KruimelpadGeldend op 03-09-2010
I | Begrippen |
II | Voorschriften |
1 | De uitvoering van een bassin |
2 | Controle foliebassin |
3 | Algemene voorschriften |
4 | Ongewone voorvallen |
5 | Geluidhinder |
6 | Bodembescherming |
In deze bijlage en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
equivalent geluidsniveau (LAeq): het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse in de loop van een bepaalde periode optredende geluid, vastgesteld overeenkomstig voorschrift 5.4;
foliebassin: een bassin uitgevoerd als een met een afdichtingsfolie beklede grondput;
geluidsniveau in dB(A): het niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Electrotechnische Commissie (IEC) terzake opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publikatie no. 651, uitgave 1979;
referentieniveau: de hoogste waarde van de onder a. en b. genoemde niveaus (Stcrt. 1982, 162):
a. het geluidsniveau, uitgedrukt in dB(A), dat, gemeten over een bepaalde periode, gedurende 95% van de tijd, wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de inrichting zelf;
b. het optredende equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door wegverkeersbronnen minus 10 dB, met dien verstande dat voor de nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur alleen wegverkeersbronnen in rekening mogen worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode;
referentieperiode: het tijdsbestek, waarbinnen een bassin moet blijven voldoen aan de krachtens dit besluit daarvoor geldende eisen.
1.1. Een bassin voor het bewaren van dunne mest moet worden gesitueerd:
a. op ten minste 150 m afstand van een zeer kwetsbaar gebied, indien de gezamenlijke oppervlakte van de bassins niet meer bedraagt dan 350 m²;
b. op ten minste 250 m afstand van een zeer kwetsbaar gebied, indien de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige bassins meer bedraagt dan 350 m².
1.2.
a. Voorschrift 1.1, onder a, is niet van toepassing op een uitbreiding van een veehouderij die is opgericht vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, met een bassin voor het bewaren van dunne mest, indien de in voorschrift 1.1, onder a, genoemde afstand tot een zeer kwetsbaar gebied niet of redelijkerwijs niet in acht kan worden genomen. In dat geval kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen, inhoudende het in acht nemen van een geringere afstand dan genoemd in voorschrift 1.1, onder a.
b. Voorschrift 1.1 is niet van toepassing indien het een bassin betreft, dat is opgericht in overeenstemming met dat voorschrift, indien het bassin na het tijdstip van de oprichting is komen te liggen binnen een afstand van een zeer kwetsbaar gebied, als bedoeld in voorschrift 1.1.
1.3. Een bassin voor het bewaren van dunne mest, moet zijn uitgevoerd overeenkomstig de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990.
Een bassin voor het bewaren van dunne mest, dat is gebouwd tussen 1 juni 1987 en het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit moet zijn uitgevoerd overeenkomstig de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins. Een bassin voor het bewaren van dunne mest, dat is gebouwd na het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit landbouw milieubeheer, is uitgevoerd overeenkomstig de Richtlijnen mestbassins 1992.
1.4. Een bassin voor het bewaren van dunne mest, moet vanaf 1 januari 1992 zijn afgedekt. Een afdekking moet zijn uitgevoerd overeenkomstig de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990.
Dit geldt niet, indien de afdekking van een bassin voor het bewaren van dunne mest, gebouwd en afgedekt tussen 1 juni 1987 en het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, overeenkomstig de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins is uitgevoerd.
1.5. Delen van de bouwconstructie alsmede de afdekking van een bassin moeten voor het verstrijken van de overeenkomstig de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990 opgegeven referentieperiode worden vervangen, tenzij een beoordeling door een door de Raad voor Accreditatie voor die controle geaccrediteerde instelling, het bevoegd gezag of een onafhankelijke deskundige uitwijst dat er een volgend tijdsbestek van gebruik kan zijn. Een door een door de Raad voor Accreditatie voor die controle geaccrediteerde instelling of een onafhankelijke deskundige afgegeven bewijs van deze beoordeling moet aan het bevoegd gezag worden overgelegd. In dit bewijs moet voor de desbetreffende onderdelen van de bouwconstructie of de afdekking een nieuwe referentieperiode zijn aangegeven.
1.6.
1. Met de richtlijnen, genoemd in de voorschriften 1.3, 1.4 en 1.5, worden gelijkgesteld richtlijnen, normen of andere documenten die zijn vastgesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de eerstgenoemde richtlijnen wordt nagestreefd.
2. Met een geaccrediteerde instelling als bedoeld in voorschrift 1.5 wordt gelijkgesteld een instelling die is geaccrediteerd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de nationale onderzoekingen of documenten wordt nagestreefd.
2.1.
1. Een foliebassin wordt op mestdichtheid gecontroleerd door een door de Raad voor Accreditatie voor die controle geaccrediteerde instelling, door het bevoegd gezag of een onafhankelijke deskundige. Deze controle vindt plaats bij een redelijk vermoeden dat de afdichtingsfolie beschadigd is of indien andere omstandigheden aanleiding geven om een controle uit te voeren. Controle vindt in ieder geval plaats binnen vijf jaar nadat de folie is aangebracht en wordt vervolgens telkens binnen vijf jaar herhaald. De controleresultaten worden aan het bevoegd gezag overgelegd, tenzij de controle door het bevoegd gezag is uitgevoerd.
2. Met een geaccrediteerde instelling als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een instelling die is geaccrediteerd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de nationale onderzoekingen of documenten wordt nagestreefd.
3.1. Bij het vullen of ledigen van een bassin of anderszins mag geen verontreiniging van de bodem of het oppervlaktewater plaatsvinden.
3.2. Bij het aan- en afvoeren van de dunne mest mag de omgeving niet worden verontreinigd. Transport dient te geschieden in gesloten tankwagens of in een gesloten mestdichte leiding.
[Vervallen.]
5.1. Indien de inrichting uitsluitend op grond van het bewaren van dunne mest behoort tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie mag het equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden, op enig punt 50 m van de inrichting, niet meer bedragen dan het referentieniveau ter plaatse, met dien verstande dat:
a. het equivalente geluidsniveau (LAeq) niet meer mag bedragen dan:
50 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur;
45 dB(A) tussen 19.00 en 22.00 uur;
40 dB(A) tussen 22.00 en 06.00 uur;
b. het equivalente geluidsniveau niet minder behoeft te bedragen dan:
40 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur;
35 dB(A) tussen 19.00 en 22.00 uur;
30 dB(A) tussen 22.00 en 06.00 uur.
5.2. Indien de inrichting ook op een andere grond dan het bewaren van dunne mest behoort tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie, mag het equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door de vast opgestelde toestellen en installaties ten behoeve van het bewaren van dunne mest, op enig punt 50 m van de inrichting, niet meer bedragen dan:
40 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur;
35 dB(A) tussen 19.00 en 22.00 uur;
30 dB(A) tussen 22.00 en 06.00 uur.
5.3. Onverminderd de voorschriften 5.1 en 5.2, mogen incidentele verhogingen van geluidsniveaus, die een gevolg zijn van de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede van de in de inrichting verrichte werkzaamheden, gemeten in de meterstand "fast", in de regel niet groter zijn dan 10 dB boven de getalswaarde van het overeenkomstig de voorschriften 5.1 of 5.2 toegelaten equivalente geluidsniveau (LAeq). Zij mogen in ieder geval als piekwaarde niet meer bedragen dan:
70 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur;
65 dB(A) tussen 19.00 en 22.00 uur;
60 dB(A) tussen 22.00 en 06.00 uur.
5.4. Controle op of berekening van de in de voorschriften 5.1, 5.2 en 5.3 vastgelegde geluidsniveaus moet geschieden overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13-01", van maart 1981, uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Ook de beoordeling van de meetresultaten moet overeenkomstig deze handleiding plaatsvinden.
5.5. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht en de gedragsregels die in acht moeten worden genomen ten einde aan de voorschriften 5.1 tot en met 5.3 te voldoen.
6.1. Het is verboden bij het bewaren van dunne mest dan wel bij daarmee onmiddellijk verband houdende werkzaamheden vloeistoffen definitief in de bodem te brengen, met uitzondering van oppervlaktewater, hemelwater of drinkwater, indien daaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie verontreinigende stoffen niet door een bewerking van het water is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd.
6.2. Indien blijkt dat de bodem is verontreinigd of aangetast, anders dan ten gevolge van een ongewoon voorval in de zin van artikel 22 van de Wet bodembescherming, dient degene die de inrichting drijft, dit onverwijld te melden aan het bevoegd gezag.
Er moeten in deze gevallen onverwijld maatregelen worden genomen ten einde de verontreiniging, de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.
Een voornemen tot bodemsanering over te gaan moet ten minste vier weken voordat de sanering plaatsvindt, worden gemeld aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie. Bij deze melding moeten gegevens worden verstrekt omtrent de resultaten van met het oog op de sanering verricht onderzoek en het tijdstip waarop met de sanering zal worden aangevangen.