KruimelpadGeldend op 09-02-2012
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 maart 1989, nr. WDB89/106, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;
Gelet op de artikelen 25, derde lid, 28, tweede lid, en 36, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 (Stb. 221);
De Raad van State gehoord (advies van 19 juli 1989, nr. W06.89 0153);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 18 mei 1990, nr. WDB 90/273, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 15, 28, 36 en 36b van de Invorderingswet 1990.
2.Dit besluit verstaat hierna onder wet: de Invorderingswet 1990.
Artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet vindt toepassing:
a. met betrekking tot een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid, van de wet, ingeval een dwangbevel terstond na het opleggen van die aanslag wordt uitgevaardigd;
b. in situaties als bedoeld in artikel 10 van de wet indien in het kader van een actie gericht op de toepassing en handhaving van de wet of de belastingwet, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, op de uren en dagen, bedoeld in artikel 64, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:
1°. bekend wordt dat een belastingaanslag aan de belastingschuldige wordt opgelegd ter zake waarvan terstond een dwangbevel wordt uitgevaardigd, of
2°. een vermogensbestanddeel van de belastingschuldige aan wie reeds een dwangbevel is betekend, wordt aangetroffen.
1. Invorderingsrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn. Voor de toepassing van de eerste volzin blijft artikel 10 van de wet buiten toepassing.
2. Voor de toepassing van artikel 28, eerste lid, van de wet eindigt het tijdvak waarover invorderingsrente wordt berekend op de dag voorafgaand aan die van de betaling.
3. Voor de toepassing van artikel 28, vierde lid, van de wet eindigt het tijdvak waarover invorderingsrente wordt berekend op de dag van de dagtekening van het afschrift van de uitspraak of op de dag van de dagtekening van de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt.
4. Indien het krachtens artikel 25, vijfde, zesde of achtste lid, van de wet verleende uitstel wordt beëindigd, wordt, in afwijking van het eerste lid, invorderingsrente berekend met ingang van de dag waarop zes weken zijn verstreken na de eerste dag van het jaar volgend op het jaar waarin zich de handeling of gebeurtenis voordoet op grond waarvan het uitstel wordt beëindigd.
5. Indien het krachtens artikel 25, negende, elfde of zeventiende tot en met negentiende lid, van de wet verleende uitstel wordt beëindigd, wordt, in afwijking van het eerste lid, invorderingsrente berekend met ingang van de dag volgende op de dag waarop zich de omstandigheid voordoet op grond waarvan het uitstel wordt beëindigd.
1.De mededeling, bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de wet, wordt gedaan uiterlijk twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of voldaan ingevolge artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 89, tweede, derde of vierde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag of artikel 21 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten.
2.In geval van betalingsonmacht ter zake van een naheffingsaanslag die is opgelegd vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke overeenkomstig de aangifte is dan wel had moeten worden afgedragen of voldaan, kan, voor zover die omstandigheid niet is te wijten aan opzet of grove schuld van het lichaam, in afwijking van het eerste lid, de mededeling worden gedaan uiterlijk twee weken na de vervaldag van die aanslag.
3.Bij de mededeling wordt inzicht gegeven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de verschuldigde belasting niet op aangifte is afgedragen of voldaan of niet is betaald.
1.De mededeling bedoeld in artikel 36b, tweede lid, in verbinding met artikel 36, tweede lid, van de wet wordt gedaan uiterlijk twee weken na de dag waarop ingevolge de in artikel 49, eerste lid, tweede volzin, bedoelde beschikking de aansprakelijkheidsschuld had moeten zijn voldaan.
2.Bij de mededeling wordt inzicht gegeven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de aansprakelijkheidsschuld niet is voldaan.
Het lichaam dat de mededeling, bedoeld in artikel 7 of artikel 7a, doet, is gehouden aan de ontvanger:
a. de door deze gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken die voor de vaststelling van de oorzaak van de betalingsonmacht, of voor de bepaling van de financiële positie van het lichaam van belang kunnen zijn;
b. boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de ontvanger - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de oorzaak van de betalingsonmacht, of voor de bepaling van de financiële positie van het lichaam, desgevraagd voor dit doel beschikbaar te stellen.
1.Aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 8, dient binnen een door de ontvanger te stellen redelijke termijn te worden voldaan.
2.De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze, zulks ter keuze van de ontvanger.
3.Toegelaten moet worden, dat kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Beatrix
De Staatssecretaris van Financiën,
M. J. J. van Amelsvoort
De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin