnen binnendringen van vocht in dat gebouw, bepaald overeenkomstig NEN 2778, ten minste regenwerend zijn.

Artikel 141. Meterruimte [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Tot het gebouw, bedoeld in artikel 140, moet, opdat de centrale schakel-, verdeel- en meetapparatuur voor elektriciteit, gas, water, telecommunicatiesignalen en, voor zover van toepassing, stadsverwarming kan worden geplaatst, een afsluitbare meterruimte behoren die wat afmetingen, indeling en leidingdoorvoeren betreft, ten minste voldoet aan NEN 2768.

  • 2 Een uitwendige scheidingsconstructie van de meterruimte moet, ter beperking van het kunnen binnendringen van vocht in die ruimte, bepaald overeenkomstig NEN 2778, ten minste regenwerend zijn.

Artikel 142. Aanrecht en opstelplaats voor een kooktoestel [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Ten minste één verblijfsruimte van een woonwagen heeft, opdat spijzen kunnen worden bereid, een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel.

  • 2 De opstelplaats voor het aanrecht heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,5 m x 0,6 m.

  • 3 De opstelplaats voor een kooktoestel, bedoeld in het eerste lid, moet een vloeroppervlakte hebben van ten minste 0,6 m * 0,6 m.

  • 4 De opstelplaatsen voor het aanrecht en voor het kooktoestel liggen niet op de vloeroppervlakte van 12 m2 met een breedte van ten minste 3 m2.

Artikel 143. Opstelplaats voor wasapparatuur [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woonwagen moet, opdat kleding en linnengoed kunnen worden gewassen, ten minste één opstelplaats voor wasapparatuur aanwezig zijn, die niet in een verblijfsruimte mag zijn gelegen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, mag de opstelplaats voor wasapparatuur zijn gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140.

  • 3 De opstelplaats, bedoeld in het eerste of tweede lid, moet een vloeroppervlakte hebben van ten minste 1 m2, waarvan de breedte ten minste 0,8 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,1 m is.

  • 4 Indien de opstelplaats, bedoeld in het eerste of tweede lid, is gelegen in een toiletruimte of badruimte dan wel in de bergruimte, bedoeld in artikel 140, moet de vloeroppervlakte van die ruimten, bedoeld in onderscheidenlijk de artikelen 138, derde lid, 139, derde lid, en 140, eerste lid, zijn vermeerderd met ten minste 1 m2.

Artikel 144. Opstelplaats voor een stooktoestel [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woonwagen moet, opdat verwarmingsapparatuur kan worden geplaatst, ten minste één opstelplaats voor een stooktoestel aanwezig zijn, die niet mag zijn gelegen in een toiletruimte of badruimte.

  • 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid, mag de opstelplaats voor een stooktoestel zijn gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing, indien de woonwagen kan worden aangesloten op het distributienet van de stadsverwarming of op een andere voorziening die is bestemd voor het verwarmen van meer dan één woonwagen.

Artikel 145. Opstelplaats voor een warmwatertoestel [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een woonwagen moet, opdat apparatuur voor het opwarmen van water kan worden geplaatst, ten minste één opstelplaats voor een warmwatertoestel zijn gelegen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, mag de opstelplaats voor een warmwatertoestel zijn gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing, indien het warmwatertoestel is samengevoegd met een stooktoestel of de woonwagen kan worden aangesloten op een warmwatervoorziening die is bestemd voor meer dan één woonwagen.

§ 4. Telecommunicatievoorzieningen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 146. Telefoon, radio- en televisieaansluiting [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op een standplaats moet, opdat telecommunicatiesignalen kunnen worden ontvangen, een voorziening aanwezig zijn die ten minste bestaat uit twee afzonderlijke, onbedrade buizen.

  • 2 De voorziening, bedoeld in het eerste lid, moet in de meterruimte een aansluitmogelijkheid hebben voor aansluiting op het openbare telefoonnet, alsmede een aansluitmogelijkheid voor aansluiting op een gemeenschappelijke of centrale antenne-inrichting.

  • 3 In een woonwagen moet, opdat telecommunicatiesignalen kunnen worden ontvangen, een voorziening aanwezig zijn die is aangesloten op de voorziening, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 De voorziening, bedoeld in het derde lid, moet in ten minste één verblijfsruimte ten minste één aansluitpunt hebben voor onderscheidenlijk een telefoontoestel, radiotoestel en televisietoestel.

  • 5 De voorziening, bedoeld in het derde lid, moet ten minste bestaan uit twee afzonderlijke, onbedrade buizen die vanaf de buitenzijde van een uitwendige scheidingsconstructie van de woonwagen leiden naar de aansluitpunten, bedoeld in het vierde lid.

  • 6 De voorziening, bedoeld in het derde lid, moet voorts bij de onderscheiden aansluitpunten, bedoeld in het vierde lid, ten minste één inbouwdoos hebben.

§ 5. Verplaatsing en vervorming [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 147. Verplaatsing [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De bovenkant van een element van de op een standplaats ten behoeve van een woonwagen aanwezige fundering, bedoeld in artikel 111, eerste lid, mag, ter beperking van verzakking of scheefzakking van de woonwagen, bij momentane belastingscombinaties als bedoeld in NEN 6702, bepaald overeenkomstig NEN 6740, geen grotere zakking hebben dan 0,15 m.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, mag de som van de rotatie en de relatieve rotatie aan de bovenkant van het in het eerste lid bedoelde funderingselement niet groter zijn dan 3,5.10-3 rad.

  • 3 Onverminderd het eerste en tweede lid, moet voor de bepaling van de op de bouwconstructie van de fundering aan te brengen belastingscombinatie zijn uitgegaan van:

    • a. een laststelsel, bestaande uit twee verticale, evenwijdige lijnlasten die elk een rekenwaarde hebben ter grootte van 5,6 kN/m en een lengte van 15 m, en die op een afstand van ten minste 2,5 m en ten hoogste 3 m van elkaar moeten zijn gelegen;

    • b. een puntlast met een rekenwaarde van 40 kN, die als vrije belasting als bedoeld in NEN 6702, in rekening moet zijn gebracht, en

    • c. de rekenwaarde van het eigen gewicht van de fundering.

  • 4 In afwijking in zoverre van het derde lid, moet, indien de standplaats is gelegen in een onbebouwd gebied I als bedoeld in NEN 6702, voor de in dat lid bedoelde lijnlasten zijn uitgegaan van rekenwaarde ter grootte van 6 kN/m.

Artikel 148. Vervorming [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De vloer van een woonwagen mag, ter beperking van doorbuiging, bij de respons die voortvloeit uit de in NEN 6702 bedoelde incidentele en momentane belastingscombinaties, geen grotere doorbuiging in de eindtoestand als bedoeld in die norm hebben dan het produkt van 4.10-3 en de in die norm bedoelde overspanning van die vloer.

  • 2 De doorbuiging, bedoeld in het eerste lid, moet zijn bepaald overeenkomstig het gestelde met betrekking tot de bepaling van de vervorming in:

    • a. NEN 6710 en 6770, indien de vloer is vervaardigd van in die normen bedoeld metaal, en

    • b. NEN 6760, indien de vloer is vervaardigd van in die norm bedoeld hout.

  • 3 Indien een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan in het tweede lid bedoeld, moet de doorbuiging, bedoeld in het eerste lid, zijn bepaald overeenkomstig NEN 6700.

§ 6. Gelijkwaardige bruikbaarheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 149 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 135 tot en met 148, moeten een woonwagen en een standplaats een mate van bruikbaarheid bieden die ten minste gelijk is aan de mate van bruikbaarheid die is beoogd met het desbetreffende bij of krachtens die artikelen gegeven voorschrift.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid en het desbetreffende voorschrift tevens valt te herleiden tot overwegingen van veiligheid, gezondheid of energiezuinigheid, moeten die overwegingen daarbij in ten minste dezelfde mate in acht zijn genomen.

Afdeling 4. Voorschriften uit het oogpunt van energiezuinigheid [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Beperking van warmteverlies [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 150. Thermische isolatie [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een uitwendige scheidingsconstructie van een woonwagen moet, ter beperking van warmteverlies door overdracht of geleiding, bepaald overeenkomstig NEN 1068, een warmteweerstand hebben van ten minste 2 m2.K/W.

  • 2 In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies mag:

    • a. een oppervlakte van ten hoogste 50% van de gebruiksoppervlakte van de woonwagen aan ramen, deuren, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen aanwezig zijn, welke oppervlakte niet behoeft te voldoen aan het eerste lid, mits die oppervlakte, bepaald overeenkomstig NEN 5128, een warmtedoorgangscoëfficiënt heeft van ten hoogste 4,2 W/m2.K, en

    • b. een oppervlakte van ten hoogste 4% van de gebruiksoppervlakte van de woonwagen aan niet in onderdeel a begrepen constructie-onderdelen aanwezig zijn, welke oppervlakte niet behoeft te voldoen aan het eerste lid.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de woonwagen, bepaald overeenkomstig NEN 1068, een thermische isolatie-index als bedoeld in die norm heeft van ten minste 8.

Artikel 151. Beperking van luchtdoorlatendheid [Vervallen per 01-01-2003]

Het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een woonwagen mag, ter beperking van warmteverlies door tocht, bepaald overeenkomstig NEN 2686, geen grotere luchtvolumestroom als bedoeld in die norm hebben dan 0,2 m3/s.

§ 2. Gelijkwaardige energiezuinigheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 152 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 150 en 151, moet een woonwagen een mate van energiezuinigheid bieden die ten minste gelijk is aan de mate van energiezuinigheid die is beoogd met het desbetreffende bij of krachtens die artikelen gegeven voorschrift.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid en het desbetreffende voorschrift tevens valt te herleiden tot overwegingen van veiligheid, gezondheid of bruikbaarheid, moeten die overwegingen daarbij in ten minste dezelfde mate in acht zijn genomen.

Hoofdstuk V. Technische voorschriften omtrent de staat van bestaande woonwagens en standplaatsen [Vervallen per 01-01-2003]

Afdeling 1. Voorschriften uit het oogpunt van veiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Constructieve veiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 153. Sterkte van de bouwconstructie [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een in NEN 6702 bedoelde uiterste grenstoestand van een bouwconstructie van een woonwagen en van de op een standplaats ten behoeve van een woonwagen aanwezige fundering mag, opdat die woonwagen en fundering bestand zijn tegen de daarop werkende krachten, bij belastingscombinaties als aangegeven bij ministeriële regeling, niet zijn overschreden.

  • 2 Het niet-overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in het eerste lid, moet zijn bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften.

§ 2. Gebruiksveiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 154. Elektriciteitsvoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op een standplaats moet, opdat op veilige wijze over energie kan worden beschikt, een voorziening voor elektriciteit aanwezig zijn die is aangesloten op het distributienet van elektriciteit en die ten minste voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor elektrische energie van de Vereniging van Exploitanten van Elektriciteitsbedrijven in Nederland.

  • 2 In een woonwagen moet, opdat daarin op veilige wijze over energie kan worden beschikt, een voorziening voor elektriciteit aanwezig zijn die is aangesloten op de voorziening, bedoeld in het eerste lid, en die ten minste voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor elektrische energie van de Vereniging van Exploitanten van Elektriciteitsbedrijven in Nederland.

Artikel 155. Gasvoorziening [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een op een standplaats aanwezige voorziening voor gas moet, opdat op veilige wijze over energie kan worden beschikt, zijn aangesloten op het distributienet van gas en moet ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor gas van de Vereniging van Exploitanten van Gasbedrijven in Nederland.

  • 2 Een in een woonwagen aanwezige voorziening voor gas moet zijn aangesloten op de voorziening, bedoeld in het eerste lid, en moet ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor gas van de Vereniging van Exploitanten van Gasbedrijven in Nederland.

§ 3. Brandveiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 156. Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Materiaal, toegepast ter plaatse van of in de nabijheid van een in NEN 6061 bedoelde stookplaats moet, ter beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie, onbrandbaar zijn als bedoeld in NEN 6064, voor zover:

    • a. ter plaatse van of in de nabijheid van die stookplaats een overeenkomstig NEN 6061 bepaalde intensiteit van de warmtestraling kan optreden van meer dan 2 kW/m2, of

    • b. in dat materiaal een overeenkomstig NEN 6061 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 363 K.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, moet een voorziening voor de afvoer van rook overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften luchtdicht zijn.

  • 3 Onverminderd het tweede lid, moet materiaal waaruit de voorziening voor de afvoer van rook is samengesteld, alsmede materiaal dat in de nabijheid van die voorziening is toegepast, voor zover in dat materiaal een overeenkomstig NEN 6062 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 363 K, onbrandbaar zijn als bedoeld in NEN 6064.

Artikel 157. Beperking van de ontwikkeling van brand en van het ontstaan van rook [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een constructie-onderdeel van een woonwagen, met uitzondering van het dak en de vloer, moet, opdat gebruikers van de woonwagen direct na het uitbreken van brand op veilige wijze uit de woonwagen kunnen vluchten of daaruit kunnen worden gered, ten minste behoren tot klasse 4 van de in NEN 6065 bedoelde bijdrage tot brandvoortplanting, bepaald overeenkomstig die norm.

  • 2 De vloer van een woonwagen moet ten minste behoren tot klasse T3 van de in NEN 1775 bedoelde bijdrage tot brandvoortplanting, bepaald overeenkomstig die norm.

  • 3 De in NEN 6066 bedoelde rookproduktie van een constructie-onderdeel mag aan de naar een besloten ruimte van de woonwagen toegekeerde zijde, bepaald overeenkomstig die norm, geen grotere rookdichtheid als bedoeld in die norm hebben dan 10 m-1.

  • 4 Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op ten hoogste 10% van de totale oppervlakte van de in die leden bedoelde constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte.

§ 4. Gelijkwaardige veiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 158 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 153 tot en met 157, moeten een woonwagen en een standplaats een mate van veiligheid bieden die ten minste gelijk is aan de mate van veiligheid die is beoogd met het desbetreffende bij of krachtens die artikelen gegeven voorschrift.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid en het desbetreffende voorschrift tevens valt te herleiden tot overwegingen van gezondheid of bruikbaarheid, moeten die overwegingen daarbij in ten minste dezelfde mate in acht zijn genomen.

Afdeling 2. Voorschriften uit het oogpunt van gezondheid [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Bescherming tegen schadelijke of hinderlijke invloeden [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 159. Wering van vocht van buiten [Vervallen per 01-01-2003]

Een uitwendige scheidingsconstructie van een woonwagen moet, ter beperking van het kunnen binnendringen van vocht in de woonwagen, bepaald overeenkomstig NEN 2778, waterdicht zijn.

Artikel 160. Wering van vocht van binnen [Vervallen per 01-01-2003]

Een constructie die de scheiding vormt tussen een badruimte en een andere besloten ruimte of de buitenlucht mag, ter beperking van het vanuit de badruimte kunnen binnendringen van vocht in die constructie, aan de naar de badruimte toegekeerde oppervlakte tot een hoogte van 1 m boven de vloer van die ruimte, bepaald overeenkomstig NEN 2778, gemiddeld geen grotere wateropname als bedoeld in die norm hebben dan 0,01 kg/(m2.s½), met dien verstande dat op geen enkele plaats op die oppervlakte de wateropname groter mag zijn dan 0,2 kg/(m2.s½).

§ 2. Bescherming tegen schadelijke of hinderlijke stoffen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 161. Afvoer van afvalwater en faecaliën [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op een standplaats moet, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie op die standplaats, een voorziening aanwezig zijn voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, die is aangesloten op het openbaar riool.

  • 2 Een woonwagen moet, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie in de woonwagen, een voorziening hebben voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, die is aangesloten op de voorziening, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De voorzieningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, moeten een zodanige afvoercapaciteit hebben dat elk op die voorzieningen aangesloten lozingstoestel als bedoeld in NEN 3215, binnen ten hoogste 5 minuten is geleegd, en moeten, bepaald overeenkomstig die norm, lucht- en waterdicht zijn.

Artikel 162. Luchtverversing [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In een verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte moet, ter beperking van het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht, een voorziening aanwezig zijn voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht.

  • 2 De voorziening voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsruimte en voor de afvoer van binnenlucht uit die ruimte moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben van ten minste 7.10-3 m3/s.

  • 3 Onverminderd het tweede lid, moet, indien in de verblijfsruimte een opstelplaats voor een kooktoestel is gelegen, de in dat lid bedoelde capaciteit ten minste 21.10-3 m3/s zijn, met dien verstande dat de afvoer van die capaciteit rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden.

  • 4 De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben van ten minste:

    • a. 7.10-3 m3/s voor een toiletruimte, en

    • b. 14.10-3 m3/s voor een al of niet met een toiletruimte samengevoegde badruimte.

  • 5 De afvoer van binnenlucht, bedoeld in het vierde lid, moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.

  • 6 In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een woonwagen moeten, opdat sterk verontreinigde binnenlucht snel kan worden afgevoerd, beweegbare constructie-onderdelen aanwezig zijn waarmee, bepaald overeenkomstig NEN 1087, in een verblijfsruimte een capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kan worden bewerkstelligd van ten minste 3.10-3 m3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

Artikel 163. Verbr