Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B[Regeling vervallen per 01-04-2010.]

Geldend van 01-03-1993 t/m 31-03-2010

Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op artikel 4 van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties Hinderwet (Stb. 1990, 197);

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-04-2010]

Artikel 1 [Vervallen per 01-04-2010]

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. het besluit:

het besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B;

b. ISO:

International Standard Organisation;

c. DP:

Draft Proposal;

d. NPR:

Nederlandse Praktijk Richtlijn;

e. ASTM:

American Society for Testing and Materials;

f. NEN:

een door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm;

g. NEN-ISO:

een door de International Organization for Standardization opgestelde en door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) als Nederlandse norm aanvaarde en uitgegeven norm.

Artikel 2 [Vervallen per 01-04-2010]

Voor de berekening van de uitworp van een stookinstallatie geldt als het volume van het rookgas: het volume bij een temperatuur van 273 Kelvin en een druk van 101,3 kPa, na aftrek van het volume van het erin aanwezige water, berekend als waterdamp.

Hoofdstuk 2. Controle methoden [Vervallen per 01-04-2010]

§ 1. Meetplaatsen [Vervallen per 01-04-2010]

Artikel 3 [Vervallen per 01-04-2010]

  • 1 Bij stookinstallaties waarbij krachtens het besluit metingen moeten worden uitgevoerd, dienen zodanige voorzieningen te worden aangebracht, dat het uitvoeren van deze metingen op verantwoorde wijze mogelijk is.

  • 2 De voorzieningen bedoeld in het eerste lid, dienen te worden aangebracht na overleg met de vergunningverlener of na overleg met een door de vergunningverlener aan te wijzen instelling.

§ 2. Continue metingen [Vervallen per 01-04-2010]

Artikel 4 [Vervallen per 01-04-2010]

  • 1 De ter controle van een emissie-eis geïnstalleerde monstername- en analyseapparatuur alsmede de apparatuur voor de automatische verwerking van meetresultaten, dient zo spoedig mogelijk nadat de emissie-eis op de stookinstallatie van toepassing is geworden goed te functioneren.

  • 2 De apparatuur als bedoeld in het eerste lid dient zodanig te worden onderhouden, dat het goed functioneren zoveel mogelijk blijft gewaarborgd.

  • 3 Bij een continue meting dient te kunnen worden aangetoond dat zoveel als mogelijk is met goed functionerende apparatuur is gemeten.

  • 4 Het goed functioneren dient door of vanwege de vergunninghouder te kunnen worden aangetoond. Daarbij dient voor de gehaltebepaling:

    • a. van zwaveldioxide de norm ISO/DP 7934,

    • b. van stikstofoxiden de norm NEN 2044,

    • c. van stof de richtlijn NPR 2788,

    te worden toegepast.

Artikel 5 [Vervallen per 01-04-2010]

  • 1 In geval de werking van de apparatuur als bedoeld in artikel 4, eerste lid, gestoord is, dienen:

    • a. onverwijld de nodige maatregelen te worden genomen om aan de storing een einde te maken;

    • b. geen wijzigingen in het gebruik van de stookinstallatie te worden aangebracht, die een substantiële stijging van de uitworp van de te meten verontreinigende stof te weeg kunnen brengen.

  • 2 Indien een storing langer duurt dan 48 uur dient onverwijld de vergunningverlener te worden gewaarschuwd.

Zwaveldioxide [Vervallen per 01-04-2010]

Artikel 6 [Vervallen per 01-04-2010]

De rechtstreekse continue meting van de concentratie aan zwaveldioxide in het rookgas dient te worden uitgevoerd met monstername- en analyse-apparatuur, die voldoet aan de kwaliteitseisen als vermeld in de ontwerpnorm ISO/DP 7935.

Stikstofoxiden [Vervallen per 01-04-2010]

Artikel 7 [Vervallen per 01-04-2010]

De rechtstreekse continue meting van de concentratie aan stikstofoxiden in het rookgas dient te worden uitgevoerd volgens een methode die overeenstemt met de algemeen aanvaarde meetpraktijk.

Artikel 8 [Vervallen per 01-04-2010]

  • 1 Bij toepassing van een methode als bedoeld in artikel 7, kan worden volstaan met het continu meten van de concentratie aan stikstofmonoxide, indien kan worden aangetoond dat het gehalte aan stikstofdioxide kleiner is dan 10 procent van het gehalte aan stikstofoxiden.

  • 2 Het aantonen als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden aan de hand van een meting volgens de norm NEN 2039, of met een andere methode indien daarbij meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen met metingen volgens de norm NEN 2039 en ten minste een gelijke herhaalbaarheid wordt verkregen als met de methode volgens de norm NEN 2039.

  • 3 Bij toepassing van het eerste lid dient de continu gemeten massaconcentratie aan stikstofmonoxide, berekend als stikstofdioxide, verhoudingsgewijs te worden vermeerderd met het bij de metingen, bedoeld in het tweede lid, bepaalde gehalte aan stikstofdioxide.

Artikel 9 [Vervallen per 01-04-2010]

  • 1 Indien de concentratie aan stikstofoxiden in de rookgassen wordt bepaald aan de hand van een uitworpkarakteristiek als bedoeld in voorschrift 10.3.3, onder b, van bijlage I van het besluit, moet de stookinstallatie op zodanige wijze worden gebruikt dat de uitworpkarakteristiek daarop van toepassing is.

  • 2 De uitworpkarakteristiek dient opnieuw te worden bepaald indien er wijzigingen aan de stookinstallatie worden aangebracht die de bestaande uitworpkarakteristiek kunnen beïnvloeden.

  • 3 Bij het vaststellen van de uitworpkarakteristiek dient de concentratie aan stikstofoxiden in de rookgassen te worden gemeten volgens de norm NEN 2044.

  • 4 In afwijking van het derde lid mag de concentratie aan stikstofoxiden in de rookgassen ook worden gemeten volgens de norm NEN 2039, of met een andere methode indien daarbij meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen met metingen volgens de norm NEN 2039 en ten minste een gelijke herhaalbaarheid wordt verkregen als met de methode volgens de norm NEN 2039.

  • 5 Bij toepassing van voorschrift 10.3.3, onder b, van bijlage I van het besluit op een gasturbine of gasturbine-installatie, dient tevens de geïnjecteerde hoeveelheid inert materiaal continu te worden bepaald.

  • 6 Continue meting van een parameter als bedoeld in voorschrift 10.3.3, onder b, van bijlage I van het besluit, dient te worden uitgevoerd volgens een methode die overeenstemt met de algemeen aanvaarde meetpraktijk.

Stof [Vervallen per 01-04-2010]

Artikel 10 [Vervallen per 01-04-2010]

Continue meting voor de bepaling van de concentratie aan stof in het rookgas dient te worden uitgevoerd met een optische rookdichtheidsmeter.

Overige parameters [Vervallen per 01-04-2010]

Artikel 11 [Vervallen per 01-04-2010]

  • 1 Bij een continue meting als bedoeld in de artikelen 6, 7, of 10 dienen tevens alle parameters die noodzakelijk zijn om vast te stellen of aan de van toepassing zijnde emissie-eis is voldaan, continu te worden gemeten.

  • 2 Continue meting van een parameter als bedoeld in het eerste lid, dient te worden uitgevoerd volgens een methode die overeenstemt met de algemeen aanvaarde meetpraktijk.

Registratie en bewerking van meetgegevens [Vervallen per 01-04-2010]

Artikel 12 [Vervallen per 01-04-2010]

  • 1 Bij een continue meting dienen de meetresultaten continu te worden geregistreerd.

  • 2 Tevens dient te worden geregistreerd:

    • a. de voor een component en de voor een parameter toegepaste meetmethode;

    • b. voor zover van toepassing, de vastgestelde uitworpkarakteristiek;

    • c. de bedrijfscondities van de stookinstallaties, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de vaststelling of aan de van toepassing zijnde emissie-eis wordt voldaan.

Artikel 13 [Vervallen per 01-04-2010]

  • 1 Aan de hand van de ingevolge artikel 12 geregistreerde gegevens dient, met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid en betrokken op de werkelijke tijd dat de stookinstallatie in gebruik is, te worden berekend en vervolgens geregistreerd:

    • a. indien voorschrift 10.2.6, 10.3.4 of 10.4.3 van bijlage I van het besluit van toepassing is, van de massaconcentratie aan onderscheidenlijk zwaveldioxide, stikstofoxiden of stof in het rookgas:

      • 1º. elke kalenderdag van de twee voorafgaande kalenderdagen, het 48-uursgemiddelde, en

      • 2º. van elke kalendermaand, het kalendermaandgemiddelde,

    • b. indien voorschrift 10.3.13, onder a, van bijlage I van het besluit van toepassing is, van iedere kalerderdag het 24-uursgemiddelde en indien voorschrift 10.3.13, onder b, van bijlage I van toepassing is, van ieder opeenvolgend half uur het halfuurgemiddelde van de met de rookgassen uitgeworpen hoeveelheid stikstofoxiden, berekend als stikstofdioxide en herleid naar grammen per Gigajoule bij ISO-luchtcondities.

  • 2 De gemiddelde waarden, bedoeld in het eerste lid, onder a, dienen te worden herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof als bepaald in voorschrift 1.1 van bijlage I van het besluit.

  • 3 De gemiddelde waarden bedoeld in het eerste lid, onder a, dienen in klassen te worden ingedeeld en per kalenderjaar als percentielwaarden te worden geregistreerd.

  • 4 De klassen, bedoeld in het derde lid, dienen zodanig te zijn vastgesteld, dat toepassing kan worden gegeven aan voorschrift 10.2.6, 10.3.4 en 10.4.3 van bijlage I van het besluit.

Artikel 14 [Vervallen per 01-04-2010]

  • 1 Voor de herleiding naar ISO-luchtcondities als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder b, dient de volgende formule te worden toegepast:

    Bijlage 123941.png
    E =

    stikstofoxidenuitworp herleid tot ISO-luchtcondities

    Em =

    gemeten stikstofoxidenuitworp

    Pref =

    compressor einddruk (absoluut) onder ISO-luchtcondities

    Pm =

    gemeten compressor einddruk (absoluut)

    Tm =

    inlaatlucht temperatuur (Kelvin)

    xm =

    gemeten vochtgehalte van de inlaatlucht (in kg. water per kg. droge lucht).

  • 2 In afwijking van het eerste lid mag een andere formule worden toegepast indien kan worden aangetoond, dat toepassing daarvan een nauwkeuriger resultaat oplevert dan toepassing van de formule vermeld in het eerste lid.

§ 3. Afzonderlijke metingen [Vervallen per 01-04-2010]

Artikel 15 [Vervallen per 01-04-2010]

  • 1 De afzonderlijke metingen voor de bepaling van de concentraties aan:

    • a. zwaveldioxide dienen te worden uitgevoerd volgens de norm ISO/DP 7934;

    • b. stikstofoxiden dienen te worden uitgevoerd volgens de norm NEN 2044;

    • c. stof dienen te worden uitgevoerd volgens de richtlijn NPR 2788.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onder a en b, mogen de afzonderlijke metingen voor de bepaling van de concentraties aan:

    • a. zwaveldioxide worden uitgevoerd met apparatuur die voldoet aan kwaliteitseisen als vermeld in de ontwerpnorm ISO-DP 7935;

    • b. stikstofoxiden worden uitgevoerd volgens de norm NEN 2039, of met een andere methode indien daarbij meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen met metingen volgens de norm NEN 2039 en ten minste een gelijke herhaalbaarheid wordt verkregen als met de methode volgens de norm NEN 2039.

Artikel 16 [Vervallen per 01-04-2010]

  • 1 Een afzonderlijke meting bestaat uit een serie van ten minste drie metingen.

  • 2 De duur van een meting dient niet meer dan een half uur te bedragen. Wanneer het meettechnisch niet mogelijk is de meting in die tijd uit te voeren mag de meting ten hoogste twee uur bedragen.

  • 3 In afwijking van het tweede lid dienen bij toepassing van de norm NFN 2044 per meting binnen een half uur vier monsters van het rookgas te worden getrokken en van alle monsters de concentratie aan stikstofoxiden te worden bepaald.

  • 4 Bij toepassing van de voorschriften 10.2.12, 10.3.9 of 10.4.9 van bijlage I van het besluit dient een serie van negen metingen te worden verricht.

  • 5 De serie van negen metingen, bedoeld in het vierde lid, dient binnen een periode van een week te worden uitgevoerd. Het tweede en derde lid zijn van toepassing.

Artikel 17 [Vervallen per 01-04-2010]

  • 1 Bij een afzonderlijke meting dienen tevens die parameters te worden bepaald, die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of aan de van toepassing zijnde emissie-eis is voldaan.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag voor de vaststelling van de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas bij een gasturbine, een gasturbine-installatie of een zelfaanzuigende zuigermotor in plaats van de bepaling van de volumehoeveelheid aangezogen lucht het door de leverancier van de stookinstallatie opgegeven luchtverbruik van die stookinstallatie gehanteerd worden.

  • 3 De bepaling van een parameter als bedoeld in het eerste lid, dient te worden uitgevoerd tegelijk met de ingevolge artikel 16, eerste of vierde lid, uit te voeren metingen en met een methode in overeenstemming met de algemeen aanvaarde meetpraktijk. Artikel 16, tweede en derde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18 [Vervallen per 01-04-2010]

  • 1 Bij een gasturbine, een gasturbine-installatie of een zuigermotor dient de gemeten concentratie aan stikstofoxiden in het rookgas te worden herleid op grammen per Gigajoule bij ISO-luchtcondities.

  • 2 Bij ketelinstallaties dienen de op grond van artikel 16 en 17 verkregen meetresultaten te worden herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof als bepaald in voorschrift 1.1 van bijlage I van het besluit.

  • 3 De na toepassing van het eerste of het tweede lid verkregen waarde dient als halfuurgemiddelde te worden berekend en geregistreerd.

Artikel 19 [Vervallen per 01-04-2010]

  • 1 Bij een gasturbine of gasturbineinstallatie is voor de herleiding naar ISO-luchtcondities artikel 14 van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Bij een zuigermotor mag:

    • a. indien tijdens de afzonderlijke meting de temperatuur van de aangezogen lucht lager is dan 288 Kelvin en de vochtigheid van de aangezogen lucht hoger is dan 0,0063 kg water per kg lucht, de gemeten waarde gelijk worden gesteld aan de naar ISO-luchtcondities gecorrigeerde waarde;

    • b. in de andere gevallen dan die bedoeld onder a, 95 procent van de gemeten waarde gelijk worden gesteld aan de naar ISO-luchtcondities gecorrigeerde waarde.

  • 3 In afwijking van het tweede lid mag de herleiding naar ISO-luchtcondities geschieden op een andere wijze, indien kan worden aangetoond dat zulks een nauwkeuriger resultaat oplevert dan toepassing van het bepaalde in het tweede lid.

Artikel 20 [Vervallen per 01-04-2010]

Bij de metingen als bedoeld in het artikel 16, vierde lid, gelden de emissie-eisen als in acht genomen, indien:

  • a. het gemiddelde van de met toepassing van de artikelen 17 en 18 verkregen meetuitkomsten van deze serie in negen metingen lager ligt dan de getalwaarde van de emissie-eis, en

  • b. acht van de negen meetuitkomsten, bedoeld onder a, lager liggen dan de getalwaarde van de emissie-eis.

Artikel 21 [Vervallen per 01-04-2010]

De meetresultaten van de ingevolge de artikelen 16 en 17 uitgevoerde metingen en de bewerking daarvan ingevolge de artikelen 18, 19 en 20 dienen in een rapport te worden vastgelegd. Tevens dient daarin te worden vermeld:

  • a. de voor elke component of parameter toegepaste meetmethode;

  • b. de bedrijfscondities van de stookinstallatie voor zover gegevens daarover noodzakelijk zijn voor de vaststelling of aan de van toepassing zijnde emissie-eis wordt voldaan.

§ 4. Overige bepalingen [Vervallen per 01-04-2010]

Artikel 22 [Vervallen per 01-04-2010]

  • 2 De bepaling van de stookwaarde van een brandstof dient, tenzij het vierde lid wordt toegepast, te geschieden:

    • 1º. bij kolen volgens de norm NEN-ISO 1928;

    • 2º. bij zware stookolie volgens de norm NEN 1884;

    • 3º. bij lichte stookolie en gasolie volgens de methode ASTM D 2382;

    • 4º. bij aardgas volgens de methode ASTM D 1826.

  • 3 Indien voor de stookwaarde van een vloeibare brandstof of van aardgas een in de praktijk gangbare waarde beschikbaar is, mag deze waarde worden gehanteerd.

  • 4 In afwijking van het eerste, tweede en derde lid mogen ook andere methoden worden toegepast, indien kan worden aangetoond dat met deze andere methoden:

    • a. meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen volgens de desbetreffende methode genoemd in het eerste, tweede of derde lid, en

    • b. een gelijke of betere herhaalbaarheid wordt verkregen dan met de betreffende methode genoemd in het eerste, tweede of derde lid.

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen [Vervallen per 01-04-2010]

Artikel 23 [Vervallen per 01-04-2010]

Deze regeling wordt in de Staatscourant bekendgemaakt en treedt in werking op het tijdstip, waarop het Besluit emissie-eisen stookinstallaties Hinderwet in werking treedt.

Artikel 24 [Vervallen per 01-04-2010]

Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B.

's-Gravenhage, 19 juni 1990

De

minister

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. G. M. Alders