Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Wet op de jeugdhulpverlening[Regeling vervallen per 01-01-2005.]

Geldend van 01-06-2003 t/m 31-12-2004

Wet van 8 augustus 1989, houdende regelen ten aanzien van de jeugdhulpverlening

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de totstandkoming te bevorderen van een samenhangend aanbod van jeugdhulpverlening van goede kwaliteit en afgestemd op de behoefte en daartoe een uniforme regeling te treffen inzake de planning en begrotingsfinanciering van voorzieningen van jeugdhulpverlening en de daarop betrekking hebbende steunfuncties, de bevoegdheden van de onderscheiden overheden terzake te regelen, alsmede de Beginselenwet voor de kinderbescherming in te trekken en enige andere wetten te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. Onze ministers: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Justitie;

    • b. jeugdige: een persoon die:

      • 1°. de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt,

      • 2°. de meerderjarigheidsleeftijd heeft bereikt en ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of

      • 3°. de meerderjarigheidsleeftijd, doch nog niet de leeftijd van drieëntwintig jaren heeft bereikt, en voor wie voortzetting van jeugdhulpverlening, die was aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd, noodzakelijk is, voor wie, na beëindiging van jeugdhulpverlening die was aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd, binnen een termijn van een half jaar hervatting van jeugdhulpverlening noodzakelijk is;

      • 4°. de meerderjarigheidsleeftijd, doch nog niet de leeftijd van drieëntwintig jaren heeft bereikt, en voor wie hulpverlening, anders dan bedoeld onder 3°, door een voorziening van ambulante hulpverlening noodzakelijk is of voor wie, met inachtneming van artikel 25, hulpverlening door een voorziening van residentiële of semi-residentiële hulpverlening noodzakelijk is;

    • c. jeugdhulpverlening: activiteiten gericht op het bij jeugdigen voorkomen, verminderen of opheffen van problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig kunnen beïnvloeden;

    • d. voorziening: een aanbod van jeugdhulpverlening;

    • e. steunfunctie: een aanbod van ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van jeugdhulpverlening;

    • f. experiment: het in of ten behoeve van voorzieningen ontwikkelen en in de praktijk beproeven van nieuwe en het verbeteren van bestaande methoden, werkvormen of hulpmiddelen;

    • g. uitvoerder: degene die een voorziening in stand houdt;

    • h. pleeggezin: een gezin van anderen dan de ouders of stiefouder van een jeugdige waarin de jeugdige wordt verzorgd en opgevoed;

    • i. voogdij-instelling: een op grond van artikel 60, eerste lid, onder a, als zodanig aanvaarde rechtspersoon;

    • j . gezinsvoogdij-instelling: een op grond van artikel 60, eerste lid, onder b, als zodanig aanvaarde rechtspersoon;

    • k. instelling: een voogdij- of een gezinsvoogdij-instelling;

    • l. inrichting: een voorziening als bedoeld in artikel 65;

    • m. rijksinrichting: een inrichting die door Onze Minister van Justitie in stand wordt gehouden;

    • n. particuliere inrichting: een inrichting die door Onze Minister van Justitie wordt gesubsidieerd;

    • o. plaatsende instantie: een instantie als bedoeld in artikel 27;

    • p. regio: een regio als bedoeld in artikel 4;

    • q. samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 14;

    • r. jeugdhulpadviesteam: een team als bedoeld in hoofdstuk III;

    • s. beroepskracht: degene die op grond van een overeenkomst of aanstelling tegen een beloning werkzaam is;

    • t. maatregel van justitiële kinderbescherming: een beslissing van de rechter of van de officier van justitie als bedoeld in boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of de vijfde afdeling van de zesde titel van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waardoor een ouder of voogd, - anders dan in verband met beëindiging van het huwelijk of scheiding van tafel en bed - in zijn gezag over een jeugdige wordt beperkt of dit gezag aan hem wordt ontnomen, alsmede de beslissingen genomen in verband met een zodanige beslissing en voorts de straffen en maatregelen, bedoeld in artikel 77h van het Wetboek van Strafrecht;

    • u. Riagg: een instelling die als zodanig is toegelaten op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

    • v. verwerken van persoonsgegevens: verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet bescherming persoonsgegevens.

    • v. cliëntenvertrouwenspersoon: persoon die bij een voorziening of instelling werkzaam is om, onafhankelijk van het bestuur en van personen in dienst van de uitvoerder of de instelling aan jeugdigen op hun verzoek advies en bijstand te verlenen in aangelegenheden samenhangend met de aan hen geboden hulpverlening.

  • 2 De jeugdhulpverlening wordt onderscheiden in de volgende typen:

    • a. pleegzorg: hulpverlening bestaande uit het bieden van opneming in een pleeggezin en de daarmee verband houdende begeleiding van pleegkinderen, pleegouders, ouders en stiefouders;

    • b. residentiële hulpverlening: hulpverlening waarbij een jeugdige wordt opgenomen in een tehuis waarin dag en nacht hulp wordt geboden;

    • c. semi-residentiële hulpverlening: hulpverlening waarbij een jeugdige regelmatig gedurende een deel van een etmaal in een daartoe bestemde inrichting verblijft;

    • d. ambulante hulpverlening: hulpverlening, anders dan bedoeld onder a, b of c.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met betrekking tot de taak en de bevoegdheid van de cliëntenvertrouwenspersoon.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Deze wet is van toepassing op de beleidsvorming en de uitvoering en subsidiëring van voorzieningen, behorende tot een van de in de bijlage bij deze wet opgenomen categorieën, alsmede op steunfuncties.

  • 2 De voorzieningen behoren, overeenkomstig het bepaalde in de bijlage, tot de primaire, secundaire of tertiaire hulpverlening.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De steunfuncties, alsmede de voorzieningen van tertiaire hulpverlening en de voorzieningen van secundaire hulpverlening, die in verband met de spreiding van de doelgroep gericht zijn op jeugdigen uit het hele land of grote delen daarvan, verder te noemen: landelijke voorzieningen, behoren tot de bemoeiing van het Rijk.

  • 2 De overige voorzieningen, verder te noemen: regionale voorzieningen, behoren onverminderd het derde lid, tot de bemoeiing van de provincies.

  • 3 Een regionale voorziening die voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet, kan, mits de overheid tot wier bemoeiing de voorziening behoort, heeft verklaard dat de voorziening past in het plan, worden gesubsidieerd door een gemeente.

Artikel 3a [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan aan landelijke voorzieningen en steunfuncties subsidie verstrekken in de kosten van jeugdhulpverlening en subsidie ter bestrijding van de financiële gevolgen van een vermindering van de subsidie of de capaciteit dan wel de beëindiging van de subsidiëring.

  • 2 Provinciale Staten kunnen aan regionale voorzieningen en aan samenwerkingsverbanden subsidie verstrekken in de kosten van jeugdhulpverlening en subsidie ter bestrijding van de financiële gevolgen van een vermindering van de subsidie of de capaciteit dan wel de beëindiging van de subsidiëring.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De provinciale besturen wijzen gebieden aan die voor de toepassing van deze wet als regio worden aangemerkt en die samenvallen met één of meer samenwerkingsgebieden als bedoeld in artikel 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Stb. 1984, 699).

  • 2 Indien de desbetreffende provinciale besturen de bevoegdheden inzake de uitvoering van hun taken in het kader van de jeugdhulpverlening op grond van artikel 20 van de Kaderwet bestuur in verandering hebben overgedragen aan het bestuur van een regionaal openbaar lichaam van het samenwerkingsgebied waarvan de gemeente Amsterdam, Rotterdam onderscheidenlijk 's-Gravenhage deel uitmaakt, wordt dat samenwerkingsgebied voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een provincie.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 27, 35, 37, 41a, 41b, 41c en 56 geschiedt door Onze Ministers.

  • 2 De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 60 en 61 geschiedt door Onze Minister van Justitie. De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 66, 67, 68 en 69 geschiedt door Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

  • 3 De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van deze wet, behoudens die, bedoeld in de artikelen 61, 65 en 84, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is geplaatst en aan ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de plaatsing is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Ministers te brengen. Gelijktijdig met de plaatsing wordt het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd.

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2005]

Bij de beleidsvorming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de pluriformiteit van de samenleving en worden met inachtneming van waarborgen voor deugdelijkheid, doelmatigheid en democratisch functioneren eigen initiatief en verantwoordelijkheid van de burgers bevorderd.

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Onze ministers brengen jaarlijks, uiterlijk tegelijk met de indiening van de voorstellen van wet houdende vaststelling van de hoofdstukken van de begroting van de uitgaven van het Rijk, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal verslag uit van de ontwikkelingen op het terrein van de jeugdhulpverlening. Eenmaal in de vijf jaren wordt het verslag, bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht, hierin opgenomen.

  • 2 Het verslag bevat in ieder geval

    • a. gegevens inzake de uitvoering van het plan;

    • b. een overzicht van de kosten van de jeugdhulpverlening in het afgelopen kalenderjaar en van de bronnen waaruit deze zijn bestreden.

  • 3 Het verslag bevat bovendien voor de onderscheiden regio’s een overzicht van de kosten van de Riagg’s voor zover het hun werkzaamheden voor jeugdigen betreft.

Hoofdstuk II. Planning [Vervallen per 01-01-2005]

§ 1. Rijksplanning [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Onze ministers stellen jaarlijks telkens voor vier jaren een plan vast ten aanzien van de jeugdhulpverlening. Het plan voorziet in een patroon van steunfuncties en landelijke voorzieningen dat zo goed mogelijk aansluit bij de behoeften. Het plan voorziet in ieder geval in een genoegzaam aanbod van jeugdhulpverlening ten behoeve van jeugdigen ten aanzien van wie een maatregel van justitiële kinderbescherming is toegepast. Het bepaalde in de voorgaande volzin geldt eveneens ten aanzien van jeugdigen voor wie voortzetting van hulp als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, 3°, noodzakelijk is. Voor zover het plan de voorzieningen, bedoeld in hoofdstuk XIV, betreft, wordt dit vastgesteld door Onze Minister van Justitie.

  • 2 In het plan worden voor het eerste jaar waarop het betrekking heeft, opgenomen:

    • a. de steunfuncties en landelijke voorzieningen die in dat jaar voor subsidiëring in aanmerking komen dan wel door het Rijk in stand zullen worden gehouden, wie een steunfunctie of landelijke voorziening zal uitvoeren, alsmede het subsidiebedrag dat ten hoogste verstrekt kan worden en in voorkomende gevallen de maximale capaciteit;

    • b. het subsidieplafond of de subsidieplafonds voor de uitvoering van experimenten dan wel het bedrag ten laste waarvan een of meerdere subsidieplafonds kunnen worden vastgesteld alsmede de subsidiebedragen voor de onderscheiden experimenten die in dat jaar worden uitgevoerd en waarvoor reeds subsidie is verleend.

  • 3 In het plan worden de bedragen aangegeven die voor het tweede jaar waarop het plan betrekking heeft aan de provincies beschikbaar zullen worden gesteld voor de subsidiëring van regionale voorzieningen, de provinciale klachtencommissie, bedoeld in artikel 49, en cliëntenvertrouwenspersonen, alsmede de bedragen voor de subsidiëring van samenwerkingsverbanden een en ander voor zover de wetgever de nodige gelden beschikbaar stelt.

  • 4 Het plan vermeldt bovendien:

    • a. de wijzigingen die het Rijk in het tweede, derde en vierde jaar voornemens is aan te brengen in het beleid met betrekking tot de steunfuncties en met betrekking tot de functies, capaciteit, samenhang en spreiding van landelijke voorzieningen, onder vermelding van de financiële gevolgen ervan;

    • b. de bedragen die het Rijk voornemens is voor het derde en vierde jaar aan de provincies beschikbaar te stellen voor de subsidiëring van de regionale voorzieningen, samenwerkingsverbanden, de provinciale klachtencommissie en cliëntenvertrouwenspersonen.

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Het plan wordt niet vastgesteld dan nadat over de onderdelen van het plan, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onder b, met de provincies en over het onderdeel van het plan, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onder a, met de naar het oordeel van Onze ministers representatieve vertegenwoordigers van steunfuncties en landelijke voorzieningen overleg is gevoerd.

  • 2 De bekendmaking van het plan geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. Van het plan wordt mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan de beide kamers der Staten-Generaal.

§ 2. Provinciale planning [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Provinciale staten stellen jaarlijks telkens voor vier jaren een plan vast ten aanzien van de regionale voorzieningen.

  • 2 Het plan voorziet voor elke regio in een patroon van voorzieningen, dat zo goed mogelijk aansluit bij de behoeften en dat evenwichtig is opgebouwd uit hulpverlening van de typen, genoemd in artikel 1, tweede lid. Het plan voorziet in ieder geval in een genoegzaam aanbod van jeugdhulpverlening ten behoeve van jeugdigen ten aanzien van wie een maatregel van justitiële kinderbescherming is toegepast. Het bepaalde in de voorgaande volzin geldt eveneens ten aanzien van jeugdigen voor wie voortzetting van hulp als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, 3°, noodzakelijk is. Voorts voorziet het plan er in ieder geval in dat in de provincie één of meer advies- en meldpunten kindermishandeling, als bedoeld in artikel 34a, werkzaam zijn. Onze ministers kunnen in verband met de tweede, derde en vierde volzin richtlijnen geven omtrent de inhoud van het provinciale plan.

  • 3 In het plan worden voor het eerste jaar waarop het betrekking heeft voor de onderscheiden regio’s opgenomen:

    • a. de regionale voorzieningen die in dat jaar voor subsidiëring in aanmerking komen dan wel door de provincie in stand zullen worden gehouden, wie een voorziening zal uitvoeren, alsmede het subsidiebedrag dat ten hoogste verstrekt kan worden en in voorkomende gevallen de maximale capaciteit;

    • b. de subsidies die dat jaar verstrekt zullen worden aan de onderscheiden samenwerkingsverbanden.

  • 4 In het plan wordt voorts voor het eerste jaar waarop het betrekking heeft het bedrag opgenomen dat in dat jaar beschikbaar zal worden gesteld aan de provinciale klachtencommissie, bedoeld in artikel 49 en het bedrag dat beschikbaar zal worden gesteld voor cliëntenvertrouwenspersonen.

  • 5 Het plan vermeldt bovendien voor het tweede, derde en vierde jaar de wijzigingen die de provincie voornemens is aan te brengen in het beleid met betrekking tot de functies, capaciteit, samenhang en spreiding van de regionale voorzieningen, onder vermelding van de financiële gevolgen ervan.

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Provinciale staten stellen een verordening vast, waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en in de provincie werkzame uitvoerders worden betrokken bij de voorbereiding van het beleid ten aanzien van de regionale voorzieningen.

  • 2 In deze verordening worden tenminste geregeld:

    • a. de wijze waarop beleidsvoornemens worden openbaar gemaakt;

    • b. de wijze waarop ingezetenen en in de provincie werkzame uitvoerders in staat worden gesteld hun mening over de beleidsvoornemens kenbaar te maken;

    • c. de wijze waarop met in de provincie werkzame uitvoerders overleg wordt gevoerd over de beleidsvoornemens;

    • d. de rapportering over de onder b bedoelde inspraak en het onder c bedoelde overleg en de uitkomsten daarvan;

    • e. de wijze waarop ingezetenen en in de provincie werkzame uitvoerders in de gelegenheid worden gesteld hun beklag te doen over de uitvoering van de verordening.

Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2005]

Gedeputeerde staten zenden jaarlijks vóór 1 juli aan Onze ministers een overzicht van de kosten van de regionale voorzieningen en de samenwerkingsverbanden in de onderscheiden regio’s over het afgelopen kalenderjaar.

Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 2 De uitkering bedraagt de som van de in artikel 8, derde lid, bedoelde voor de provincie vastgestelde bedragen.

  • 3 Indien de provinciale jaarrekening met bijbehorende accountantsverslag blijk geeft van onzekerheden omtrent de besteding van de uitkering dan wel van onrechtmatigheden in de besteding van de uitkering, stelt het provinciaal bestuur Onze Ministers zo spoedig mogelijk schriftelijk daarvan in kennis.

  • 4 Het provinciaal bestuur geeft in het geval, bedoeld in het derde lid, aan op welke wijze het voornemens is de onzekerheden op te heffen dan wel in een rechtmatige besteding van de uitkering te voorzien. Onze Ministers kunnen in verband daarmee tot verrekening overgaan.

Hoofdstuk III. Samenwerking [Vervallen per 01-01-2005]

§ 1. Het samenwerkingsverband [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 In elke regio is er een samenwerkingsverband waarin de in de regio werkzame, rechtspersoonlijkheid bezittende uitvoerders, alsmede Riagg's, voor zover het hun werkzaamheden voor jeugdigen betreft, samenwerken.

  • 2 Het samenwerkingsverband is rechtspersoon. Per categorie van voorzieningen benoemen de uitvoerders één bestuurslid en diens plaatsvervanger. De Riagg’s benoemen eveneens een bestuurslid en diens plaatsvervanger. Bestuursleden hebben gedurende ten hoogste vier jaren zitting en zijn vervolgens één maal herbenoembaar.

  • 3 De bestuursleden genieten als zodanig geen bezoldiging en verkrijgen voor het bijwonen van vergaderingen geen vacatiegelden.

  • 4 Het samenwerkingsverband regelt bij reglement zijn zetel, zijn werkwijze waaronder de besluitvorming, alsmede de toerekening aan de onderscheiden deelnemers van de kosten van het samenwerkingsverband. Voor de vaststelling van het reglement is een volstrekte meerderheid van stemmen vereist.

  • 5 De raad voor de kinderbescherming neemt aan de werkzaamheden van het samenwerkingsverband deel.

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2005]

Het samenwerkingsverband heeft de volgende taken:

  • a. de uitwisseling van informatie omtrent de inhoud van de door de deelnemende uitvoerders geboden voorzieningen;

  • b. het aanleggen en bijhouden van een overzicht van de in de regio aanwezige voorzieningen;

  • c. het informeren van derden over de in de regio aanwezige voorzieningen;

  • d. het op elkaar afstemmen van de werkzaamheden van de deelnemende uitvoerders, alsmede het maken van afspraken over de bijdrage die de Riagg’s aan de jeugdhulpverlening in de regio zullen leveren;

  • e. het maken van afspraken over de ondersteuning van voorzieningen en derden in de regio door wie een probleem of stoornis bij een jeugdige wordt onderkend of gesignaleerd;

  • f. het, rekening houdende met de in onderdeel d bedoelde bijdrage van de Riagg's, geven van adviezen aan het provinciale bestuur met betrekking tot de planning ten aanzien van regionale voorzieningen;

  • g. het in stand houden van een jeugdhulpadviesteam.

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Het bestuur van het samenwerkingsverband stelt een commissie in voor de voorzieningen, behorende tot de primaire, de secundaire of de tertiaire hulpverlening, indien een of meer uitvoerders van tot die hulpverlening behorende voorzieningen zulks verzoeken.

  • 2 Een advies als bedoeld in artikel 15, onder f, wordt niet uitgebracht dan nadat een commissie als bedoeld in het eerste lid in de gelegenheid is gesteld haar standpunt terzake daaraan toe te voegen.

§ 2. Het jeugdhulpadviesteam [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een jeugdhulpadviesteam is evenwichtig samengesteld uit in ieder geval een kinder- of jeugdarts, een kinder- of jeugdpsychiater, een orthopedagoog, een psycholoog en een maatschappelijk werker.

  • 2 De leden van het jeugdhulpadviesteam beschikken ieder over ruime ervaring op hun werkgebied, terwijl zij gezamenlijk over genoegzame ervaring beschikken terzake van onderkenning en behandeling van problemen en stoornissen van jeugdigen. Zij hebben voorts inzicht in het aanbod van jeugdhulpverlening in de regio.

Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De leden van het jeugdhulpadviesteam worden door het bestuur van het samenwerkingsverband aangewezen uit de deskundigen verbonden aan de deelnemers.

  • 2 De leden vervullen hun functie zonder last van degene tot wie zij in dienstbetrekking staan. De uitvoerder waaraan de deskundige is verbonden, draagt er zorg voor dat deze wegens zijn lidmaatschap van het jeugdhulpadviesteam niet wordt benadeeld in zijn positie.

Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2005]

Het jeugdhulpadviesteam heeft in zijn regio, onverminderd het overigens bij deze wet bepaalde, in ieder geval de volgende taken:

  • a. het op verzoek van een uitvoerder stellen of doen stellen van een diagnose en het geven van een oordeel over de meest aangewezen behandeling in gevallen waarin sprake is van een zo ingewikkelde problematiek dat multidisciplinaire oordeelsvorming wenselijk is en de tot dusver geboden hulp onvoldoende resultaat heeft gehad;

  • b. het op verzoek van een plaatsende instantie uitbrengen van advies over de vraag welke hulpverlening voor een jeugdige de meest aangewezene is te achten;

  • c. het op verzoek van de rechter, bij de toepassing van artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van titel VIIIA van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht, uitbrengen van advies over de vraag welke hulpverlening voor een jeugdige de meest aangewezene is te achten;

  • d. het registreren van de gegevens, bedoeld in artikel 32.

Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2005]

De deelnemers aan het samenwerkingsverband stellen aan het jeugdhulpadviesteam op diens verzoek de deskundigen ter beschikking die nodig zijn voor de uitvoering van de in artikel 19, onder a, b en c, bedoelde taken.

Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Het samenwerkingsverband voegt aan het jeugdhulpadviesteam een secretariaat toe.

  • 2 Het bestuur van het samenwerkingsverband stelt bij reglement regelen omtrent de werkwijze van het jeugdhulpadviesteam. Het reglement kan een nadere regeling bevatten omtrent de samenstelling en de taak van het jeugdhulpadviesteam.

§ 3. Gezamenlijk opname-, hulpverlenings- en hulpverlenersbeleid [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Uitvoerders van regionale semi-residentiële of residentiële voorzieningen op het terrein van de secundaire hulpverlening in een regio stellen ten aanzien van iedere jeugdige die op een voorziening in de regio is aangewezen gezamenlijk vast in welke voorziening de jeugdige zal verblijven, welke specifieke deskundigheid daarnaast aan de jeugdige zal worden geboden en door wie deze deskundigheid beschikbaar zal worden gesteld. De jeugdige en degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent worden bij de vaststelling betrokken.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde uitvoerders kunnen met het oog op een doelmatige hulpverlening in de regio werkzame uitvoerders van ambulante voorzieningen bij hun samenwerking betrekken.

  • 3 Indien ingevolge een rechterlijke uitspraak vaststaat in welke voorziening een jeugdige zal verblijven, is het eerste lid in zoverre niet van toepassing.

Hoofdstuk IV. Voorwaarden voor hulpverlening [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2005]

Hulpverlening vindt plaats in de minst ingrijpende vorm, zo dicht mogelijk bij de plaats waar de jeugdige duurzaam verblijft en gedurende een zo kort mogelijke periode en voldoet ook overigens aan de eis dat zij voor de jeugdige de meest aangewezene is te achten.

Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een uitvoerder van een voorziening van pleegzorg of van een voorziening van semi-residentiële of residentiële hulpverlening verleent op verzoek van degene die voor plaatsing verantwoordelijk is, aan een jeugdige ten aanzien van wie een maatregel van justitiële kinderbescherming is getroffen die tot een zodanige plaatsing strekt of haar noodzakelijk maakt de desbetreffende hulp, tenzij hij voor de jeugdige geen plaats heeft.

  • 2 Indien een maatregel van justitiële kinderbescherming die strekt tot plaatsing in een voorziening van residentiële hulpverlening of deze noodzakelijk maakt na toepassing van het eerste lid niet kan worden gerealiseerd, meldt degene die verantwoordelijk is voor de plaatsing dit aan Onze Minister van Justitie.

  • 3 Een uitvoerder van een voorziening van residentiële hulpverlening verleent aan een jeugdige ten aanzien van wie geen maatregel van justitiële kinderbescherming als bedoeld in het eerste lid is getroffen slechts hulp, nadat hij zich er van heeft vergewist, dat geen jeugdige ten aanzien van wie een melding als bedoeld in het tweede lid is gedaan, in aanmerking moet komen voor die hulpverlening.

  • 4 Voor zover een maatregel van justitiële kinderbescherming die strekt tot plaatsing in een pleeggezin of deze noodzakelijk maakt na toepassing van het eerste lid niet kan worden gerealiseerd, wordt de jeugdige, ongeacht het aan de voorziening van pleegzorg beschikbaar gestelde maximale subsidie of de maximale capaciteit, in een pleeggezin geplaatst.

  • 5 Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van jeugdigen voor wie voortzetting van hulp als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, 3°, noodzakelijk is, met dien verstande dat degene die voor de plaatsing verantwoordelijk is een melding als bedoeld in het tweede lid, aan Onze Ministers doet.

Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Secundaire hulpverlening van een type, genoemd in artikel 1, tweede lid, onder a, b of c, vangt slechts aan en wordt slechts hervat als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, 3°, indien een bevoegde plaatsende instantie overeenkomstig deze wet niet langer dan twee maanden tevoren heeft vastgesteld dat die hulpverlening voor de betrokken jeugdige aangewezen is te achten. De hulpverlening geschiedt slechts gedurende de door de plaatsende instantie aangegeven termijn.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op voortzetting van de hulpverlening aan de jeugdige na het verstrijken van de door de plaatsende instantie aangegeven termijn.

  • 3 Secundaire hulpverlening van een type, genoemd in artikel 1, tweede lid, onder a, b of c, wordt slechts voortgezet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, 3°, indien de plaatsende instantie die laatstelijk als zodanig is opgetreden of degene die laatstelijk voor de plaatsing verantwoordelijk is geweest, de in het eerste lid bedoelde vaststelling heeft verricht.

  • 4 Hulpverlening door een residentiële of een semi-residentiële voorziening, niet zijnde een voorziening voor crisisopvang als bedoeld onder II, onderdeel 1, van de bijlage behorende bij deze wet, aan een jeugdige als bedoeld in artikel 1, onder b, onder 4°, vangt, onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, slechts aan nadat een bevoegde plaatsende instantie een daartoe strekkend advies van het desbetreffende jeugdhulpadviesteam heeft ontvangen en toestemming van Onze Ministers, indien het hulpverlening in een landelijke voorziening betreft, of van het desbetreffende provinciaal bestuur, indien het hulpverlening in een regionale voorziening betreft, heeft verkregen.

Artikel 26 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Artikel 25 is niet van toepassing, indien het betreft hulpverlening aan een jeugdige ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig titel VIIIA van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3 Hulpverlening in gevallen als bedoeld in het tweede lid geschiedt voor ten hoogste twee weken. Van de aanvang van de hulpverlening wordt, indien deze niet plaatsvond door tussenkomst van een plaatsende instantie, onverwijld onder opgave van redenen mededeling gedaan aan een plaatsende instantie.

  • 4 Bij toepassing van het tweede lid deelt de plaatsende instantie onverwijld aan degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over een minderjarige uitoefent mee dat hulp aan deze minderjarige wordt verleend.

  • 5 Indien ten aanzien van een minderjarige een maatregel van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, worden de mededelingen bedoeld in het vierde lid, tevens gedaan aan degene die toezicht op de minderjarige houdt.

Artikel 27 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Het provinciale bestuur erkent een uitvoerder van ambulante hulpverlening of een Riagg als plaatsende instantie, voor een daarbij aan te wijzen werkgebied, indien:

    • a. naar het oordeel van het provinciale bestuur aan diens activiteiten als plaatsende instantie behoefte bestaat;

    • b. een zodanige werkwijze wordt toegepast dat is gewaarborgd dat de taken, bedoeld in artikel 29, onafhankelijk van de overige werkzaamheden worden uitgevoerd en dat één deskundige met de verantwoordelijkheid voor deze taken is belast;

    • c. de taken, bedoeld in artikel 29, worden uitgevoerd door personen die voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van instellingen of instanties, niet zijnde uitvoerders, worden aangewezen, die overeenkomstig het eerste lid voor erkenning in aanmerking komen.

  • 3 Als plaatsende instantie zijn erkend:

    • a. voogdij-instellingen, ten aanzien van jeugdigen, waarover zij de voogdij dan wel de voorlopige voogdij uitoefenen;

    • b. de raad voor de kinderbescherming ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een maatregel tot beperking of ontneming van het ouderlijk gezag of de voogdij.

    • c. gezinsvoogdij-instellingen, ten aanzien van jeugdigen die onder hun toezicht staan.

  • 4 Een erkende plaatsende instantie is bevoegd in de gevallen waarin deze wet zulks vereist, ten aanzien van een jeugdige die duurzaam verblijft in zijn werkgebied vast te stellen welke hulpverlening voor die jeugdige aangewezen is te achten.

  • 5 Van erkenningen als bedoeld in dit artikel wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2005]

Provinciale staten stellen regels omtrent de indiening en de wijze van behandeling van verzoeken om erkenning.

Artikel 29 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een plaatsende instantie:

    • a. draagt er, met het oog op de vaststelling, bedoeld in artikel 25, eerste lid, zorg voor dat een onderzoek wordt verricht naar de problemen en stoornissen van de betrokken jeugdige en stelt, met inachtneming van de eisen, genoemd in artikel 23, vast welke vorm of vormen van hulpverlening in verband daarmee voor de jeugdige de meest aangewezene is of zijn te achten;

    • b. draagt, met het oog op de toepassing van artikel 25, tweede lid, zorg voor een evaluatie van de hulpverlening en stelt vast of, de omstandigheden in aanmerking genomen, voortzetting van de hulpverlening voor de jeugdige aangewezen is te achten;

    • c. stelt telkens de termijn vast gedurende welke de hulpverlening nodig is te achten, welke termijn ten hoogste zes maanden bedraagt.

  • 2 De jeugdige, degene die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent, alsmede de daarvoor in aanmerking komende uitvoerder worden bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, betrokken.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde werkzaamheden worden telkens in een rapport schriftelijk verantwoord.

Artikel 30 [Vervallen per 01-01-2005]

De plaatsende instantie draagt er zorg voor dat de hulpverlening die voor de jeugdige overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aangewezen wordt geacht, wordt gerealiseerd. De hulpverlening vindt plaats in de regio waarin de jeugdige duurzaam verblijft, tenzij hulpverlening buiten de regio het meest aangewezen is te achten of in de regio geen plaats voor de jeugdige beschikbaar is.

Artikel 31 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Beëindiging van secundaire hulpverlening van een type, genoemd in artikel 1, tweede lid, onder a, bof c, vindt plaats, indien een bevoegde plaatsende instantie heeft vastgesteld dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, voortzetting van de hulpverlening voor de jeugdige niet aangewezen is. De vaststelling geschiedt op basis van een beschrijving van de verleende hulp, onder vermelding van de resultaten ervan. De plaatsende instantie stelt tevens vast of andere dan in de eerste zin bedoelde hulpverlening aangewezen is te achten en legt dit schriftelijk vast.

  • 2 Een uitvoerder van een voorziening van secundaire semi-residentiële of residentiële hulpverlening of van een voorziening voor pleegzorg zendt vóór het verstrijken van de door de plaatsende instantie vastgestelde termijn, alsmede indien hij voornemens is de hulpverlening binnen die termijn te beëindigen, aan de plaatsende instantie door wiens tussenkomst de jeugdige is opgenomen, tijdig een beschrijving als bedoeld in de tweede zin van het eerste lid.

  • 3 Een uitvoerder van een voorziening als bedoeld in het tweede lid beëindigt de hulpverlening niet dan nadat hij tot overeenstemming is gekomen met de voogdij-instelling voor zover het betreft de uitoefening van de voorlopige voogdij of met de gezinsvoogdij-instelling.

Artikel 32 [Vervallen per 01-01-2005]

De plaatsende instantie doet aan het jeugdhulpadviesteam van de regio van zijn werkgebied en aan Onze ministers schriftelijk mededeling van de aanvang en beëindiging van secundaire hulpverlening van een type, genoemd in artikel 1, tweede lid, onder a, b of c. Deze mededeling aan Onze ministers bevat gegevens, welke benodigd zijn voor de uitvoering van hoofdstuk VII en geschiedt onmiddellijk en door middel van een door hen vastgesteld formulier.

Artikel 33 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een plaatsende instantie stelt binnen vier maanden na afloop van een kalenderjaar een verslag op van zijn plaatsingsbeleid in het voorafgaande jaar.

  • 2 Het verslag bevat een overzicht van de rapporten, bedoeld in artikel 29, derde lid, ontdaan van tot personen herleidbare gegevens. Daarbij wordt aangegeven in welke gevallen de aangewezen geachte hulpverlening is gerealiseerd en indien zulks niet het geval is, de redenen daarvan.

  • 3 Het verslag wordt zo spoedig mogelijk gezonden aan het jeugdhulpadviesteam van de regio van het werkgebied van de plaatsende instantie.

  • 4 Indien het jeugdhulpadviesteam op grond van een verslag als bedoeld in het eerste lid van oordeel is dat het plaatsingsbeleid van een plaatsende instantie niet in overeenstemming is met de artikelen 29, 30 en 31 dan wel dat de plaatsende instantie anderszins handelt in strijd met deze wet, doet hij daarvan schriftelijk mededeling aan het desbetreffende provinciale bestuur.

Artikel 34 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Indien een plaatsende instantie niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet kan de erkenning worden ingetrokken.

  • 2 Van een intrekking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Hoofdstuk IVA. Advies- en meldpunten kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 34a [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een advies- en meldpunt kindermishandeling heeft, onverminderd de taken van de raad voor de kinderbescherming, tot taak:

    • het naar aanleiding van een melding van kindermishandeling of een vermoeden daarvan onderzoeken of sprake is van kindermishandeling;

    • het beoordelen van de vraag of en zo ja tot welke stappen de melding van kindermishandeling of een vermoeden daarvan aanleiding geeft;

    • het initiatief nemen tot de voor de minderjarige meest aangewezen hulpverlening;

    • het, na overleg met de raad voor de kinderbescherming, aan deze overdragen van een geval van kindermishandeling of een ernstig vermoeden daarvan, indien een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden;

    • het in kennis stellen van andere justitiële autoriteiten van kindermishandeling of een vermoeden daarvan, indien het belang van de minderjarige dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft, daartoe aanleiding geeft;

    • het op de hoogte stellen van degene die een melding heeft gedaan, van de stappen die door het advies- en meldpunt kindermishandeling zijn ondernomen.

  • 2 Een advies- en meldpunt kindermishandeling heeft bovendien tot taak het verstrekken van advies aan een persoon die een vermoeden van kindermishandeling heeft over de stappen die door hem in verband hiermee kunnen worden ondernomen en het zonodig ondersteunen daarbij.

  • 3 Onder kindermishandeling wordt in dit hoofdstuk verstaan: elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel.

  • 4 Een advies- en meldpunt kindermishandeling wordt in stand gehouden door een rechtspersoon die, indien hij ook andere taken heeft, voor de uitoefening van de taken, genoemd in het eerste en tweede lid, een afzonderlijke organisatorische eenheid inricht.

Artikel 34b [Vervallen per 01-01-2005]

Een advies- en meldpunt kindermishandeling werkt, onverminderd artikel 35, eerste lid, volgens een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde werkwijze, waarbij nadere regels kunnen worden gesteld omtrent de in artikel 34a genoemde taken. Bij of krachtens deze maatregel worden voorts regels gesteld omtrent de samenwerking met de raad voor de kinderbescherming, alsmede omtrent de gevallen waarin het bekendmaken van de identiteit van de persoon die de kindermishandeling of een vermoeden daarvan heeft gemeld of van de persoon van wie informatie in het kader van het onderzoek is verkregen, achterwege kan blijven.

Artikel 34c [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een advies- en meldpunt kindermishandeling kan zonder toestemming van degene die het betreft persoonsgegevens verwerken indien dit voor de uitoefening van de taken, genoemd in artikel 34a, eerste lid, noodzakelijk is te achten.

  • 2 Een advies- en meldpunt kindermishandeling kan zonder toestemming van degene die het betreft slechts bijzondere gegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens verwerken indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van kindermishandeling kan worden afgeleid.

  • 3 Degene die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is verplicht kan, zonder toestemming van degene die het betreft, aan een advies- en meldpunt kindermishandeling inlichtingen verstrekken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken.

Artikel 34d [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Indien persoonsgegevens worden verkregen bij een ander dan degene die het betreft brengt een advies- en meldpunt kindermishandeling hem hiervan zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na het moment van vastlegging van de hem betreffende gegevens, op de hoogte.

  • 2 De in het eerste lid genoemde termijn kan telkens met ten hoogste twee weken worden verlengd, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, genoemd in artikel 34a, eerste lid, en dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken.

  • 3 In afwijking van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens kan een advies- en meldpunt kindermishandeling de mededeling aan degene die het betreft dat ten aanzien van hem persoonsgegevens worden verwerkt achterwege laten voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken.

Artikel 34e [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Indien het aan het bestuur van een voorziening of instelling bekend is geworden dat een persoon die werkzaam is bij de voorziening of de instelling zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan kindermishandeling, doet het bestuur van de desbetreffende voorziening of instelling hiervan onverwijld melding aan het advies- en meldpunt kindermishandeling.

  • 2 Indien een persoon die werkzaam is in een voorziening of instelling op enigerlei wijze bekend is geworden dat een bij die voorziening of instelling werkzame andere persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan kindermishandeling, stelt hij het bestuur daarvan onverwijld in kennis.

Hoofdstuk V. Kwaliteit [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 35 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden met het oog op een goede kwaliteit van de hulpverlening ten aanzien van daarbij aan te geven categorieën van voorzieningen regels gesteld. De regels kunnen betrekking hebben op:

    • a. het aantal beroepskrachten, hun functies en de eisen waaraan beroepskrachten en pleeggezinnen moeten voldoen;

    • b. de eisen waaraan vrijwilligers, anders dan bestuurders, moeten voldoen;

    • c. de openingstijden en de aanwezigheid van beroepskrachten en vrijwilligers gedurende de openingstijden;

    • d. de groepsgrootte;

    • e. de omvang en de indeling van de accommodatie, alsmede de inrichting daarvan;

    • f. de inhoud en de wijze van totstandkoming van een hulpverleningsplan;

    • g. de maximale verblijfsduur van jeugdigen en de maximum leeftijd van de in een voorziening verblijvende jeugdigen;

    • h. de vaststelling van werkplannen;

    • i. de samenwerking met anderen dan uitvoerders;

    • j. de verzorging en opvoeding van jeugdigen;

    • k. het voor jeugdigen geldende regiem.

  • 2 In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen ten aanzien van steunfuncties regels worden gesteld omtrent de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, onder a en h.

Hoofdstuk VI. Subsidiëring [Vervallen per 01-01-2005]

§ 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 36 [Vervallen per 01-01-2005]

Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 36a [Vervallen per 01-01-2005]

  • 2 De subsidieverlening wordt voorts in ieder geval geweigerd indien:

    a. de uitvoerder of degene die een steunfunctie uitvoert direct of indirect winst beoogt te maken, of

    b. het samenwerkingsverband niet voldoet aan, danwel ten aanzien van de voorziening of de steunfunctie niet wordt voldaan aan het bij of krachtens de wet bepaalde.

  • 3 De subsidie wordt slechts verleend, indien de uitvoerder een rechtspersoon is met volledige rechtsbevoegdheid en zijn zetel heeft in Nederland.

§ 2. Subsidiëring van steunfuncties en landelijke voorzieningen [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 37 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de subsidiëring van de steunfuncties en de landelijke voorzieningen. In de maatregel kan worden bepaald dat Onze Ministers nadere regels kunnen stellen met betrekking tot daarbij aangewezen onderwerpen.

  • 2 De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op:

    • a. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;

    • b. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;

    • c. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;

    • d. de vaststelling van de subsidie;

    • e. de betaling en terugvordering en het verlenen van voorschotten;

    • f. de gevallen waarin subsidie zal worden verstrekt voor de bestrijding van de financiële gevolgen van een vermindering van de subsidie of de capaciteit dan wel de beëindiging van de subsidiëring.

§ 3. Subsidiëring door de provincies [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 38 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Provinciale staten stellen bij verordening regels vast omtrent de subsidiëring van de regionale voorzieningen en de in de provincie werkzame samenwerkingsverbanden.

  • 2 De verordening bevat in ieder geval regels met betrekking tot de in artikel 37, tweede lid, genoemde onderwerpen.

§ 4. Bijzondere regels inzake pleegzorg [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 39 [Vervallen per 01-01-2005]

Een uitvoerder van een voorziening voor pleegzorg verstrekt overeenkomstig artikel 40, aan een pleeggezin subsidie voor de verzorging en opvoeding van een jeugdige, indien:

  • a. de jeugdige daadwerkelijk in het pleeggezin wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract, overeenkomstig een door Onze ministers vast te stellen model;

  • b. ook overigens wordt voldaan aan het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Artikel 40 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De subsidie bedraagt voor elke jeugdige een door Onze ministers vast te stellen basisbedrag, dat voor te onderscheiden leeftijdscategorieën verschillend kan zijn.

  • 2 Onze ministers stellen regels omtrent:

    • a. op het basisbedrag te verlenen toelagen en de omstandigheden waaronder deze kunnen worden verleend;

    • b. de dagen waarover de subsidie en de toelage wordt verleend;

    • c. op het basisbedrag toe te passen kortingen in verband met het inkomen van de jeugdige.

Hoofdstuk VII. Bijdrage in de kosten van hulpverlening [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 41 [Vervallen per 01-01-2005]

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 41a [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De onderhoudsplichtige ouders, degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegronde vordering is toegewezen daaronder begrepen, de onderhoudsplichtige stiefouder en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent van een jeugdige, zijn aan het Rijk een bijdrage verschuldigd in de kosten van verzorging en verblijf:

    • a. in een op grond van deze wet voor bekostiging in aanmerking gebrachte voorziening niet zijnde een voorziening van ambulante hulpverlening;

    • b. elders dan in een zodanige voorziening, indien de jeugdige daar is geplaatst met toepassing van artikel 261 of 326 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel daar is geplaatst door een voogdij-instelling of de raad voor de kinderbescherming.

  • 2 De ouderbijdrage wordt vastgesteld naar de leeftijd van de jeugdige en de aard van de verzorging en het verblijf, bedoeld in het eerste lid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de hoogte van de bijdrage.

  • 3 Indien ten aanzien van een jeugdige meer dan één persoon de ouderbijdrage verschuldigd is, is ieder der bijdrageplichtigen de ouderbijdrage verschuldigd met dien verstande dat, indien de een heeft betaald, de ander is bevrijd.

Artikel 41b [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een jeugdige aan wie hulpverlening wordt geboden in een op grond van deze wet voor bekostiging in aanmerking gebrachte voorziening van residentiële hulpverlening, is aan de uitvoerder van de desbetreffende voorziening een bijdrage verschuldigd in de kosten van verzorging en verblijf.

  • 3 De eigen bijdrage wordt vastgesteld naar het inkomen van de jeugdige. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het inkomen dat bij de vaststelling van de bijdrage in aanmerking wordt genomen en omtrent de hoogte van de bijdrage.

Artikel 41c [Vervallen per 01-01-2005]

  • 2 Geen ouderbijdrage is verschuldigd indien:

    • a. de jeugdige met het oog op adoptie niet meer door zijn ouders wordt verzorgd en opgevoed;

    • b. de ouders van het gezag over de jeugdige zijn ontheven of ontzet;

    • c. het verblijf en de verzorging worden geboden in een acute noodsituatie, zulks voor de duur van ten hoogste zes weken;

    • d. aan een minderjarige jeugdige nog hulpverlening als bedoeld in artikel 41a wordt geboden na schriftelijk aan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur of, indien een aanwijzing als bedoeld in artikel 41f, eerste lid, is geschied, aan de in naam van Onze Minister optredende instantie kenbaar gemaakt bezwaar door degene die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent, tenzij het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een maatregel van justitiële kinderbescherming is getroffen die tot zodanige hulpverlening strekt of haar noodzakelijk maakt;

    • e. het bij algemene maatregel van bestuur aan te geven inkomen van de jeugdige € 226,89 of meer per maand bedraagt.

Artikel 41d [Vervallen per 01-01-2005]

Wonen bijdrageplichtige ouders of stiefouders gescheiden en is geen bedrag bepaald op de voet van de artikelen 406 of 407 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 822, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dan is de ouder of stiefouder die ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet onmiddellijk voorafgaande aan het verblijf bedoeld in artikel 41a, eerste lid, recht op kinderbijslag heeft de ouderbijdrage verschuldigd.

Artikel 41e [Vervallen per 01-01-2005]

[Red: Dit artikel is niet gepubliceerd.]

Artikel 41f [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De ouderbijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

  • 2 De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 41b, eerste lid, wordt vastgesteld door de uitvoerder van de desbetreffende voorziening. Deze is tevens met de inning belast.

  • 3 De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 41b, tweede lid, wordt vastgesteld en geïnd door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

Artikel 41g [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De bijdrageplichtige is verplicht aan degene die belast is met de vaststelling en de inning van de bijdrage desgevraagd alle inlichtingen te geven ten behoeve van de uitvoering van dit hoofdstuk.

  • 2 De inlichtingen moeten, indien dit wordt verzocht, schriftelijk worden verstrekt binnen een door degene die belast is met de vaststelling en de inning van de bijdrage schriftelijk te stellen, redelijke termijn.

Artikel 41h [Vervallen per 01-01-2005]

Degene die belast is met de vaststelling van de bijdrage deelt de bijdrageplichtige schriftelijk mede welke bijdrage is verschuldigd en binnen welke termijn het verschuldigde bedrag telkens moet worden voldaan.

Artikel 41i [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Indien de bijdrage voor het geheel of voor een deel niet tijdig is betaald, kan degene die belast is met de inning, van een bijdrageplichtige de verschuldigde bedragen, vermeerderd met de aan de invordering verbonden kosten van aanmaning, betekening en executie, invorderen.

  • 2 Geen invordering geschiedt dan nadat de bijdrageplichtige schriftelijk is aangemaand om alsnog binnen veertien dagen na dagtekening van de aanmaning te betalen, onder kennisgeving dat de bijdrageplichtige anders door de middelen bij wet bepaald tot betaling zal worden gedwongen.

  • 3 Indien de bijdrageplichtige na de aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering geschieden bij een door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen uit te vaardigen dwangbevel, dat meebrengt het recht de roerende en onroerende goederen van de bijdrageplichtige zonder vonnis aan te tasten.

  • 6 De bijdrageplichtige kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank. Het verzet vangt aan met een dagvaarding door de bijdrageplichtige als eiser aan degene die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden. Het verzet kan niet zijn gegrond op de stelling dat de mededeling bedoeld in artikel 41h of de aanmaning niet is ontvangen. Bovendien kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de bijdrage ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Hoofdstuk VIII. Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2005]

Een uitvoerder en een plaatsende instantie verstrekken aan de jeugdige desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden die deze met betrekking tot de jeugdige onder zich hebben.

Artikel 42a [Vervallen per 01-01-2005]

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op jeugdigen die verblijven in een inrichting.

Artikel 43 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Inzage in of afschrift van de bescheiden wordt aan de jeugdige geweigerd, indien deze:

    • jonger dan twaalf jaren is, of

    • de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake.

  • 2 In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, worden desgevraagd aan de wettelijke vertegenwoordiger inlichtingen, dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden verstrekt, tenzij het belang van de jeugdige daardoor kan worden geschaad.

  • 3 Inlichtingen over, inzage in of afschrift van bescheiden kan eveneens worden geweigerd, indien de persoonlijke levenssfeer van een ander dan de jeugdige daardoor zou worden geschaad.

Artikel 44 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, verstrekken de uitvoerder en de plaatsende instantie aan anderen dan de jeugdige geen inlichtingen over de jeugdige, dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden dan met toestemming van de jeugdige.

  • 2 Indien de jeugdige minderjarig is, is in plaats van diens toestemming de toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij:

    • jonger is dan twaalf jaren, of

    • de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake.

  • 3 Onder anderen dan de jeugdige zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking bij de hulpverlening noodzakelijk is en degenen die zijn betrokken bij de voorbereiding of uitvoering van een maatregel van kinderbescherming.

  • 4 Onder anderen dan de jeugdige zijn evenmin begrepen diens wettelijke vertegenwoordigers, indien hij de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, alsmede indien hij deze leeftijd heeft bereikt, doch niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, tenzij door het verstrekken van inlichtingen over de jeugdige, danwel van inzage in of afschrift van bescheiden, het belang van de jeugdige kan worden geschaad.

Artikel 44a [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Onverminderd het tweede lid en artikel 44b bewaren een uitvoerder en een plaatsende instantie bescheiden die deze met betrekking tot de jeugdige onder zich hebben gedurende tien jaren, te rekenen van het tijdstip waarop zij zijn vervaardigd, of zoveel langer als redelijkerwijs in verband met een zorgvuldige hulpverlening noodzakelijk is.

  • 2 Een advies- en meldpunt kindermishandeling en een instelling bewaren de bescheiden tot het jongste kind van het gezin waartoe de minderjarige behoort en met welk gezin het advies- en meldpunt kindermishandeling of de instelling bemoeienis heeft gehad, meerderjarig is geworden, een en ander voor zover aannemelijk gemaakt kan worden dat het bewaren van de bescheiden een bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke situatie van kindermishandeling of van belang kan zijn voor een situatie waarin een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden.

Artikel 44b [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een uitvoerder en een plaatsende instantie vernietigen de door hen bewaarde bescheiden binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van degene op wie de bescheiden betrekking hebben.

  • 2 Het eerste lid geldt niet voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet.

  • 3 Het verzoek van een jeugdige wordt niet ingewilligd indien deze:

    • jonger dan twaalf jaren, of

    • minderjarig is en de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

  • 4 In de gevallen bedoeld in het derde lid, kan het verzoek door een wettelijke vertegenwoordiger worden gedaan.

Artikel 45 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De uitvoerder en de plaatsende instantie treffen een schriftelijke regeling waarin het recht op inzage in en afschrift van gegevens, alsmede de beperkingen aan het verstrekken van inlichtingen en inzage worden geregeld overeenkomstig de artikelen 42 tot en met 44b.

  • 2 Deze regeling wordt aan de belanghebbenden beschikbaar gesteld.

Hoofdstuk VIII A. Cliëntenraden [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 45a [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Uitvoerders en voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen stellen een cliëntenraad in, die binnen het kader van de doelstellingen van de voorziening of instelling de gemeenschappelijke belangen van de cliënten behartigt. De verplichting tot het instellen van een cliëntenraad geldt voor een uitvoerder ten aanzien van elke door hem in stand gehouden voorziening.

  • 2 De uitvoerder en de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling regelen schriftelijk:

    • a. het aantal leden van de cliëntenraad, de wijze van benoeming, welke personen tot lid kunnen worden benoemd en de zittingsduur van de leden;

    • b. de materiële middelen van de voorziening of instelling, waarover de cliëntenraad ten behoeve van zijn werkzaamheden kan beschikken;

  • 3 De in het tweede lid bedoelde regeling is zodanig dat de cliëntenraad:

    • a. redelijkerwijze representatief kan worden geacht voor cliënten en

    • b. redelijkerwijze in staat kan worden geacht hun gemeenschappelijke belangen te behartigen.

  • 4 In de cliëntenraad wordt voorzien in ten minste twee plaatsen voor jeugdigen, tenzij de uitvoerder of de voogdij- of gezinsvoogdij-instelling aantoont dat dit niet aangewezen is.

  • 5 Onder cliënt wordt in dit hoofdstuk in ieder geval verstaan: de jeugdige, de ouder, de voogd, de stiefouder, de pleegouder en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent.

  • 6 De cliëntenraad regelt schriftelijk zijn werkwijze met inbegrip van zijn vertegenwoordiging in en buiten rechte.

  • 7 De kosten van het voeren van rechtsgedingen door de cliëntenraad, zoals bedoeld in artikel 45j, tweede lid, komen slechts ten laste van de uitvoerder of de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling indien deze van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld.

  • 8 Na vaststelling van de in het tweede lid bedoelde regeling treft de uitvoerder of de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling de voorzieningen die op grond van die regeling noodzakelijk zijn voor de benoeming van de leden van de cliëntenraad. De uitvoerder en de instelling treffen de bedoelde voorzieningen opnieuw telkens wanneer de cliëntenraad gedurende twee jaren niet heeft gefunctioneerd wegens het ontbreken van het in de regeling vastgestelde aantal leden.

Artikel 45b [Vervallen per 01-01-2005]

De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor de inrichtingen voor justitiële kinderbescherming, bedoeld in hoofdstuk XIV van deze wet.

Artikel 45c [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De uitvoerder en de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling stellen de cliëntenraad in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit dat de voorziening of de instelling betreft, inzake:

    • a. een wijziging van de doelstelling of de grondslag;

    • b. het overdragen van de zeggenschap of fusie of het aangaan of verbreken van een duurzame samenwerking met een andere voorziening of instelling;

    • c. een gehele of gedeeltelijke opheffing, verhuizing of ingrijpende verbouwing van de voorziening of de instelling;

    • d. een belangrijke wijziging in de organisatie;

    • e. een belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden;

    • f. het benoemen van personen die rechtstreeks de hoogste zeggenschap zullen uitoefenen bij de leiding van arbeid in de voorziening of de instelling;

    • g. de begroting en de jaarrekening;

    • h. het algemeen beleid inzake de toelating van cliënten en de beëindiging van de hulpverlening aan cliënten;

    • i. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemeen beleid op het gebied van de veiligheid, de gezondheid of de hygiëne en de geestelijke verzorging van en maatschappelijke bijstand aan cliënten;

    • j. de systematische bewaking, beheersing of verbetering van de kwaliteit met betrekking tot de aspecten hulpverleningsmethodieken, organisatie, professionaliteit en materiële voorzieningen;

    • k. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten van cliënten en het aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling van klachten van cliënten;

    • l. wijziging van de regeling, bedoeld in artikel 45a, tweede lid, en de vaststelling of wijziging van andere voor cliënten geldende regelingen;

    • m. recreatiemogelijkheden en ontspanningsactiviteiten voor cliënten;

    • n. wijziging van het op grond van de artikelen 35, eerste lid, onder h, en 60, vierde lid, door de uitvoerder en de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling vastgestelde werkplan, voor zover het aangelegenheden betreft die niet reeds zijn begrepen in het bepaalde onder a tot en met k, m en o van dit lid;

    • o. het belasten van personen met de leiding van een onderdeel van de voorziening, waarin gedurende het etmaal zorg wordt verleend aan jeugdigen die in de regel langdurig in die voorziening verblijven.

  • 2 Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.

  • 3 De cliëntenraad is bevoegd de uitvoerder of de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling ook ongevraagd te adviseren inzake de in het eerste lid genoemde en andere onderwerpen, die voor de cliënten van belang zijn.

Artikel 45d [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De uitvoerder en de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling nemen geen van een schriftelijk door de cliëntenraad uitgebracht advies afwijkend besluit dan nadat daarover, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, ten minste eenmaal met de cliëntenraad overleg is gepleegd.

  • 2 De uitvoerder en de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling doen van een besluit inzake een onderwerp waarover de cliëntenraad schriftelijk advies heeft uitgebracht, schriftelijk, en voor zover zij van het advies afwijken onder opgave van redenen, mededeling aan de cliëntenraad.

Artikel 45e [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De uitvoerder en de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling verstrekken de cliëntenraad tijdig en, desgevraagd, schriftelijk alle inlichtingen en gegevens die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.

  • 2 De uitvoerder en de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling verstrekken de cliëntenraad voorts ten minste eenmaal per jaar mondeling of schriftelijk algemene gegevens omtrent het beleid dat in het verstreken tijdvak is gevoerd en in het komende jaar zal worden gevoerd.

Artikel 45f [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De uitvoerder en de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling kunnen aan de cliëntenraad schriftelijk verdergaande bevoegdheden dan de in dit hoofdstuk genoemde toekennen. Een zodanig besluit wordt schriftelijk aan de cliëntenraad medegedeeld.

  • 2 De uitvoerder en de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling stellen de cliëntenraad in de gelegenheid advies uit te brengen over een voornemen een besluit te nemen als bedoeld in het eerste lid en over het voornemen een zodanig besluit te wijzigen. Artikel 45d is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 45g [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Indien de voorziening of de voogdij- of gezinsvoogdij-instelling een rechtspersoon is als bedoeld in artikel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, voorzien de statuten in een regeling die waarborgt dat de cliënten invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van het bestuur. De bedoelde regeling houdt ten minste in dat één bestuurslid wordt benoemd op bindende voordracht van de cliëntenraad of cliëntenraden, tenzij deze van de mogelijkheid een voordracht te doen, geen gebruik heeft onderscheidenlijk hebben gemaakt.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien het bestuur van een voorziening of een voogdij- en gezinsvoogdij-instelling bestaat uit één of meer personen die deze functie uitoefent of uitoefenen op grond van een arbeidsrelatie waaraan een geldelijke beloning is verbonden. In dat geval is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de samenstelling van het orgaan dat is belast met het toezicht op of goedkeuring van besluiten van het bestuur.

Artikel 45h [Vervallen per 01-01-2005]

De uitvoerder en de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling stellen jaarlijks een schriftelijk verslag op over de wijze waarop door hen dit hoofdstuk is toegepast.

Artikel 45i [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De uitvoerder en de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling maken binnen tien dagen na de vaststelling openbaar:

    • a. het jaarverslag;

    • b. op schrift gestelde uitgangspunten voor het beleid, waaronder begrepen de algemene criteria, welke bij de hulpverlening worden gehanteerd;

    • c. de notulen dan wel de besluitenlijst van de vergaderingen van het bestuur, voor zover deze algemene beleidszaken betreffen;

    • d. een regeling inzake de behandeling van klachten van cliënten en andere voor cliënten geldende regelingen, alsmede een regeling als bedoeld in artikel 45a, tweede lid;

    • e. het verslag, bedoeld in artikel 45h.

  • 2 De openbaarmaking geschiedt door de stukken voor cliënten ter inzage te leggen en hun op verzoek daarvan afschriften te verstrekken.

  • 3 Van de terinzagelegging wordt mededeling gedaan op de in de voorziening of de instelling voor het doen van mededelingen aan cliënten gebruikelijke wijze.

  • 4 Voor het op verzoek verstrekken van afschriften kan een tarief in rekening worden gebracht, ten hoogste gelijk aan de kostprijs, tenzij ten aanzien van de instelling de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing is.

Artikel 45j [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De uitvoerder en de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling stellen in overeenstemming met de cliëntenraad of cliëntenraden een uit drie leden bestaande commissie van vertrouwenslieden in, waarvan een lid door hen wordt aangewezen, een lid door de cliëntenraad of cliëntenraden kan worden aangewezen en een lid door de beide andere leden wordt aangewezen, of wijzen een door een of meer cliëntenorganisaties en een of meer organisaties van voorzieningen of voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen ingestelde commissie van vertrouwenslieden aan, die tot taak heeft te bemiddelen en zonodig een bindende uitspraak te doen op verzoek van de cliëntenraad, indien de uitvoerder of de instelling ten aanzien van een onderwerp, genoemd in artikel 45c, eerste lid, onder k en l, waarover door de cliëntenraad een schriftelijk advies is uitgebracht, een van dat advies afwijkend besluit wenst te nemen.

  • 2 De cliëntenraad en iedere cliënt van de voorziening of de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling kan de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de woonplaats van de uitvoerder of de instelling is gelegen schriftelijk verzoeken de uitvoerder of de instelling te bevelen de artikelen 45a, 45e, tweede lid, 45g, en 45h en het eerste lid van dit artikel na te leven. Een verzoeker die niet vooraf schriftelijk aan de uitvoerder of de instelling heeft verzocht te handelen overeenkomstig hetgeen in het verzoekschrift is verzocht en deze daarbij niet een redelijke termijn heeft gegeven om aan dat verzoek te voldoen, wordt niet-ontvankelijk verklaard.

  • 3 De kantonrechter kan in zijn beschikking aan de uitvoerder of de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling de verplichting opleggen bepaalde handelingen te verrichten of na te laten.

  • 4 De bepalingen van de derde afdeling van de vijfde titel van het tweede boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk IX. Klachtrecht [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 46 [Vervallen per 01-01-2005]

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. klager: degene die als zodanig is aangewezen in de regeling bedoeld in artikel 48 eerste lid, doch in ieder geval de jeugdige, diens ouders, voogd, stiefouder, pleegouders en degenen die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefenen;

  • b. gedraging: enig handelen of nalaten alsmede het nemen van een besluit dat gevolgen heeft voor een jeugdige, diens ouders, voogd, stiefouder, pleegouders of degenen die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefenen.

Artikel 47 [Vervallen per 01-01-2005]

De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor de behandeling van klachten betrekking hebbende op een inrichting.

Artikel 48 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Uitvoerders en instellingen treffen een regeling voor de behandeling van klachten over gedragingen van hen of van voor hen werkzame personen jegens jeugdigen alsmede jegens hun ouders, voogden, stiefouders, pleegouders of degenen die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefenen. Zij brengen de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van in ieder geval de in artikel 46, eerste lid, onder a, bedoelde personen.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde regeling:

    • a. voorziet erin dat de klachten worden behandeld door een klachtencommissie die bestaat uit tenminste drie leden, waaronder een voorzitter die niet werkzaam is voor of bij de uitvoerder of de instelling;

    • b. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks betrekking heeft;

    • c. waarborgt dat de klachtencommissie binnen zes weken na ontvangst van de klacht de klager, degene over wie is geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de uitvoerder of de instelling, schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt van haar oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen;

    • d. waarborgt dat bij afwijking van de onder c bedoelde termijn de klachtencommissie daarvan met redenen omkleed mededeling doet aan de klager, degene over wie is geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de uitvoerder of de instelling, onder vermelding van de termijn waarbinnen de klachtencommissie haar oordeel over de klacht zal uitbrengen;

    • e. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, door de klachtencommissie in de gelegenheid worden gesteld mondeling of schriftelijk een toelichting te geven op de gedraging waarover is geklaagd;

    • f. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, zich bij de behandeling van de klacht kunnen laten bijstaan.

  • 3 De uitvoerder en de instelling zien erop toe dat de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder a, haar werkzaamheden verricht volgens een door deze commissie op te stellen reglement.

  • 4 Door of namens een klager kan bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder a, een klacht tegen een uitvoerder of instelling worden ingediend over een gedraging van hen of van voor hen werkzame personen jegens de klager.

  • 5 De uitvoerder of instelling deelt de klager en de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder a, binnen vier weken na ontvangst van het in het tweede lid, onder c, bedoelde oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij het oordeel van de commissie over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij afwijking van de in de eerste volzin bedoelde termijn, doet de uitvoerder of de instelling daarvan met redenen omkleed mededeling aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding van de termijn waarbinnen de uitvoerder of instelling zijn standpunt aan hen kenbaar zal maken, met dien verstande dat dit uitstel ten hoogste vier weken is.

  • 6 In afwijking van het vierde lid, kan bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder a, eveneens een klacht tegen een uitvoerder, een instelling worden ingediend over een gedraging van hen of van voor hen werkzame personen, jegens een persoon, als bedoeld in artikel 46, onder a, die inmiddels is overleden.

  • 7 De uitvoerder en de instelling dragen er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld, waarin het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten worden aangegeven. De uitvoerder en de instelling zenden het verslag voor 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar aan de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming.

Artikel 49 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Er is voor elke provincie en voor de samenwerkingsgebieden die ingevolge artikel 4, tweede lid, van deze wet worden gelijkgesteld met een provincie, een provinciale klachtencommissie, belast met de behandeling van de in artikel 50 bedoelde klachten tegen uitvoerders en instellingen die in de betrokken provincie onderscheidenlijk samenwerkingsgebieden zijn gevestigd. De provinciale klachtencommissies voor de provincies waarin de samenwerkingsgebieden die worden gelijkgesteld met een provincie zijn gelegen, zijn niet bevoegd klachten in behandeling te nemen met betrekking tot een voorziening of instelling die is gevestigd in een dergelijk samenwerkingsgebied.

  • 2 De voorzitter en de overige leden van de provinciale klachtencommissies worden door gedeputeerde staten van de betrokken provincie onderscheidenlijk de in de gemeenschappelijke regeling van de betrokken samenwerkingsgebieden daartoe aangewezen bestuursorganen benoemd. De bij de in artikel 51, eerste lid, bedoelde verordening aangewezen organisaties die zich in het bijzonder de behartiging van de belangen van de in artikel 46 genoemde personen hebben aangetrokken en de organisaties van voorzieningen en instellingen, beide gezamenlijk, zijn bevoegd elk voor een derde deel van het vastgestelde aantal leden van de provinciale klachtencommissie personen als kandidaat voor benoeming aan te bevelen.

Artikel 50 [Vervallen per 01-01-2005]

Door of namens een klager die op grond van artikel 48, vierde lid, een klacht heeft ingediend kan bij de bevoegde provinciale klachtencommissie een klacht worden ingediend over:

  • a. de inhoud van de mededeling, bedoeld in artikel 48, vijfde lid, of het ontbreken van de mededeling;

  • b. het bij de behandeling van een klacht handelen in strijd met de klachtenregeling, bedoeld in artikel 48.

Artikel 51 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Bij verordening worden regels gesteld betreffende de werkwijze van de provinciale klachtencommissie, waaronder de voorziening in een secretariaat en de vergoeding van de kosten, alsmede betreffende het aanhangig maken van klachten.

  • 2 De provinciale klachtencommissie doet na de behandeling van een klacht schriftelijk aan de klager en de betrokken uitvoerder of instelling mededeling van haar oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen.

  • 3 De uitvoerder of instelling deelt de klager en de provinciale klachtencommissie zo spoedig mogelijk na ontvangst van het in het tweede lid bedoelde oordeel schriftelijk mede of en zo ja welke maatregelen naar aanleiding van dat oordeel zullen worden genomen.

  • 4 De provinciale klachtencommissie kan na gehele of ten dele gegrondbevinding van een klacht, indien naar haar oordeel niet binnen een redelijke termijn een mededeling als bedoeld in het derde lid is gedaan of indien de mededeling daartoe aanleiding geeft, haar oordeel over de klacht met de ontvangen mededeling, met uitzondering voor zover mogelijk van de gegevens omtrent de persoon van de klager, openbaar maken.

  • 5 De provinciale klachtencommissie stelt jaarlijks een openbaar verslag op, waarin het aantal en de aard van de door haar behandelde klachten, de categorieën van instanties waarop de klachten betrekking hadden, alsmede de resultaten van de klachtenbehandeling worden aangegeven.

Artikel 52 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Iedere klager, alsmede de voor een voorziening of instelling ingestelde cliëntenraad kan de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waar de uitvoerder of de instelling is gevestigd, schriftelijk verzoeken deze te bevelen het bepaalde in artikel 48, eerste lid, na te leven.

  • 2 Een verzoeker die niet vooraf schriftelijk aan de uitvoerder of de instelling heeft verzocht te handelen overeenkomstig hetgeen in het verzoekschrift is verzocht en deze daarbij niet een redelijke termijn heeft gegeven om aan dat verzoek te voldoen, wordt niet-ontvankelijk verklaard.

  • 3 De kantonrechter kan in zijn beschikking aan de uitvoerder of de instelling de verplichting opleggen bepaalde handelingen te verrichten of na te laten.

  • 4 De bepalingen van de derde afdeling van de vijfde titel van het tweede boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk X. Experimenten [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 53 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Onze ministers kunnen aan een uitvoerder of plaatsende instantie subsidie verstrekken in de kosten van uitvoering van een experiment voor een daarbij aan te geven periode van ten hoogste vier jaren.

  • 3 Bij de algemene maatregel van bestuur of de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 37, eerste lid, kan worden voorzien in de vaststelling van subsidieplafonds voor het verstrekken van subsidies bedoeld in het eerste lid en in de regeling van de wijze van verdeling daarvan.

Hoofdstuk XI. Toezicht en informatie [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 54 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Er is een Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming die tot taak heeft:

    • a. het verrichten van onderzoeken naar de kwaliteit in algemene zin van de jeugdhulpverlening en de jeugdbescherming alsmede, waar nodig, het aangeven en bevorderen van middelen tot verbetering daarvan;

    • b. het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet omtrent de kwaliteit van de jeugdhulpverlening en de jeugdbescherming.

  • 2 Met de taken, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, zijn belast de ambtenaren van de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming.

  • 4 De ambtenaren van de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming nemen bij de vervulling van hun taak de aanwijzingen van Onze Ministers, en indien het betreft instellingen of inrichtingen de aanwijzingen van Onze Minister van Justitie, in acht.

  • 5 De inspectie verricht onderzoeken uit eigen beweging of op verzoek van Onze Minister van Justitie indien het instellingen of inrichtingen betreft, en van Onze Ministers indien het andere voorzieningen, plaatsende instanties, samenwerkingsverbanden of experimenten betreft. De inspectie kan onderzoeken verrichten op verzoek van een provinciaal bestuur, indien het een regionale voorziening, samenwerkingsverband of erkende plaatsende instantie betreft.

  • 6 De inspectie brengt van haar bevindingen verslag uit aan degene bij wie het onderzoek is uitgevoerd en doet daarbij voorstellen tot verbetering van de kwaliteit van de werkzaamheden. De inspectie stelt het overheidsorgaan dat verantwoordelijk is voor het beleid ten aanzien van degene bij wie het onderzoek is uitgevoerd op de hoogte van haar bevindingen, indien zulks voor dat overheidsorgaan van belang is.

  • 7 De inspectie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden. In het verslag doet zij voorstellen die zij in het belang van de jeugdhulpverlening en de jeugdbescherming nodig acht. Het verslag wordt toegezonden aan Onze ministers, de provinciale besturen en de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  • 8 Onze ministers kunnen regels stellen omtrent de organisatie van de inspectie.

Artikel 55 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Uitvoerders, instellingen, rechtspersonen die een steunfunctie verzorgen, samenwerkingsverbanden en plaatsende instanties verstrekken desgevraagd alle inlichtingen en leggen desgevraagd alle bescheiden die voor een juiste uitoefening van hun taak noodzakelijk zijn te achten over aan:

    • a. de door Onze Ministers aan te wijzen ambtenaren, belast met de controle op de rechtmatige en doelmatige besteding van door Onze Ministers verleende subsidies;

    • b. de door gedeputeerde staten of door het bestuur van het samenwerkingsgebied dat ingevolge artikel 4, tweede lid, gelijkgesteld is met een provincie, aangewezen ambtenaren, belast met de controle op de rechtmatige en doelmatige besteding van door gedeputeerde staten of door het bestuur van het samenwerkingsgebied verleende subsidies.

  • 2 Uitvoerders, instellingen, rechtspersonen die een steunfunctie verzorgen, samenwerkingsverbanden en plaatsende instanties verlenen de in het eerste lid bedoelde ambtenaren desgevraagd toegang tot de gebouwen waarin zij hun werkzaamheden verrichten.

  • 3 Zij die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich van het geven van inlichtingen of verlenen van inzage van bescheiden verschonen, voor zover hun geheimhoudingsplicht zich daartoe uitstrekt.

Artikel 56 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Tot het aan Onze ministers verstrekken van gegevens die nodig zijn voor een goede uitvoering van deze wet, zijn, voor zover zij betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet, verplicht:

    • a. uitvoerders, met uitzondering van uitvoerders die een inrichting in stand houden, en rechtspersonen die een steunfunctie verzorgen;

    • b. samenwerkingsverbanden;

    • c. plaatsende instanties.

  • 2 Eenzelfde verplichting geldt ten aanzien van Onze Minister van Justitie voor instellingen en uitvoerders van inrichtingen.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald:

    • a. de doeleinden waarvoor gegevens worden verstrekt;

    • b. de aard van de gegevens die worden verstrekt;

    • c. de instanties die voor een goede uitvoering van de wet de beschikking over verstrekte gegevens krijgen;

    • d. de tijdvakken waarop de gegevens betrekking hebben;

    • e. de termijnen waarbinnen de gegevens worden verstrekt.

  • 4 De gegevens worden alleen in een zodanige vorm opgevraagd en verstrekt dat zij niet tot individuele jeugdigen herleidbaar zijn.

  • 5 Onze ministers stellen regelen vast omtrent het beheer van de verstrekte gegevens.

  • 6 Onze ministers kunnen regelen vaststellen over de wijze waarop en de vorm waarin gegevens worden verstrekt, alsmede over de wijze waarop de verstrekte gegevens worden verwerkt. Tevens kunnen Onze ministers organen aanwijzen waar de verwerking plaatsvindt.

  • 7 Met betrekking tot instellingen en inrichtingen worden de in het vijfde en zesde lid bedoelde regelen en de in het zesde lid bedoelde aanwijzing vastgesteld door Onze Minister van Justitie.

  • 8 De in het vijfde en zesde lid bedoelde regelen worden vastgesteld in overeenstemming met Onze minister wie het mede aangaat.

Hoofdstuk XII [Vervallen per 23-08-2000]

Artikel 57 [Vervallen per 23-08-2000]

Artikel 58 [Vervallen per 23-08-2000]

Artikel 59 [Vervallen per 23-08-2000]

Hoofdstuk XIII. Voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 60 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Onze Minister van Justitie aanvaardt, indien naar zijn oordeel aan diens activiteiten behoefte bestaat, een rechtspersoon als instelling die:

  • 2 Een rechtspersoon komt slechts voor aanvaarding in aanmerking, indien hij:

    • a. volledige rechtsbevoegdheid bezit, zijn zetel heeft in Nederland en direct noch indirect beoogt winst te maken;

    • b. zich blijkens zijn statuten ten doel stelt de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde taken te vervullen;

    • c. aannemelijk heeft gemaakt dat hij:

      • 1°. een zodanige werkwijze zal toepassen dat redelijkerwijze mag worden verwacht dat de beoogde doelen kunnen worden bereikt;

      • 2°. zal voldoen aan het bij of krachtens de wet bepaalde.

  • 3 Een op grond van het eerste lid aanvaarde rechtspersoon neemt op gelijke voet als een uitvoerder deel aan het samenwerkingsverband. Hoofdstuk VIII is ten aanzien van deze rechtspersoon van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Een rechtspersoon, die op grond van het eerste lid is aanvaard, voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 35. In die maatregel worden nadere regels gesteld omtrent de taken van voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen.

Artikel 61 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Onze Minister van Justitie verstrekt aan een instelling een subsidie in de kosten van de uitoefening van zijn taak, bijzondere door Onze Minister van Justitie aan te geven kosten daaronder begrepen. Onze Minister kan tevens subsidie verstrekken voor bijzondere projecten en doeleinden.

  • 2 Tot de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden niet gerekend de kosten, verbonden aan hulpverlening in een voorziening behorende tot een categorie, genoemd in de bij deze wet behorende bijlage.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het verstrekken van subsidie als bedoeld in het eerste lid. De regels kunnen betrekking hebben op de onderwerpen, genoemd in artikel 37, tweede lid. Voorts kan in de maatregel worden voorzien in de vaststelling van een subsidieplafond voor het verstrekken van subsidies voor bijzondere projecten en doeleinden en in de regeling van de wijze van verdeling daarvan.

Artikel 61a [Vervallen per 01-01-2005]

Een voogdij-instelling zorgt voor de minderjarige ten aanzien van wie zij met de voorlopige voogdij is belast.

Artikel 62 [Vervallen per 01-01-2005]

Onze Minister van Justitie kan regels of nadere regels stellen ten aanzien van:

  • a. de indiening van en de beslissing op een verzoek om aanvaarding;

  • b. de onderwerpen, genoemd in artikel 37, tweede lid.

Artikel 63 [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 64 [Vervallen per 01-01-2005]

Indien een instelling niet meer voldoet aan het bij of krachtens de wet bepaalde, dan wel indien aan haar activiteiten naar het oordeel van Onze Minister van Justitie geen behoefte meer bestaat, kan Onze Minister van Justitie de aanvaarding intrekken.

Hoofdstuk XIV. Inrichtingen voor justitiële kinderbescherming [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 65 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 2 De inrichtingen worden onderscheiden in rijksinrichtingen en particuliere inrichtingen.

Artikel 66 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 3 Het beheer van een particuliere inrichting berust bij de directeur, die door het bestuur benoemd wordt. De directeur van een particuliere inrichting wijst met machtiging van het bestuur een of meer personen als zijn vervanger aan.

Artikel 67 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Rijksinrichtingen worden door Onze Minister van Justitie aangewezen. Het opperbeheer van de rijksinrichtingen berust bij Onze Minister van Justitie. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende de uitvoering hiervan.

  • 2 Het beheer van een rijksinrichting berust bij de directeur, die als zodanig door Onze Minister van Justitie wordt aangewezen. Onze Minister van Justitie wijst een of meer personen aan als vervanger van de directeur.

  • 3 Onze Minister van Justitie kan aan het hoofd van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Justitie mandaat verlenen inzake de uitvoering van het opperbeheer, bedoeld in het eerste lid, alsmede betreffende de hem bij of krachtens wet toegekende overige bevoegdheden.

Artikel 68 [Vervallen per 01-01-2005]

Bij algemene maatregel van bestuur worden met het oog op een goede kwaliteit van de voorzieningen, bedoeld in artikel 65, regelen gesteld, welke voor de onderscheiden categorieën van voorzieningen verschillend kunnen zijn. De regelen kunnen betrekking hebben op de onderwerpen, bedoeld in artikel 35, eerste lid.

Artikel 69 [Vervallen per 01-01-2005]

Bij of krachtens de wet worden regels gesteld ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen als bedoeld in artikel 77h van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 261 en 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in inrichtingen en de rechtspositie van degene die daarin zijn opgenomen.

Artikel 70 [Vervallen per 01-09-2001]

Artikel 71 [Vervallen per 01-09-2001]

Artikel 72 [Vervallen per 01-09-2001]

Artikel 73 [Vervallen per 01-09-2001]

Artikel 74 [Vervallen per 01-09-2001]

Artikel 75 [Vervallen per 01-09-2001]

Artikel 76 [Vervallen per 01-09-2001]

Artikel 77 [Vervallen per 01-09-2001]

Artikel 78 [Vervallen per 01-09-2001]

Artikel 79 [Vervallen per 01-09-2001]

Artikel 80 [Vervallen per 01-09-2001]

Hoofdstuk XV. College van advies voor de justitiële kinderbescherming [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 81 [Vervallen per 01-04-2001]

Artikel 82 [Vervallen per 01-04-2001]

Artikel 83 [Vervallen per 01-04-2001]

Artikel 84 [Vervallen per 01-04-2001]

Hoofdstuk XVI. Overgangs- en slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 85 [Vervallen per 17-02-1999]

Artikel 86 [Vervallen per 17-02-1999]

Artikel 87 [Vervallen per 01-01-2005]

Een erkenning als Riagg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt bij een met redenen omkleed besluit ingetrokken indien wordt gehandeld in strijd met deze wet.

Artikel 87a [Vervallen per 17-02-1999]

Artikel 88 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De Beginselenwet voor de kinderbescherming (Stb. 1961, 403) wordt ingetrokken.

  • 2 Hetgeen door de Kroon of door Onze Minister van Justitie ter uitvoering van artikel 2 respectievelijk 26g en 26k van de Beginselenwet voor de kinderbescherming is verricht, wordt geacht te zijn verricht op grond van Hoofdstuk XVI respectievelijk artikel 76 en 80.

Artikel 89 [Vervallen per 01-01-2005]

[Red: Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 90 [Vervallen per 01-01-2005]

[Red: Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 91 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 92 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 1989, met dien verstande dat:

    • a. het eerste jaar van het plan, bedoeld in artikel 58, 1990 is;

    • b. zolang de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in de artikelen 35 en 37, niet in werking zijn getreden, doch uiterlijk tot 1 januari 1990, ten aanzien van de desbetreffende voorzieningen de bekostigings- en kwaliteitsregelen alsmede de regelen met betrekking tot de voorwaarden voor hulpverlening en de bijdragen in de kosten van hulpverlening die op 30 juni 1989 gelden, van kracht blijven;

    • c. zolang de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in de artikelen 60, 61 en 66, niet in werking zijn getreden, doch uiterlijk tot 1 januari 1990, ten aanzien van de desbetreffende instellingen de bekostigings- en kwaliteitsregelen die op 30 juni 1989 gelden, van kracht blijven;

    • d. zolang de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in de artikelen 77gbis en 77ff van het Wetboek van Strafrecht niet tot stand zijn gekomen, doch uiterlijk tot 1 januari 1990, de op 30 juni 1989 geldende regelen omtrent de uitvoering van de maatregelen van terbeschikkingstelling van de regering, van plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling en omtrent de straffen van arrest en plaatsing in een tuchtschool van kracht blijven.

    Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst wordt uitgegeven na 30 juni 1989, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 juli 1989.

Artikel 93 [Vervallen per 01-01-2005]

Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de jeugdhulpverlening.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 8 augustus 1989

Beatrix

De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

L. C. Brinkman

De Minister van Justitie,

F. Korthals Altes

Uitgegeven de twaalfde september 1989

De Minister van Justitie,

F. Korthals Altes

Bijlage behorende bij de Wet op de jeugdhulpverlening [Vervallen per 01-01-2005]

I. Primaire hulpverlening [Vervallen per 01-01-2005]

1. Jongerenadviescentra, waaronder worden verstaan voorzieningen die aan jeugdigen met maatschappelijke of emotionele problemen open opvang bieden, behandeling en begeleiding en adviezen verstrekken;

2. kindertelefoons, waaronder worden verstaan voorzieningen die op aan hen voorgelegde vragen en problemen van jeugdigen ingaan en de jeugdigen zo nodig verwijzen naar andere hulpverleningsinstanties, een en ander uitsluitend per telefoon;

3. instellingen voor spel- en opvoedingsvoorlichting, waaronder worden verstaan voorzieningen die voorlichting en advies geven aan instellingen en instanties ter ondersteuning van hun betrokkenheid bij de opvoeding en vorming van jeugdigen in het primaire leefmilieu;

4. advies- en meldpunten kindermishandeling, waaronder worden verstaan voorzieningen die de taken, genoemd in artikel 34a, uitoefenen.

II. Secundaire hulpverlening [Vervallen per 01-01-2005]

1. Voorzieningen voor crisisopvang, waaronder worden verstaan tehuizen voor voorlopige opneming van en hulpverlening gedurende dag en nacht aan jeugdigen die onverwijld moeten worden opgenomen in afwachting van een beslissing omtrent de meest aangewezen vorm van hulpverlening dan wel in afwachting van hun definitieve bestemming;

2. observatietehuizen, waaronder worden verstaan tehuizen voor onderzoek naar de persoonlijkheid van jeugdigen ten einde te bezien welke hulpverlening de meest aangewezene moet worden geacht, alsmede verzorging gedurende dag en nacht wordt geboden;

3. tehuizen voor opvoeding en verzorging, waaronder worden verstaan tehuizen waarin aan jeugdigen gedurende dag en nacht opvoeding en verzorging wordt geboden in verband met problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig beïnvloeden;

4. tehuizen voor buitengewone behandeling, waaronder worden verstaan tehuizen waarin jeugdigen gedurende dag en nacht worden behandeld in verband met hun problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hebben geleid tot sociaal onaanvaardbaar gedrag;

5. gezinshuizen, waaronder worden verstaan tehuizen als bedoeld onder 3, waarbij zoveel mogelijk een normale leef- en gezinssituatie wordt benaderd en waarbij de hulpverlening in belangrijke mate is gericht op het primaire leefmilieu van de jeugdigen;

6. instellingen voor therapeutische gezinsverpleging, waaronder worden verstaan voorzieningen die aan zeer moeilijk opvoedbare jeugdigen in pleeggezinnen intensieve steun en begeleiding door een gespecialiseerd maatschappelijk werker bieden;

7. instellingen voor begeleid wonen, waaronder worden verstaan voorzieningen die aan zelfstandig gehuisveste jeugdigen begeleiding bieden, gericht op zelfstandig functioneren;

8. voorzieningen voor pleegzorg, waaronder worden verstaan voorzieningen die aan jeugdigen opneming in een pleeggezin bieden en aan pleegkinderen, pleegouders en (stief)ouders begeleiding bieden met betrekking tot opvoeding en verzorging van de pleegkinderen;

9. adviesbureaus voor de jeugd en gezin, waaronder worden verstaan voorzieningen die aan jeugdigen en ouders psycho-sociale adviezen en begeleiding bieden;

10. centrales voor pleeggezinnen, waaronder worden verstaan voorzieningen die de plaatsing van jeugdigen in pleeggezinnen voorbereiden;

11. dagcentra voor schoolgaande jeugd, waaronder worden verstaan voorzieningen die buiten schooltijd begeleiding bieden aan schoolgaande kinderen wier functioneren door psycho-sociale problemen wordt belemmerd, alsmede aan hun (stief)ouders;

12. medische kindertehuizen, waaronder worden verstaan tehuizen waarin aan jeugdigen wier lichamelijke of geestelijke gezondheid is aangetast of in ernstige mate wordt bedreigd geneeskundige behandeling, daaronder begrepen geneeskundig onderzoek en observatie door artsen in samenwerking met andere deskundigen, alsmede verpleging en verzorging gedurende dag en nacht, wordt geboden;

13. medische kleuterdagverblijven, waaronder worden verstaan voorzieningen waarin aan jeugdigen bij wie een stoornis in de ontwikkeling is opgetreden of dreigt op te treden ten gevolge van een samenloop van lichamelijke of geestelijke en maatschappelijke factoren, hulp wordt geboden, bestaande uit:

  • a. het noodzakelijke geneeskundige onderzoek en de noodzakelijke geneeskundige behandeling door een kinderarts in samenwerking met andere deskundigen, alsmede verzorging gedurende de dag of een gedeelte daarvan;

  • b. begeleiding van het gezin waartoe het kind behoort.

III. Tertiaire hulpverlening [Vervallen per 01-01-2005]

1. Internaten voor zeer intensieve behandeling, waaronder worden verstaan tehuizen waarin aan jeugdigen met zeer zware gedragsproblemen, al dan niet gepaard gaande met psychotische of neurotische stoornissen, behandeling wordt geboden, alsmede verpleging en verzorging gedurende dag en nacht;

2. tuchtscholen, waaronder worden verstaan tehuizen uitsluitend bestemd voor jeugdigen aan wie de straf van jeugddetentie, bedoeld in artikel 77h, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd of die ingevolge een beslissing van de rechter op grond van artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek daar worden geplaatst.