Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen[Regeling vervallen per 01-01-2005.]

Geldend van 23-08-2000 t/m 31-12-2004

Besluit van 18 juni 1990, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 60, vierde lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 20 december 1989, Directie Jeugdbescherming en Reclassering, nr. 907 JR 89;

Gelet op artikel 60, vierde lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening;

De Raad van State gehoord (advies van 4 april 1990, nr. W03.89.0723);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 13 juni 1990, Directie Jeugdbescherming en Reclassering, nr. 19278 JR 90;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2005]

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een instelling stelt met inachtneming van de doelstelling waarvoor zij is aanvaard een werkplan vast, dat een beschrijving bevat van de op basis van de doelstelling uit te oefenen functies en werkzaamheden en de toe te passen werkwijze.

  • 2 Het werkplan bevat in ieder geval een beschrijving van:

    • a. de uitgangspunten voor het beleid van de instelling, afgestemd op de problemen en stoornissen van de jeugdigen;

    • b. de personeelsformatie alsmede de wijze waarop de verantwoordelijkheden voor de onderscheiden taken binnen de instelling zijn verdeeld, waarbij wordt aangegeven of en onder welke voorwaarden de instelling gebruik maakt van diensten van personen die anders dan als beroepskracht werkzaam zijn;

    • c. de omvang en inrichting van de accommodatie;

    • d. de wijze van behandeling van klachten;

    • e. de wijze waarop aan de verlening van inzage in en van afschrift van bescheiden uitvoering wordt gegeven;

    • f. hetgeen in het dossier met betrekking tot de jeugdige wordt opgenomen;

    • g. de wijze waarop de samenwerking met daarvoor in aanmerking komende personen, instellingen en instanties in de regio en indien nodig daarbuiten, is georganiseerd.

  • 3 Jaarlijks wordt bezien in hoeverre het werkplan wijziging behoeft.

  • 4 Het werkplan alsmede wijzigingen daarvan worden door de instelling toegezonden aan Onze minister en aan de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2005]

De statuten van de instelling alsmede de daarin aangebrachte wijzigingen, worden terstond aan Onze minister ter kennis gebracht.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Het bestand van personeel in dienst van de instelling en van personen die anderszins bij de instelling als beroepskracht werkzaam zijn, is zowel kwalitatief als kwantitatief afgestemd op de op basis van de doelstelling uit te oefenen functies en werkzaamheden en op de doelgroep.

  • 2 De dagelijkse leiding van de instelling berust bij een beroepskracht.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2005]

De instelling maakt slechts gebruik van diensten van een persoon die anders dan als beroepskracht werkzaam is, indien deze:

  • a. beschikt over voldoende kennis en ervaring benodigd voor de te verrichten werkzaamheden;

  • b. schriftelijk verklaart duurzaam bij de uitvoerder werkzaamheden te zullen verrichten;

  • c. indien dit voor de uitvoering van zijn werkzaamheden noodzakelijk is, een door de instelling aangeboden training volgt;

  • d. zijn werkzaamheden verricht onder verantwoordelijkheid van een daartoe door de uitvoerder aangewezen beroepskracht.

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De accommodatie van de instelling is afgestemd op de op basis van de doelstelling uit te oefenen functies en werkzaamheden en op de doelgroep.

  • 2 Een na de inwerkingtreding van dit besluit te bouwen of ingrijpend te verbouwen accommodatie is toegankelijk voor mensen met een lichamelijke handicap.

  • 3 De spreek- en behandelruimten van een instelling zijn zodanig ingericht, dat de privacy van degenen op wie de hulpverlening betrekking heeft, is gewaarborgd.

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2005]

De instelling is zeven maal vierentwintig uren per week onmiddellijk beschikbaar voor de taakuitoefening overeenkomstig haar doelstelling.

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De instelling stelt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, met betrekking tot iedere jeugdige ten aanzien van wie zij een taak heeft een hulpverleningsplan op, dat is afgestemd op de problemen en stoornissen van de jeugdige. De gezinsvoogdij-instelling stelt dit plan op onder verantwoordelijkheid van degene die verantwoordelijk is voor de opdracht tot hulp en steun.

  • 2 Het hulpverleningsplan bevat in ieder geval:

    • a. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de jeugdige, in relatie tot de korte en lange termijn doelen, met vermelding van de daarbij in te schakelen deskundigen en van evaluatiemomenten alsmede met vermelding van te voeren overleg met daarvoor in aanmerking komende personen of instanties;

    • b. een vermelding van de wijze waarop daarvoor in aanmerking komende leden van het gezin, waaruit de jeugdige afkomstig is, zullen worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren;

    • c. een vermelding van degene die namens de instelling de contactpersoon is voor het geheel van de taakuitoefening.

  • 3 Een hulpverleningsplan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:

    • a. de desbetreffende jeugdige, overeenkomstig zijn beoordelingsvermogen;

    • b. de ouders of voogd, tenzij dit overleg kennelijk schade zal toebrengen aan de jeugdige.

  • 4 Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het hulpverleningsplan. Indien geen overleg is gepleegd wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt.

  • 5 Indien een jeugdige is geplaatst in een voorziening voor jeugdhulpverlening, wordt, voor zover het hulpverleningsplan van die voorziening voorziet in de onderwerpen genoemd in het tweede lid, geen hulpverleningsplan als bedoeld in het eerste lid vastgesteld.

  • 6 De instelling stelt aan het einde van haar taak ten aanzien van de jeugdige een rapport op, waarin beschreven wordt de wijze waarop zij haar taak heeft verricht. Het rapport wordt toegevoegd aan het hulpverleningsplan.

Hoofdstuk II. Voogdij-instellingen [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De taak van de voogdij-instelling omvat de volledige verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van jeugdigen over wie zij de voogdij uitoefent. Daartoe doet zij de jeugdige in voorzieningen van jeugdhulpverlening, dan wel elders verzorgen en opvoeden.

  • 2 De voogdij-instelling draagt zorg voor continuïteit in de persoonlijke contacten met de jeugdige. In geval van beëindiging van de voogdij blijft de instelling desgewenst beschikbaar voor contacten met of begeleiding van de jeugdige.

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2005]

De voogdij-instelling houdt geregeld en behoorlijk toezicht op de jeugdige en op de aan hem bestede zorg. Zij houdt zich op de hoogte van de ontwikkeling van de jeugdige.

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2005]

Indien de voogdij-instelling met natuurlijke of rechtspersonen afspraken maakt over door hen te verrichten taken, worden die werkzaamheden, alsmede de tijd aan de uitvoering daarvan besteed en de wijze van verantwoording schriftelijk vastgelegd.

Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2005]

Een voogdij-instelling belast één of meer beroepskrachten met de werkbegeleiding van andere beroepskrachten en van degenen die niet als beroepskracht werkzaam zijn.

Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De voogdij-instelling bevordert, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten, contact tussen de jeugdige en zijn oorspronkelijk milieu.

  • 2 De voogdij-instelling houdt rekening met het belang dat voor de jeugdige kan zijn gelegen in een overgang van het gezag naar de ouders dan wel, indien het belang van de jeugdige dit eist, naar een pleegouder.

Hoofdstuk III. Gezinsvoogdij-instellingen [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 14 [Vervallen per 01-12-1995]

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Onverminderd de aan de Raad voor de Kinderbescherming toekomende taken en bevoegdheden, voldoet de gezinsvoogdij-instelling aan verzoeken van autoriteiten en instellingen om advies en inlichtingen omtrent een jeugdige die wordt verdacht van een strafbaar feit of op grond daarvan is veroordeeld.

  • 2 De gezinsvoogdij-instelling brengt geregeld verslag uit aan de rechter of andere personen of instellingen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden, over de wijze waarop de jeugdige zich houdt aan de voorwaarden, door de rechter of het openbaar ministerie opgelegd.

  • 3 Indien de jeugdige niet of niet geheel de opgelegde voorwaarden nakomt meldt de gezinsvoogdij-instelling dit onverwijld aan de autoriteit die de voorwaarden heeft opgelegd.

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2005]

Indien de gezinsvoogdij-instelling bij de beëindiging van haar taak nazorg zal verlenen aan jeugdigen, worden de aard en de duur hiervan in overleg met de jeugdige schriftelijk vastgelegd.

Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Indien de gezinsvoogdij-instelling begeleiding geeft in verband met vrij patronaat, doet zij dit met inzet van een patroon, aan wie zij leiding en bijstand geeft.

  • 2 De gezinsvoogdij-instelling voldoet aan opdrachten van de daartoe bevoegde autoriteiten tot het verlenen van hulp en steun ten behoeve van jeugdigen die worden verdacht van of zijn veroordeeld wegens een strafbaar feit en ten aanzien van wie op grond van bepalingen in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering voorwaarden zijn gesteld.

Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De gezinsvoogdij-instelling draagt zorg dat een voldoende aantal personen in staat en bereid is als patroon, gezinsvoogd of toezichthouder op te treden.

  • 2 De gezinsvoogdij-instelling wijst zo spoedig mogelijk nadat de minderjarige ingevolge artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek onder haar toezicht is gesteld een gezinsvoogd aan. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan aan de betrokken ouder en minderjarige.

  • 3 In de mededeling, bedoeld in het tweede lid, wordt tevens opgenomen:

    • a. de aanduiding van de functionaris die de gezinsvoogd bij afwezigheid vervangt;

    • b. de wijze waarop geklaagd kan worden over het optreden van de gezinsvoogd of diens vervanger;

    • c. de wijze waarop een verzoek als bedoeld in artikel 260, eerste lid, en artikel 263, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek moet worden gedaan;

    • d. de wijze waarop beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing van de gezinsvoogdij-instelling.

  • 4 In geval van verschil van mening tussen de gezinsvoogd en een ouder in zaken betreffende de uitvoering van de ondertoezichtstelling kan de ouder zich tot de ondertoezichtstelling-instelling wenden. Deze kan, zo nodig, een andere gezinsvoogd aanwijzen.

Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2005]

De gezinsvoogdij-instelling bevordert dat afspraken worden gemaakt over de toegang tot politiebureaus en justitiële jeugdinrichtingen inzake aldaar door patroons, gezinsvoogden en toezichthouders te brengen bezoeken aan jeugdigen die worden verdacht van of zijn veroordeeld wegens een strafbaar feit.

Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De gezinsvoogdij-instelling kan aan een natuurlijk persoon, die zich als vrijwilliger aanbiedt om als gezinsvoogd op te treden, verzoeken andere werkzaamheden te verrichten die binnen de doelstelling van de rechtspersoon vallen.

  • 2 Zodanig verzoek kan betrekking hebben op het verlenen van hulp en steun, rechtsbijstand uitgezonderd, aan jeugdigen die worden verdacht van of zijn veroordeeld wegens een strafbaar feit.

  • 3 De gezinsvoogdij-instelling kan, indien hierin niet anders kan worden voorzien, met instemming van de rechter dan wel de officier van justitie, met natuurlijke personen op grond van hun bijzondere deskundigheid afspraken maken over het verzorgen van de voorlichting van deze autoriteiten over bepaalde jeugdigen. De wijze waarop aan het verzorgen van deze voorlichting wordt voldaan, wordt schriftelijk vastgelegd.

Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2005]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1990.

Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2005]

Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

’s-Gravenhage, 18 juni 1990

Beatrix

De Staatssecretaris van Justitie,

A. Kosto

Uitgegeven de twaalfde juli 1990

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin