Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit rechtspositie en bezoldiging voorzitter en leden van Commissariaat voor de Media[Regeling vervallen per 01-01-2009.]

Geldend van 01-07-2007 t/m 31-12-2008

Besluit van 31 oktober 1989, houdende regels over de rechtspositie en de bezoldiging van de voorzitter en de leden van het Commissariaat voor de Media en van zijn personeel alsmede van de voorzitter en de leden van het bestuur van het Bedrijfsfonds voor de Pers en zijn personeel

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 29 mei 1989, MLB/J/OP/U-140 I;

Gelet op artikel 10, vijfde lid en artikel 124, vijfde lid van de Mediawet (Stb. 1987, 249); artikel 125 van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 1929, 530);

De Raad van State gehoord (advies van 29 augustus 1989, no. W13.89.0307);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 18 oktober 1989, MLB/J/OP-927 I;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2009]

Het college van commissarissen van het Commissariaat voor de Media alsmede het bestuur van het Stimuleringsfonds voor de pers stellen een rechtspositieregeling ten behoeve van het personeel vast, die gelijkwaardig is aan de op de Rijksambtenaren van toepassing zijnde regelingen, voor zover daarvan niet in dit besluit wordt afgeweken.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2009]

Het college van commissarissen van het Commissariaat voor de Media en het bestuur van het Stimuleringsfonds voor de pers benoemen en ontslaan het personeel van respectievelijk het Commissariaat voor de Media en het Stimuleringsfonds voor de pers.

Hoofdstuk 2. Rechtspositie en bezoldiging van voorzitter, leden en personeel van het Commissariaat voor de Media [Vervallen per 01-01-2009]

§ 2.1. Bezoldiging en verdere rechtspositie van de leden van het Commissariaat voor de Media [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2009]

  • 2 Bij ministeriële regeling wordt, na overleg met de leden van het Commissariaat, de gemiddelde arbeidsduur per week over de periode van een jaar, tot ten hoogste 36 uur per week, vastgesteld. Indien de gemiddelde arbeidsduur op minder dan een volledige werkweek wordt vastgesteld, wordt de bezoldiging, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid vastgesteld.

  • 3 De bezoldiging van de leden wordt in maandelijkse termijnen betaald en wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van hun overlijden.

  • 8 Het Commissariaat regelt de overige vergoedingen van kosten van de leden die verband houden met de uitoefening van hun functie. Deze regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2009]

  • 1 In geval van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte ontvangen de leden van het Commissariaat voor de Media volledige doorbetaling van hun bezoldiging tot aan het tijdstip van toekenning van een invaliditeitspensioen op grond van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds Abp, met dien verstande dat de doorbetaling in ieder geval eindigt op de dag waarop de benoemingstermijn eindigt.

  • 2 Aanspraken op uitkeringen in verband met arbeidsongeschiktheid wegens ziekte op grond van enige sociale verzekeringswet worden in mindering gebracht op de doorbetaling van de bezoldiging.

Artikel 4a [Vervallen per 01-01-2009]

  • 1 Indien een lid van het Commissariaat na ommekomst van de benoemingstermijn niet wordt herbenoemd, heeft hij aanspraak op een uitkering overeenkomstig de volgende leden.

  • 2 De uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt toegekend voor een periode gelijk aan het tijdvak waarin betrokkene zonder onderbreking als lid van het Commissariaat heeft gefungeerd, met dien verstande dat de uitkering in ieder geval eindigt met ingang van de dag waarop betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt of met ingang van de dag volgende op die waarop betrokkene is overleden.

  • 3 De uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt niet toegekend indien betrokkene op eigen verzoek niet als lid van het Commissariaat wordt herbenoemd of herbenoeming weigert.

  • 4 De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als lid van het Commissariaat genoten bruto bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering.

  • 5 Indien in de bezoldiging van het rijkspersoneel een wijziging wordt aangebracht, wordt de in het vierde lid bedoelde laatstelijk genoten bezoldiging voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van ingang van de bezoldigingswijziging overeenkomstig aangepast.

  • 6 Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die niet reeds werden genoten tijdens de uitoefening van de functie, worden met de uitkering verrekend. Deze verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bruto-bezoldiging en de vakantie-uitkering, waarvan de uitkering is afgeleid, met een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage of meer overschrijdt.

Artikel 4b [Vervallen per 01-01-2009]

Het Commissariaat voor de Media is belast met de uitvoering van de artikelen 3 tot en met 4a. De daaruit voortvloeiende kosten van bezoldiging, uitkeringen en vergoedingen komen ten laste van het Commissariaat.

§ 2.2. Overige rechten en verplichtingen van de leden van het Commissariaat voor de Media [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2009]

  • 1 Het is de leden van het Commissariaat voor de Media bij de uitoefening van hun functie verboden vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen.

  • 2 De leden van het Commissariaat melden terstond aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de nevenfuncties die zij vervullen bij de aanvang van de uitoefening van hun functie of die zij tijdens de uitoefening van hun functie aanvaarden of beëindigen. Zij doen desgevraagd aan genoemde minister schriftelijk opgave van de aan die nevenfuncties verbonden beloningen.

§ 2.3. Overgangsbepalingen met betrekking tot het personeel van het Commissariaat voor de Media [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2009]

Voor het personeel afkomstig van het bureau van de Regeringscommissaris voor de Omroep geldt aanvullend:

  • 1. Het aantal vakantiedagen plus de zogenaamde vergrijzingsdagen, waarop zij op 31 december 1987 recht hadden, wordt ongewijzigd gehandhaafd met dien verstande dat dit aantal dagen nimmer minder zal zijn dan dat waarop ingevolge het Algemeen Rijksambtenarenreglement aanspraak bestaat.

  • 2. Degenen die op 31 december 1987 arbeidsongeschikt waren behouden hun rechten op doorbetaling van salaris bij ziekte op grond van de voor hen op dat moment geldende regeling.

  • 3. Degenen die op 31 december 1987 op grond van de dan geldende studiekostenregeling een studie volgden, houden hun rechten op vergoeding op grond van die regeling en uitsluitend voor de reeds aangevangen studie.

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2009]

Diensttijd doorgebracht bij het bureau van de Regeringscommissaris voor de Omroep en de Nederlandse Omroep Stichting, wordt beschouwd als diensttijd doorgebracht bij het Commissariaat voor de Media voor degenen, die direct aansluitend op hun dienstverband bij het bureau van de Regeringscommissaris voor de Omroep en de Nederlandse Omroep Stichting in dienst treden bij het Commissariaat voor de Media.

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2009]

  • 2 De inschaling in de salaristabel als bedoeld in bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geschiedt zodanig dat:

    • a. degene die met behoud van functie en/of schaal overgaat en die bovendien werd bezoldigd volgens dit besluit, hetzelfde salarisnummer behoudt;

    • b. degene die met behoud van functie en/of schaal overgaat het salarisnummer krijgt behorende bij het bruto salaris dat het dichtst bij en niet lager dan zijn laatstverdiende bruto salaris ligt;

    • c. voor degene die een andere functie en schaal krijgt, zijn laatstverdiende bruto salaris de ondergrens voor herinschaling vormt.

  • 3 Schriftelijke toezeggingen met betrekking tot de inschaling en bevordering, welke door of namens het bevoegd gezag voor de overgang zijn gedaan, worden gehonoreerd.

  • 4 Indien bij het in het eerste lid bedoelde salarisnummer een hoger bedrag hoort dan het maximum van de salarisschaal waarop betrokkene wordt ingeschaald, wordt het verschil tussen die twee salarisnummers in de vorm van een persoonsgebonden toelage uitgekeerd.

Hoofdstuk 3. Bezoldiging en verdere rechtspositie van de leden van het bestuur van het Stimuleringsfonds voor de pers [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2009]

  • 2 Bij ministeriële regeling wordt, na overleg met de leden van het bestuur van het Stimuleringsfonds, de gemiddelde arbeidsduur over de periode van een jaar, tot ten hoogste 36 uur per week, vastgesteld. Indien de gemiddelde arbeidsduur op minder dan een volledige werkweek wordt vastgesteld, wordt de bezoldiging, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid vastgesteld.

  • 3 De bezoldiging van de leden van het bestuur wordt in maandelijkse termijnen betaald en wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van hun overlijden.

  • 7 Het Stimuleringsfonds regelt de overige vergoedingen van de leden van het bestuur voor kosten die verband houden met de uitoefening van hun functie. Deze regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2009]

Het Stimuleringsfonds voor de pers is belast met de uitvoering van artikel 9. De daaruit voortvloeiende kosten van bezoldiging, uitkeringen en vergoedingen komen ten laste van het Stimuleringsfonds.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende bijlagen en nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

's-Gravenhage, 31 oktober 1989

Beatrix

De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

L. C. Brinkman

Uitgegeven de zestiende november 1989

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin