Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening[Regeling vervallen per 01-01-2005.]

Geldend van 01-06-2003 t/m 31-12-2004

Besluit van 6 september 1990, houdende de vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, mede namens de Staatssecretaris van Justitie, van 15 december 1989, nr. DJB/BAS/U-891011;

Gelet op artikel 35, eerste lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening;

De Raad van State gehoord (advies van 29 mei 1990, nr. W13.90.0007);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur a.i., mede namens de Staatssecretaris van Justitie, van 17 juli 1990, nr. DJB/BAS-90930;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2005]

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. de wet: de Wet op de jeugdhulpverlening (Stb. 1989, 360);

  • b. de bijlage: de Bijlage behorende bij de wet;

  • c. pleegouder: degene of één dergenen die een jeugdige, waarvan hij niet de ouder of stiefouder is, in zijn gezin verzorgt en opvoedt;

  • d. doelstelling: de doelstelling waarvoor een voorziening voor subsidieverstrekking op grond van de wet in aanmerking wordt gebracht;

  • e. bereikbaarheid: het onmiddellijk bereikbaar zijn voor mondeling kontakt;

  • f. beschikbaarheid: het onmiddellijk beschikbaar zijn voor hulpverlening, overeenkomstig de doelstelling van de voorziening.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een uitvoerder stelt met inachtneming van de doelstelling voor elke voorziening die hij in stand houdt een werkplan vast, dat een beschrijving bevat van de op basis van de doelstelling uit te oefenen functies en werkzaamheden en de toe te passen werkwijze.

  • 2 Het werkplan bevat in ieder geval een beschrijving van:

    • a. de uitgangspunten voor het beleid van de voorziening afgestemd op de problemen en stoornissen van de jeugdigen;

    • b. de personeelsformatie alsmede de wijze waarop de verantwoordelijkheden voor de onderscheiden taken binnen de voorziening zijn verdeeld, waarbij wordt aangegeven of en onder welke voorwaarden de uitvoerder gebruik maakt van diensten van personen die anders dan als beroepskracht werkzaam zijn;

    • c. de omvang en inrichting van de accommodatie gerelateerd aan de op basis van de doelstelling uit te oefenen functies en werkzaamheden en de doelgroep;

    • d. de wijze van behandeling van klachten;

    • e. de wijze waarop aan het recht op inzage in en afschrift van bescheiden uitvoering wordt gegeven;

    • f. hetgeen in het dossier met betrekking tot jeugdigen wordt opgenomen;

    • g. de wijze waarop de samenwerking met daarvoor in aanmerking komende personen, instellingen en instanties, waaronder scholen, in de regio en indien nodig daarbuiten, is georganiseerd;

    • h. de wijze waarop de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de voorziening is georganiseerd.

  • 3 Indien het werkplan wijziging behoeft, hetgeen jaarlijks wordt bezien, wordt het gewijzigd.

  • 4 Het werkplan, alsmede wijzigingen daarvan worden door de uitvoerder toegezonden aan Onze ministers en aan de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming, bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de wet. Het werkplan van een regionale voorziening wordt bovendien toegezonden aan het betrokken provinciaal bestuur en het desbetreffende samenwerkingsverband.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Het bestand van personeel in dienst van de voorziening en van personen die anderszins bij de voorziening als beroepskracht werkzaam zijn, is zowel kwalitatief als kwantitatief afgestemd op de op basis van de doelstelling uit te oefenen functies en werkzaamheden en op de doelgroep.

  • 2 De dagelijkse leiding van de voorziening berust bij een beroepskracht.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een na de inwerkingtreding van dit besluit te bouwen of ingrijpend te verbouwen accommodatie is toegankelijk voor mensen met een lichamelijke handicap.

  • 2 De spreek- en behandelruimten van een voorziening zijn zodanig ingericht dat de privacy van degenen op wie de hulpverlening betrekking heeft, is gewaarborgd.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een hulpverleningsplan is afgestemd op de problemen en stoornissen van de jeugdige en bevat in ieder geval een beschrijving van het voorgenomen hulpverleningsproces.

  • 2 Indien de hulpverlening langer dan zes weken zal duren bevat het hulpverleningsplan in ieder geval:

    • a. een beschrijving, op basis van een diagnose, van het voorgenomen hulpverleningsproces, in relatie tot de korte en lange termijn doelen, met vermelding van de bij de hulpverlening in te schakelen deskundigen en van evaluatiemomenten;

    • b. een vermelding van de voornemens ten aanzien van overleg gedurende de hulpverlening met de in het derde lid en vierde lid, bedoelde personen of instanties;

    • c. een vermelding van de hulpverlener die namens de voorziening voor in ieder geval de in het derde en vierde lid genoemde personen of instanties, de kontaktpersoon is voor het gehele proces van de hulpverlening;

    • d. een omschrijving van de rol van de pleegouders in het hulpverleningsproces en van de wijze waarop de begeleiding van de pleegouders wordt vorm gegeven, indien sprake is van pleegzorg.

  • 3 Een hulpverleningsplan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:

    • a. de betrokken jeugdige, indien hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en indien hij jonger is dan twaalf jaren, overeenkomstig zijn beoordelingsvermogen,

    • b. de ouders en de wettelijke vertegenwoordiger van de jeugdige, tenzij sprake is van een acute noodsituatie en het overleg schade zal toebrengen aan de jeugdige, met dien verstande dat binnen zes weken na het eerste kontakt in het kader van de hulpverlening, tussen de uitvoerder van de voorziening en de jeugdige overleg dient te hebben plaatsgevonden,

    • c. de betrokken kinderrechter, indien sprake is van ondertoezichtstelling,

    • d. de betrokken pleegouders, indien sprake is van pleegzorg,

    • e. de betrokken plaatsende instantie, indien sprake is van plaatsing, waarbij artikel 25 van de wet van toepassing is.

  • 4 Een hulpverleningsplan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover overeenstemming is bereikt met:

    • a. de betrokken gezinsvoogdij-instelling, indien artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is toegepast,

    • b. de betrokken voogdij-instelling, ingeval het een jeugdige betreft die onder voogdij van een voogdij-instelling staat,

    • c. de betrokken raad voor de kinderbescherming, ingeval het een voorlopige toevertrouwing aan de raad betreft.

  • 5 Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het hulpverleningsplan. Indien geen overleg is gepleegd wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt.

  • 6 De uitvoerder stelt aan het einde van zijn taak ten aanzien van de jeugdige een rapport op, waarin beschreven wordt de wijze waarop de uitvoerder zijn taak heeft verricht. Het rapport wordt toegevoegd aan het hulpverleningsplan. De uitvoerder zendt een afschrift van het rapport tesamen met het hulpverleningsplan aan de personen en instanties, bedoeld in het derde en vierde lid.

Hoofdstuk 2. Eisen met betrekking tot voorzieningen van ambulante hulpverlening [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2005]

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden tot voorzieningen van ambulante hulpverlening gerekend:

  • a. jongerenadviescentra als bedoeld onder I, onderdeel 1 van de bijlage;

  • b. kindertelefoons als bedoeld onder I, onderdeel 2 van de bijlage;

  • c. adviesbureaus voor jeugd en gezin als bedoeld onder II, onderdeel 9 van de bijlage;

  • d. instellingen voor begeleid wonen als bedoeld onder II, onderdeel 7 van de bijlage.

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2005]

Een uitvoerder van een voorziening van ambulante hulpverlening draagt er zorg voor dat een of meer daartoe toegeruste beroepskrachten het werk begeleiden van andere beroepskrachten en van degenen die anders dan als beroepskracht werkzaam zijn. De werkbegeleiding kan georganiseerd zijn in samenwerking met andere voorzieningen in de regio.

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een voorziening van ambulante hulpverlening, anders dan een kindertelefoon, is zeven maal vierentwintig uur per week bereikbaar. De bereikbaarheid kan georganiseerd zijn in samenwerking met andere uitvoerders van voorzieningen van ambulante hulpverlening of plaatsende instanties in de regio, die bij voorkeur tot dezelfde categorie behoren.

  • 2 Een voorziening van ambulante hulpverlening, anders dan een kindertelefoon, is ten minste vijf uur per etmaal gedurende vijf dagen per week beschikbaar. De uitvoerder zorgt tijdig voor een zorgvuldige waarneming van de taken van de voorziening gedurende deze periode door een andere uitvoerder van een voorziening in de regio, die bij voorkeur tot dezelfde categorie behoort, of door een plaatsende instantie teneinde de continuïteit van de hulp te garanderen in het geval dat de uitvoerder niet in staat is aan deze verplichting te voldoen.

  • 3 Een kindertelefoon is tenminste vier uur per etmaal gedurende zeven dagen per week beschikbaar.

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2005]

Een uitvoerder van een jongerenadviescentrum, van een adviesbureau voor jeugd en gezin en van een instelling voor begeleid wonen stelt met betrekking tot een jeugdige een hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 5 vast, tenzij de hulpverlening uitsluitend bestaat uit informatie, voorlichting of incidentele advisering. Het hulpverleningsplan wordt voorafgaand aan de hulpverlening, of indien dit niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes weken na het begin van de hulpverlening vastgesteld.

Hoofdstuk 3. Eisen met betrekking tot voorzieningen van residentiële en semi-residentiële hulpverlening [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 2 Voorzieningen voor crisisopvang worden onderscheiden in:

    • a. jongerenopvanghuizen, waaronder worden verstaan voorzieningen voor crisisopvang die een zeer lichte vorm van begeleiding bieden;

    • b. crisisopvangcentra, waaronder worden verstaan voorzieningen voor crisisopvang niet zijnde voorzieningen als bedoeld onder a.

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een voorziening van residentiële hulpverlening, niet zijnde een jongerenopvanghuis, is zeven maal vierentwintig uur per week bereikbaar en beschikbaar.

  • 2 Een jongerenopvanghuis is zeven maal vierentwintig uur per week bereikbaar. De bereikbaarheid kan georganiseerd zijn in samenwerking met andere uitvoerders van voorzieningen in de regio, die bij voorkeur tot dezelfde categorie behoren, danwel met uitvoerders van voorzieningen van ambulante hulpverlening in de regio.

  • 3 Een jongerenopvanghuis is ten minste vijf uur per etmaal gedurende vijf dagen per week beschikbaar. De uitvoerder zorgt tijdig voor een zorgvuldige waarneming van de taken van de voorziening gedurende deze periode door een andere uitvoerder van een voorziening in de regio, die bij voorkeur tot dezelfde categorie behoort, teneinde continuïteit van de hulp te garanderen in het geval dat de uitvoerder niet in staat is om aan deze verplichting te voldoen.

  • 4 Een voorziening van semi-residentiële hulpverlening is acht uur per etmaal gedurende vijf dagen per week bereikbaar en beschikbaar. Een voorziening van semi-residentiële hulpverlening kan tijdens de schoolvakanties, gedurende een periode van maximaal vijf weken per jaar, waarvan ten hoogste vier weken aaneengesloten, niet beschikbaar zijn.

Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een uitvoerder van een voorziening van residentiële en semi-residentiële hulpverlening stelt met betrekking tot een jeugdige een hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 5 vast. Het hulpverleningsplan wordt voorafgaand aan de hulpverlening, of indien dit niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes weken na het begin van de hulpverlening vastgesteld.

  • 2 Indien de problemen en stoornissen van de jeugdige dit noodzakelijk maken, komt het hulpverleningsplan van een voorziening van residentiële en semi-residentiële hulpverlening tot stand op grond van multi-disciplinaire oordeelsvorming.

Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2005]

In een voorziening voor crisisopvang verblijft de jeugdige ten hoogste zes weken. Het verblijf kan eenmaal met zes weken, of zoveel langer als nodig is, worden verlengd indien de instantie, die de jeugdige heeft geplaatst of die daarvoor verantwoordelijk is, heeft vastgesteld dat een andere vorm van hulpverlening aangewezen is te achten, maar er in de aangewezen voorziening in de regio voor de jeugdige op dat moment geen plaats is.

Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2005]

Indien een jeugdige, buiten de gevallen, bedoeld in artikel 31 van de wet, het verblijf in een voorziening van residentiële hulpverlening beëindigt, geeft de uitvoerder van de desbetreffende voorziening hiervan kennis aan de instantie die de jeugdige heeft geplaatst of die hiervoor verantwoordelijk is en aan de wettelijke vertegenwoordiger van de jeugdige.

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2005]

De in een voorziening van residentiële hulpverlening opgenomen jeugdigen worden in de gelegenheid gesteld geestelijke verzorging te ontvangen en persoonlijk kontakt met geestelijke verzorgers te onderhouden.

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een uitvoerder van een voorziening van residentiële hulpverlening stelt een reglement vast, waarin de regels en afspraken met betrekking tot rechten en plichten van jeugdigen zijn vastgelegd.

  • 2 Regels en afspraken met betrekking tot rechten en plichten van jeugdigen kunnen slechts zijn gerelateerd aan de leeftijd, de specifieke problemen of de behandeling van de jeugdigen, danwel zijn gerelateerd aan de rechten en vrijheden van de medebewoners.

  • 3 Bij de aanvang van de hulpverlening wordt het reglement aan de jeugdige bekend gemaakt.

  • 4 Het reglement wordt ten minste eens in de drie jaren, mits hierom door de jeugdigen wordt verzocht, met de alsdan geplaatste jeugdigen besproken en zo nodig herzien.

  • 5 Het reglement, alsmede wijzigingen daarvan, wordt toegezonden aan Onze ministers en aan de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming, bedoeld in artikel 54, eerste, lid van de wet. Het reglement van een regionale voorziening, alsmede wijzigingen daarvan, wordt vanaf 1 januari 1992 bovendien toegezonden aan het betrokken provinciaal bestuur.

Hoofdstuk 4. Eisen met betrekking tot voorzieningen op het terrein van de pleegzorg [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2005]

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden tot de voorzieningen op het terrein van de pleegzorg gerekend:

Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een uitvoerder van een voorziening voor pleegzorg of van een instelling voor therapeutische gezinsverpleging belast een of meer beroepskrachten, die over specifieke deskundigheid op het terrein van de pleegzorg beschikken, met de werkbegeleiding van andere beroepskrachten en van degenen die niet als beroepskracht werkzaam zijn.

  • 2 Een uitvoerder van een centrale voor pleeggezinnen draagt er zorg voor dat beroepskrachten specifieke deskundigheid bezitten ten aanzien van voorlichting of werving, selectie en voorbereiding van pleeggezinnen.

Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een voorziening voor pleegzorg en een instelling voor therapeutische gezinsverpleging plaatsen een jeugdige slechts in een pleeggezin, indien wordt voldaan aan dit artikel.

  • 2 In een pleeggezin worden niet meer dan drie pleegkinderen opgenomen, tenzij de voorziening voor pleegzorg of de instelling voor therapeutische gezinsverpleging aan Onze minister die het aangaat aannemelijk maakt dat plaatsing in een pleeggezin, waar al drie of meer kinderen zijn geplaatst, verantwoord is.

  • 3 Een pleegouder, dan wel één der pleegouders, heeft ten minste de leeftijd van eenentwintig jaren bereikt. Een pleegouder is niet tevens degene, die door de desbetreffende voorziening voor pleegzorg is belast met de begeleiding van het pleegkind, de pleegouders en de ouders.

  • 4 De pleegouder beschikt voorafgaande aan de plaatsing in het pleeggezin over een verklaring van geen bezwaar afgegeven door de raad voor de kinderbescherming. In uitzonderlijke gevallen beschikt de pleegouder uiterlijk binnen zes weken na de plaatsing over deze verklaring.

  • 5 De opvoeding en verzorging van de jeugdige door het pleeggezin geschiedt gedurende het hele etmaal en gedurende ten minste vijf opeenvolgende dagen per week. In bijzondere gevallen kunnen hierop uitzonderingen worden gemaakt, die gemotiveerd dienen te zijn beschreven in het hulpverleningsplan. Indien het betreft pleegzorg door een voorziening van pleegzorg ten aanzien van jeugdigen waarover een voogdij-instelling de voogdij uitoefent of die door een gezinsvoogdij-instelling daar met machting van de kinderrechter op grond van artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek uit huis heeft geplaatst, geschiedt de opvoeding en verzorging van de jeugdige door het pleeggezin gedurende het hele etmaal en gedurende zeven dagen per week.

  • 6 De geschiktheid van het pleeggezin is voorafgaand aan de plaatsing van het pleegkind beoordeeld door de voorziening voor pleegzorg, danwel door de instelling voor therapeutische gezinsverpleging.

  • 7 De pleegouder is bereid begeleiding door de voorziening voor pleegzorg, danwel door de instelling voor therapeutische gezinsverpleging te aanvaarden.

Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een voorziening voor pleegzorg en een instelling voor therapeutische gezinsverpleging zijn zeven maal vierentwintig uur per week bereikbaar. De bereikbaarheid van een voorziening voor pleegzorg kan georganiseerd zijn in samenwerking met uitvoerders van andere voorzieningen voor pleegzorg in de regio of, indien dit niet mogelijk is, met uitvoerders van voorzieningen van ambulante hulpverlening in de regio.

  • 2 Een voorziening voor pleegzorg en een instelling voor therapeutische gezinsverpleging zijn ten minste acht uur per etmaal op vijf dagen per week beschikbaar. De uitvoerder zorgt tijdig voor een zorgvuldige waarneming van de taken van de voorziening gedurende deze periode door een andere uitvoerder van een voorziening voor pleegzorg in de regio, teneinde continuïteit van de hulp te garanderen in het geval dat de uitvoerder niet in staat is om aan deze verplichting te voldoen.

  • 3 Een centrale voor pleeggezinnen is gedurende het gehele jaar ten minste acht uur per etmaal beschikbaar, gedurende vijf dagen per week. Voor plaatsingen in een pleeggezin door een voorziening voor pleegzorg in acute noodsituaties buiten de uren waarop de centrale beschikbaar is worden met de uitvoerders van de voorzieningen voor pleegzorg in de desbetreffende regio passende afspraken gemaakt.

Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een uitvoerder van een voorziening voor pleegzorg of van een instelling voor therapeutische gezinsverpleging stelt met betrekking tot de jeugdige een hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 5 vast. Het hulpverleningsplan wordt voorafgaand aan de hulpverlening, of indien dit niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes weken na het begin van de hulpverlening vastgesteld.

  • 2 Het hulpverleningsplan van een instelling voor therapeutische gezinsverpleging komt tot stand op grond van een multi-disciplinaire oordeelsvorming, waaraan in ieder geval wordt deelgenomen door een bevoegde kinderpsychiater.

Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Indien een jeugdige, buiten de gevallen, bedoeld in artikel 31 van de wet, het verblijf in een pleeggezin beëindigt, geeft de pleegouder hiervan kennis aan de desbetreffende voorziening voor pleegzorg of aan de desbetreffende instelling voor therapeutische gezinsverpleging. De uitvoerder van de desbetreffende voorziening stelt hiervan de instantie die de jeugdige heeft geplaatst of die hiervoor verantwoordelijk is in kennis.

  • 2 Het verblijf in een pleeggezin, dat begeleiding ontvangt van een instelling voor therapeutische gezinsverpleging, duurt ten hoogste drie jaren. In bijzondere gevallen kan hiervan ontheffing worden verleend.

Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2005]

Een voorziening voor pleegzorg en een instelling voor therapeutische gezinsverpleging bieden hulpverlening aan jeugdigen die:

  • a. de meerderjarigheidsleeftijd nog niet hebben bereikt;

  • b. de meerderjarigheidsleeftijd, doch nog niet de leeftijd van eenentwintig jaren hebben bereikt en voor wie voortzetting van plaatsing in een pleeggezin noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van een plaatsing in een residentiële voorziening plaatsing bij een pleeggezin noodzakelijk is.

Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2005]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. De artikelen 1, 2, 3, eerste lid, 5, 6, 10, 12, 17, 19, behoudens het vierde lid, 21, en 23 van dit besluit werken terug tot en met 1 januari 1990.

Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2005]

Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening.

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage, 6 september 1990

Beatrix

De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

H. d’Ancona

De Staatssecretaris van Justitie,

A. Kosto

Uitgegeven de elfde oktober 1990

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin