KruimelpadGeldend op 05-08-2009
[Regeling vervallen per 01-07-2009]
1.Aan de in artikel 11, tweede lid, bedoelde eis van vakbekwaamheid moet worden voldaan door degene, die daadwerkelijk en bij voortduring leiding geeft aan het beroepsvervoer of, indien deze leiding bij meer personen berust, door ten minste een van hen.
2.Indien artikel 11, derde lid, toepassing vindt, moet aan de in dat lid bedoelde eisen worden voldaan voor wat betreft:
a. betrouwbaarheid door degene, die daadwerkelijk en bij voortduring leiding geeft aan het beroepsvervoer of, indien deze leiding bij meer personen berust, door ieder van hen en
b. kredietwaardigheid door de ondernemer of, indien er meer ondernemers zijn, door hen gezamenlijk.
1.Onze Minister kan een vergunning ambtshalve intrekken of op aanvraag van de vergunninghouder wijzigen of intrekken. Hij trekt de vergunning ambtshalve in, indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 11 en 12.
2.De vergunninghouder doet aan Onze Minister onverwijld schriftelijk mededeling van iedere wijziging in de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is verleend.
1.Een vergunning vervalt van rechtswege met ingang van de dag van:
a. overlijden of intreden van lichamelijke ongeschiktheid of wettelijke onbekwaamheid van de vergunninghouder of
b. ontbinding van de rechtspersoon, de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of de maatschap, waaraan de vergunning is verleend.
2.Op degene, die treedt in de rechten en verplichtingen van de in het eerste lid bedoelde vergunninghouder, is het bepaalde in artikel 15, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
1.Onze Minister verleent een vergunning voor voortzetting van het beroepsvervoer van goederen gedurende een termijn van ten hoogste een jaar op een daartoe strekkende aanvraag:
a. van de erfgenaam of, indien er meer erfgenamen zijn, van de gezamenlijke erfgenamen van de overleden vergunninghouder of
b. van een, door of namens de vergunninghouder, gemachtigde in geval van lichamelijke ongeschiktheid of wettelijke onbekwaamheid van de vergunninghouder.
2.De in het eerste lid bedoelde termijn gaat in op de dag van het plaatshebben van een omstandigheid als bedoeld in dat lid. Onze Minister kan op aanvraag in bijzondere gevallen deze termijn met ten hoogste zesentwintig weken verlengen.
3.Onze Minister verleent de vergunning, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na de datum van indiening van de aanvraag.
4.Het bepaalde in de artikelen 11, eerste lid, en 13, eerste lid, is, voor zover het vakbekwaamheid betreft, niet van toepassing op de vergunning, bedoeld in het eerste lid.
Onze Minister geeft op aanvraag van de vergunninghouder een vergunningbewijs af voor elk binnenschip waarmee deze beroepsvervoer van goederen wil gaan verrichten, mits:
a. geen inschrijvingsbewijs als bedoeld in artikel 46 voor dat schip is verleend en
b. dat schip is voorzien van:
1°. een geldig certificaat van onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Binnenschepenwet (Stb. 1981, 678),
2°. een geldig certificaat van onderzoek als bedoeld in artikel 1.03, eerste lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn (Stb. 1976, 476),
3°. een geldig certificaat van deugdelijkheid, afgegeven krachtens de Schepenwet of
4°. een geldig document als bedoeld in artikel 4, eerste lid onderdeel c, van de Binnenschepenwet.
1.Een voor een binnenschip afgegeven vergunningbewijs vervalt van rechtswege indien:
a. het binnenschip niet langer voldoet aan het bepaalde in artikel 22, onderdeel b,
b. de vergunninghouder het binnenschip kennelijk niet langer voor beroepsvervoer van goederen gebruikt, of
c. de vergunning, bedoeld in paragraaf 1 van deze afdeling, wordt ingetrokken danwel van rechtswege vervalt.
2.De vergunninghouder doet aan Onze Minister onverwijld schriftelijk mededeling van iedere wijziging in de omstandigheden op grond waarvan het vergunningbewijs is verleend.
3.Onze Minister wijzigt een voor een binnenschip afgegeven vergunningbewijs ambtshalve, indien een verandering ten aanzien van de gegevens vermeld op het vergunningbewijs of de vergunning daartoe aanleiding geeft.
4.De vergunninghouder is verplicht een voor een binnenschip afgegeven vergunningbewijs, dat van rechtswege is vervallen, bij Onze Minister in te leveren.
Een voor een binnenschip afgegeven vergunningbewijs of een bewijsstuk als bedoeld in artikel 26 moet op het desbetreffende binnenschip aanwezig danwel anderszins, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen, controleerbaar zijn.
Het is verboden beroepsvervoer van goederen te verrichten zonder dat voor het desbetreffende binnenschip een vergunningbewijs als bedoeld in artikel 22 of een, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen, overeenkomstig bewijsstuk is afgegeven.
1.Onze Minister verleent op aanvraag een inschrijving eigen vervoer, indien:
a. aannemelijk wordt gemaakt dat het vervoer waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, is aan te merken als eigen vervoer en
b. wordt voldaan aan eisen inzake de rechtsbetrekkingen waarin de eigen vervoerder ten opzichte van de bij het eigen vervoer te gebruiken binnenschepen staat en inzake de rechtsverhoudingen ten aanzien van het bij het eigen vervoer in te zetten personeel.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven omtrent de eisen, bedoeld in het eerste lid onderdelen a en b.
1.Een inschrijving eigen vervoer wordt verleend voor hetzij onbepaalde tijd hetzij bij algemene maatregel van bestuur te regelen bepaalde tijd.
2.In de inschrijving worden in elk geval vermeld:
a. de naam van de ingeschrevene,
b. de omschrijving van de te vervoeren goederen en
c. de aard van de bedrijfsactiviteiten.
1.Indien een wijziging is ingetreden in een omstandigheid waarop een onderdeel van de inschrijving als bedoeld in artikel 42, tweede lid, betrekking heeft, dient de ingeschrevene onmiddellijk een aanvraag voor een nieuwe inschrijving in bij Onze Minister, onder vermelding van de bedoelde wijziging. Onverminderd het bepaalde in artikel 41 verleent Onze Minister, onder doorhaling van de bestaande inschrijving, een nieuwe inschrijving, waarin de wijziging is verwerkt.
2.Onze Minister kan een inschrijving eigen vervoer ambtshalve of op aanvraag van de ingeschrevene doorhalen. Hij haalt de inschrijving door, indien:
a. niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 41, of
b. de bedrijfsactiviteit, die tot het vervoer heeft geleid, is beëindigd.
3.Na de doorhaling, bedoeld in het tweede lid, wordt een nieuwe inschrijving niet eerder verleend dan nadat ten minste zesentwintig weken zijn verstreken met ingang van de dag van doorhaling van de inschrijving.
1.Onze Minister verleent voor het voortzetten van hetzelfde eigen vervoer een inschrijving eigen vervoer op eigen naam op een daartoe strekkende aanvraag:
a. van de erfgenaam of, indien er meer erfgenamen zijn, van de gezamenlijke erfgenamen van de overleden ingeschrevene of
b. van een, door of namens de ingeschrevene, gemachtigde in geval van lichamelijke ongeschiktheid of wettelijke onbekwaamheid van de ingeschrevene.
2.De inschrijving gaat in op de dag van het plaatshebben van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid.
3.Onze Minister verleent de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na de datum van indiening van de aanvraag.
1.Onze Minister geeft aan de ingeschrevene op aanvraag een inschrijvingsbewijs af voor elk binnenschip waarmee deze binnenlands eigen vervoer wil gaan verrichten.
2.Op het inschrijvingsbewijs zijn de artikelen 22, 23, tweede, derde en vierde lid, 24 en 41 van overeenkomstige toepassing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden in elk geval nadere regels gesteld omtrent:
a. de wijze waarop een aanvraag om inschrijving of doorhaling van een inschrijving wordt ingediend,
b. de gegevens die in verband met onderdeel a worden verstrekt,
c. de termijnen waarbinnen op een aanvraag wordt beslist,
d. de inhoud en verlening van een inschrijving en de inhoud, afgifte, wijziging en inlevering van een inschrijvingsbewijs alsmede
e. de wijze waarop ambtshalve doorhaling plaatsheeft.
1.Het is verboden binnenlands eigen vervoer van goederen op de binnenwateren te verrichten zonder dat daarvoor een inschrijving eigen vervoer van Onze Minister is verleend. Het is verboden binnenlands eigen vervoer van goederen te verrichten zonder dat voor het desbetreffende binnenschip een inschrijvingsbewijs als bedoeld in artikel 46 is afgegeven.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. binnenlands eigen vervoer van goederen tussen twee punten gelegen aan de wateren, bedoeld in artikel 1 van de Herziene Rijnvaartakte, met een binnenschip waarvoor door de bevoegde autoriteit van een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen dan Nederland of een van de overige Staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte dan wel van Zwitserland een Rijnvaartverklaring is afgegeven,
b. binnenlands eigen vervoer van goederen met binnenschepen, waarvan het laadvermogen bij maximale diepgang ten hoogste 200 metrieke ton bedraagt.
3.Onze Minister kan het maximum, genoemd in het tweede lid, voor alle vervoer, voor een gedeelte daarvan of voor sommige soorten van vervoer verlagen.
Artikel 22, onderdeel a, is niet van toepassing op binnenlands vervoer met binnenschepen, welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zijn ingericht voor het in tanks in bulk vervoeren van goederen.
1.Beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven met betrekking tot verlening, weigering, overdracht of wijziging van een vergunning voor ongeregeld vervoer dat is ingesteld voor het tijdstip van inwerking treden van dit artikel en waarop voor dat tijdstip nog niet is beslist of ingesteld na het tijdstip van inwerking treden van dit artikel, maar binnen de beroepstermijn, dan wel ingesteld na verloop van de beroepstermijn, doch waaromtrent ten genoegen van het College is aangetoond, dat ter zake van de overschrijding van de beroepstermijn redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, wordt door het College overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet Goederenvervoer Binnenscheepvaart afgehandeld.
2.Indien een beslissing als bedoeld in het eerste lid leidt tot verlening, overdracht of wijziging van de vergunning voor ongeregeld vervoer als bedoeld in artikel 32 of 33 van de Wet Goederenvervoer Binnenscheepvaart, danwel van de vergunning voor beperkt ongeregeld vervoer als bedoeld in artikel 34 van de voornoemde wet, zijn daarop de artikelen 66 en 67 respectievelijk 68 en 69 van overeenkomstige toepassing.
Afgifte van een vergunningbewijs als bedoeld in artikel 22, verlening van een inschrijving als bedoeld in artikel 42 of afgifte van een inschrijvingsbewijs als bedoeld in artikel 46, of, in voorkomende gevallen, beide hebben niet eerder plaats, dan nadat ten genoegen van Onze Minister is aangetoond, dat de eigenaar van het desbetreffende binnenschip heeft voldaan aan artikel 4, eerste lid, van Verordening nr. 718/1999 van de Raad van de Europese Unie van 29 maart 1999 betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren (PbEG L 90).
Een voor een binnenschip afgegeven vergunningbewijs vervalt van rechtswege, indien niet is voldaan aan artikel 4, eerste lid, van de in artikel 80 genoemde verordening. Het in de vorige volzin bedoelde vergunningbewijs dient door de desbetreffende vergunninghouder bij Onze Minister te worden ingeleverd.
Een inschrijving of een voor een binnenschip afgegeven inschrijvingsbewijs of, in voorkomende gevallen, beide vervallen van rechtswege, indien niet is voldaan aan artikel 4, eerste lid, van de in artikel 80 genoemde verordening. Het in de vorige volzin bedoelde inschrijvingsbewijs dient door de desbetreffende ingeschrevene bij Onze Minister te worden ingeleverd.
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 22, onderdeel a , geeft Onze Minister desgevraagd aan de vergunninghouder een vergunningbewijs af voor elk binnenschip waarmee deze beroepsvervoer van goederen wil gaan verrichten, mits deze kan aantonen dat het binnenschip voldoet aan de vereisten voor de afgifte van het communautair certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 3 van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (PbEG L 301).
2.Dit artikel geldt voor een tijdsduur als vermeld in de Regeling vaststelling tijdschema eerste onderzoek bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten van 12 april 1988, nr. S/J 30 570/88 (Stcrt. 1988, 96) die voor de daarbij genoemde categorieën verschilt.
3.Het bepaalde in het eerste en het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de afgifte van een inschrijvingsbewijs als bedoeld in artikel 46.