Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw B.W. (twaalfde gedeelte)

Geldend op 22-11-2011


  • Wet van 2 april 1991, houdende invoering van de Boeken 3, 5 en 6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek houdende het overgangsrecht, tweede stuk
  • Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

    Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

    Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de aanpassingen in de wetgeving aan de Boeken 3, 5 en 6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek bepalingen van overgangsrecht vereisen;

    Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

  • Titel 1. Algemene bepalingen

  • Artikel 1

  • Artikel 2

    Ter zake van een dwangbevel, een bevelschrift of rechterlijk verlof tot verkoop, vóór het in werking treden der wet uitgevaardigd, blijft het voordien geldende recht van toepassing. Onverminderd het bepaalde in artikel 19 geschiedt de tenuitvoerlegging nadien met toepassing van de voorschriften der wet.

  • Titel 2. Overgangsbepalingen in verband met de wijziging van het Burgerlijk Wetboek

  • Afdeling 1. Overgangsbepalingen in verband met de wijziging van Boek 1

  • Artikel 3

    Op rechtshandelingen die een echtgenoot vóór het in werking treden van de wet heeft verricht, blijven de artikelen 87 tot en met 89 van Boek 1, zoals die toen golden, van toepassing.

  • Artikel 4

    Op rechtshandelingen die een echtgenoot vóór het in werking treden van de wet in strijd met het toen geldende artikel 97 van Boek 1 heeft verricht, blijft het toen geldende artikel 98 van Boek 1 van toepassing.

  • Artikel 5

    De tweede en de derde zin van artikel 97 lid 1 van Boek 1 zijn van hun in werking treden af mede van toepassing op de goederen die reeds voordien in de gemeenschap waren gevallen.

  • Artikel 6

    Artikel 376 van Boek 1, zoals dat gold tot aan het tijdstip van het in werking treden van de wet, blijft van toepassing op hetgeen de minderjarige op dat tijdstip aan de voogd na het einde van diens bewind nog schuldig was gebleven. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing na het einde van een curatele.

  • Afdeling 2. Overgangsbepalingen in verband met de wijziging van Boek 2

  • Artikel 7

    Artikel 4 lid 1 van Boek 2 bepaalt mede de gevolgen van de daar genoemde gebreken in de oprichting van een rechtspersoon, welke vóór het in werking treden van de wet is geschied.

  • Artikel 8

    Op een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat vóór het in werking treden van de wet is genomen, blijven de artikelen 11 tot en met 13 van Boek 2, zoals die toen golden, van toepassing.

  • Artikel 9

    Op de vereffening van het vermogen van een rechtspersoon, die nog niet is voltooid op het tijdstip van het in werking treden van de wet, zijn de artikelen 23 tot en met 23c van Boek 2 van toepassing, behalve voor zover dit zou nopen tot het ongedaan maken van alsdan reeds in overeenstemming met het voordien geldend recht getroffen maatregelen. De wet wordt niet van toepassing ten aanzien van onderwerpen waaromtrent vóór haar in werking treden een rechterlijke uitspraak is gevraagd.

  • Artikel 10

    Op een vereniging die op het tijdstip van het in werking treden van de wet bestaat, worden de wijzigingen van de artikelen 37, 38, 39 en 41a van Boek 2 van toepassing nadat drie jaren na dat tijdstip zijn verstreken.

  • Artikel 11

    Op het tijdstip van het in werking treden van de wet wordt een aandeel in een naamloze vennootschap of een beperkt recht daarop verkregen, indien alsdan is voldaan aan het voorschrift van artikel 86 of artikel 196, en dat aandeel niet reeds voordien op grond van de toen geldende tekst van dat artikel was geleverd.

  • Artikel 12

    Artikel 21 lid 1, aanhef en onderdeel b van Boek 2, is gedurende drie jaren van het tijdstip van het in werking treden van deze wet af niet van toepassing op een stichting, waarvan de statuten niet voldoen aan de wijzigingen welke in artikel 286 van Boek 2 bij deze wet worden aangebracht.

  • Titel 3. Overgangsbepalingen in verband met de wijziging van het Wetboek van Koophandel

  • Artikel 13

    Zekerheid die vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet was gesteld ingevolge artikel 167a, 167b, 227a of 227b van het Wetboek van Koophandel, mag vanaf een jaar na dat tijdstip ongedaan worden gemaakt, indien alsdan twintig jaren na het stellen van de zekerheid zijn verstreken of anderszins de vereisten die artikel 49 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek voor voldoening tegen enkele afgifte van een kwijting stelt, zijn vervuld.

  • Artikel 14

    Artikel 263 van het Wetboek van Koophandel, zoals dat van het in werking treden der wet af luidt, is slechts van toepassing in het geval van koop van een zaak waarvoor artikel 10 van Boek 7 geldt.

  • Titel 4. Overgangsbepalingen in verband met de wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

  • Artikel 15

    Gedingen waarin de inleidende dagvaarding is betekend dan wel het inleidende verzoekschrift is ingediend voor het tijdstip van het in werking treden van de wet, worden geheel afgedaan met toepassing van de voorschriften van procesrechtelijke aard die voor dat tijdstip golden, voor zover niet uit de volgende artikelen anders voortvloeit. Het in de vorige zin bepaalde geldt ook voor de afdoening van een eis of verzoek, in het geding bij wege van reconventie gedaan, ook indien dat na het in werking treden van de wet is geschied.

  • Artikel 16

    Artikel 14 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals dit van het in werking treden der wet af luidt, is van toepassing op alle exploiten, beslagen en tenuitvoerleggingshandelingen die na dit in werking treden plaatsvinden.

  • Artikel 17

  • Artikel 17a

    Artikel 125k lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering blijft van toepassing op verzoekschriften, ingediend na het tijdstip van het in werking treden van de wet, indien de daarbij gevorderde wettelijke rente voortvloeit uit het bepaalde in artikel 1286 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat vóór dat tijdstip gold.

  • Artikel 18

    • 1.Een vóór het tijdstip van het in werking treden der wet gelegd beslag wordt, voor zover uit de volgende leden en uit de andere bepalingen van deze titel niet anders voortvloeit, naar het voordien geldende recht afgewikkeld.

    • 2.In het geval van het vorige lid worden van het in werking treden der wet af tweede en volgende beslagen op hetzelfde goed met toepassing van het nadien geldende recht gelegd en is geen oppositie tegen afgifte van kooppenningen meer mogelijk. De afwikkeling van deze beslagen geschiedt met toepassing van ditzelfde recht, behoudens voor zover de afwikkeling van de eerder gelegde beslagen toepassing van het voordien geldende recht eist.

    • 3.Indien op het tijdstip van het in werking treden van de wet de bevoegdheid bestond om krachtens een door de president gegeven bevelschrift of verlof conservatoir beslag te leggen, kan die bevoegdheid na dit tijdstip met inachtneming van het nieuwe recht worden uitgeoefend. De eis in de hoofdzaak geldt als tijdig ingesteld, indien zulks is geschied binnen acht dagen na het beslag of, indien het bevelschrift of verlof daartoe een langere termijn inhoudt, binnen die termijn. Voor de toepassing van artikel 702 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals dit na het tijdstip van het in werking treden zal gelden, wordt het bevelschrift of verlof met een verlof als in dat artikel bedoeld gelijk gesteld.

    • 4.Een executoriale verkoop door een beslaglegger die op het tijdstip van het in werking treden van de wet nog niet was aangekondigd, wordt volgens de bepalingen van het nadien geldende recht afgewikkeld. Voor de toepassing van die bepalingen wordt een schuldeiser die voordien oppositie tegen afgifte van kooppenningen heeft gedaan, gelijk gesteld met een beslaglegger.

    • 5.Een rangregeling wordt afgewikkeld naar het recht waaronder de benoeming plaats vond van de rechter-commissaris, te wiens overstaan de verdeling zal plaatsvinden.

    • 6.Artikel 505 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals dit van het in werking treden van de wet af luidt, is van toepassing op beslagen die na dat tijdstip in de openbare registers worden ingeschreven.

  • Artikel 19

    • 1.Indien vóór het in werking treden der wet beslag onder een derde was gelegd en op het tijdstip van dit in werking treden nog geen dagvaarding tot het doen van verklaring als bedoeld in de artikelen 479 en 741 van dat wetboek, zoals deze voor het in werking treden van de wet luidden, was uitgebracht, geschiedt vanaf de aanvang van de termijn bedoeld in artikel 740, zoals dit toen luidde, de verdere afwikkeling van het beslag met toepassing van het nadien geldende recht. Zo niet binnen die termijn of, indien die termijn vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet was aangevangen, binnen een maand na dat tijdstip, aan de derde een exploit is betekend, waarbij is voldaan aan de eisen van artikel 475 van dat wetboek, zoals dit na dit in werking treden luidt, zullen de betalingen, door de derde gedaan, van waarde zijn.

    • 2.Indien een vonnis als bedoeld in de artikelen 751 tot en met 754 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals deze voor het in werking treden der wet luidden, nadien wordt uitgesproken, geschiedt de in die artikelen bedoelde uitbetaling en afgifte met overeenkomstige toepassing van de artikelen 477 leden 1 en 5 en 478 leden 1, 2 en 3 van dat wetboek, zoals deze nadien luiden, en vindt ook de verdere afwikkeling naar het nadien geldende recht plaats.

  • Artikel 20

    Artikel 513a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals dit van het in werking treden der wet af luidt, is van toepassing op alle beslagen die na het in werking treden der wet rusten op goederen waarop dat artikel betrekking heeft.

  • Artikel 21

    • 1.De bepalingen van de wet betreffende executie door een pand- of hypotheekhouder zijn van toepassing, voor zover krachtens de artikelen 110 en 116 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek de bepalingen van dat wetboek betreffende een zodanige executie van toepassing zijn.

    • 2.In geval na openbare verkoop overeenkomstig artikel 1223, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat tevoren gold, de artikelen 270 tot en met 273 van Boek 3 niet van toepassing zijn en een rangregeling wordt verlangd, geschiedt deze met toepassing van het vóór het in werking treden van de wet geldende recht.

  • Artikel 22

    Een executie tot afgifte van een roerende zaak of ontruiming van een onroerende zaak geschiedt naar het recht waaronder de executie is aangevangen.

  • Artikel 23

  • Artikel 24

    De artikelen 544 tot en met 548 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals deze vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet golden, blijven nadien van toepassing op dan nog bestaande grondrenten met dien verstande dat artikel 544 geacht wordt te verwijzen naar de bepalingen van de wet betreffende inbeslagneming en verkoop van onroerende zaken.

  • Artikel 25

    Voor de toepassing van het overgangsrecht worden hoofdzaak en schadestaatprocedure, onderscheidenlijk de procedures bedoeld in de artikelen 615 en 618 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals deze voor het in werking treden der wet luidden als afzonderlijke gedingen beschouwd.

  • Artikel 26

    Een voor het in werking treden van de wet aangevangen verzegeling wordt naar het voordien geldende recht afgewikkeld en beëindigd.

  • Artikel 27

    De artikelen 797a tot en met 797f zijn niet van toepassing op een gerechtelijke bewaring die voor het in werking treden van de wet is tot stand gekomen of door de rechter bevolen.

  • Titel 5. Overgangsbepaling in verband met de wijziging van het Wetboek van Strafvordering

  • Artikel 28

    Het vierde lid van artikel 552a is slechts van toepassing op klaagschriften die na het in werking treden van de wet zijn ingediend.

  • Titel 6. Overgangsbepalingen in verband met de wijziging van de Faillissementswet

  • Artikel 29

    • 1.Op een faillissement dat vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet is uitgesproken en op een surséance van betaling die vóór dat tijdstip voorlopig is verleend, is de wet niet van toepassing.

    • 2.Indien echter bepalingen van de Boeken 3, 5 en 6 van het nieuw Burgerlijk Wetboek krachtens de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn, zijn tevens de voorschriften toepasselijk die in verband met die bepalingen voor het geval van faillissement of surséance van betaling in de Faillissementswet zijn opgenomen.

  • Artikel 30

  • Artikel 31

    Indien krachtens artikel 182 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek op de gevolgen van een tekortschieten in de nakoming van een overeenkomst het voor het in werking treden van de wet geldende recht toepasselijk is, blijven ook de artikelen 37, 38, 236 en 237 van de Faillissementswet, zoals deze voordien golden, van toepassing.

  • Titel 7. Overgangsbepalingen in verband met de wijziging van andere wetten

  • Artikel 32

    Voor zover en zolang een bepaling uit de Boeken 3, 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek of een bij deze wet vastgestelde wettelijke bepaling of wijziging niet geldt ingevolge de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek of ingevolge dit gedeelte der wet, blijft een daarop steunende wettelijke bepaling eveneens buiten toepassing.

  • Artikel 33

    Artikel 18 is van overeenkomstige toepassing op regelingen met betrekking tot beslag of executie, die in bijzondere wetten voorkomen en die bij deze wet aan het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering worden aangepast.

  • Artikel 34

    Artikel 47, derde lid, van de Wet op het notarisambt vindt alleen toepassing op verklaringen van erfrecht die na het in werking treden van de wet zijn opgemaakt.

  • Artikel 35

    Artikel 21 van de Pachtwet, zoals vastgesteld bij deze wet, geldt vanaf drie jaar na het in werking treden van deze wet.

  • Artikel 36

  • Artikel 37

    De artikelen 48 tot en met 52 van de Grootboekwet, zoals die bij deze wet zijn vastgesteld, zijn niet van toepassing, indien de schuldenaar of de pandgever reeds vóór het in werking treden van de wet in de nakoming van zijn verbintenis was tekortgeschoten en aan de pandgever de uitwinning van het pand reeds was aangezegd.

  • Artikel 38

    Van het in werking treden der wet af zijn op een recht dat in het tevoren geldende artikel 5, derde lid onder b , laatste zinsnede van de Belemmeringenwet Privaatrecht, werd aangeduid als niet met name in het Burgerlijk Wetboek genoemd, de bepalingen van titel 8 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

  • Artikel 39

  • Slotbepalingen

    • 1.Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

    • 2.Onze Minister van Justitie kan de voorgaande bepalingen als hoofdstuk of deel van een hoofdstuk in het geheel van de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw Burgerlijk Wetboek invoegen met de daartoe nodige wijziging in de nummering, mede in de verwijzingen.

    • 3.Deze wet kan worden aangehaald als Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw B.W. (twaalfde gedeelte).

  • Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

    Gegeven te 's-Gravenhage, 2 april 1991

    Beatrix

    De Minister van Justitie,

    E. M. H. Hirsch Ballin

    Uitgegeven de veertiende mei 1991

    De Minister van Justitie,

    E. M. H. Hirsch Ballin