Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
Kruimelpad
  • Home
  • Overheidsinformatie
  • Zoeken
  • Verwijzing

Wet- en regelgeving

Instellingen (nu: volledige regeling), opent een nieuw venster
  • Vorige

  • Volgende

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)

Geldend op 23-02-2012


  • Besluit van 26 juli 1990, houdende vaststelling van een nieuw Reglement verkeersregels en verkeerstekens
  • Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

    Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 mei 1989, nr. RW 26148, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;

    Gelet op artikel 2 en 34 van de Wegenverkeerswet (Stb. 1935, 554);

    Gelet op het op 8 november 1968 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake het wegverkeer (Trb. 1974, 35), het op 8 november 1968 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake verkeerstekens (Trb. 1974, 36), de op 1 mei 1971 te Genève tot stand gekomen Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag inzake het wegverkeer dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld (Trb. 1974, 37), de op 1 mei 1971 te Genève tot stand gekomen Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag inzake verkeerstekens dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld (Trb. 1974, 38) en het op 1 maart 1973 te Genève tot stand gekomen Protocol inzake tekens op het wegdek, aanvulling op de Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag inzake verkeerstekens dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld (Trb. 1975, 114);

    De Raad van State gehoord (advies van 2 maart 1990, nr. W09.89.0262);

    Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 juli 1990, nr. RW65898, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;

    Hebben goedgevonden en verstaan:

  • Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

  • Artikel 1

    In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. aanhangwagens: voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers;

    • a1. ambulance: motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor ambulancevervoer als bedoeld in de Wet ambulancevervoer;

    • b. autobus: motorvoertuig, ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen;

    • c. autosnelweg: weg, aangeduid door bord G1 van bijlage I; langs autosnelwegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autosnelweg uit;

    • d. autoweg: weg, aangeduid door bord G3 van bijlage I; langs autowegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autoweg uit;

    • da. bedrijfsauto: bedrijfsauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

    • db. bestelauto: motorvoertuig, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg;

    • e. bestemmingsverkeer: bestuurders wier reisdoel één of meer bepaalde percelen betreft die zijn gelegen aan of in de directe nabijheid van een weg met een door verkeerstekens aangegeven geslotenverklaring voor bepaalde categorieën bestuurders en die slechts via deze weg zijn te bereiken alsmede bestuurders van lijnbussen;

    • f. bestuurder van een motorvoertuig:

      • 1. hij die het motorvoertuig bestuurt of

      • 2. voor zover het betreft een motorvoertuig voor het besturen waarvan een rijbewijs AM, B, C, D of E, is vereist en dat is voorzien van een dubbele bediening, hij die rijonderricht geeft of toezicht houdt in het kader van een vanwege de overheid ingesteld onderzoek naar de rijvaardigheid, niet zijnde een onderzoek als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet;

    • g. bestuurders: alle weggebruikers behalve voetgangers;

    • h. bevoegd gezag: gezag als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de wet;

    • ha. brombakfiets: bromfiets op drie symmetrisch geplaatste wielen, met twee voorwielen met een diameter van meer dan 0,40 m, uitsluitend ingericht voor het vervoer van de bestuurder en van goederen en eventueel van een achter de bestuurder gezeten passagier;

    • i. [vervallen;]

    • ia. brommobiel: bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie;

    • j. busbaan: rijbaan waarop het woord «BUS» of «LIJNBUS» is aangebracht;

    • k. busstrook: door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop het woord «BUS» of «LIJNBUS» is aangebracht;

    • l. dag: de periode tussen zonsopgang en zonsondergang;

    • l1. diensten voor spoedeisende medische hulpverlening: de ambulancediensten waaraan krachtens de Wet ambulancevervoer vergunning is verleend voor het verrichten van ambulancevervoer, alsmede daartoe uitgeruste voertuigen van andere hulpverleningsdiensten die zich in opdracht van een centrale post als bedoeld in artikel 1 van de Wet ambulancevervoer bezighouden met het verlenen van eerstelijns spoedeisende hulpverlening;

    • l2. dierenambulance: motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke en gewonde dieren;

    • m. doorgaande rijbaan: rijbaan zonder de invoeg- en uitrijstroken;

    • ma. driewielig motorvoertuig: driewielig motorrijtuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

    • n. fietsstrook: door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht;

    • o. geslotenverklaring: verbod de betrokken weg in te rijden of in te gaan alsmede de betrokken weg te gebruiken;

    • p. haaietanden: voorrangsdriehoeken op het wegdek;

    • q. [vervallen;]

    • r. gehandicaptenvoertuig: voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en geen bromfiets is;

    • s. invoegstrook: door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan oprijden;

    • t. kruispunt: kruising of splitsing van wegen;

    • u. ligplaats: ligplaats als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

    • v. lijnbus: motorvoertuig, gebezigd voor het verrichten van openbaar vervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000;

    • w. [vervallen;]

    • x. militaire kolonne: een aantal zich achter elkaar bevindende militaire dan wel bij een onderdeel van de rampenbestrijdingsorganisatie in gebruik zijnde motorvoertuigen, onder één commandant, die de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie vastgestelde herkenningstekens voeren;

    • y. motorfiets: motorvoertuig op twee wielen al dan niet met zijspan- of aanhangwagen;

    • z. motorvoertuigen: alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen;

    • aa. nacht: de periode tussen zonsondergang en zonsopgang;

    • aab. overweg: kruising van een weg en een spoorweg die wordt aangeduid door middel van bord J12 of J13 van bijlage 1;

    • ab. parkeerhaven of parkeerstrook: langs de rijbaan gelegen verharding die is bestemd voor stilstaande of geparkeerde voertuigen;

    • ac. parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen;

    • aca. personenauto: personenauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

    • acb. puntstuk: meerhoekig vlak op het wegdek, opgenomen bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen;

    • ad. rijbaan: elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden;

    • ae. rijstrook: door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken;

    • af. snorfiets: bromfiets die blijkens de gegevens in het kentekenregister of het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die niet meer bedraagt dan 25 km per uur of bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet;

    • afa. spitsstrook: de vluchtstrook die als rijstrook is aangewezen blijkens bord C23-01 van bijlage 1;

    • afb. T100-bus: autobus, ten aanzien waarvan uit een aantekening op het kentekenbewijs of uit het kentekenregister blijkt dat hij zodanig is ingericht dat hij in aanmerking komt voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur.

      Met een T100-bus als bedoeld in dit besluit wordt gelijkgesteld een autobus die is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en ten aanzien waarvan uit het kentekenbewijs of uit een verklaring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling, afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd, blijkt dat de autobus geschikt is voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur;

    • ag. uitrijstrook: door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten;

    • aga. uitvaartstoet van motorvoertuigen: een stoet, bestaande uit motorvoertuigen, die een lijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de lijkbezorging of de as van een gecremeerd lijk begeleiden en die de in artikel 30c bedoelde herkenningstekens voeren;

    • ah. veiligheidscel: onderdeel van de constructie van een bromfiets, een motorfiets of een driewielig motorvoertuig dat de bestuurder of passagiers beschermt tegen hoofdletsel;

    • ai. verdrijvingsvlak: gedeelte van de rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht;

    • aj. verkeer: alle weggebruikers;

    • aja. verkeersregelaar: persoon als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

    • aj1. verlicht transparant: verlicht transparant als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

    • ak. vluchthaven of vluchtstrook: door een doorgetrokken streep van de rijbaan van de autosnelweg of autoweg afgescheiden weggedeelte, dat bestemd is voor gebruik in noodgevallen, behoudens voor de duur van openstelling als spitsstrook;

    • al. voertuigen: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens;

    • am. voorrang verlenen: het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen;

    • an. voorrangsvoertuig: motorvoertuig dat de optische en geluidssignalen voert als bedoeld in artikel 29;

    • ao. vrachtauto: motorvoertuig, niet ingericht voor het vervoer van personen, waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg;

    • ap. weggebruikers: voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen;

    • aq. wet: Wegenverkeerswet 1994;

    • ar. zitplaats: zitplaats als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen.

  • Artikel 1a

    Onder de vermelding in dit besluit van een EG-richtlijn of VN/ECE-reglement wordt verstaan hetgeen daaronder wordt begrepen in artikel 1.2 van de Regeling voertuigen, met inbegrip van de ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van de Regeling voertuigen bekendgemaakte wijzigingen. Artikel 1.3, tweede lid, van de Regeling voertuigen is van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 2

    • 1.De regels van dit besluit betreffende voetgangers zijn mede van toepassing op bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, indien zij van een voetpad of trottoir gebruik maken of van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken.

    • 2.De regels van dit besluit betreffende voetgangers zijn voorts mede van toepassing op personen die te voet een motorfiets, bromfiets of fiets aan de hand meevoeren, alsmede op personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen.

    • 3.De regels van dit besluit betreffende wagens zijn mede van toepassing op door voetgangers gevormde kolonnes, optochten en uitvaartstoeten voor zover deze de rijbaan volgen.

  • Artikel 2a

    De regels van dit besluit betreffende motorvoertuigen en bestuurders en passagiers van motorvoertuigen zijn, in plaats van de regels betreffende bromfietsen, bromfietsers en passagiers van bromfietsen, mede van toepassing op brommobielen en bestuurders en passagiers van brommobielen, tenzij anders is bepaald.

  • Artikel 2b

    De regels van dit besluit betreffende fietsen en fietsers zijn, in plaats van de regels betreffende bromfietsen en bromfietsers, mede van toepassing op snorfietsen en snorfietsers, tenzij anders is bepaald.

  • Hoofdstuk II. Verkeersregels

  • § 1. Plaats op de weg

  • Artikel 3
    • 1.Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.

    • 2.Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar rijden. Dit geldt niet voor snorfietsers.

  • Artikel 4
    • 1.Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad.

    • 2.Zij gebruiken het fietspad of het fiets/bromfietspad indien trottoir en voetpad ontbreken.

    • 3.Zij gebruiken de berm of de uiterste zijde van de rijbaan, indien ook een fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.

    • 4.In afwijking van het eerste en het tweede lid gebruiken personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen, het fietspad, het fiets/bromfietspad, het trottoir of het voetpad. Zij gebruiken de rijbaan indien een fietspad, een fiets/bromfietspad, een trottoir of een voetpad ontbreekt.

  • Artikel 5
    • 1. Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad.

    • 2. Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.

    • 3. Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken. Bestuurders van snorfietsen uitgerust met een verbrandingsmotor mogen het onverplichte fietspad slechts gebruiken met uitgeschakelde motor.

    • 4. Bestuurders van fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, mogen de rijbaan gebruiken.

    • 5. Bestuurders vanaf 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet die beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten mogen het trottoir en het voetpad gebruiken.

    • 6. Bestuurders jonger dan 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet die beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten gebruiken het trottoir of het voetpad.

    • 7. Het eerste lid, het tweede lid en het vierde lid gelden niet voor bestuurders als bedoeld in het zesde lid.

  • Artikel 6
    • 1.Bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad.

    • 2.Zij gebruiken de rijbaan indien een fiets/bromfietspad ontbreekt.

    • 3.Bestuurders van bromfietsen op meer dan twee wielen en bromfietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, mogen de rijbaan gebruiken.

  • Artikel 7

    Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig gebruiken het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of de rijbaan.

  • Artikel 8
    • 1.Ruiters gebruiken het ruiterpad.

    • 2.Zij gebruiken de berm of de rijbaan indien een ruiterpad ontbreekt.

  • Artikel 9

    Voetgangers mogen de rijbaan gebruiken, indien zij een kolonne, een optocht of een uitvaartstoet vormen.

  • Artikel 10
    • 1.Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.

    • 2.Andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken.

  • § 2. Inhalen

  • Artikel 11
    • 1.Inhalen geschiedt links.

    • 2.Bestuurders die links voorgesorteerd hebben en te kennen hebben gegeven dat zij naar links willen afslaan, worden rechts ingehaald.

    • 3.Fietsers dienen elkaar links in te halen; zij mogen andere bestuurders rechts inhalen.

    • 4.Bestuurders die zich rechts van een blokmarkering bevinden mogen bestuurders die zich links van deze markering bevinden rechts inhalen.

    • 5.Bestuurders mogen trams rechts inhalen.

  • Artikel 12

    Het is verboden een voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats in te halen.

  • § 3. Files

  • Artikel 13
    • 1.Bij fileverkeer behoeft, indien de rijbaan is verdeeld in rijstroken in dezelfde richting, niet de meest rechts gelegen rijstrook te worden gevolgd.

    • 2.Files mogen aan de rechterzijde worden ingehaald.

  • § 4. Oprijden van kruispunten

  • Artikel 14

    Bestuurders mogen een kruispunt niet blokkeren.

  • § 5. Verlenen van voorrang

  • Artikel 15
    • 1.Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders.

    • 2.Op deze regel gelden de volgende uitzonderingen:

      • a. bestuurders op een onverharde weg verlenen voorrang aan bestuurders op een verharde weg;

      • b. bestuurders verlenen voorrang aan bestuurders van een tram.

  • § 5a. Gedrag bij overwegen

  • Artikel 15a
    • 1.Weggebruikers mogen een overweg opgaan, indien zij direct kunnen doorgaan en de overweg geheel kunnen vrijmaken.

    • 2.Bij overwegen laten weggebruikers een spoorvoertuig voorgaan en laten daarbij de overweg geheel vrij.

  • § 6. Doorsnijden militaire kolonnes en uitvaartstoeten van motorvoertuigen

  • Artikel 16

    Weggebruikers mogen militaire kolonnes en uitvaartstoeten van motorvoertuigen niet doorsnijden.

  • § 7. Afslaan

  • Artikel 17
    • 1.Bestuurders die willen afslaan, mogen voorsorteren door:

      • a. indien zij naar rechts willen afslaan tijdig zoveel mogelijk aan de rechterzijde te gaan rijden;

      • b. indien zij naar links willen afslaan tijdig zoveel mogelijk tegen de wegas te rijden of bij rijbanen bestemd voor bestuurders in één richting daarop zoveel mogelijk links te houden.

    • 2.Bestuurders moeten alvorens af te slaan een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven.

  • Artikel 18
    • 1.Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan.

    • 2.Bestuurders die naar links afslaan, moeten tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt naar rechts afslaan voor laten gaan.

    • 3.Het eerste en het tweede lid gelden niet voor bestuurders van een tram.

  • § 8. Maximumsnelheid

  • Artikel 19

    De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.

  • Artikel 20

    Binnen de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:

    • a. voor motorvoertuigen 50 km per uur;

    • b. voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor:

      • 1. op het fietspad of het fiets/bromfietspad 30 km per uur;

      • 2. op de rijbaan 45 km per uur;

    • c. voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet op het trottoir of het voetpad 6 km per uur.

  • Artikel 21

    Buiten de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:

    • a. voor motorvoertuigen op autosnelwegen 120 km per uur, op autowegen 100 km per uur en op andere wegen 80 km per uur;

    • b. voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor:

      • 1. op het fietspad of het fiets/bromfietspad 40 km per uur;

      • 2. op de rijbaan 45 km per uur;

    • c. voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet op het trottoir of het voetpad 6 km per uur.

  • Artikel 22

    Voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden:

    • a. voor kampeerwagens die volgens het kentekenbewijs behoren tot de categorie bedrijfsauto’s en waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg, vrachtauto’s en autobussen, niet zijnde T100-bussen, 80 km per uur;

    • b. voor T100-bussen 100 km per uur;

    • c. voor landbouw- of bosbouwtrekkers en motorvoertuigen met beperkte snelheid, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, al dan niet met aanhangwagen, 25 km per uur;

    • d. voor brommobielen 45 km per uur;

    • e. voor snorfietsen 25 km per uur;

    • f. voor personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen, die een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg voortbewegen, 90 km per uur;

    • g. voor andere dan de in onderdelen c en f genoemde motorvoertuigen met aanhangwagen 80 km per uur.

  • Artikel 22a [Vervallen per 01-01-2011]
  • § 9. Stilstaan

  • Artikel 23
    • 1.De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan:

      • a. op een kruispunt of een overweg;

      • b. op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook;

      • c. op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan;

      • d. in een tunnel;

      • e. bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord;

      • f. op de rijbaan langs een busstrook en

      • g. langs een gele doorgetrokken streep.

    • 2.Onderdeel e van het eerste lid geldt niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers.

  • § 10. Parkeren

  • Artikel 24
    • 1. De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:

      • a. bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan;

      • b. voor een inrit of een uitrit;

      • c. buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg;

      • d. op een parkeergelegenheid:

        • 1°. voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen;

        • 2°. op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven;

        • 3°. op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden;

      • e. langs een gele onderbroken streep;

      • f. op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen;

      • g. op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.

    • 2. Indien onder de verkeersborden E4 tot en met E8, E12 en E13 van bijlage 1, op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden de uit het bord of onderbord voortvloeiende geboden of verboden slechts gedurende de aangegeven dagen of uren.

    • 3. De bestuurder mag zijn voertuig niet dubbel parkeren.

    • 4. Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E 4 tot en met E 13 van bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd.

  • Artikel 25
    • 1. Het is verboden in een parkeerschijf-zone te parkeren, behalve op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven of plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep.

    • 2. Op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep is het parkeren van een motorvoertuig op meer dan twee wielen slechts toegestaan indien het motorvoertuig overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf. Indien het motorvoertuig is voorzien van een voorruit, wordt de parkeerschijf achter de voorruit geplaatst.

    • 3. Op de parkeerschijf staat het tijdstip aangegeven waarop met parkeren is begonnen. Een parkeerschijf voorzien van een mechanisme dat tijdens het parkeren het tijdstip van aankomst automatisch verschuift, mag niet worden gebruikt.

    • 4. Bij het instellen mag het tijdstip van aankomst naar boven worden afgerond op het eerstvolgende hele of halve uur. De toegestane parkeerduur mag niet zijn verstreken.

    • 5. Indien op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden het tweede tot en met het vierde lid slechts gedurende die dagen of uren.

  • Artikel 26
    • 1. Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:

      • a. een gehandicaptenvoertuig, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van een gehandicapte;

      • b. een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt, dan wel met het vervoer van een of meerdere personen die in een instelling verblijven, indien de kaart aan het bestuur van die instelling is verstrekt; of

      • c. indien de gehandicaptenparkeerplaats is gereserveerd voor een bepaald voertuig, dat voertuig.

    • 2. Indien op een onderbord een maximale parkeerduur is vermeld, is artikel 25, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de parkeerplaats niet hoeft te zijn voorzien van een blauwe streep.

  • § 11. Het plaatsen van fietsen en bromfietsen

  • Artikel 27

    Fietsen en bromfietsen worden geplaatst op het trottoir, op het voetpad of in de berm dan wel op andere door het bevoegde gezag aangewezen plaatsen.

  • § 12. Signalen en herkenningstekens

  • Artikel 28

    Bestuurders mogen slechts geluidssignalen en knippersignalen geven ter afwending van dreigend gevaar.

  • Artikel 29
    • 1. Bestuurders van motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, motorvoertuigen in gebruik bij diensten voor spoedeisende medische hulpverlening, en motorvoertuigen van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten voeren blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen.

    • 2. De in het eerste lid genoemde bestuurders mogen aanvullend op de in dat lid bedoelde verlichting overdag knipperende koplampen voeren.

    • 3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht, de tweetonige hoorn en de knipperende koplampen.

  • Artikel 30
    • 1.Bestuurders van motorvoertuigen die voor nader aan te geven werkzaamheden worden gebruikt, voeren onder nader aan te geven omstandigheden geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. De in artikel 29, eerste lid, genoemde bestuurders voeren in die gevallen geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht in plaats van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. De bestuurder van het motorvoertuig die als eerste of enige de plek bereikt om de daar aan hem opgedragen taak uit te voeren, mag in plaats van dat licht, blauw zwaai-, flits- of knipperlicht voeren.

    • 2.Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld betreffende het geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht en de werkzaamheden en omstandigheden waarbij deze signalen worden gevoerd.

  • Artikel 30a
    • 1.Bestuurders van de in artikel 29, eerste lid, bedoelde motorvoertuigen mogen onder nader aan te geven omstandigheden extra richtingaanwijzers voeren.

    • 2.Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de in het eerste lid bedoelde richtingaanwijzers en de omstandigheden waarin deze worden gebruikt.

  • Artikel 30b

    De artikelen 29 tot en met 30a zijn niet van toepassing op Belgische en Duitse motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, in gebruik bij diensten voor eerstelijns spoedeisende hulpverlening alsmede motorvoertuigen van Belgische en Duitse hulpverleningsdiensten, aangewezen bij of krachtens artikel 29, eerste lid, mits deze voertuigen elk de signalen voeren overeenkomstig de voor hen in hun eigen land geldende wettelijke regels.

  • Artikel 30c

    De motorvoertuigen die onderdeel uitmaken van een uitvaartstoet van motorvoertuigen voeren een herkenningsteken. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het herkenningsteken en de wijze waarop dit wordt gevoerd.

  • Artikel 31

    Signalen mogen niet worden gegeven en de in artikel 30c bedoelde herkenningstekens mogen niet worden gevoerd in andere gevallen of op andere wijze dan bij of krachtens de artikelen in deze paragraaf is bepaald.

  • § 13. Gebruik van lichten tijdens het rijden

  • Artikel 32
    • 1. Bestuurders van een motorvoertuig, een bromfiets, een snorfiets, niet zijnde een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet, een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een verbrandingsmotor, of een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en voorzien van een gesloten carrosserie, voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht dimlicht. Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en niet is voorzien van een gesloten carrosserie voeren alsdan de in artikel 5.18.43, eerste lid, van de Regeling voertuigen bedoelde lichten.

    • 2. Het voeren van groot licht in plaats van dimlicht is toegestaan behoudens in de volgende gevallen:

      • a. bij dag;

      • b. bij het tegenkomen van een andere weggebruiker en

      • c. bij het op korte afstand volgen van een ander voertuig.

    • 3. Achterlicht en de verlichting van de achterkentekenplaat moeten steeds gelijktijdig met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht branden.

  • Artikel 33

    Gekoppelde aanhangwagens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht, verlichting van de achterkentekenplaat en het in de Regeling voertuigen voorgeschreven stadslicht voeren.

  • Artikel 34
    • 1.Bij mist, sneeuwval of regen, die het zicht ernstig belemmert, mogen bestuurders van een motorvoertuig en van een gehandicaptenvoertuig mistlicht aan de voorzijde voeren. In dat geval hoeven die bestuurders geen dimlicht te voeren.

    • 2.Bij mist of sneeuwval, die het zicht beperkt tot een afstand van minder dan 50 meter mag mistachterlicht worden gevoerd.

  • Artikel 35
    • 1. Fietsers voeren tijdens het rijden bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, verlichting overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid.

    • 2. Een fiets op twee wielen en een fiets op drie wielen met één voorwiel moeten zijn voorzien van een wit of geel licht dat aan de voorzijde wordt gevoerd, tenzij de bestuurder een wit of geel licht voert op zijn borst.

    • 3. Op een fiets op meer dan twee wielen met twee voorwielen moeten aan de voorzijde twee witte of twee gele symmetrisch links en rechts van het midden bevestigde lichten worden gevoerd.

    • 4. Een fiets moet zijn voorzien van een rood achterlicht dat aan de achterzijde wordt gevoerd, tenzij de bestuurder of een achter de bestuurder gezeten passagier een rood licht voert op zijn rug.

    • 5. Een fiets mag zijn voorzien van twee ambergeel licht stralende richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde.

    • 6. Er mogen niet meer lichten worden gevoerd op een fiets, door de bestuurder daarvan of door een achter de bestuurder gezeten passagier dan de in het tweede tot en met vijfde lid genoemde lichten.

  • Artikel 35a
    • 1. De in artikel 35 bedoelde verlichting mag andere weggebruikers niet verblinden.

    • 3. De in artikel 35, eerste tot en met vierde lid, bedoelde verlichting moet:

      • a. aan de voorzijde voortdurend zichtbaar zijn voor tegemoetkomende weggebruikers;

      • b. aan de achterzijde voortdurend zichtbaar zijn voor van achteren naderende weggebruikers.

  • Artikel 35b
    • 1. Bestuurders van een wagen voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, of bij nacht voor- en achterlicht.

    • 2. Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, dat niet is uitgerust met een motor, voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, of bij nacht voor- en achterlicht indien zij gebruik maken van de rijbaan, het fietspad of het fiets-/bromfietspad.

  • Artikel 35c

    De artikelen 35, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, en 35a zijn van overeenkomstige toepassing op bestuurders van snorfietsen, zijnde bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet.

  • Artikel 36

    Ruiters en geleiders van rij- of trekdieren en vee moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht een lantaarn meevoeren die naar voren wit of geel licht en naar achteren rood licht moet stralen.

  • Artikel 37

    Door voetgangers gevormde kolonnes en optochten moeten buiten de bebouwde kom bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht aan de linker voorzijde een naar alle zijden wit of geel licht uitstralende lantaarn en aan de linker achterzijde een naar alle zijden rood licht uitstralende lantaarn meevoeren.

  • § 14. Gebruik van lichten tijdens het stilstaan

  • Artikel 38

    Bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen, die buiten de bebouwde kom stilstaan op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht stadslicht en achterlicht voeren.

  • Artikel 39

    Stilstaande aanhangwagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht en het in de Regeling voertuigen voorgeschreven stadslicht voeren.

  • Artikel 40

    Stilstaande wagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht voor- en achterlicht voeren.

  • § 15. Bijzondere lichten

  • Artikel 41
    • 1. Onverminderd artikel 32, eerste lid, mogen bestuurders van een motorvoertuig bij dag dagrijlicht voeren. Het dagrijlicht wordt niet tegelijk met enig ander licht aan de voorzijde van het voertuig gevoerd.

    • 2. Bestuurders van een motorvoertuig mogen tegelijk met dimlicht of mistlicht aan de voorzijde bermlicht, bochtlicht, hoeklicht, richtlicht, markeringslichten of staaklichten voeren.

  • Artikel 41a
    • 1. Verlichte transparanten die informatie bieden over de bestemming of het gebruik van het voertuig mogen worden gevoerd door:

      • a. personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen:

        • 1°. in gebruik bij de politie;

        • 2°. in gebruik bij de brandweer;

        • 3°. in gebruik bij pechhulpdiensten;

        • 4°. in gebruik bij Rijkswaterstaat;

        • 5°. die worden gebruikt door artsen;

        • 6°. die worden gebruikt voor het geven van rijonderricht of het afleggen van een rijproef;

        • 7°. die worden gebruikt door ambulancediensten waaraan krachtens de Wet ambulancevervoer een vergunning is verleend voor het verrichten van ambulancevervoer;

        • 8°. van hulpverleningsdiensten die zich in opdracht van een meldkamer als bedoeld in artikel 35 van de Wet veiligheidsregio’s bezighouden met het verlenen van eerstelijns spoedeisende hulpverlening;

      • b. autobussen van openbaar vervoerdiensten;

      • c. bedrijfsauto’s van transportbegeleiders;

      • d. personen- en bedrijfsauto’s ingericht als dierenambulance;

      • e. taxi’s.

    • 2. Personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen die worden gebruikt voor het geven van rijonderricht of het afleggen van een rijproef mogen slechts zijn voorzien van een verlicht transparant die de ingevolge het Reglement rijbewijzen voorgeschreven letter «L» weergeeft.

    • 3. Onverminderd het eerste lid mogen:

      • a. verlichte transparanten die worden gevoerd door de voertuigen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4° en onderdeel c, aanwijzingen weergeven voor het overige wegverkeer,

      • b. taxi’s zijn voorzien van verlichte transparanten die de volgende informatie weergeven:

        • 1°. tarieven;

        • 2°. naam van het taxibedrijf; en

        • 3°. telefoonnummer van het taxibedrijf.

    • 4. Taxi’s die zijn voorzien van verlichte transparanten die tarieven weergeven, mogen deze verlichting slechts voeren wanneer zij zich op een taxistandplaats bevinden.

    • 5. Verlichte transparanten worden niet gevoerd door andere voertuigen dan genoemd in het eerste lid en worden niet gevoerd op een andere wijze dan bepaald in het eerste tot en met vierde lid.

  • § 16. Autosnelwegen en autowegen

  • Artikel 42
    • 1.Het gebruik van de autosnelweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 60 km per uur mag en kan worden gereden.

    • 2.Het gebruik van de autoweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 50 km per uur mag en kan worden gereden.

  • Artikel 43
    • 1.Het is de bestuurders verboden op een autosnelweg of autoweg hun voertuig te keren of achteruit te rijden.

    • 2.Het is de bestuurders voorts verboden op de rijbaan van een autosnelweg of autoweg hun voertuig te laten stilstaan.

    • 3.Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm.

    • 4.Op een autosnelweg is het bestuurders van een samenstel van voertuigen met een totale lengte van meer dan 7 meter en van een vrachtauto verboden op een rijbaan met drie of meer rijstroken enig andere dan de twee meest rechts gelegen rijstroken te gebruiken. Het verbod geldt niet voor het geval zij moeten voorsorteren.

  • § 17. Erven

  • Artikel 44

    Voetgangers mogen wegen gelegen binnen een erf over de volle breedte gebruiken.

  • Artikel 45

    Bestuurders mogen binnen een erf niet sneller rijden dan stapvoets.

  • Artikel 46
    • 1.Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden binnen een erf te parkeren anders dan op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven.

    • 2.Indien het erf tevens is aangeduid als parkeerschijf-zone, is ten aanzien van het parkeren van voertuigen artikel 25 van toepassing.

  • § 18. Rotondes

  • Artikel 47

    Het is bestuurders van een motorvoertuig en bromfietsers die de rijbaan volgen toegestaan vlak voor of op rotondes anders dan aan de rechterzijde van de rijbaan te rijden.

  • Artikel 48

    Het is bestuurders toegestaan vlak voor of op rotondes rechts in te halen.

  • § 19. Voetgangers

  • Artikel 49
    • 1. Bestuurders moeten blinden, voorzien van een witte stok met één of meer rode ringen, en overigens alle personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan.

    • 2. Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan.

    • 3. Het tweede lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire kolonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen.

    • 4. Het tweede lid geldt evenmin, indien voor de voetgangers en de bestuurders van een gehandicaptenvoertuig een rood voetgangerslicht of een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 74, tweede lid, van toepassing is.

  • § 20. Voorrangsvoertuigen

  • Artikel 50

    Weggebruikers moeten bestuurders van een voorrangsvoertuig voor laten gaan.

  • § 21. Loslopend vee

  • Artikel 51
    • 1.Het is verboden rij- of trekdieren of vee zonder toezicht op de weg los te laten lopen.

    • 2.Het eerste lid geldt niet ten aanzien van wegen die door het bevoegde gezag zijn aangewezen.

  • § 22. In- en uitstappende passagiers

  • Artikel 52

    Bestuurders die een stilstaande tram of autobus willen voorbijrijden aan de zijde waar passagiers in- en uitstappen, moeten aan hen daartoe gelegenheid geven.

  • § 23. Slepen

  • Artikel 53

    Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden een ander motorvoertuig te slepen, indien de afstand van de achterzijde van het trekkende voertuig tot de voorzijde van het gesleepte voertuig meer dan vijf meter bedraagt.

  • § 24. Bijzondere manoeuvres

  • Artikel 54

    Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan.

  • Artikel 55

    Bestuurders van een motorvoertuig respectievelijk bromfietsers moeten een teken met hun richtingaanwijzer geven respectievelijk een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven, indien zij willen wegrijden, andere bestuurders van een motorvoertuig willen inhalen, de doorgaande rijbaan willen oprijden en verlaten en indien zij van rijstrook willen wisselen alsmede bij alle andere belangrijke zijdelingse verplaatsingen.

  • Artikel 56
    • 1. Binnen de bebouwde kom moeten bestuurders aan bestuurders van een autobus de gelegenheid geven van een bushalte weg te rijden, wanneer de bestuurder van die autobus door het geven van een teken met zijn richtingaanwijzer zijn voornemen om weg te rijden kenbaar maakt.

    • 2. Het eerste lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire kolonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen.

  • § 25. Onnodig geluid

  • Artikel 57

    Bestuurders van een motorvoertuig, bromfietsers en snorfietsers mogen met hun voertuig geen onnodig geluid veroorzaken.

  • § 26. Gevarendriehoek

  • Artikel 58
    • 1.Stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens moeten worden aangeduid door een gevarendriehoek, indien het voertuig een obstakel vormt dat door naderende bestuurders niet tijdig als zodanig kan worden opgemerkt.

    • 2.De gevarendriehoek moet goed zichtbaar op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30 meter van het voertuig en in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert.

    • 3.Het eerste lid geldt niet wanneer knipperend waarschuwingslicht wordt gevoerd.

  • § 26a. Zitplaatsen

  • Artikel 58a
    • 1. Tijdens deelname aan het verkeer zitten bestuurders en passagiers op de voor hen bestemde zitplaatsen.

    • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

      • a. staande passagiers van autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan;

      • b. passagiers van autobussen zonder staanplaatsen bij incidenteel gebruik van het gangpad of toilet;

      • c. passagiers die worden vervoerd overeenkomstig artikel 61b, tweede lid, onderdelen a, b en d;

      • d. passagiers, jonger dan 3 jaar, in autobussen;

      • e. passagiers jonger dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter die gebruik maken van een voor deze passagiers geschikte zitgelegenheid die deel uitmaakt van de constructie van het voertuig, hierin deugdelijk is bevestigd en is voorzien van autogordels;

      • f. het vervoer van passagiers die gebruik maken van een rolstoel als bedoeld in artikel 59, vierde lid;

      • g. het vervoer van één persoon van 8 jaar of ouder op de bagagedrager door fietsers met uitzondering van snorfietsers.

      • h. passagiers die gebruik maken van een ligplaats, indien op één ligplaats ten hoogste één passagier is gelegen.

    • 3. In afwijking van het eerste lid worden op fietsen en bromfietsen passagiers jonger dan 8 jaar alleen vervoerd indien zij zijn gezeten op een doelmatige en veilige voorziening met voldoende steun voor rug, handen en voeten.

    • 4. Het is bestuurders verboden passagiers te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

  • § 27. Autogordels en kinderbeveiligingssystemen

  • Artikel 59
    • 1. Bestuurders van een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel. Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter, maken gebruik van een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat is voorzien van een keurmerk als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de wet. Wanneer de zitplaatsen die bestemd zijn voor passagiers voorzien zijn van autogordels, worden op deze zitplaatsen niet meer passagiers vervoerd dan er autogordels aanwezig zijn.

    • 2. Met een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel die niet zijn uitgerust met een autogordel of kinderbeveiligingssysteem als bedoeld in het eerste lid, worden geen passagiers vervoerd die jonger zijn dan 3 jaar en worden passagiers in de leeftijd van 3 tot 18 jaar met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd.

    • 3. Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar, worden niet in een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem op een passagierszitplaats met een voorairbag vervoerd, tenzij deze airbag is uitgeschakeld of automatisch op toereikende wijze wordt uitgeschakeld.

    • 4. Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een rolstoel. Deze passagiers worden vervoerd in een rolstoel die in het voertuig wordt vastgezet op een wijze die de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de rolstoelgebruiker waarborgt. Deze passagiers maken gebruik van de veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de rolstoel aan de vloer van het voertuig is bevestigd, tenzij gebruik gemaakt wordt van een door Onze Minister aangewezen constructie.

    • 5. Het eerste lid, tweede volzin, en het tweede lid zijn niet van toepassing tijdens vervoer in taxi’s. In taxi’s waarin geen kinderbeveiligingssysteem aanwezig is, worden passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd.

    • 6. Het eerste lid voor zover dat op bestuurders betrekking heeft en het vierde lid gelden niet tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000 en tijdens vraagafhankelijk openbaar vervoer in taxi’s, anders dan in de gevallen waarin een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 84, derde lid, van die wet, of anders dan tijdens taxivervoer in een taxi die is ingericht voor rolstoelvervoer overeenkomstig de daaromtrent gestelde eisen in de Regeling voertuigen.

    • 7. De autogordel of het kinderbeveiligingssysteem wordt gebruikt op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden. Personen van 18 jaar en ouder en personen onder de 18 jaar die in de betrokken omstandigheden geen gebruik hoeven maken van een kinderbeveiligingssysteem, kunnen een voorziening gebruiken door middel waarvan het diagonale deel van de autogordel over de schouder wordt geleid. Onze Minister kan aan een dergelijke voorziening nadere eisen stellen.

    • 8. Het is bestuurders van de in het eerste lid genoemde voertuigen verboden passagiers jonger dan 12 jaar en passagiers die gebruik maken van een rolstoel te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

    • 9. Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd.

  • Artikel 59a
    • 1. Bestuurders van een autobus en hun passagiers van 3 jaar of ouder gebruiken de autogordel of het kinderbeveiligingssysteem waarmee de autobus is uitgerust, wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer.

    • 2. Passagiers van een autobus die in beweging is, wordt meegedeeld dat het verplicht is gebruik te maken van het in het eerste lid genoemde beveiligingsysteem wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer. Deze mededeling gebeurt op één of meer van de volgende manieren:

      • a. door de bestuurder, de conducteur, de reisleider of een als groepsleider aangewezen persoon;

      • b. door audiovisuele middelen;

      • c. door opschriften of het volgende pictogram:

        219037

        Het pictogram wordt bij gebruikmaking daarvan duidelijk op iedere zitplaats aangebracht.

    • 3. In afwijking van het eerste lid behoeven passagiers van autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan geen beveiligingssysteem te gebruiken en behoeven passagiers van autobussen die volgens een dienstregeling stads- of streekvervoer uitvoeren binnen de bebouwde kom geen beveiligingssysteem te gebruiken.

    • 4. Het is bestuurders van een autobus verboden passagiers jonger dan 12 jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

    • 5. Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd.

  • Artikel 59b
    • 1.In afwijking van artikel 59, eerste en achtste lid, mag anders dan op de voorste zitplaatsen in personenauto’s en bestelauto’s, wanneer het na installatie van twee kinderbeveiligingssystemen niet mogelijk is nog een derde kinderbeveiligingssysteem te installeren en deze beveiligingssystemen in gebruik zijn, een derde passagier die 3 jaren of ouder is en met een lengte van minder dan 1,35 meter, worden vervoerd wanneer deze een autogordel gebruikt. Artikel 59, zevende lid, is van toepassing.

    • 2.In afwijking van artikel 59, eerste lid, tweede volzin, en achtste lid, mogen in incidentele gevallen en over korte afstand in personenauto's en bestelauto's op andere dan de voorste zitplaatsen passagiers die 3 jaar of ouder zijn en met een lengte van minder dan 1,35 meter worden vervoerd wanneer deze passagiers een autogordel gebruiken. Dit geldt niet met betrekking tot passagiers waarvan een ouder de auto bestuurt dan wel daarvan eigenaar of houder is.

  • § 28. Helmen

  • Artikel 60
    • 1.De bestuurder en de passagiers van bromfietsen, brommobielen zonder gesloten carrosserie, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen moeten een goed passende helm dragen, die door middel van een sluiting op deugdelijke wijze op het hoofd is bevestigd en die is voorzien van een goedkeuringsmerk als bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de wet.

    • 2.Het eerste lid geldt niet voor:

      • a. de bestuurder en de passagiers van een snorfiets;

      • b. de bestuurder en de achter hem zittende passagier van een brombakfiets;

      • c. de bestuurder of de passagier van een door de Dienst Wegverkeer aangewezen type bromfiets, niet zijnde een brommobiel, of motorfiets van wie de zitplaats beschermd wordt door een veiligheidscel en voorzien is van autogordels. Bij de aanwijzing kan onderscheid gemaakt worden tussen de bestuurder en de passagiers ten aanzien van de gelding van het eerste lid. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld betreffende de eisen waaraan een type bromfiets of motorfiets moet voldoen om te kunnen worden aangewezen. Deze regels zien in elk geval op de eisen die gesteld worden aan de veiligheidscel en de autogordels;

      • d. de bestuurder of de passagiers van een brommobiel zonder gesloten carrosserie of een driewielig motorvoertuig, van wie de zitplaats in deze brommobiel of dat motorvoertuig is voorzien van bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG, zoals deze gold op de datum waarop het voertuig in gebruik is genomen, en van autogordels die voldoen aan het bepaalde in artikel 5.2.47, vijfde en zesde lid, van de Regeling voertuigen.

    • 3.Het is bestuurders verboden passagiers beneden de twaalf jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

  • § 29 [Vervallen per 01-07-2010]

  • Artikel 61 [Vervallen per 01-07-2010]
  • § 30. Gebruik van mobiele telecommunicatieapparatuur

  • Artikel 61a

    Het is degene die een motorvoertuig, bromfiets, snorfiets of gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een motor bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden.

  • § 31. Vervoer van personen in of op aanhangwagens en in laadruimten

  • Artikel 61b
    • 1.Het is verboden personen te vervoeren in de open of gesloten laadruimte van een motorvoertuig of bromfiets en in of op een aanhangwagen achter een motorvoertuig of bromfiets.

    • 2.Het eerste lid is niet van toepassing:

      • a. op het vervoer van personen in de laadruimte van een ambulance of dierenambulance en op het vervoer van rolstoelinzittenden op de daarvoor ingerichte plaatsen in de laadruimte van een voertuig dat blijkens een aantekening op het kentekenbewijs speciaal is uitgerust voor rolstoelvervoer.

      • b. op het vervoer van personen in de laadruimte van motorvoertuigen ten dienste van politie en brandweer en van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

      • c. op het vervoer van een persoon op de bestuurderszitplaats in een motorvoertuig of op een bromfiets op meer dan twee wielen die door een ander motorvoertuig of een andere bromfiets op meer dan twee wielen wordt voortgetrokken en op het vervoer van passagiers van het getrokken voertuig als hier bedoeld, voor wie geen zitplaats in het trekkende voertuig als hier bedoeld beschikbaar is;

      • d. in het geval het vervoer van personen geschiedt in het kader van een evenement of optocht waarvoor een vergunning op grond van een gemeentelijke verordening is afgegeven.

  • Hoofdstuk III. Verkeerstekens

  • § 1. Algemene bepalingen

  • Artikel 62

    Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

  • Artikel 63

    Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens.

  • Artikel 63a

    Tijdelijke geplaatste of toegepaste verkeerstekens op het wegdek gaan boven ter plekke aangebrachte andere verkeerstekens op het wegdek, voor zover deze verkeerstekens onverenigbaar zijn.

  • Artikel 63b
    • 1.Wanneer verkeerstekens die een maximumsnelheid aanduiden een hogere snelheid aangeven dan :

      geldt de laagste aangegeven snelheid.

    • 2.Indien zowel door verkeerstekens op borden als door elektronische signaleringsborden een maximumsnelheid wordt aangegeven, geldt de laagste aangegeven maximumsnelheid.

  • Artikel 64

    Verkeerslichten gaan boven verkeerstekens die de voorrang regelen.

  • § 2. Verkeersborden

  • Artikel 64a

    Verkeersborden mogen op een elektronisch signaleringsbord worden weergegeven.

  • Artikel 65
    • 1.Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken, kan de toepassing van een verkeersbord worden beperkt tot één of meer rijstroken.

    • 2.De verkeersborden E1, E2 en E3 van bijlage I gelden slechts voor de zijde van de weg alwaar zij zijn geplaatst.

    • 3.Het parkeren van een voertuig en het plaatsen van een fiets en van een bromfiets is echter toegestaan op de daartoe bestemde weggedeelten.

  • Artikel 66
    • 1.Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht en een aanduiding van het gebied van de zone is toegevoegd, geldt het verkeersbord in het aldus aangeduide gebied.

    • 2.Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht zonder aanduiding van het gebied van de zone, geldt het verkeersbord in een gebied dat wordt begrensd door het verkeersbord en een of meer in samenhang met dat verkeersbord geplaatste borden waarmee het einde van de zone wordt aangeduid.

    • 3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing, als bord E 10 van bijlage 1 is geplaatst.

  • Artikel 67
    • 1.Onder verkeersborden aangebrachte onderborden kunnen inhouden:

      • a. een nadere uitleg van het verkeersbord;

      • b. ingeval op een onderbord uitsluitend symbolen voorkomen: het verkeersbord geldt slechts voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag;

      • c. ingeval op een onderbord het woord "uitgezonderd" in combinatie met symbolen voorkomt: het verkeersbord geldt niet voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag.

    • 2.Indien het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het onderbord.

    • 3.Symbolen op onderborden hebben dezelfde betekenis als die welke in bijlage 1 zijn opgenomen.

  • § 3. Verkeerslichten

  • Artikel 68
    • 1.Bij driekleurige verkeerslichten betekent:

      • a. groen licht: doorgaan;

      • b. geel licht: stop; voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

      • c. rood licht: stop.

    • 2.Indien in een driekleurig verkeerslicht of in een daaraan toegevoegd éénkleurig verkeerslicht een verlichte pijl zichtbaar is, geldt het licht uitsluitend voor de door de pijl aangegeven richting.

    • 3.Indien een verlichte afbeelding van een fiets zichtbaar is, geldt het licht voor fietsers, bromfietsers op een fiets/bromfietspad en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig.

    • 4.Bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire kolonne die het verkeerslicht bij groen licht is begonnen te passeren, mogen blijven doorgaan ook nadat een andere kleur licht zichtbaar is geworden.

    • 5.Indien onder of bij een driekleurig verkeerslicht een bord is geplaatst met de tekst «Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij» respectievelijk« Rechtsaf voor fietsers vrij» gelden het gele en het rode licht niet voor rechts afslaande fietsers, bromfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig respectievelijk voor fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig.

    • 6.Zij dienen alsdan het overige verkeer ter plaatse voor te laten gaan.

    • 7.Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken met verkeer in dezelfde richting, kan de toepassing van een verkeerslicht worden beperkt tot één van deze rijstroken. In dat geval heeft het verkeerslicht slechts betrekking op het verkeer op de aangeduide rijstrook.

  • Artikel 69
    • 1.Bij tweekleurige verkeerslichten betekent:

      • a. geel licht: stop; voor bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

      • b. rood licht: stop.

    • 2.Het tweede tot en met zevende lid van artikel 68 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 70
    • 1.Bij tram/buslichten betekent:

      • a. wit licht of wit knipperlicht: doorgaan;

      • b. geel licht: stop; voor bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

      • c. rood licht: stop.

    • 2.Het witte licht en het witte knipperlicht gelden slechts voor de aangegeven richtingen.

    • 3.De tram/buslichten gelden voor bestuurders van een tram en van een lijnbus, die de richting volgen waarop het licht betrekking heeft.

    • 4.De tram/buslichten gelden tevens voor bestuurders van voertuigen, niet zijnde een lijnbus, die een busbaan of een busstrook gebruiken waarop het licht betrekking heeft.

  • Artikel 71

    Bij overweglichten betekent:

    • a. wit knipperlicht: er nadert geen trein;

    • b. rood knipperlicht: stop.

  • Artikel 72

    Bij bruglichten betekent rood licht of rood knipperlicht: stop.

  • Artikel 73

    Bij rijstrooklichten betekent:

    • a. groene pijl of maximumsnelheid, aangeduid door bord A3 van bijlage I: de rijstrook mag worden gebruikt;

    • b. rood kruis: de rijstrook mag niet worden gebruikt. De vluchtstrook mag alleen in noodgevallen worden gebruikt;

    • c. witte pijl: voorwaarschuwing rood kruis;

    • d. het woord «BUS»: de rijstrook mag slechts gebruikt worden door bestuurders van een lijnbus en bestuurders van een autobus;

    • e. het woord «LIJNBUS»: de rijstrook mag slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus.

  • Artikel 74
    • 1.Bij voetgangerslichten betekent:

      • a. groen licht: voetgangers mogen oversteken;

      • b. groen knipperend licht: voetgangers mogen oversteken; het rode licht verschijnt spoedig;

      • c. rood licht: voetgangers mogen niet meer beginnen over te steken; reeds overstekende voetgangers moeten zo snel mogelijk doorlopen.

    • 2.Indien het rode licht is vervangen door een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 75, mogen voetgangers oversteken, mits zij het overige verkeer ter plaatse voor laten gaan.

  • Artikel 75

    Geel knipperlicht betekent: gevaarlijk punt; voorzichtigheid geboden.

  • § 4. Verkeerstekens op het wegdek

  • Artikel 76
    • 1. Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden.

    • 2. Het eerste lid is niet van toepassing als:

      • a. de streep wordt overschreden om een naast de gevolgde rijstrook gelegen vluchthaven, vluchtstrook of spitsstrook te bereiken of te verlaten;

      • b. aan de zijde vanwaar men de streep overschrijdt een onderbroken streep is aangebracht;

      • c. zich een doorgetrokken streep bevindt tussen rijstroken voor verkeer in tegenovergestelde richtingen en aan de rechterzijde van de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht;

      • d. zich een doorgetrokken streep bevindt tussen een rijstrook en een fietsstrook, voor bestuurders die ingevolge artikel 10, tweede lid, de fietsstrook mogen gebruiken.

  • Artikel 77
    • 1. Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken en puntstukken niet gebruiken.

    • 2. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bestuurders een spitsstrook volgen die een splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of rijbanen passeert.

    • 3. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bestuurders rechtmatig een busbaan of busstrook volgen die een splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of rijbanen passeert.

  • Artikel 78
    • 1.Bestuurders die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft. Een in een voorsorteerstrook gelegen fietsstrook maakt deel uit van deze voorsorteerstrook.

    • 2.Bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten en daartoe een uitrijstrook volgen, zijn ter hoogte van de daarin aangebrachte pijlen verplicht om de richting te volgen die de uitrijstrook waarop zij zich bevinden, aangeeft.

  • Artikel 79

    Bestuurders moeten voor een voor hen bestemde stopstreep stoppen, indien stoppen op grond van dit besluit is verplicht.

  • Artikel 80

    Haaietanden hebben de volgende betekenis: de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg.

  • Artikel 81

    Busbanen en busstroken waarop het woord «BUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus, een autobus of een tram. Busbanen en busstroken waarop het woord «LIJNBUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus of een tram.

  • Hoofdstuk IV. Aanwijzingen

  • § 1. Verplichtingen weggebruikers

  • Artikel 82
    • 1.Weggebruikers zijn verplicht de aanwijzingen op te volgen die mondeling of door middel van gebaren worden gegeven door:

      • a. de daartoe bevoegde en als zodanig kenbare ambtenaren,

      • b. de militairen van de Koninklijke Marechaussee voor zover niet behorend tot de in onderdeel a bedoelde ambtenaren,

      • c. de daartoe bevoegde en als zodanig kenbare verkeersregelaars, en

      • d. de personen die optreden tijdens de praktijklessen of het praktijkexamen in het kader van een opleiding tot verkeersregelaar of een cursus voor verkeersregelaars, voor de duur van deze praktijklessen of dit praktijkexamen en voor zover gebruik wordt gemaakt van de bij ministeriële regeling voor verkeersregelaars voorgeschreven kleding.

    • 2.Bij het geven van aanwijzingen door middel van gebaren worden, voor zover mogelijk, de in bijlage II vastgestelde aanwijzingen gegeven.

    • 3.Bestuurders zijn tevens verplicht de in bijlage II, onderdeel 8, vastgestelde aanwijzing om te stoppen op te volgen die wordt gegeven door daartoe bevoegde en als zodanig kenbare verkeersbrigadiers.

    • 4.Weggebruikers zijn voorts verplicht te stoppen indien hen door een begeleider van een railvoertuig een stopteken volgens model F10 van bijlage 1, een rode vlag of een rode lamp wordt getoond.

  • Artikel 82a

    Weggebruikers zijn voorts verplicht de aanwijzingen op te volgen die worden gegeven door middel van de verlichte transparanten op personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen in gebruik bij de in artikel 41a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 4°, genoemde diensten en op bedrijfsauto’s van transportbegeleiders.

  • Artikel 83

    Weggebruikers zijn voorts verplicht te stoppen indien hen een stopteken wordt getoond dat bestaat uit een rode lamp dan wel uit een aan een voertuig van de politie of van weginspecteurs in dienst van Rijkswaterstaat aangebracht verlicht transparant, waarin de woorden "stop" of "stop politie" in rode letters tegen donkere achtergrond worden verlicht.

  • § 2. Rangorde aanwijzingen, verkeerstekens en verkeersregels

  • Artikel 84

    Aanwijzingen gaan boven verkeerstekens en verkeersregels.

  • Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen ten behoeve van gehandicapten

  • § 1. Uitzonderingen voor gehandicapten

  • Artikel 85
    • 1.Op bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin op de door Onze Minister voorgeschreven wijze een geldige en behoorlijk leesbare gehandicaptenparkeerkaart is aangebracht, zijn artikel 25 en, indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren, de artikelen 24, eerste lid, onderdeel e, 46 en 62, voor zover het betreft bord E1 van bijlage 1, niet van toepassing.

    • 2.Op bestuurders van gehandicaptenvoertuigen, zijn artikel 25 en, indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren, de artikelen 24, eerste lid, onderdeel e, en 62, voor zover het betreft bord E1 van bijlage 1, niet van toepassing.

    • 3.In de gevallen, waarin niet langer dan drie uren mag worden geparkeerd, moet het motorvoertuig overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde zijn voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen.

  • § 2. Buiten Nederland afgegeven gehandicaptenparkeerkaarten

  • Artikel 86

    Met een gehandicaptenparkeerkaart worden gelijkgesteld de door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven parkeerkaarten voor gehandicapten, voor zover deze bij ministeriële regeling zijn aangewezen.

  • Hoofdstuk VA. Tijdelijke verlaging maximumsnelheid in geval van verstoring olie-aanvoer

  • Artikel 86a

    • 1.In geval van een ernstige verstoring van de olieaanvoer kan bij regeling van Onze Minister worden bepaald dat op autosnelwegen en op autowegen, in afwijking van artikel 21, aanhef en onderdeel a, voor motorvoertuigen een maximumsnelheid geldt van 90 kilometer per uur.

    • 2.Het eerste lid is niet van toepassing op vrachtauto’s, motorvoertuigen met aanhangwagen of autobussen, niet zijnde T100-bussen.

    • 3.Onze Minister stelt de regeling, als bedoeld in het eerste lid, vast in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van Economische Zaken.

    • 4.De regeling, als bedoeld in het eerste lid, vervalt uiterlijk met ingang van de eerste dag van de vijfde kalendermaand na het tijdstip van inwerkingtreding.

  • Artikel 86b

    Het is de bestuurders van de in artikel 86a, eerste lid, bedoelde motorvoertuigen verboden de ingevolge artikel 86a bepaalde maximumsnelheid te overschrijden.

  • Hoofdstuk VB. Milieuzones

  • Artikel 86c

    • 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

      • a. datum van de eerste toelating tot het verkeer: datum van de eerste toelating van een motorvoertuig tot het verkeer op de weg zoals vastgesteld ingevolge bijlage II bij de Regeling voertuigen;

      • b. dieselmotor: motor die werkt volgens het principe van ontsteking door compressie;

      • c. roetfilter: roetfilter als bedoeld in de Regeling typegoedkeuring roetfilters;

      • d. richtlijn 88/77/EEG: richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (PbEG 1988, L36), zoals deze gold tot 9 november 2006 en laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr 96/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 januari 1996 (PbEG L 040);

      • e. richtlijn 2005/55/EG: richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking (PbEG 2005, L 275);

      • f. Euronorm II: richtlijn 88/77/EEG (de grenswaarden in regel B van punt 6.2.1 dan wel punt 8.3.1.1 van bijlage I bij die richtlijn);

      • g. Euronorm III: richtlijn 2005/55/EG (de grenswaarden in rij A van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I bij die richtlijn);

      • h. Euronorm IV: richtlijn 2005/55/EG (de grenswaarden in rij B1 van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I bij die richtlijn);

    • 2. Een wijziging van de in het eerste lid, onderdeel e, genoemde richtlijn gaat voor de toepassing van artikel 86d gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

  • Artikel 86d

    • 1. De geslotenverklaring krachtens bord C22a van bijlage I is niet van toepassing:

      • a. tot 1 januari 2010 op vrachtauto’s,

        • 1°. waarvan de dieselmotor blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs ten minste voldoet aan Euronorm IV, of

        • 2°. waarvan de dieselmotor blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs voldoet aan Euronorm II of III, en die blijkens de aantekening in het kentekenregister zijn uitgerust met een roetfilter, of

        • 3°. die niet worden aangedreven door een dieselmotor.

      • b. vanaf 1 januari 2010 tot 1 juli 2013 op vrachtauto’s,

        • 1°. waarvan de dieselmotor blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs ten minste voldoet aan Euronorm IV, of

        • 2°. waarvan de dieselmotor blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs voldoet aan Euronorm III en, waarvoor geldt dat sedert de datum van de eerste toelating tot het verkeer niet meer dan acht jaar zijn verstreken, en die voorts blijkens de aantekening in het kentekenregister zijn uitgerust met een roetfilter, of

        • 3°. die niet worden aangedreven door een dieselmotor.

      • c. vanaf 1 juli 2013 op vrachtauto’s,

        • 1°. waarvan de dieselmotor blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs ten minste voldoet aan Euronorm IV, of

        • 2°. die niet worden aangedreven door een dieselmotor.

    • 2. Vrachtauto’s waarvan ten aanzien van de emissienorm geen aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs aanwezig is, worden voor de toepassing van het eerste lid geacht:

      • a. te voldoen aan Euronorm II, wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs de datum van de eerste toelating tot het verkeer na 30 september 1995, maar voor 1 oktober 2000 ligt;

      • b. te voldoen aan Euronorm III, wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs de datum van de eerste toelating tot het verkeer na 30 september 2000, maar voor 1 oktober 2005 ligt;

      • c. ten minste te voldoen aan Euronorm IV, wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs de datum van de eerste toelating tot het verkeer na 30 september 2005 ligt.

  • Hoofdstuk VI. Ontheffingen en vrijstellingen

  • § 1. Algemeen

  • Artikel 87

    Door het bevoegd gezag kan ontheffing worden verleend van de artikelen 3, eerste lid, 4, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 8, 10, 23, eerste lid, 24, 25, 26, 42, 43, 46, 53, 61b, alsmede artikel 62 voor zover het betreft de verkeerstekens C1, C2, C4, C6 tot en met C21, C22a, D2, D4 tot en met D7, E1 tot en met E3, F7 en de verkeerstekens genoemd in de artikelen 73, 76, 77, 78, 81 en 98.

  • § 2. Autogordels en kinderbeveiligingssystemen

  • Artikel 88
    • 1.Indien op grond van medische noodzaak toepassing wordt gevraagd van artikel 149, tweede lid, van de wet voor wat betreft ontheffing van de verplichting tot gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen, kan een schriftelijke verklaring van een arts worden verlangd.

    • 2.De ontheffing vermeldt een geldigheidsduur van maximaal twintig jaar.

    • 3.Op de ontheffing wordt het symbool zoals aangeduid in artikel 5 van de richtlijn nr 91/671/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton (PbEG L 373) aangebracht.

    • 4.Een wijziging van de richtlijn nr 91/671/EEG gaat voor de toepassing van het derde lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

    • 5.De aan de behandeling van de aanvraag van een ontheffing van het gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen verbonden kosten worden ten laste van de aanvrager gebracht.

  • § 3

  • Artikel 89 [Vervallen per 01-01-1995]
  • § 4

  • Artikel 90 [Vervallen per 01-01-1995]
  • § 5. Voorrangsvoertuigen

  • Artikel 91

    Bestuurders van een voorrangsvoertuig mogen afwijken van de voorschriften van dit besluit voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist.

  • Hoofdstuk VII. Strafbepalingen

  • Artikel 92

    • 2. Bij de veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig, een bromfietser of een snorfietser wegens een overtreding als bedoeld in het eerste lid kan hem de bevoegdheid om motorvoertuigen, bromfietsen en snorfietsen te besturen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.

  • Hoofdstuk VIII. Overgangsbepalingen

  • Artikel 93 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 94 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 95 [Vervallen per 01-05-2009]

  • Artikel 96

    • 1.De in de rechterkolom genoemde borden volgens het model van bijlage 2, behorende bij het met ingang van 1 november 1991 ingetrokken Reglement verkeersregels en verkeerstekens (Stb. 1966, 181), blijven van kracht. Zij hebben de betekenis die is toegekend aan de overeenkomstige in de linker kolom genoemde borden opgenomen in bijlage 1 van het RVV 1990.

    • 2.In afwijking van het eerste lid behouden de in de rechter kolom genoemde borden 46 en 47 de betekenis die daaraan is toegekend in het in het eerste lid, eerste volzin, genoemde reglement. Zij blijven van kracht tot 1 januari 2009.

    Bijlage I RVV 1990

    Bijlage II RVV 1966

    A1

    1

    A2

    2

    A4

    1a (eerste model)

    A5

    2a (eerste model)

    B1

    6

    B2

    7

    B3

    8

    B4

    8 (uitgevoerd conform onderschrift)

    B5

    8 (uitgevoerd conform onderschrift)

    B7

    10

    C3

    13

    C4

    14

    C6

    17

    C7

    17a

    C8

    17b

    C10

    18

    C11

    19

    C12

    20

    C13

    21

    C14

    22

    C15

    23

    C16

    27

    C17

    32

    C18

    33

    C19

    34

    C20

    35

    C21

    36

    C22

    98a

    D1

    15

    D2

    16

    D3

    63

    D4 tot en met D6

    46 en 47

    E3

    52

    E4

    99

    E5

    54a

    E6

    54b en 54c

    E7

    54d

    E8

    99 (met onderbord waarop de betrokken categorie is aangegeven)

    E9

    99a

    E10

    53

    E11

    54

    F1

    40

    F2

    41

    F3

    42

    F4

    43

    F5

    44

    F6

    45

    F7

    48

    F8

    55

    G1

    57a

    G2

    58a

    G3

    57b

    G4

    58b

    G5

    57c

    G6

    58c

    G7

    61

    G11

    59

    G13

    60

    H1

    3 en 4

    H2

    5

    J2

    66

    J3

    67

    J4

    69

    J5

    68

    J1

    73

    J15

    79

    J16

    80

    J20

    82

    J21

    83

    J22

    84

    J23

    84

    J24

    87

    J25

    85

    J26

    86

    J27

    88

    J28

    89

    J29

    91

    J31

    93

    J33

    94a

    J34

    94b

    J35

    94c

    J37

    90

    K14

    98

    L2

    96

    L3

    102

    L4

    100

    L8

    101, onderdeel a

    L9

    101, onderdeel b

  • Artikel 97

    Bewegwijzeringsborden, geplaatst voor 1 november 1991, blijven van kracht totdat zij door in bijlage I vastgestelde borden zijn vervangen.

  • Artikel 98 [Vervallen per 01-05-2009]

  • Artikel 99 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Hoofdstuk IX. Wijziging van het wegenverkeersreglement

  • Artikel 100 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Hoofdstuk X. Wijziging van de bijlage, behorende bij het Wegenverkeersreglement

  • Artikel 101 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Hoofdstuk XI. Wijziging van andere Besluiten

  • Artikel 102 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 103 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 104 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 105 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 106 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 107 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 108 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 109 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 110 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 111 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 112 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 113 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 114 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 115 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 116 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 117 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Artikel 118 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Hoofdstuk XII. Intrekking RVV 1966

  • Artikel 119 [Vervallen per 01-01-1995]

  • Hoofdstuk XIII. Inwerkingtreding

  • Artikel 120

    De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

  • Hoofdstuk XIV. Citeertitel

  • Artikel 121

    Dit besluit kan worden aangehaald als "Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" of als "RVV 1990".

  • Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

    Tavarnelle, 26 juli 1990

    Beatrix

    De Minister van Verkeer en Waterstaat,

    J. R. H. Maij-Weggen

    Uitgegeven de elfde oktober 1990

    De Minister van Justitie,

    E. M. H. Hirsch Ballin

  • Bijlage 1. Verkeersborden

    Hoofdstuk A. Snelheid

    Bord

    Omschrijving

    A1

    27593

    Maximumsnelheid

     

    Bord

    Omschrijving

    A2

    27594

    Einde maximumsnelheid

     

    Bord

    Omschrijving

    A3

    27596

    Maximumsnelheid op een electronisch signaleringsbord

     

    Bord

    Omschrijving

    A4

    27597

    Adviessnelheid

     

    Bord

    Omschrijving

    A5

    27598

    Einde adviessnelheid

     

    Hoofdstuk B. Voorrang

    Bord

    Omschrijving

    B1

    27599

    Voorrangsweg

     

    Bord

    Omschrijving

    B2

    27600

    Einde voorrangsweg

     

    Bord

    Omschrijving

    B3

    27601

    Voorrangskruispunt

     

    Bord

    Omschrijving

    B4

    27602

    Voorrangskruispunt Zijweg links

     

    Bord

    Omschrijving

    B5

    27603

    Voorrangskruispunt Zijweg rechts

     

    Bord

    Omschrijving

    B6

    27604

    Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg

     

    Bord

    Omschrijving

    B7

    27605

    Stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg

     

    Hoofdstuk C. Geslotenverklaring

    Bord

    Omschrijving

    C1

    27606

    Gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee

     

    Bord

    Omschrijving

    C2

    27607

    Eenrichtingsweg, in deze richting gesloten voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee

     

    Bord

    Omschrijving

    C3

    27608

    Eenrichtingsweg

     

    Bord

    Omschrijving

    C4

    27609

    Eenrichtingsweg

     

    Bord

    Omschrijving

    C5

    27610

    Inrijden toegestaan

     

    Bord

    Omschrijving

    C6

    27611

    Gesloten voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen

     

    Bord

    Omschrijving

    C7

    27612

    Gesloten voor vrachtauto's

     

    Bord

    Omschrijving

    C7a

    246891

    Gesloten voor autobussen

     

    Bord

    Omschrijving

    C7b

    246892

    Gesloten voor autobussen en vrachtauto’s

     

    Bord

    Omschrijving

    C8

    27613

    Gesloten voor motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden dan 25 km/h

     

    Bord

    Omschrijving

    C9

    27614

    Gesloten voor ruiters, vee, wagens, motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden dan 25 km/h en brommobielen alsmede fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen

     

    Bord

    Omschrijving

    C10

    27615

    Gesloten voor motorvoertuigen met aanhangwagen

     

    Bord

    Omschrijving

    C11

    27616

    Gesloten voor motorfietsen

     

    Bord

    Omschrijving

    C12

    27617

    Gesloten voor alle motorvoertuigen

     

    Bord

    Omschrijving

    C13

    27618

    Gesloten voor bromfietsen, snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen, met in werking zijnde motor

     

    Bord

    Omschrijving

    C14

    27619

    Gesloten voor fietsen en voor gehandicaptenvoertuigen zonder motor

     

    Bord

    Omschrijving

    C15

    27620

    Gesloten voor fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen

     

    Bord

    Omschrijving

    C16

    27621

    Gesloten voor voetgangers

     

    Bord

    Omschrijving

    C17

    27622

    Gesloten voor voertuigen en samenstellen van voertuigen die, met inbegrip van de lading, langer zijn dan op het bord is aangegeven

     

    Bord

    Omschrijving

    C18

    27623

    Gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, breder zijn dan op het bord is aangegeven

     

    Bord

    Omschrijving

    C19

    27624

    Gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, hoger zijn dan op het bord is aangegeven

     

    Bord

    Omschrijving

    C20

    27625

    Gesloten voor voertuigen waarvan de aslast hoger is dan op het bord is aangegeven

     

    Bord

    Omschrijving

    C21

    27626

    Gesloten voor voertuigen en samenstellen van voertuigen, waarvan de totaalmassa hoger is dan op het bord is aangegeven

     

    Bord

    Omschrijving

    C22

    27627

    Gesloten voor voertuigen met bepaalde gevaarlijke stoffen

     

    Bord

    Omschrijving

    C22a

    244282

    Gesloten voor vrachtauto’s die niet voldoen aan de eisen, genoemd in artikel 86d

     

    Bord

    Omschrijving

    C22b

    244283

    Einde geslotenverklaring voor vrachtauto’s die niet voldoen aan de eisen, genoemd in artikel 86d

     

    Bord

    Omschrijving

    C23-01

    53250

    Spitsstrook open

     

    Bord

    Omschrijving

    C23-02

    53251

    Spitsstrook vrijmaken

     

    Bord

    Omschrijving

    C23-03

    53252

    Einde spitsstrook

     

    Hoofdstuk D. Rijrichting

    Bord

    Omschrijving

    D1

    27628

    Rotonde; verplichte rijrichting

     

    Bord

    Omschrijving

    D2

    27629

    Gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft

     

    Bord

    Omschrijving

    D3

    27630

    Bord mag aan beide zijden worden voorbijgegaan

     

    Bord

    Omschrijving

    D4

    27631

    Gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven

     

    Bord

    Omschrijving

    D5

    27632

    Gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven

     

    Bord

    Omschrijving

    D6

    27633

    Gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangegeven

     

    Bord

    Omschrijving

    D7

    27634

    Gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangegeven

     

    Hoofdstuk E. Parkeren en stilstaan

    Bord

    Omschrijving

    E1

    27635

    Parkeerverbod

     

    Bord

    Omschrijving

    E2

    27636

    Verbod stil te staan

     

    Bord

    Omschrijving

    E3

    27637

    Verbod fietsen en bromfietsen te plaatsen

     

    Bord

    Omschrijving

    E4

    27638

    Parkeergelegenheid

     

    Bord

    Omschrijving

    E5

    27639

    Taxistandplaats

     

    Bord

    Omschrijving

    E6

    27640

    Gehandicaptenparkeerplaats

     

    Bord

    Omschrijving

    E7

    27641

    Gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen

     

    Bord

    Omschrijving

    E8

    27642

    Parkeergelegenheid alleen bestemd voor de voertuigcategorie of groep voertuigen die op het bord is aangegeven

     

    Bord

    Omschrijving

    E9

    27643

    Parkeergelegenheid alleen bestemd voor vergunninghouders

     

    Bord

    Omschrijving

    E10

    27644

    Parkeerschijf-zone met verplicht gebruik van parkeerschijf, tevens parkeerverbod indien er langer wordt geparkeerd dan de parkeerduur die op het bord is aangegeven

     

    Bord

    Omschrijving

    E11

    27645

    Einde parkeerschijf-zone met verplicht gebruik van parkeerschijf

     

    Bord

    Omschrijving

    E12

    27646

    Parkeergelegenheid ten behoeve van overstappers op het openbaar vervoer

     

    Bord

    Omschrijving

    E13

    27647

    Parkeergelegenheid ten behoeve van carpoolers

     

    Hoofdstuk F. Overige geboden en verboden

    Bord

    Omschrijving

    F1

    27654

    Verbod voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen

     

    Bord

    Omschrijving

    F2

    27655

    Einde verbod voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen

     

    Bord

    Omschrijving

    F3

    27656

    Verbod voor vrachtauto's om motorvoertuigen in te halen

     

    Bord

    Omschrijving

    F4

    27657

    Einde verbod voor vrachtauto's om motorvoertuigen in te halen

     

    Bord

    Omschrijving

    F5

    27658

    Verbod voor bestuurders door te gaan bij nadering van verkeer uit tegengestrelde richting

     

    Bord

    Omschrijving

    F6

    27659

    Bestuurders uit tegengestelde richting moeten verkeer dat van deze richting nadert voor laten gaan

     

    Bord

    Omschrijving

    F7

    27660

    Keerverbod

     

    Bord

    Omschrijving

    F8

    27661

    Einde van alle door verkeersborden aangegeven verboden

     

    Bord

    Omschrijving

    F9

    27663

    Einde van alle door verkeersborden aangegeven verboden en adviezen op een electronisch signaleringsbord

     

    Bord

    Omschrijving

    F10

    27664

    Stop. In het bord kan worden aangegeven door wie of waarom het bord wordt toegepast

     

    Hoofdstuk G. Verkeersregels

    Bord

    Omschrijving

    G1

    27666

    Autosnelweg

     

    Bord

    Omschrijving

    G2

    27667

    Einde Autosnelweg

     

    Bord

    Omschrijving

    G3

    27668

    Autoweg

     

    Bord

    Omschrijving

    G4

    27670

    Einde autoweg

     

    Bord

    Omschrijving

    G5

    27672

    Erf

     

    Bord

    Omschrijving

    G6

    27673

    Einde erf

     

    Bord

    Omschrijving

    G7

    27675

    Voetpad

     

    Bord

    Omschrijving

    G8

    27677

    Einde voetpad

     

    Bord

    Omschrijving

    G9

    27678

    Ruiterpad

     

    Bord

    Omschrijving

    G10

    27679

    Einde ruiterpad

     

    Bord

    Omschrijving

    G11

    27680

    Verplicht fietspad

     

    Bord

    Omschrijving

    G12

    27681

    Einde verplicht fietspad

     

    Bord

    Omschrijving

    G12a

    29586

    Fiets/bromfietspad

     

    Bord

    Omschrijving

    G12b

    29587

    Einde fiets/bromfietspad

     

    Bord

    Omschrijving

    G13

    27682

    Onverplicht fietspad

     

    Bord

    Omschrijving

    G14

    27684

    Einde onverplicht fietspad

     

    Hoofdstuk H. Bebouwde kom

    Bord

    Omschrijving

    H1

    27685

    Bebouwde kom

     

    Bord

    Omschrijving

    H2

    27686

    Einde bebouwde kom

     

    Hoofdstuk J. Waarschuwing

    Bord

    Omschrijving

    J1

    27688

    Slecht wegdek

     

    Bord

    Omschrijving

    J2

    27689

    Bocht naar rechts

     

    Bord

    Omschrijving

    J3

    27690

    Bocht naar links

     

    Bord

    Omschrijving

    J4

    27691

    S-bocht(en), eerst naar rechts

     

    Bord

    Omschrijving

    J5

    27692

    S-bocht(en), eerst naar links

     

    Bord

    Omschrijving

    J6

    27693

    Steile helling

     

    Bord

    Omschrijving

    J7

    27694

    Gevaarlijke daling

     

    Bord

    Omschrijving

    J8

    27695

    Gevaarlijk kruispunt

     

    Bord

    Omschrijving

    J9

    27697

    Rotonde

     

    Bord

    Omschrijving

    J10

    27698

    Overweg met slagbomen

     

    Bord

    Omschrijving

    J11

    27701

    Overweg zonder slagbomen

     

    Bord

    Omschrijving

    J12

    27702

    Overweg met enkel spoor

     

    Bord

    Omschrijving

    J13

    27703

    Overweg met twee of meer sporen

     

    Bord

    Omschrijving

    J14

    27704

    Tram(kruising)

     

    Bord

    Omschrijving

    J15

    27705

    Beweegbare brug

     

    Bord

    Omschrijving

    J16

    27707

    Werk in uitvoering

     

    Bord

    Omschrijving

    J17

    27708

    Rijbaanversmalling

     

    Bord

    Omschrijving

    J18

    27709

    Rijbaanversmalling rechts

     

    Bord

    Omschrijving

    J19

    27710

    Rijbaanversmalling links

     

    Bord

    Omschrijving

    J20

    27712

    Slipgevaar

     

    Bord

    Omschrijving

    J21

    27713

    Kinderen

     

    Bord

    Omschrijving

    J22

    27715

    Voetgangersoversteekplaats

     

    Bord

    Omschrijving

    J23

    27716

    Voetgangers

     

    Bord

    Omschrijving

    J24

    27718

    Fietsers en bromfietsers

     

    Bord

    Omschrijving

    J25

    27719

    Losliggende stenen

     

    Bord

    Omschrijving

    J26

    27720

    Kade of rivieroever

     

    Bord

    Omschrijving

    J27

    27721

    Groot wild

     

    Bord

    Omschrijving

    J28

    27722

    Vee

     

    Bord

    Omschrijving

    J29

    27723

    Tegenliggers

     

    Bord

    Omschrijving

    J30

    27725

    Laagvliegende vliegtuigen

     

    Bord

    Omschrijving

    J31

    27726

    Zijwind

     

    Bord

    Omschrijving

    J32

    27727

    Verkeerslichten

     

    Bord

    Omschrijving

    J33

    27728

    File

     

    Bord

    Omschrijving

    J34

    53258

    Ongeval

     

    Bord

    Omschrijving

    J35

    27729

    Slecht zicht door sneeuw, regen of mist

     

    Bord

    Omschrijving

    J36

    27730

    IJzel of sneeuw

     

    Bord

    Omschrijving

    J37

    27731

    Gevaar (de aard van het gevaar is aangegeven op het onderbord

     

    Bord

    Omschrijving

    J38

    69760

    Verkeersdrempel

     

    Hoofdstuk K. Bewegwijzering

    Bord

    Omschrijving

    K1

    27732

    Lage beslissingwegwijzer langs autosnelweg voor de doorgaande richting, met interlokale doelen en routenummer autosnelweg

     

    Bord

    Omschrijving

    K2

    27733

    Voorwegwijzer langs autosnelweg voor de afgaande richting, met afstandaanduiding, afritnummer, interlokale doelen (bovenste doel = afritnaam), verwijzing naar vliegveld/luchthaven en routenummer niet-autosnelweg

     
    246893
      

    Bord

    Omschrijving

    K3

    27734

    Beslissingswegwijzer langs autosnelweg voor de afgaande richting naar een verzorginsgsplaats, met de naam van de parkeerplaats en symbolen die de aard van de voorzieningen aangeven

     

    Bord

    Omschrijving

    K4

    27735

    Hoge beslissingswegwijzer langs autosnelweg met rijstrookpaneel voor de doorgaande richting en aftakkingspaneel voor de afgaande richting, met interlokale doelen, routenummers autosnelwegen en Europese hoofdroutes

     
    246894
      

    Bord

    Omschrijving

    K5

    27736

    Voorwegwijzer langs niet-autosnelweg, met interlokale doelen, routenummers, viaductsymbool en aanduiding industrieterrein

     

    Bord

    Omschrijving

    K6

    27737

    Beslissingswegwijzer langs niet-autosnelweg met interlokale doelen en routenummer niet-autosnelweg

     

    Bord

    Omschrijving

    K7

    27738

    Wegwijzer voor fietsers en bromfietsers (handwijzer), met lokaal doel, interlokaal doel, stedelijk fietsroutenummer (boven), en met interlokale doelen en interlokaal fietsroutenummer (onder)

     

    Bord

    Omschrijving

    K8

    27739

    Wegwijzer voor fietsers en bromfietsers (stapelbord), met interlokale doelen en een via een alternatieve route te bereiken doel (cursief)

     

    Bord

    Omschrijving

    K9

    27740

    Omleiding. Maatregel op voorwegwijzer langs niet-autosnelweg

     

    Bord

    Omschrijving

    K10

    27741

    Voorwegwijzer binnen de bebouwde kom met interlokaal doel, lokaal doel, een dagrecreatiecentrum, objecten en stadsroutenummers

     

    Bord

    Omschrijving

    K11

    27742

    Voorsorteren op niet-autosnelweg. Bord met interlokale doelen, routenummers en verwijzing naar autosnelweg

     

    Bord

    Omschrijving

    K12

    27743

    Wijkwegwijzer binnen de bebouwde kom, met wijknamen (in verkeersgebieden)

     

    Bord

    Omschrijving

    K13

    27744

    Wijkwegwijzer binnen de bebouwde kom, met wijknummers (in verkeersgebieden)

     

    Bord

    Omschrijving

    K14

    27745

    Route voor het vervoer van bepaalde gevaarlijke stoffen

     

    Hoofdstuk L. Informatie

    Bord

    Omschrijving

    L1

    27746

    Hoogte onderdoorgang

     

    Bord

    Omschrijving

    L2

    27747

    Voetgangersoversteekplaats

     

    Bord

    Omschrijving

    L3

    248163
    248164

    Bushalte / tramhalte

     

    Bord

    Omschrijving

    L4

    27749

    Voorsorteren

     

    Bord

    Omschrijving

    L5

    27750

    Einde rijstrook

     

    Bord

    Omschrijving

    L6

    27751

    Splitsing

     

    Bord

    Omschrijving

    L7

    27752

    Aantal doorgaande rijstroken

     

    Bord

    Omschrijving

    L8

    27753

    Doodlopende weg

     

    Bord

    Omschrijving

    L9

    27754

    Vooraanduiding doodlopende weg

     

    Bord

    Omschrijving

    L10

    27755

    Vooraanduiding verkeersmaatregel voor de aangegeven richting

     

    Bord

    Omschrijving

    L11

    27756

    Verkeersbord geldt alleen voor de aangegeven rijstrook/rijstroken

     

    Bord

    Omschrijving

    L12

    27757

    Verkeersbord geldt alleen voor de aangegeven rijstrook

     

    Bord

    Omschrijving

    L13

    239092

    verkeerstunnel

     

    Bord

    Omschrijving

    L14

    239093

    Vluchthaven

     

    Bord

    Omschrijving

    L15

    239094

    Vluchthaven voorzien van een noodtelefoon en brandblusapparaat

     

    Bord

    Omschrijving

    L16

    239095

    Noodtelefoon

     

    Bord

    Omschrijving

    L17

    239096

    Brandblusapparaat

     

    Bord

    Omschrijving

    L18

    239097

    Noodtelefoon en brandblusapparaat

     

    Bord

    Omschrijving

    L19

    239098

    Dichtstbijzijnde uitgang of twee dichtstbijzijnde uitgangen in de op het bord aangegeven richting en afstand

     
  • Bijlage 2. Aanwijzingen

    201058
    201059