Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regelen voorbereiding en uitvoering rondvluchten[Regeling vervallen per 19-07-2008.]

Geldend van 01-04-1998 t/m 18-07-2008

Regelen voorbereiding en uitvoering rondvluchten

De minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 114 van de Regeling Toezicht Luchtvaart;

Besluit:

Hoofdstuk I. Vluchtvoorbereiding [Vervallen per 19-07-2008]

Artikel 1. Toepassing [Vervallen per 19-07-2008]

Het is verboden een rondvlucht uit te voeren of te doen uitvoeren tenzij aan de bepalingen van dit hoofdstuk wordt voldaan.

Artikel 2. Luchtwaardigheid [Vervallen per 19-07-2008]

Het voor een rondvlucht te gebruiken vliegtuig is bij de luchtwaardigheidskeuring door de Minister van Verkeer en Waterstaat geaccepteerd voor het uitvoeren van verkeersvluchten.

Artikel 3. Prestaties van het vliegtuig [Vervallen per 19-07-2008]

Bij elke vlucht moet kunnen worden voldaan aan de eisen, welke met betrekking tot het gewicht op grond van de daarmede samenhangende prestaties van het voor die vlucht te gebruiken vliegtuig door de Minister van Verkeer en Waterstaat in verband met de veiligheid van de vlucht zijn gesteld.

Artikel 4. Bemanning bij IFR-vluchten [Vervallen per 19-07-2008]

De bemanning moet ten minste uit een eerste en een tweede bestuurder bestaan

  • a. tijdens een IFR-vlucht;

  • b. wanneer één van de bestuurders de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. De andere bestuurder moet in dat geval jonger dan 60 jaar zijn.

Artikel 5. Belading [Vervallen per 19-07-2008]

De gezagvoerder is verplicht zich voor elke vlucht te overtuigen dat de maximaal toegelaten totaalmassa van het vliegtuig niet wordt overschreden en het zwaartepunt binnen veilige begrenzingen ligt.

Artikel 5a. Veiligheidstuig [Vervallen per 19-07-2008]

Ongeacht de luchtwaardigheidseisen met betrekking tot veiligheidstuig, welke voor de eerste afgifte van het Nederlandse bewijs van luchtwaardigheid op het luchtvaartuig van toepassing waren, moeten de voorste zitplaatsen zijn uitgerust met driepunts of vierpunts veiligheidstuig.

Artikel 6. Brandstof en smeerolie [Vervallen per 19-07-2008]

Voor elke vlucht moeten, rekening houdende met meteorologische omstandigheden, de te verwachten vertragingen tijdens de vlucht, alsmede met het uitvallen van een voorstuwingsinrichting zodanige hoeveelheden brandstof en smeerolie aan boord van het vliegtuig aanwezig zijn, dat de vlucht kan worden volbracht.

Artikel 7. Instrumenten bij IFR-vluchten [Vervallen per 19-07-2008]

  • 1 Het vliegtuig moet tijdens een IFR-vlucht ten minste zijn voorzien van de volgende instrumenten:

    • a. een gyroscopische bochtaanwijzer, gecombineerd met een instrument, dat een versnelling langs de dwarsas van het luchtvaartuig aangeeft;

    • b. een gyroscopische dwars- en langshellingaanwijzer (kunstmatige horizon);

    • c. een gyroscopische koersaanwijzer (koerstol);

    • d. middelen, welke aangeven of de energievoorziening van de gyroscopische instrumenten voldoende is;

    • e. een gevoelige drukhoogte meter;

    • f. een buitenluchtthermometer;

    • g. een klok met een centraal bevestigde secondewijzer;

    • h. een snelheidsmeter, voorzien van een inrichting ter voorkoming van slechte werking als gevolg van condensatie of ijsafzetting;

    • i. een stijgsnelheidsmeter.

  • 2 De in het vorige lid genoemde instrumenten moeten voor het gebruik door elk van de bestuurders van het vliegtuig zodanig zijn opgesteld, dat zij de instrumenten van hun zitplaats af gemakkelijk en met een zo klein mogelijke afwijking van de positie, houding en gezichtslijn, welke zij gewoonlijk innemen, wanneer zij vooruitkijken in de richting van de vliegbaan, kunnen zien.

  • 3 Aan het bepaalde in het eerste lid onder g wordt geacht te zijn voldaan, indien de bestuurder van het vliegtuig een uurwerk met een centraal bevestigde secondewijzer bij zich heeft.

Artikel 8. Radio-installaties bij VFR-en IFR-vluchten [Vervallen per 19-07-2008]

  • 1 Zowel aan boord van het vliegtuig, dat een VFR-vlucht uitvoert, waarbij de navigatie niet aan de hand van herkenbare punten op de grond wordt of kan worden uitgevoerd, als aan boord van het vliegtuig, dat een IFR-vlucht uitvoert, moet ten minste een zodanige radio-installatie aanwezig zijn dat:

    • a. bij de start en de landing radioberichten kunnen worden gewisseld met plaatselijke verkeersleidingsdiensten;

    • b. tijdens de vlucht te allen tijde radioberichten kunnen worden gewisseld met ten minste één luchtvaartstation en andere luchtvaartstations en op zodanige frequenties als door de betreffende autoriteiten kunnen worden voorgeschreven;

    • c. tijdens de vlucht te allen tijde meteorologische inlichtingen kunnen worden ontvangen;

    • d. radioberichten kunnen worden gewisseld op de internationale noodfrequentie 121,5 MHz;

    • e. signalen kunnen worden ontvangen en, indien nodig kunnen worden gezonden naar radionavigatiestations, ten einde het navigeren volgens navigatieplan en de aanwijzingen van de verkeersleidingdienst mogelijk te maken.

  • 2 De radio-installatie, bedoeld in dit artikel, moet, voor zover het een IFR-vlucht betreft, met ingang van 1 januari 2001 ten minste voldoen aan de normen in Boek 1 van Bijlage 10 (Aeronautical Telecommunications) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.

Artikel 9. Installaties voor navigatie [Vervallen per 19-07-2008]

  • 1 Aan boord van het luchtvaartuig, dat een vlucht of deel van een vlucht uitvoert, waaraan verkeersleiding wordt verstrekt (gecontroleerde vlucht), met uitzondering van een VFR-vlucht in plaatselijke verkeersgebieden, moeten ten minste aanwezig zijn:

    • a. indien op of lager dan vliegniveau 100 wordt gevlogen: één installatie voor het ontvangen van VHF-signalen alzijdig gerichte radiobakens (V.O.R.'s) en één installatie voor het ontvangen van signalen van ongerichte radiobakens (N.D.B.'s);

    • b. indien boven vliegniveau 100 wordt gevlogen: één installatie voor het bepalen van afstand (DME) alsmede op routes waar V.O.R. het belangrijkste navigatiemiddel is, twee installaties voor het ontvangen van VHF-signalen van alzijdig gerichte radiobakens (V.O.R.'s) en één installatie voor het ontvangen van signalen van ongerichte radiobakens (N.D.B.'s) en op routes waar N.D.B. het belangrijkste navigatiehulpmiddel is, één installatie voor het ontvangen van VHF-signalen van alzijdig gerichte radiobakens (V.O.R.'s) en twee installaties voor het ontvangen van signalen van ongerichte radiobakens (N.D.B.'s).

  • 2 De in het vorige lid bedoelde installaties moeten ten minste voldoen aan de normen gesteld in boek 1 van Bijlage 10 (Aeronautical Telecommunications) van het verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.

    Voorts kan, ingeval een tweevoudige installatie vereist is, hieraan worden voldaan door één enkelvoudige installatie en één andere niet in het vorige lid vermelde installatie, doch hiervoor is met uitzondering van een ‘inertial navigation system’ (I.N.S.) en van een met I.N.S. gevoed ‘area navigation system’ (R.N.A.V.), toestemming van de Minister van Verkeer en Waterstaat vereist.

  • 3 De installaties dienen zodanig te zijn uitgevoerd, dat het onklaar raken van één van de in het eerste lid vereiste installaties niet tot gevolg heeft, dat een andere ingevolge dat lid vereiste installatie onklaar raakt.

Artikel 10. Identificatieapparatuur ten behoeve van de verkeersleiding [Vervallen per 19-07-2008]

  • 1 Aan boord van het vliegtuig, waarmede wordt gevlogen tijdens gecontroleerde vluchten, met uitzondering van VFR-vluchten in plaatselijke verkeersgebieden, moet een goed functionerend radar beantwoordings zender-systeem (Secondary Surveillance Radar (SSR) Transponder System) met 4096 code mogelijkheden in mode A en met automatische hoogterapportering in mode C aanwezig zijn.

  • 2 De in het vorige lid bedoeld radaridentificatie zender moet ten minste voldoen aan de normen gesteld in Boek I Bijlage 10 (Aeronautical Telecommunications) van het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart.

  • 3 Indien vóór het voorgenomen vertrek de in de vorige leden bedoelde radaridentificatiezender door een storing niet voor het gebruik gereed is, mag de vlucht worden uitgevoerd, mits toestemming van de betrokken verkeersleidingsdiensten is verkregen en wordt voldaan aan de daarbij gegeven aanwijzingen en gestelde voorwaarden.

Artikel 11. Bestrijding van ijsafzetting [Vervallen per 19-07-2008]

Bij een vlucht, uit te voeren in weersomstandigheden, waarbij ijsafzetting zal optreden, dan wel kan worden verwacht, moet het vliegtuig voor de bestrijding van ijsafzetting zijn uitgerust.

Artikel 12. Vluchten bij nacht [Vervallen per 19-07-2008]

Het vliegtuig moet tijdens een vlucht bij nacht zowel zijn voorzien van de in artikel 7 genoemde instrumenten als van:

  • a. verlichting voor alle, door de bemanning te gebruiken instrumenten en installaties, welke nodig zijn om het vliegtuig op veilige wijze te kunnen bedienen;

  • b. een installatie, welke de bestuurder in staat stelt de lichten te voeren, als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van het Luchtverkeersreglement;

  • c. een elektrische zaklantaarn voor ieder dienstdoend lid van het boordpersoneel.

Artikel 13. Handbrandblusapparaten [Vervallen per 19-07-2008]

Tijdens de vlucht moeten aan boord van het vliegtuig handbrandblusapparaten aanwezig zijn van een door de Minister van Verkeer en Waterstaat toegelaten type, met dien verstande, dat deze ten minste moeten zijn aangebracht in de stuurhut, alsmede in elke personeelsafdeling, welke is afgescheiden van de stuurhut en welke niet gemakkelijk toegankelijk is voor één van de bestuurders.

Artikel 14. Opschriften en toegang tot ruimten van het boordpersoneel [Vervallen per 19-07-2008]

  • 1 In het vliegtuig moeten opschriften zijn aangebracht, waaruit duidelijk blijkt in welke ruimten het roken is verboden.

  • 2 In het vliegtuig, waarin de stuurhut is gescheiden van de passagiersafdeling, moeten opschriften zijn aangebracht, waaruit duidelijk blijkt, welke ruimten slechts voor leden van het boordpersoneel toegankelijk zijn. Deze opschriften moeten in elk geval worden geplaatst bij of op die ruimten, waar daadwerkelijk invloed kan worden uitgeoefend op de besturing van het vliegtuig.

  • 3 Met toestemming van de gezagvoerder mogen zich echter in de in het vorige lid bedoelde ruimten bevinden:

    • a. gedurende de kruisvlucht: passagiers, en;

    • b. gedurende de gehele vlucht: personen, die een technische of operationele taak hebben in de luchtvaart.

Artikel 15. Merktekens openhakplaatsen [Vervallen per 19-07-2008]

Indien op de romp van het vliegtuig de plaatsen, welke geschikt zijn om in noodgevallen door reddingsploegen te worden opengehakt, worden aangegeven, moet dit geschieden overeenkomstig de hier volgende tekening. De kleur van de merktekens moet rood of geel zijn. Indien dit nodig is om voldoende contrast met de ondergrond op te leveren, moeten zij met wit zijn omlijnd. Indien de onderlinge afstand van de hoekmerktekens meer dan 200 cm bedraagt, moeten hiertussen merktekens van 9 × 3 cm, als aangegeven in de tekening, zodanig worden aangebracht, dat de afstand tussen twee opeenvolgende merktekens niet meer dan 200 cm bedraagt.

Bijlage 36494.png

Hoofdstuk II. Vluchtuitvoering [Vervallen per 19-07-2008]

Artikel 16. Toepassing [Vervallen per 19-07-2008]

Het is verboden een rondvlucht uit te voeren of te doen uitvoeren, tenzij aan de bepalingen van dit hoofdstuk wordt voldaan.

Artikel 17. Bemanning [Vervallen per 19-07-2008]

De ondernemer is verplicht er voor te zorgen, dat de leden van de bemanning op de hoogte zijn van de met de uitvoering van hun taak verband houdende bepalingen en procedures, welke betrekking hebben op de gebieden, waarover gevlogen zal worden, op de terreinen, waar gestart en geland zal worden en op de navigatiehulpmiddelen voor deze gebieden en terreinen.

Artikel 18. Taak en verantwoordelijkheid personeel [Vervallen per 19-07-2008]

De ondernemer is verplicht er voor te zorgen, dat de leden van zijn personeel, die werkzaamheden verrichten ten behoeve van de vluchtuitvoering:

  • a. behoorlijk van hun taak en verantwoordelijkheid op de hoogte zijn;

  • b. het verband kennen tussen hun persoonlijke taak en de vluchtuitvoering als geheel.

Artikel 19. Stuurhut-controlesysteem [Vervallen per 19-07-2008]

  • 1 De ondernemer is verplicht een controlesysteem in te stellen, dat vóór de start, tijdens de vlucht, bij de landing en in noodgevallen gebruikt moet worden, ten einde te waarborgen dat de aanwijzingen van het Vlieghandboek worden nagekomen.

  • 2 De gezagvoerder is verplicht er voor te zorgen, dat het controlesysteem, als bedoeld in het vorige lid, wordt toegepast.

Artikel 20. Werk- en rusttijden [Vervallen per 19-07-2008]

  • 1 De ondernemer is verplicht regelen vast te stellen ten aanzien van de werken rusttijden van de leden van de bemanning. Deze regeling moet zodanig zijn, dat de veiligheid van de vlucht niet in gevaar wordt gebracht door vermoeidheid, optredende, hetzij tijdens een vlucht, hetzij tijdens een serie vluchten, hetzij tijdens een bepaalde periode. Deze regeling moet door de Minister van Verkeer en Waterstaat zijn goedgekeurd.

  • 2 Zowel de ondernemer als de leden van de bemanning zijn verplicht de in het vorige lid bedoelde regeling na te leven.

  • 3 De ondernemer is verplicht aantekening te doen houden van de werk- en rusttijden van de leden van de bemanning.

Artikel 21. Noodtoestand [Vervallen per 19-07-2008]

De ondernemer is verplicht er voor te zorgen, dat de passagiers worden ingelicht omtrent de plaats en het gebruik van de veiligheidstuigen of gordels en de nooduitgangen.

Artikel 22. Intrekking [Vervallen per 19-07-2008]

De beschikking van de directeur-generaal van 5 september 1975, nr. LI/L 25936, zoals deze laatstelijk is gewijzigd met beschikking LI/L22904, dd. 26 juli 1978, wordt ingetrokken.

Artikel 23. Inwerkingtreding [Vervallen per 19-07-2008]

Deze regeling treedt in werking op de tweede dag na de datum van verschijning van de Nederlandse Staatscourant, waarin zij wordt geplaatst.

's-Gravenhage, 5 september 1990

De

minister

van Verkeer en Waterstaat,

J. R. H. Maij-Weggen