Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vissersvaartuigenbesluit

Geldend van 01-02-2002 t/m heden

Besluit van 5 augustus 1989, houdende nadere regelen voor de veiligheid van Vissersvaartuigen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 november 1988, nr. S/J 32.011/88, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;

Overwegende dat het wenselijk is de veiligheidsvoorschriften voor vissersvaartuigen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het op 2 april 1977 te Torremolinos tot stand gekomen Internationaal Verdrag voor de beveiliging van vissersvaartuigen, met Bijlage (Trb. 1980, 139);

Gelet op de artikelen 3, 4 bis, 5, 9, 17, 66 en 73 van de Schepenwet (Stb. 1932, 86);

De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 8 maart 1989, nr. W09.88.0652/K);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 25 juli 1989, nr. S/J 31.209/89, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;

De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene voorzieningen

§ 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Toepassing

  • 2 Het bepaalde in dit besluit is niet van toepassing op vaartuigen die worden gebezigd voor visserijonderzoek of voor opleiding van zeevarenden ter visserij. Indien echter deze vaartuigen daarbij geheel of gedeeltelijk dienst doen als vissersvaartuig, ongeacht of dit moet worden verondersteld te zijn begrepen onder de werkzaamheden welke verband houden met het onderzoek of de opleiding waarvoor het vaartuig bestemd is, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie eisen dat ten minste wordt voldaan aan het bepaalde in dit besluit.

  • 3 Het bepaalde in dit besluit is niet van toepassing op vaartuigen waarmee bedrijfsmatige recreatie wordt uitgeoefend.

  • 4 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 24 m bedraagt, afwijkende regels stellen, indien naar zijn oordeel de algemene inrichting van die vaartuigen dit rechtvaardigt, rekening houdend met de veiligheid van vaartuigen en opvarenden.

Artikel 2. Omschrijvingen

  • 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, verstaan onder:

    • 1°. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

    • 2°. kapitein: elke gezagvoerder van een vaartuig of die deze vervangt;

    • 3°. schepelingen: allen die zich als scheepsofficieren of scheepsgezellen aan boord bevinden of zich als zodanig hebben verbonden; scheepsofficieren zijn de schepelingen aan wie de monsterrol de rang van officier toekent, scheepsgezellen zijn alle overige schepelingen;

    • 4°. Radioreglement: het Radioreglement (Trb. 1981, 78), behorende bij het op 6 november 1982 te Nairobi tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de Telecommunicatie (Trb. 1983, 164);

    • 5°. radio-officier: een persoon in het bezit van ten minste het overeenkomstig de bepalingen van het Radioreglement afgegeven eerste of tweede klasse certificaat van bekwaamheid als radiotelegrafist, of van een algemeen certificaat als radiotelegrafist voor de maritieme mobiele dienst, die te werk is gesteld in het radiotelegraafstation van een vaartuig;

    • 6°. radiotelefonist: een persoon in het bezit van een geëigend certificaat afgegeven in overeenstemming met de bepalingen van het Radioreglement;

    • 7°. radiotelegraafstation: een station voorzien van een radiotelegrafie-installatie;

    • 8°. radiotelefoonstation: een station voorzien van een radiotelefonie-installatie;

    • 9°. radiotelegrafie-installatie: een installatie waarmee men kan zenden en ontvangen op de aan de maritieme dienst toegewezen radiotelegrafie-frequentiebanden;

    • 10°. radiotelefonie-installatie: een installatie waarmee men kan zenden en ontvangen op de aan de maritieme dienst toegewezen radiotelefonie-frequentiebanden;

    • 11°. luisterdienst radiotelegrafie: een luisterdienst welke wordt gehouden op de radiotelegrafienoodfrequentie;

    • 12°. luisterdienst radiotelefonie: een luisterdienst welke wordt gehouden op de radiotelefonienoodfrequentie;

    • 13°. passagiers: alle personen aan boord, met uitzondering van:

      • 13.1. de kapitein en de schepelingen;

      • 13.2. andere personen die, in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het vaartuig in dienst of tewerkgesteld zijn; en

      • 13.3. kinderen die op de dag van inscheping de leeftijd van één jaar nog niet hebben bereikt;

    • 14°. voortstuwingsvermogen:

      • 14.1. het maximale vermogen, uitgedrukt in kiloWatt (kW), dat door de voortstuwingsmachine(s) zonder overbelasting gedurende onbeperkte tijdsduur kan worden geleverd, zoals dit vermogen, op grond van door de fabrikant verstrekte gegevens door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt vastgesteld; of

      • 14.2. een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vastgesteld lager vermogen, indien te zijnen genoegen wordt aangetoond dat slechts dit lagere vermogen ten behoeve van de voortstuwing kan worden gebruikt. Dit vermogen mag niet worden vastgesteld op een waarde die minder is dan 75 percent van het maximale vermogen;

    • 15°. vlampunt: de laagste temperatuur van een vloeistof waarbij deze voldoende damp aan de lucht afgeeft om een explosief mengsel van damp en lucht te doen ontstaan. Het vlampunt moet worden bepaald volgens de gesloten-kroes-methode van Abel, Abel-Pensky of Pensky-Martens en gecorrigeerd voor een barometerstand van 760 mm kwikkolom;

    • 16°. goedgekeurd: goedgekeurd door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie;

    • 17°. lengte (L): de lengte gelijk aan 96 percent van de lengte van de lastlijn op 85 percent van de kleinste holte gemeten vanaf de kiellijn, dan wel gelijk aan de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op deze lastlijn gemeten, indien deze laatste lengte groter is. Bij schepen die met stuurlast zijn ontworpen, moet de lastlijn waarop deze lengte wordt gemeten, evenwijdig aan de constructiewaterlijn worden genomen;

    • 18°. loodlijnen: de loodlijnen op het voorste en het achterste punt van de lengte. De voorloodlijn moet getrokken worden door het snijpunt van de lastlijn waarop de lengte is gemeten en de voorzijde van de voorsteven;

    • 19°. breedte (B): de grootste breedte van het vaartuig, uitgedrukt in meters, midscheeps gemeten op de buitenkant der spanten bij een vaartuig met een metalen huid en op de buitenkant van de huid bij een vaartuig met een huid van een ander materiaal;

    • 20°. holte:

      • 20.1. de vertikale afstand, uitgedrukt in meters, gemeten vanaf de kiellijn tot de bovenkant van de balken van het werkdek in de zijde;

      • 20.2. bij vaartuigen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, wordt de holte gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte onderzijde van de dekbeplating en de binnenzijde van de huidbeplating;

      • 20.3. indien het werkdek verspringt en het verhoogde gedeelte zich uitstrekt voorbij het punt waar de holte moet worden bepaald, wordt de holte gemeten tot een lijn die vanaf het lage gedeelte van het dek, evenwijdig aan het verhoogde gedeelte wordt doorgetrokken;

    • 21°. holte (D): de holte midscheeps gemeten;

    • 22°. hoogst gelegen lastlijn: de lastlijn behorende bij de maximum toelaatbare diepgang tijdens de reis;

    • 23°. maximum toelaatbare diepgang: de grootste diepgang welke door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toelaatbaar wordt geacht;

    • 24°. midscheeps: het punt gelegen op het midden van de lengte;

    • 25°. grootspant: de doorsnede van de romp die bepaald wordt door de snijding van het oppervlak van de romp naar de mal met een vertikaal vlak dat midscheeps loodrecht staat op het vlak van de waterlijn en het vlak door kiel en stevens;

    • 26°. kiellijn: de lijn die evenwijdig loopt aan de schuinte van de kiel en die midscheeps gaat door:

      • 26.1. de bovenkant van de kielplaat of door de aansnijding van de binnenzijde van de huidbeplating met de stafkiel, indien in een vaartuig met een metalen huid een stafkiel boven die lijn uitsteekt;

      • 26.2. de binnenkant van de sponning in de kiel van een houten of van een composiet vaartuig;

      • 26.3. de aansnijding van de doorgestrookte lijn van de buitenzijde van de huid met de hartlijn van een vaartuig met een huid van een ander materiaal dan hout of metaal;

    • 27°. basislijn: de horizontale lijn die de kiellijn midscheeps snijdt;

    • 28°. werkdek: in het algemeen het doorlopende blootgestelde dek van waar de visserij wordt uitgeoefend. Bij vaartuigen met twee of meer doorlopende dekken, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat een lager dek als werkdek wordt aangemerkt, mits dit dek is gelegen boven de hoogst gelegen lastlijn;

    • 29°. bovenbouw: de overdekte constructie op het werkdek, die zich van boord tot boord uitstrekt of waarvan de afstand van de zijbeplating tot elk boord niet groter is dan 4 percent van de breedte;

    • 30°. gesloten bovenbouw: een bovenbouw waarvan:

      • 30.1. de eindschotten voldoende sterk zijn;

      • 30.2. de eventuele toegangsopeningen in de eindschotten zijn voorzien van vast aangebrachte deuren die dicht zijn tegen weer en wind en van gelijke sterkte als het schot, alsof daarin geen opening aanwezig was, en die aan beide zijden kunnen worden geopend en gesloten;

      • 30.3. alle openingen in de zijden, alsmede alle overige openingen in de eindschotten zijn voorzien van doeltreffende middelen waarmede deze openingen dicht tegen weer en wind kunnen worden afgesloten; en

      • 30.4. afzonderlijke toegangen voor de bemanning naar de binnen een brughuis of een kampanje gelegen voortstuwingsruimten en andere werkruimten, te allen tijde kunnen worden gebruikt, wanneer de openingen in de schotten zijn gesloten;

    • 31°. opbouwdek: dat doorlopende dek of dekgedeelte dat de bovenkant van een bovenbouw, dekhuis of andere opbouw vormt en dat ten minste 1,80 m boven het werkdek ligt. In gevallen waarin de hoogte minder is dan 1,80 m, wordt de bovenkant van zulk een bovenbouw, dekhuis of andere opbouw gelijkgesteld met het werkdek;

    • 32°. hoogte van een bovenbouw, dekhuis of andere opbouw: de kleinste vertikale hoogte gemeten in de zijde vanaf de bovenkant van de balken van het opbouwdek tot de bovenkant van de balken van het werkdek;

    • 33°. dicht tegen weer en wind: zodanig dicht dat onder alle omstandigheden die zich op zee kunnen voordoen, geen water in het vaartuig kan binnendringen;

    • 34°. waterdicht: het vermogen van de constructie om het doorlaten van water in enige richting te voorkomen bij een waterdruk waartegen de omgevende constructie volgens het ontwerp bestand is;

    • 35°. aanvaringsschot: een waterdicht schot dat in het voorste deel van het vaartuig tot het werkdek is opgetrokken en dat aan de volgende voorwaarden voldoet:

      • 35.1. het schot moet zodanig zijn geplaatst dat de afstand tot de voorloodlijn:

        • 1°. niet kleiner is dan 5 percent en niet groter is dan 8 percent van de lengte bij vaartuigen waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt;

        • 2°. niet kleiner is dan 5 percent van de lengte en niet groter is dan 5 percent van de lengte, vermeerderd met 1,35 m, bij vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, behoudens uitzonderingen toegestaan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie;

        • 3°. in geen geval kleiner is dan 2 m;

      • 35.2. in geval, ten gevolge van een afwijkende stevenvorm, enig deel van het onderwatergedeelte van het vaartuig zich uitstrekt tot vóór de voorloodlijn, moet de afstand als bedoeld onder 35.1 van dit onderdeel worden gemeten vanaf een punt halverwege het deel dat zich voor de voorloodlijn uitstrekt of vanaf een punt dat 1,5 percent van de lengte voor de voorloodlijn ligt, al naar gelang welke afstand kleiner is;

      • 35.3. indien het aanvaringsschot voorzien is van trapsgewijze sprongen of nissen moeten deze binnen de beperkingen vallen als voorgeschreven onder 35.1 van dit onderdeel;

    • 36°. hoofdstuurinrichting: de stuurmachine, de krachtwerktuigen hiervoor, indien aanwezig, en de bijbehorende inrichtingen, alsmede het middel om het koppel op de roerkoning (bijv. de helmstok of het kwadrant) over te brengen, benodigd om de roeruitslag te bewerkstelligen met het doel het vaartuig onder normale bedrijfsomstandigheden te kunnen besturen;

    • 37°. krachtwerktuig voor de stuurinrichting:

      • 37.1. bij een elektrische stuurinrichting: een elektromotor met de daarbij behorende elektrische apparatuur;

      • 37.2. bij een elektrisch-hydraulische stuurinrichting: een elektromotor met de daarbij behorende elektrische apparatuur en de aangesloten pomp; en

      • 37.3. bij een ander type hydraulische stuurinrichting: een pomp en het werktuig voor de aandrijving daarvan;

    • 38°. hulpstuurinrichting: de inrichting waarmede de roeruitslag wordt bewerkstelligd voor de besturing van het vaartuig wanneer de hoofdstuurinrichting is uitgevallen;

    • 39°. bedieningsinstallatie van de stuurinrichting: de uitrusting waarmede de opdrachten worden overgedragen vanaf de brug naar de krachtwerktuigen voor de stuurinrichting. Bedieningsinstallaties van stuurinrichtingen bestaan uit gevers, ontvangers, hydraulische verstelpompen met daarbij behorende motoren, bedieningen voor motoren, pijpleidingen en kabels;

    • 40°. maximum dienstsnelheid vooruit: de grootste snelheid waarvoor het vaartuig is ontworpen en die tijdens de vaart op zee gehandhaafd moet kunnen worden bij de maximum toelaatbare diepgang tijdens de reis;

    • 41°. maximum snelheid achteruit: de geschatte snelheid die het vaartuig kan bereiken bij het ontworpen vermogen voor het achteruitvaren op de maximum toelaatbare diepgang tijdens de reis;

    • 42°. oliestookinrichting: de installatie gebruikt voor de toebereiding van brandstofolie voor levering aan een met olie gestookte ketel, of die installatie gebruikt voor de toebereiding van olie voor levering aan een verbrandingsmotor, met inbegrip van alle oliedrukpompen, filters en verhitters die olie behandelen onder een druk van meer dan 0,18 N/mm2;

    • 43°. normale toestanden van bedrijfsvoering en leefbaarheid: de toestanden waarin het vaartuig in zijn geheel, met inbegrip van de werktuigen, dienstuitoefening, hoofd- en hulpwerktuigen ten behoeve van de voortstuwing, stuurinrichting en bijbehorende uitrusting, hulpmiddelen voor een veilige navigatie en voor de beperking van de gevaren van brand en vervulling, middelen voor interne en externe communicatie en seinapparatuur, voorzieningen voor ontsnapping en lieren voor reddingboten en hulpverleningsboten, goed functioneert en waarbij aan minimum voorwaarden voor een comfortabel verblijf aan boord wordt voldaan;

    • 44°. dood-schip-toestand: de toestand waarbij de hoofdvoortstuwingsinstallatie, ketels en hulpwerktuigen niet in bedrijf zijn;

    • 45°. hoofdschakelbord: een schakelbord dat rechtstreeks wordt gevoed door de elektrische hoofdkrachtbron en bestemd is om de elektrische energie voor alle diensten te verdelen;

    • 46°. noodschakelbord: een schakelbord dat, in het geval dat de voeding van de elektrische hoofdkrachtbron uitvalt, direct wordt gevoed door de elektrische noodkrachtbron of door de tijdelijke noodkrachtbron, en bestemd is om de elektrische energie over de nooddiensten te verdelen;

    • 47°. elektrische hoofdkrachtbron: een krachtbron welke elektrische energie moet kunnen leveren aan het hoofdschakelbord voor de verdeling naar alle systemen nodig om het schip in normale toestanden van bedrijfsvoering en leefbaarheid te kunnen houden;

    • 48°. elektrische noodkrachtbron: een krachtbron voor elektrische energie, bestemd om het noodschakelbord te voeden in het geval dat de voeding van de elektrische noodkrachtbron uitvalt;

    • 49°. tijdelijk onbemande machinekamers: die ruimten waarin zich de hoofdvoortstuwingswerktuigen en bijbehorende installaties, alsmede alle elektrische hoofdkrachtbronnen bevinden en die niet te allen tijde bij alle werkzaamheden, met inbegrip van het manoeuvreren, bemand behoeven te zijn;

    • 50°. onbrandbaar materiaal: een materiaal dat noch brandt, noch ontvlambare gassen in voldoende hoeveelheid afgeeft om bij verhitting tot ongeveer 750°C tot zelfontbranding over te gaan, hetgeen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet worden aangetoond door middel van een door hem aanvaarde beproevingsmethode. Elk ander materiaal is brandbaar materiaal;

    • 51°. standaard-brandproef: een proef waarbij gedeelten van de betrokken schotten of dekken in een proef-oven blootgesteld worden aan temperaturen die ongeveer overeenkomen met de standaard tijdtemperatuurkromme. De gedeelten van de betrokken schotten of dekken moeten een blootgestelde oppervlakte hebben van ten minste 4,65 m2 en een hoogte, of lengte van het dek, van 2,44 m; zij moeten zo nauwkeurig mogelijk overeenkomen met de voorgenomen constructie en waar nodig ten minste één naad bevatten. Met de standaard tijdtemperatuurkromme wordt bedoeld een gelijkmatig verlopende kromme door de volgende punten gemeten boven de aanvankelijke temperatuur in de oven:

      aan het einde van de eerste 5 minuten: 556°C,

      aan het einde van de eerste 10 minuten: 659°C,

      aan het einde van de eerste 15 minuten: 718°C,

      aan het einde van de eerste 30 minuten: 821°C,

      aan het einde van de eerste 60 minuten: 925°C;

    • 52°. schotten van klasse «A»: schotten en dekken die aan de volgende eisen voldoen:

      • 52.1. zij moeten geconstrueerd zijn van staal of van ander, gelijkwaardig materiaal;

      • 52.2. zij moeten voldoende verstijfd zijn;

      • 52.3. zij moeten tot aan het einde van de standaard-brandproef van één uur de doortocht van rook en vlammen kunnen verhinderen;

      • 52.4. zij moeten zodanig geïsoleerd zijn met goedgekeurde onbrandbare materialen dat de gemiddelde temperatuur aan de niet-blootgestelde zijde niet meer dan 139°C boven de begintemperatuur stijgt, noch de temperatuur op enig punt, de naden inbegrepen, meer dan 180°C boven de begintemperatuur stijgt binnen de onderstaand aangegeven tijd:

        klasse «A-60» : 60 minuten,

        klasse «A-30» : 30 minuten,

        klasse «A-15» : 15 minuten,

        klasse «A-0» : 0 minuten; en

      • 52.5. het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan beproeving eisen van een prototype van een schot van klasse «A» teneinde zekerheid te verkrijgen dat dit voldoet aan bovengenoemde eisen omtrent stijfheid, doorlaten van rook en vlammen en de beperking van de temperatuurstijging;

    • 53°. schotten van klasse «B»: schotten, dekken, plafonds of beschietingen die aan de volgende eisen voldoen:

      • 53.1. zij moeten tot aan het einde van het eerste half uur van de standaard-brandproef de doortocht van vlammen kunnen verhinderen;

      • 53.2. zij moeten een zodanig isolerend vermogen hebben dat de gemiddelde temperatuur aan de niet-blootgestelde zijde niet meer dan 139°C boven de begintemperatuur stijgt, noch de temperatuur op enig punt, de naden inbegrepen, meer dan 225°C boven de begintemperatuur stijgt binnen de onderstaand aangegeven tijd:

        klasse «B-15» : 15 minuten,

        klasse «B- 0» : 0 minuten;

      • 53.3. zij moeten zijn opgebouwd uit goedgekeurde onbrandbare materialen en alle materialen die gebruikt worden voor schotten van klasse «B» en voor het aanbrengen daarvan, dienen onbrandbaar te zijn, behoudens dat brandbare fineerlagen kunnen worden toegestaan onder voorwaarde dat die voldoen aan de daarop van toepassing zijnde voorschriften van dit besluit; en

      • 53.4. het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan de beproeving eisen van een prototype van een schot van klasse «B» teneinde zekerheid te verkrijgen dat dit voldoet aan bovengenoemde eisen omtrent het doorlaten van vlammen en de beperking van de temperatuurstijging;

    • 54°. schotten van klasse «C»: schotten en dekken welke zijn opgebouwd uit goedgekeurde onbrandbare materialen. Zij behoeven niet te voldoen aan eisen betreffende het doorlaten van rook en vlammen of de beperking van de temperatuurstijging. Brandbare fineerlagen kunnen worden toegestaan onder voorwaarde dat die voldoen aan de daarop van toepassing zijnde voorschriften van dit besluit;

    • 55°. schotten van klasse «F»: schotten, dekken, plafonds of beschietingen die aan de volgende eisen voldoen:

      • 55.1. zij moeten tot aan het einde van het eerste half uur van de standaard-brandproef de doortocht van vlammen kunnen verhinderen;

      • 55.2. zij moeten een zodanig isolerend vermogen hebben dat de gemiddelde temperatuur aan de niet-blootgestelde zijde tot aan het einde van het eerste half uur van de standaard-brandproef niet meer dan 139°C boven de begintemperatuur stijgt, noch de temperatuur op enig punt, de naden inbegrepen, meer dan 225°C boven de begintemperatuur stijgt; en

      • 55.3. het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan de beproeving eisen van een prototype van een schot van klasse «F», teneinde zekerheid te verkrijgen dat dit voldoet aan bovengenoemde eisen omtrent het doorlaten van vlammen en de beperking van de temperatuurstijging;

    • 56°. doorlopende plafonds of beschietingen van klasse «B»: plafonds of beschietingen van klasse «B» die slechts eindigen bij een schot van klasse «A» of «B»;

    • 57°. staal of ander, gelijkwaardig materiaal: staal, of elk onbrandbaar materiaal dat zelf, of door middel van isolatiemateriaal, een brandwerendheid heeft die gelijkwaardig is aan die van staal tot aan het einde van de van toepassing zijnde standaard-brandproef. Aluminiumlegering, voorzien van een doeltreffende isolatie, kan als zodanig worden aanvaard;

    • 58°. laag vlamverspreidend vermogen: de eigenschap die aangeeft dat het aldus omschreven oppervlak de vlamuitbreiding op voldoende wijze kan beperken. Deze eigenschap dient ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te worden aangetoond door middel van een door hem aanvaarde beproevingsmethode;

    • 59°. ruimten voor accommodatie: ruimten bestemd voor algemeen gebruik, gangen, toiletten, hutten, kantoren, ziekenverblijven, bioscopen, ontspanningsruimten, afzonderlijke pantries zonder voorzieningen om te koken, en soortgelijke ruimten;

    • 60°. ruimten voor algemeen gebruik: die delen van de accommodatie welke in gebruik zijn als portalen, eetzalen, salons, en soortgelijke permanent ingesloten ruimten;

    • 61°. dienstruimten: ruimten die gebruikt worden voor kombuizen, pantries met voorzieningen om te koken, kasten en voorraadkamers, werkplaatsen andere dan die welke deel uitmaken van de ruimten voor machines, en soortgelijke ruimten, zomede de bijbehorende schachten;

    • 62°. controlestations: ruimten waarin de radio-installatie van het vaartuig, de voornaamste navigatiemiddelen of de elektrische noodkrachtbron zijn ondergebracht of die waarin de uitrusting voor de brandmelding of de brandcontrole is samengebracht;

    • 63°. ruimten voor machines van categorie A: alle ruimten met inbegrip van de bijbehorende schachten, waarin zijn ondergebracht:

      • 63.1. verbrandingsmotoren of gasturbines, die worden gebruikt als hoofdvoortstuwingswerktuig;

      • 63.2. verbrandingsmotoren of gasturbines, andere dan die worden gebruikt als hoofdvoortstuwingswerktuig indien zodanige machines een gezamenlijk vermogen hebben van 375 kW of meer; of

      • 63.3. met olie gestookte ketels of oliestookinrichtingen;

    • 64°. ruimten voor machines: alle ruimten voor machines van categorie A en alle andere ruimten waarin voortstuwingswerktuigen, ketels, oliestookinrichtingen, stoommachines en verbrandingsmotoren, gasturbines, generatoren en belangrijke elektrische werktuigen, olielaadstations, koelmachine-installaties, stabilisatie-inrichtingen, luchtverversings- en luchtbehandelingsinstallaties zijn ondergebracht, en soortgelijke ruimten, zomede de bijbehorende schachten;

    • 65°. ontdekking: de vaststelling van de plaats van de overlevenden of de groepsreddingmiddelen;

    • 66°. inschepingsladder: de ladder die op de inschepingsplaats voor de groepsreddingmiddelen is aangebracht ten einde een veilige toegang te bieden tot de groepsreddingmiddelen nadat deze te water gelaten zijn;

    • 67°. te water laten door middel van vrij opdrijven: de methode van te water laten van een groepsreddingmiddel waarbij dit automatisch van een zinkend vaartuig wordt ontkoppeld en klaar is voor gebruik;

    • 68°. overlevingspak: een beschermend pak dat het verlies van lichaamswarmte van een persoon gekleed in zulk een pak liggend in koud water, vermindert;

    • 69°. opblaasbaar toestel: een toestel waarvan het drijfvermogen afhankelijk is van niet-verstijfde, met gas gevulde drijfkamers en dat gewoonlijk, tot aan de klaar voor gebruik situatie, in niet-opgeblazen toestand wordt gehouden;

    • 70°. toestel in opgeblazen toestand: een toestel waarvan het drijfvermogen afhankelijk is van niet-verstijfde, met gas gevulde drijfkamers en dat permanent in opgeblazen toestand en klaar voor gebruik wordt gehouden;

    • 71°. tewaterlatingsmiddel of -voorziening: een middel of voorziening om een groepsreddingmiddel of hulpverleningsboot vanaf de opstellingsplaats veilig te water te brengen;

    • 72°. reddingmiddelen of -voorzieningen van een nieuw ontwerp: reddingmiddelen of -voorzieningen die nieuwe eigenschappen bevatten die niet geheel vallen onder de voorschriften van dit besluit, maar die een gelijke of hogere norm van veiligheid bieden;

    • 73°. hulpverleningsboot: een boot ontworpen om personen in nood uit het water te kunnen halen en voor het bij elkaar brengen van reddingvlotten;

    • 74°. lichtterugkaatsend materiaal: materiaal dat een lichtstraal die daarop gericht wordt, in tegengestelde richting terugkaatst;

    • 75°. groepsreddingmiddel: een middel dat personen die in nood verkeren, in leven kan houden vanaf het moment dat zij het vaartuig verlaten;

    • 76°. hulpmiddel tegen warmteverlies: een zak of pak, vervaardigd uit waterdicht materiaal met een zeer lage warmtegeleiding;

    • 77°. gediplomeerd sloepsgast: elk lid der bemanning dat in het bezit is van een diploma als stuurman , of als sloepsgast, als bedoeld in hoofdstuk 12, paragraaf 3;

    • 78°. een vaartuig gebouwd: een vaartuig waarvan:

      • 78.1. de kiel is gelegd; of

      • 78.2. de aanbouw, herkenbaar als behorend tot een bepaald schip, is aangevangen en is aangevangen met de samenbouw die ten minste 50 000 kg moet omvatten of één percent van de geschatte massa van al het bouwmateriaal, welke van deze twee waarden de laagste is.

    • 79°. laagst gelegen lastlijn: de lastlijn behorende bij de beladingstoestand, waarbij het vaartuig is beladen met een restant brandstof en zoetwater overeenkomende met 10 percent van de beschikbare inhoud van de betreffende tanks en met een lading in het visruim gelijk aan 20 percent van de lading die in het visruim in rekening moet worden gebracht voor de beoordeling van de stabiliteit;

    • 80. klassebureau: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, aangewezen krachtens artikel 6, tweede lid, van de Schepenwet en krachtens artikel 6 van het Schepenbesluit 1965.

  • 2 Voor de toepassing van dit besluit wordt onder «vaartuig» begrepen een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Schepenwet alsmede een vissersvaartuig dat over zee naar zijn bestemming wordt gesleept.

  • 3 Voor de toepassing van dit besluit worden personen, die tengevolge van schipbreuk of andere bijzondere, onvoorziene omstandigheden aan boord zijn genomen, niet als passagiers aangemerkt.

  • 4 Voor de toepassing van dit besluit wordt, ook wat de strafbepalingen betreft, onder «eigenaar» verstaan de persoon die het beheer over het vaartuig heeft, hetzij hij eigenaar, reder of boekhouder is van de rederij van het vaartuig, hetzij hem het vaartuig in gebruik is gegeven.

Artikel 3. Vrijstellingen en ontheffingen [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 4. Wederzijdse erkenning

  • 1 Met de bij of krachtens dit besluit vastgestelde technische normen of technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische normen of technische eisen, vastgesteld door of vanwege een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

  • 2 Met de bij of krachtens dit besluit geëiste typegoedkeuringen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige typegoedkeuringen, geëist door of vanwege een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel door of van-wege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Artikel 5. Gevallen van overmacht

  • 1 Indien één of meer bepalingen van dit besluit op het ogenblik dat een reis wordt ondernomen niet op een vaartuig van toepassing zijn, zullen zij, voorzover het vaartuig tengevolge van slecht weer of tengevolge van een ander geval van overmacht is genoodzaakt van de voorgenomen reis af te wijken, niet op dit vaartuig van toepassing worden.

  • 2 Bij de beoordeling van de vraag of een bepaling van dit besluit op een vaartuig van toepassing is, wordt met personen die zich daar aan boord bevinden tengevolge van overmacht of tengevolge van een wettelijke verplichting van de kapitein om hetzij schipbreukelingen, hetzij andere in nood verkerende personen te vervoeren, geen rekening gehouden.

Artikel 6. Aanvullende voorschriften

  • 1 In het belang van een goede uitvoering van dit besluit kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere voorschriften worden gegeven.

  • 2 De ambtenaren, bedoeld in artikel 10 van de Schepenwet, kunnen in elk bijzonder geval, rekening houdende met de ter zake door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gegeven algemene aanwijzingen, voorschriften geven ter bevordering van de juiste naleving van het bepaalde in dit besluit.

Artikel 7. Vaargebieden

  • 1 De bouw, de inrichting, de uitrusting, of de toestand van het vaartuig, kunnen leiden tot beperkingen van het vaargebied dat door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aan elk vaartuig wordt toegekend.

  • 2 De grenzen van de in het voorgaande lid bedoelde vaargebieden worden vastgesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

§ 2. Onderzoek

Artikel 8. Voortdurend toezicht [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 9. Klassebureaus

  • 1 Voordat een eerste onderzoek plaatsvindt, kiest de eigenaar of de bouwer van een schip voor de regels van een bepaald klassebureau. Bij volgende onderzoeken worden de regels van dat klassebureau toegepast.

  • 2 De zeewaardigheid van een vaartuig wordt met betrekking tot de bouw en de uitrusting beoordeeld volgens de regels van een krachtens het eerste lid gekozen klassebureau, voor zover deze regels niet in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens dit besluit.

  • 3 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan keuringen die zijn verricht door een klassebureau gelijkstellen met keuringen die zijn verricht door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 10. Medewerking bij onderzoek

De eigenaar, de kapitein en de schepelingen zijn verplicht aan degene die een onderzoek verricht alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs bij de uitoefening van zijn taak kan vorderen.

Artikel 11. Toegankelijk maken voor onderzoek [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 12. Onderzoeken

  • 1 Een vaartuig is, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, onderworpen aan de volgende onderzoeken:

    • 1°. een onderzoek voordat het vaartuig in dienst wordt gesteld;

    • 2°. tussentijdse onderzoeken;

    • 3°. periodieke onderzoeken; en

    • 4°. aanvullende onderzoeken.

  • 2 Het in het eerste lid, onder 1, bedoelde onderzoek voordat het vaartuig in dienst wordt gesteld, omvat: een volledige inspectie van de constructie, de voor de visserij bestemde inrichtingen, machine-installaties, algemene inrichting en het materiaal, met inbegrip van de romp van het vaartuig aan de buitenzijde en het in- en uitwendige van de ketels en uitrusting, benevens een beoordeling van de stabiliteit. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de stabiliteit, de algemene inrichting, het materiaal en de verbanddelen van de romp, ketels en andere drukvaten met toebehoren, hoofd- en hulpwerktuigen, elektrische installaties, radio-installaties, radiotelegrafie-installaties in reddingboten, draagbare radiotoestellen voor groepsreddingmiddelen, nood radiobakens voor groepsreddingmiddelen, reddingmiddelen, brandontdekkings- en brandblusmiddelen, brandbeveiligingsplannen, radars, echoloden, gyrokompassen en andere uitrusting ten volle voldoen aan de eisen van dit besluit. Het onderzoek moet ook zodanig zijn, dat het zeker is dat de technische uitvoering van alle delen van het vaartuig en zijn uitrusting in alle opzichten bevredigend is en dat het vaartuig is voorzien van de lichten, dagmerken, middelen voor het geven van geluidsseinen en noodseinen zoals vereist krachtens de voorschriften van dit besluit. In het geval loodsladders worden meegevoerd, moeten deze eveneens onderzocht worden teneinde zeker te stellen dat zij deugdelijk zijn en voldoen aan het daaromtrent bepaalde in dit besluit.

  • 3 Het in het eerste lid, onder 2, bedoelde tussentijdse onderzoek omvat elk jaar een inspectie van de constructie, de voor de visserij bestemde inrichtingen, de machine-installatie en de uitrusting van het vaartuig. Het tussentijdse onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat geen wijzigingen zijn aangebracht waardoor de veiligheid van het vaartuig of de opvarenden nadelig zou worden beïnvloed.

  • 4 Het in het eerste lid, onder 3, bedoelde periodieke onderzoek omvat:

    • 1°. elke vijf jaar een inspectie waar het de constructie en de machine-installatie van het vaartuig betreft, bedoeld in de hoofdstukken 2, 3, 4, 5 en 6;

    • 2°. elke twee jaar een inspectie waar het de uitrusting van het vaartuig betreft, bedoeld in de hoofdstukken 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 10; en

    • 3°. een jaarlijkse inspectie van de medische uitrusting aan boord, met de daarbij behorende controlelijsten en handleidingen, bedoeld in de artikelen 231, 237, en 317, derde lid, van de medicijnkisten aan boord van reddingboten en hulpverleningsboten, bedoeld in artikel 221, tweeënveertigste lid, onderdeel 20, onderscheidenlijk artikel 223, elfde lid, onderdeel 9, en van de radio-installaties, de radiorichtingzoeker en de radar, bedoeld in de hoofdstukken 9 en 10.

    Een periodiek onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat alle in het tweede lid genoemde onderdelen in een bevredigende toestand verkeren en geschikt zijn voor de dienst waarvoor zij zijn bestemd, dat zij voldoen aan de eisen van dit besluit, voorzover deze van toepassing zijn, en dat de stabiliteitsgegevens aan boord onmiddellijk beschikbaar zijn. In het geval de geldigheidsduur van het certificaat, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, wordt verlengd, kan de tussenliggende tijd van het periodieke onderzoek overeenkomstig worden verlengd.

  • 5 De in het eerste lid, onder 4, bedoelde aanvullende onderzoeken dienen hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, al naar gelang de omstandigheden, te worden gehouden telkens wanneer zich een ongeval heeft voorgedaan of een onvolkomenheid is ontdekt, waardoor de veiligheid van het vaartuig of de doeltreffendheid of volledigheid van de reddingmiddelen of andere uitrusting kan zijn aangetast of wanneer belangrijke herstellingen of vernieuwingen worden uitgevoerd. Het onderzoek moet zodanig zijn, dat het zeker is dat de noodzakelijke herstellingen of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de uitvoering van zulke reparaties of vernieuwingen in alle opzichten bevredigend zijn en dat het vaartuig in alle opzichten voldoet aan de eisen van dit besluit.

Artikel 13. Stoom- en damptoestellen

Het onderzoek van stoom- en damptoestellen geschiedt in overeenstemming met de regels die zijn vastgesteld door het klassebureau, voorzover bij of krachtens dit besluit daaromtrent geen nadere regels zijn gegeven.

Artikel 14. Onderzoek van de romp aan de buitenzijde

  • 1 Van een vaartuig moet ten minste eenmaal in de 36 maanden de gehele romp aan de buitenzijde worden onderzocht, met dien verstande dat het tijdsverloop tot het volgende onderzoek van de romp aan de buitenzijde zodanig is dat het vaartuig ten minste twee zulke onderzoeken ondergaat in een periode van 5 jaar.

  • 2 Afhankelijk van de leeftijd van het vaartuig, het materiaal van de romp, de toestand van de romp tijdens het laatste onderzoek en de getroffen voorzieningen ter bescherming tegen corrosie en intering, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een kortere periode tussen 2 opeenvolgende onderzoeken van de romp aan de buitenzijde eisen, dan toegestaan in het eerste lid.

Artikel 15. Verplichte kennisgeving

Telkens wanneer van een vaartuig de romp aan de buitenzijde zal worden onderzocht, of wanneer aan het vaartuig of aan de werktuigen herstellingen zullen plaatshebben, moet hiervan tijdig aan de Scheepvaartinspectie worden kennis gegeven, opdat deze in de gelegenheid zal zijn hierbij toezicht te houden of te doen houden.

Artikel 16. Handhaving van de toestand na een onderzoek

Nadat een onderzoek als bedoeld in artikel 12, is beëindigd:

  • 1°. dient de toestand van het vaartuig en de uitrusting te worden gehandhaafd in overeenstemming met het bepaalde in dit besluit, voorzover dit van toepassing is, om zeker te stellen dat het vaartuig in alle opzichten veilig blijft om zonder gevaar voor vaartuig en opvarenden naar zee te vertrekken; en

  • 2°. mag, zonder goedkeuring van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, generlei verandering in de constructie, in de werktuiglijke inrichting en in de uitrusting worden aangebracht, voorzover deze aan het onderzoek waren onderworpen.

Artikel 17. Wijze van handelen bij schade

  • 1 Indien een vaartuig schade heeft opgelopen of zich iets heeft voorgedaan waardoor het vermoeden rijst dat schade dan wel een gebrek is ontstaan, waardoor de veiligheid van het vaartuig of de deugdelijkheid of volledigheid van de reddingmiddelen of van de andere uitrusting kan zijn beïnvloed, dient de kapitein de Scheepvaartinspectie, zo spoedig mogelijk in te lichten.

  • 2 Indien een van de gevallen als bedoeld in het eerste lid zich heeft voorgedaan en het vaartuig bevindt zich in een haven buiten Nederland, buiten de Nederlandse Antillen of buiten Aruba, dan dient de kapitein bovendien onmiddellijk de ter plaatse bevoegde autoriteiten in te lichten. De reis mag niet worden voortgezet voordat de kapitein met een surveyor van het klassebureau in verbinding is getreden en voordat deze een verklaring heeft afgegeven, inhoudende dat de herstelling naar behoren is geschied of dat de reis zonder bezwaar kan worden vervolgd.

  • 3 Indien in de haven buiten Nederland, buiten de Nederlandse Antillen of buiten Aruba de in het voorgaande lid bedoelde surveyor niet ter plaatse is of zal komen, is de kapitein bevoegd met inachtneming van het bepaalde in artikel 9, derde lid, van de Schepenwet de reis te vervolgen, tenzij de ter plaatse bevoegde autoriteiten zich hiertegen verzetten. De kapitein dient een en ander in het scheepsdagboek te doen aantekenen en zo mogelijk te doen vaststellen door een ter plaatse aanwezige Nederlandse consulaire ambtenaar.

Artikel 18. Kosten van onderzoek [Vervallen per 01-05-1998]

§ 3. Certificaten

Artikel 19. Vorm en inhoud van certificaten [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 20. Aanvragen van certificaten

  • 1 Voor het verkrijgen van een certificaat moet de eigenaar of de bouwer van het vaartuig een aanvraag indienen bij de Scheepvaartinspectie.

  • 2 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels stellen betreffende de aanvraag ter verkrijging van een certificaat en de daarbij over te leggen tekeningen en gegevens van het vaartuig.

Artikel 21. Het ter inzage leggen van certificaten

Alle op grond van dit besluit afgegeven certificaten of gewaarmerkte afschriften daarvan moeten ter inzage liggen op een voor alle schepelingen toegankelijke plaats, onder aanduiding van de plaats op een zichtbare wijze, zodat zij van de inhoud daarvan behoorlijk kunnen kennisnemen.

Artikel 22. Certificaat van deugdelijkheid

  • 1 Behoudens het bepaalde in het vierde lid, wordt een certificaat van deugdelijkheid afgegeven nadat bij het onderzoek bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 1 en 3, en ook overigens is gebleken, dat aan de voorschriften van dit besluit is voldaan.

  • 2 De aanvraag tot het verkrijgen van een eerste certificaat van deugdelijkheid moet vergezeld gaan van de voor de controle van bouw en inrichting benodigde tekeningen en berekeningen, voorzover deze tevoren nog niet waren ingezonden, van het bewijs van inschrijving in het centraal visserij-register en van de meetbrief of van gewaarmerkte afschriften van deze stukken.

  • 3 Voor een vaartuig voorzien van een stoomketelinstallatie, moet elke aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat van deugdelijkheid vergezeld gaan van een opgave van de datum van het laatste onderzoek van genoemde installatie.

  • 3 Voor een vaartuig onder toezicht van een van de klassebureaus, moet bij elke aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat van deugdelijkheid bovendien het op het ogenblik van aanvraag geldige certificaat van dat bureau worden overgelegd. Bevindt het vaartuig zich in het buitenland, dan kan met toezending van een gewaarmerkt afschrift van dat certificaat worden volstaan.

  • 4 Voor een vaartuig waarvoor een certificaat als bedoeld in het derde lid, onder 2, is overgelegd, kan een certificaat van deugdelijkheid worden afgegeven, tenzij aan de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie bij onderzoek blijkt dat het certificaat van het klassebureau ten onrechte werd toegekend of dat sedert die toekenning de toestand van het vaartuig zodanig is veranderd, dat de zeewaardigheid onvoldoende is geworden of dat uit anderen hoofde tegen de afgifte van een certificaat van deugdelijkheid bezwaar bestaat.

  • 5 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt vast voor welk tijdvak het certificaat van deugdelijkheid zal gelden.

  • 5 De geldigheidsduur van een certificaat van deugdelijkheid kan door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden verlengd, nadat ten genoegen van genoemd hoofd is gebleken dat aan de betreffende voorschriften van dit besluit is voldaan.

  • 6 Op het certificaat van deugdelijkheid wordt het vaargebied, bedoeld in artikel 7, eerste lid, vermeld.

Artikel 23. Veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen

  • 1 Een vaartuig moet een veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen aan boord hebben.

  • 2 Een veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen wordt afgegeven nadat bij een onderzoek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 1 en 3, is gebleken, dat aan de voorschriften van de hoofdstukken 2 tot en met 10 is voldaan.

  • 3 De aanvraag tot het verkrijgen van een veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen moet vergezeld gaan van de nodige gegevens betreffende de redding- en veiligheidsmiddelen, de verdere uitrusting en van de radio-installaties en -toestellen.

  • 4 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt vast voor welk tijdvak een door hem afgegeven veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen zal gelden, met dien verstande dat dit tijdvak niet langer mag zijn dan vijf jaar.

  • 4 Indien een vaartuig zich ten tijde van het aflopen van de geldigheidsduur van het veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen in het buitenland bevindt, kan de geldigheidsduur van genoemd certificaat door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden verlengd met een tijdsduur van ten hoogste vijf maanden, teneinde het vaartuig in staat te stellen zijn reis te voltooien naar een haven waar het aan een onderzoek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 3, zal worden onderworpen.

  • 4 Een vaartuig ten behoeve waarvan een verlenging als bedoeld onder 4.2 is verleend, mag, nadat het in de haven waar het aan het onderzoek zal worden onderworpen is aangekomen, niet krachtens een dergelijke verlenging die haven verlaten zonder een nieuw veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen te hebben verkregen.

  • 4 Een niet op grond van het bepaalde onder 4.2 verlengde geldigheidsduur van een veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen kan door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden verlengd voor een tijdsduur van ten hoogste een maand, aanvangende op de op het certificaat vermelde vervaldatum.

  • 5 Het veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen moet door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van aantekeningen worden voorzien waaruit blijkt dat de inspecties bedoeld in artikel 12, derde lid en vierde lid, onder 2 en 3, hebben plaatsgevonden.

Artikel 24. Certificaat van ontheffing

Indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ontheffing verleent, voegt hij aan het desbetreffende certificaat een certificaat van ontheffing toe. De geldigheidsduur van een certificaat van ontheffing kan niet langer zijn dan de geldigheidsduur van het certificaat waarop de ontheffing betrekking heeft.

Artikel 25. Het vervallen van certificaten [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 26. Het intrekken van certificaten

  • 1 Blijkt aan een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie, dat niet meer wordt voldaan aan de eisen die voor de afgifte van enig certificaat waren gesteld en dat in het ontbrekende niet voldoende wordt voorzien, dan trekt hij het betreffende certificaat in.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar een certificaat intrekt, deelt hij dit terstond mede aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. In Nederland draagt het Hoofd zorg voor de bekendmaking van de intrekking. In de Nederlandse Antillen en in Aruba geeft het Hoofd de eigenaar onder opgaaf van redenen bij aangetekend schrijven kennis van de intrekking.

Hoofdstuk 2. Constructie, waterdichte indeling en uitrusting

§ 1. Constructie en waterdichte indeling

Artikel 27. Constructie

  • 1 Materiaal te gebruiken voor de bouw van de scheepsromp en de voornaamste werktuigen alsmede voor verbouwing, belangrijke herstelling of vernieuwing van vitale delen, moet voldoen aan en zijn gekeurd volgens de door een klassebureau gestelde eisen, dan wel voldoen aan het bepaalde in paragraaf 2 en zijn gekeurd op de wijze als daarin is voorgeschreven.

  • 2 De sterkte en de constructie van de romp, bovenbouwen, dekhuizen, schachten van machinekamers, toegangskappen en elke andere constructie en die van de scheepsuitrusting moeten voldoende bestand zijn tegen alle omstandigheden waaronder het vaartuig moet kunnen opereren.

  • 3 Zowel de afmetingen van alle verbanddelen van de in het tweede lid genoemde onderdelen, als de wijze waarop deze ten opzichte van elkaar zijn aangebracht en verbonden, moeten zodanig zijn dat, rekening houdende met de afmetingen van het vaartuig en het vaargebied waarvoor het bestemd is, zowel de algemene sterkte, als het weerstandsvermogen tegen plaatselijk optredende krachten aan redelijke eisen voldoen.

  • 4 De romp van vaartuigen bestemd om in ijs dienst te doen, moet versterkt worden, rekening houdend met de te verwachten omstandigheden tijdens de vaart en in het werkgebied.

  • 5 De uitvoering van het constructiewerk van de in het tweede lid genoemde onderdelen moet aan redelijke eisen voldoen.

  • 6 Schotten, afsluitmiddelen en afsluitingen van openingen in deze schotten, evenals de methoden om deze te beproeven, moeten voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen voorwaarden. Vaartuigen welke zijn vervaardigd van ander materiaal dan hout, moeten zijn voorzien van een aanvaringsschot, van waterdichte schotten die de ruimte voor machines, waarin zich het hoofdvoortstuwingswerktuig bevindt, omsluiten, en van een achterpiekschot, met dien verstande dat het achterpiekschot kan dienen als het achterste machinekamerschot. Deze schotten moeten zijn opgetrokken tot aan het werkdek, met uitzondering van een achterpiekschot dat niet tevens als achterste machinekamerschot dienst doet; dit achterpiekschot dient ten minste te zijn opgetrokken tot het eerste dek boven de hoogst gelegen lastlijn. In houten vaartuigen moeten dergelijke schotten eveneens zijn aangebracht en, voor zover zulks praktisch uitvoerbaar is, moeten deze schotten waterdicht zijn.

  • 7 Pijpen die door het aanvaringsschot zijn gevoerd, moeten zijn voorzien van doelmatige afsluiters, die boven het werkdek moeten kunnen worden bediend en welke tegen het aanvaringsschot in de voorpiek moeten zijn bevestigd. Op de plaats van bediening dient een standaanwijzer te zijn aangebracht die aangeeft of de afsluiter geopend danwel gesloten is. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan evenwel toestaan dat de betreffende afsluiters aan de achterzijde van het aanvaringsschot worden aangebracht en daar ter plaatse bedienbaar zijn mits de afsluiters onder alle bedrijfsomstandigheden gemakkelijk bereikbaar zijn en beschermd zijn tegen beschadiging. Door het aanvaringsschot mag slechts één pijpleiding worden gevoerd, tenzij de voorpiek in twee afdelingen is verdeeld. In dat geval is het toegestaan door het aanvaringsschot twee pijpleidingen te voeren, te weten één pijpleiding voor elke afdeling. In het aanvaringsschot mogen geen deuren, mangaten, ventilatiekokers of andere openingen zijn aangebracht onder het werkdek.

  • 8 Indien een lange bovenbouw op het voorschip is aangebracht, dient als voortzetting van het aanvaringsschot een schot, dicht tegen weer en wind, te zijn aangebracht tussen het werkdek en het dek boven het werkdek. Deze voortzetting van het aanvaringsschot boven het werkdek behoeft niet onmiddellijk te zijn geplaatst boven het aanvaringsschot, mits het wordt geplaatst binnen de grenzen, als bepaald in artikel 2, eerste lid, onder 35.1 en het gedeelte van het dek dat de trapsgewijze verspringing vormt, dicht is tegen weer en wind. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ten aanzien hiervan nadere regels geven.

  • 9 Het aantal openingen in de voortzetting van het aanvaringsschot boven het werkdek moet worden beperkt tot het minimum dat verenigbaar is met de bestemming en de normale bedrijfsuitoefening van het vaartuig. Dergelijke openingen moeten dicht tegen weer en wind kunnen worden afgesloten.

  • 10 In vaartuigen waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moet, voor zover dit praktisch uitvoerbaar is, tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot een waterdichte dubbele bodem zijn aangebracht.

Artikel 28. Waterdichtheid en waterdichte indeling

  • 1 De huid en de wanden van waterdichte afdelingen, zoals schotten, dekken en de tanktop van een dubbele bodem, moeten deugdelijk waterdicht zijn afgewerkt. De huid en deze wanden moeten voldoende zijn verstijfd tegen de waterdruk die ter plaatse, ook in geval van nood, kan optreden.

  • 2 De waterdichte indeling moet zo doeltreffend zijn als redelijkerwijs, in verband met de eisen van het bedrijf, kan worden verlangd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ten aanzien hiervan nadere regels stellen.

Artikel 29. Waterdichte deuren

  • 1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 27, zesde lid, moet het aantal openingen in waterdichte schotten beperkt worden tot het minimum dat verenigbaar is met de algehele inrichting en de noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden op het vaartuig; openingen moeten, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, zijn voorzien van waterdichte afsluitmiddelen. Waterdichte deuren moeten van gelijke sterkte zijn als de aangrenzende constructie, zonder zulke openingen.

  • 2 Waterdichte deuren moeten als schuifdeuren zijn uitgevoerd indien:

    • 1°. deze deuren op zee geopend moeten kunnen worden en de bovenkant van de drempel onder de hoogst gelegen lastlijn ligt, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, rekening houdend met het type en de bestemming van het vaartuig, van oordeel is dat zulks praktisch onuitvoerbaar of niet noodzakelijk is; of

    • 2°. deze toegang geven tot het lagere gedeelte van een ruimte voor machines, van waaruit een schroefastunnel kan worden bereikt.

    In alle andere gevallen kunnen waterdichte deuren draaideuren zijn, die ter plaatse aan beide zijden van de deur moeten kunnen worden geopend en gesloten. Draaideuren waarvan de bovenkant van de drempel is gelegen onder de hoogst gelegen lastlijn, moeten onder normale omstandigheden op zee gesloten blijven, hetgeen aan beide zijden van de deur moet zijn aangegeven.

  • 3 Waterdichte schuifdeuren moeten nog geopend en gesloten kunnen worden wanneer het vaartuig een helling heeft van 15 graden, ongeacht over welke zijde.

  • 4 Waterdichte schuifdeuren moeten ter plaatse van de deur aan beide zijden geopend en gesloten kunnen worden; bovendien moeten deze deuren door middel van afstandbediening geopend en gesloten kunnen worden vanaf een toegankelijke plaats boven het werkdek.

  • 5 Op alle plaatsen van waaruit afstandbediening plaatsvindt, moet een standaanwijzer aanwezig zijn, die aangeeft of een schuifdeur geopend dan wel gesloten is.

Artikel 30. Uitvoering van waterdichte deuren, terugslagkleppen of afsluiters in pijpdoorvoeringen van waterdichte schotten; mangaten

  • 1 Terugslagkleppen of afsluiters in waterdichte schotten, die deel uitmaken van een pijpleidingsysteem, en waterdichte deuren moeten goed sluiten en voldoende sterk zijn en hun bewegings- en sluitingsinrichtingen moeten te allen tijde een goede werking kunnen waarborgen.

  • 2 Mangaten op ruimten voor berging van water en olie en op kofferdammen en droge tanks moeten, wanneer het vaartuig leeg is, gemakkelijk bereikbaar zijn en naar behoren kunnen worden gesloten.

Artikel 31. Waterdichte afsluitingen

  • 1 Openingen waardoor water het vaartuig kan binnendringen moeten zijn voorzien van afsluitmiddelen die voldoen aan het bepaalde in dit besluit. Dekopeningen die tijdens de visvangst geopend kunnen zijn, moeten zoveel mogelijk ter plaatse van het vlak van kiel en stevens van het vaartuig zijn aangebracht. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan afwijkende voorzieningen toestaan, indien naar zijn oordeel daardoor de veiligheid van het vaartuig niet vermindert.

  • 2 Luiken boven visstortopeningen op hektreilers moeten waterdicht zijn, mechanisch kunnen worden bewogen en vanaf een plaats die een onbelemmerd uitzicht biedt op de werking van deze luiken, kunnen worden bediend.

Artikel 32. Openingen in de huid, de dekken, de bovenbouw en de dekhuizen

  • 1 Openingen in het scheepsboord, als toegangs- en laadpoorten, moeten door deugdelijke afsluitmiddelen van voldoende sterkte waterdicht kunnen worden gesloten.

  • 2 Alle toegangsopeningen in schotten van gesloten bovenbouwen en in andere aan weer en wind blootgestelde constructies waardoor, met gevaar voor het vaartuig, water zou kunnen binnendringen, moeten zijn voorzien van deuren die permanent aan het schot zijn bevestigd en zodanig zijn ingeraamd en verstijfd dat het gehele samenstel, indien de opening daardoor gesloten is, even sterk is alsof geen opening in het schot aanwezig was. De deuren moeten dicht tegen weer en wind kunnen worden afgesloten door middel van pakking en knevels of andere, gelijkwaardige middelen die permanent aan het schot of aan de deuren zelf zijn bevestigd en zodanig zijn uitgevoerd, dat de deuren aan beide zijden van het schot kunnen worden geopend en gesloten.

  • 3 In deuropeningen die rechtstreeks toegang geven tot gedeelten van het blootgestelde dek en die gelegen zijn in toegangskappen, opbouwen en schachten van machinekamers, moet de hoogte boven het dek van drempels ten minste 600 mm op het werkdek of ten minste 300 mm op een opbouwdek bedragen. Wanneer de bedrijfservaringen zulks rechtvaardigen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat van deze drempelhoogten wordt afgeweken, met dien verstande dat de drempelhoogte nimmer minder mag bedragen dan 380 mm op het werkdek of 150 mm op een opbouwdek. Ten aanzien van de minimum drempelhoogte van deuropeningen die rechtstreeks toegang geven tot de ruimten voor machines kan niet worden afgeweken.

  • 4 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 33. Luikopeningen en de afsluiting daarvan door luiken van een ander materiaal dan hout

  • 1 De hoogte boven het dek van luikhoofden moet op blootgestelde gedeelten van het werkdek ten minste 600 mm of op een opbouwdek ten minste 300 mm bedragen. Wanneer de bedrijfservaringen zulks rechtvaardigen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de hoogte van de luikhoofden wordt verlaagd dan wel de luikhoofden geheel worden weggelaten, mits de veiligheid van het vaartuig daardoor niet vermindert. In dat geval moeten de luikopeningen zo klein als praktisch uitvoerbaar worden gehouden en moeten de luiken blijvend zijn bevestigd door middel van scharnieren of gelijkwaardige middelen en snel gesloten en geborgd kunnen worden.

  • 2 Voor de berekening van de sterkte moet worden aangenomen, dat luiken voor luikopeningen zijn onderworpen aan het gewicht van de lading die daarop wordt vervoerd of aan de hierna vermelde statische belasting, al naar gelang welke waarde groter is:

    • 1°. 10,0 kN per vierkante meter, voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 24 m bedraagt; of

    • 2°. 17,0 kN per vierkante meter, voor vaartuigen waarvan de lengte 100 m of meer bedraagt.

    Voor tussenliggende waarden van de lengte moeten de waarden voor de belasting door lineaire interpolatie worden vastgesteld. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat de belastingen tot maximaal 75 percent van bovenvermelde waarden worden verlaagd, indien het luiken van luikopeningen betreft, die zich op het opbouwdek bevinden achter een punt, dat op 0,25 L vanaf de voorloodlijn ligt.

  • 3 Wanneer de luiken van staal zijn vervaardigd, mag de volgens het bepaalde in het voorgaande lid berekende trekspanning vermenigvuldigd met de factor 4,25 niet groter zijn dan de minimumtreksterkte van het staal. Bij de aangenomen belastingen mogen de doorbuigingen niet meer bedragen dan 0,0028 maal de overspanning van het luik.

  • 4 Luiken van een ander materiaal dan staal moeten ten minste even sterk zijn als stalen luiken en hun constructie moet van zodanige stijfheid zijn, dat de dichtheid tegen weer en wind onder de belastingen als bepaald in het tweede lid, is verzekerd.

  • 5 Luiken moeten zijn voorzien van knevels en pakkingen of daaraan gelijkwaardige voorzieningen, welke ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moeten zijn. De uitvoering dient de zekerheid te geven dat de dichtheid tegen weer en wind gehandhaafd blijft onder alle omstandigheden die zich op zee kunnen voordoen. Voor dit doel moeten de luiken bij het onderzoek als bedoeld in artikel 12, tweede lid, op dichtheid tegen weer en wind worden beproefd. Een dergelijke beproeving kan ook worden geëist bij het periodieke onderzoek als bedoeld in artikel 12, vierde lid, en zonodig met kortere tussenpozen.

  • 6 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van luikhoofden en sluitmiddelen.

Artikel 34. Toepassing van houten luiken

De toepassing van houten luiken op aan weer en wind blootgestelde dekken is niet toegestaan.

Artikel 35. Openingen boven voortstuwingsruimten

  • 1 Openingen boven voortstuwingsruimten moeten rondom versterkt en omsloten zijn door schachten van een sterkte gelijk aan die van de aangrenzende bovenbouw. Indien deze schachten niet door andere constructies zijn beschermd, moet de sterkte aan bijzondere eisen voldoen; toegangsopeningen in dergelijke schachten moeten zijn voorzien van deuren die voldoen aan het bepaalde in artikel 32, tweede en derde lid, en alle overige openingen in dergelijke schachten moeten zijn voorzien van gelijkwaardige, vast aangebrachte afsluitmiddelen en moeten dicht tegen weer en wind kunnen worden afgesloten.

  • 2 Ventilatieschachten en schoorstenen op voorstuwingsruimten op blootgestelde plaatsen op het werkdek of op een opbouwdek moeten zo hoog boven het dek worden opgetrokken als redelijk en uitvoerbaar is. De openingen van ventilatieschachten moeten zijn voorzien van voldoende sterke, vast aangebrachte afsluitmiddelen van staal of een ander goedgekeurd materiaal die de openingen dicht tegen weer en wind kunnen afsluiten, tenzij het naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet waarschijnlijk is dat water het vaartuig binnendringt via ventilatieschachten, in welk geval bijzondere voorzieningen kunnen worden verlangd.

Artikel 36. Andere openingen in het dek

  • 1 Wanneer zulks voor de visserijwerkzaamheden van belang is, mogen in het dek verzonken stortranden van het schroef- of bajonettype of een soortgelijk type, met een maximum van één stortrand per twee viskeeën in het ruim, en mangaten worden aangebracht, mits deze waterdicht gesloten kunnen worden; de desbetreffende afsluitmiddelen moeten blijvend bevestigd zijn aan de aangrenzende constructie. Met inachtneming van afmetingen en plaats van de openingen alsmede de uitvoering van de afsluitmiddelen, mogen metaal op metaal afsluitingen zijn aangebracht mits het deksel en de rand zijn voorzien van een grove schroefdraad of van goedpassende geschaafde nokken met een schuinte van 1 op 24.

  • 2 Openingen die geen luikhoofden, openingen boven de voortstuwingsruimte, mangaten of verzonken stortranden in het werk- of opbouwdek zijn, moeten worden beschermd door gesloten constructies, voorzien van deuren die voldoen aan het bepaalde in artikel 32, tweede en derde lid, of daaraan gelijkwaardige afsluitingen. Toegangskappen moeten zo dicht als praktisch uitvoerbaar is ter hoogte van het vlak van kiel en stevens van het vaartuig geplaatst zijn.

Artikel 37. Luchtkokers

  • 1 Bij vaartuigen waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt moeten de schachten van luchtkokers, geen schachten van luchtkokers van de voortstuwingsruimte zijnde, een hoogte van ten minste 900 mm boven het werkdek of ten minste 760 mm boven het opbouwdek hebben. Bij vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, moet de hoogte van deze schachten respectievelijk 760 mm of 450 mm bedragen.

  • 2 De sterkte van schachten van luchtkokers moet gelijk zijn aan die van de aangrenzende constructie. Indien de schacht van een luchtkoker hoger is dan 900 mm moet deze extra zijn gesteund. Behoudens het bepaalde in het navolgende lid moeten schachten van luchtkokers zijn voorzien van afsluitmiddelen die een doeltreffende afsluiting vormen dicht tegen weer en wind. De afsluitmiddelen moeten vast zijn aangebracht. Indien het naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet waarschijnlijk is dat water het vaartuig binnendringt via de luchtkokers van de voortstuwingsruimte, kunnen afsluitmiddelen aan deze luchtkokers vervallen, in welk geval bijzondere voorzieningen kunnen worden verlangd.

  • 3 Bij vaartuigen waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, behoeven de luchtkokers waarvan de schachten meer dan 4.50 m boven het werkdek of meer dan 2.30 m boven het opbouwdek uitsteken niet van afsluitmiddelen als bedoeld in het tweede lid, te zijn voorzien, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat dergelijke afsluitmiddelen noodzakelijk zijn. Bij vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, behoeven luchtkokers waarvan de schachten meer dan 3.40 m boven het werkdek of meer dan 1.70 meter boven het opbouwdek uitsteken niet te zijn voorzien van afsluitmiddelen als bedoeld in het tweede lid.

  • 4 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor schachten van luchtkokers op blootgestelde plaatsen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een grotere hoogte voorschrijven.

Artikel 38. Vul- en luchtpijpen

  • 1 Op dubbele bodem- of andere tanks moeten luchtpijpen zijn aangebracht.

  • 2 De blootgestelde delen van luchtpijpen welke boven het werkdek of boven het opbouwdek uitsteken, moeten voldoende sterk en in voldoende mate beschermd zijn. Voorts moeten luchtpijpen in laadruimten en aan dek zodanig beschermd of zo sterk zijn, dat zij door verschuiven van lading niet kunnen worden beschadigd.

  • 3 Luchtpijpen van tanks die, hetzij door het openen van een of meer kranen of afsluiters van buitenboord kunnen vollopen, hetzij door middel van een werktuiglijk gedreven pomp kunnen worden gevuld, alsmede alle luchtpijpen van dubbele bodemtanks en kofferdammen en van voorraad-, bezink- en dagtanks voor brandstofolie, moeten boven het werkdek in de open lucht uitmonden en aldaar steeds toegankelijk zijn.

  • 4 De luchtpijpen van brandstoftanks moeten bovendien op een naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie veilige plaats uitkomen en zijn voorzien van een doelmatige vlamkerende inrichting.

  • 5 Het is toegestaan de luchtpijpen van die tanks waarvan de inhoud bij uitvloeien op het open dek gevaar kan opleveren of om andere redenen ongewenst is, naar een overvloeitank of een andere hiervoor geschikte voorraadtank te leiden. In dat geval dient de ontluchting van de overvloeitank boven het werkdek in de open lucht uit te monden en aldaar steeds toegankelijk te zijn. De ontluchting van de overvloeitank dient zodanig te zijn bemeten, dat deze de maximum te verwachten toevoer zonder overmatige drukverhoging kan verwerken. De overvloeitank dient voldoende ruim bemeten te zijn. Een alarminrichting moet worden aangebracht welke alarmeert bij een vooraf bepaald niveau in tanks of wanneer de tanks overvloeien.

  • 6 De hoogte van de opening van luchtpijpen boven het dek moet op het werkdek ten minste 760 mm of op een opbouwdek ten minste 450 mm bedragen. Indien de hoogte van een luchtpijp een belemmering vormt voor de visserijwerkzaamheden aan boord, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een kleinere hoogte toestaan.

  • 7 Voor de afsluiting van de opening van de luchtpijpen moet worden gebruik gemaakt van automatisch werkende afsluitmiddelen die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moeten zijn.

  • 8 Vulpijpen op drinkwatertanks moeten ten minste 150 mm boven het dek reiken.

Artikel 39. Voorzieningen voor peilen

  • 1 Op dubbele bodem- of andere tanks alsmede op de vullingen van alle ruimten die niet te allen tijde toegankelijk zijn, moeten voorzieningen voor peilen zijn aangebracht.

  • 2 Als voorzieningen voor peilen worden aangemerkt:

    • 1°. peilinrichtingen welke al dan niet zijn ingericht voor aflezing op afstand;

    • 2°. inrichtingen welke door alarmering aangeven dat het vloeistofniveau in een ruimte een bepaalde, vooraf ingestelde waarde overschrijdt;

    • 3°. peilpijpen; en

    • 4°. peilglazen.

  • 3 De voorziening voor peilen van brandstoftanks, smeerolietanks, drinkwatertanks en andere tanks voor verbruiksvloeistoffen, alsmede van waterballasttanks, dient te bestaan uit een peilinrichting ingericht voor aflezing op afstand, als bedoeld in het tweede lid, onder 1.

  • 4 In afwijking van het bepaalde in het derde lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat kleine, in de machinekamer dan wel in andere, vanuit de machinekamer bereikbare ruimten gelegen verbruikstanks alsmede kleine buffertanks behorend bij werktuigen, zijn voorzien van peilpijpen of peilglazen. Indien zulke tanks brandbare vloeistoffen bevatten, moet tevens worden voldaan aan het bepaalde in artikel 83, derde, elfde en twaalfde lid.

  • 5 In afwijking van het gestelde in het derde lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voorts toestaan dat op vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt de in dat artikel genoemde tanks zijn voorzien van peilpijpen. Indien zulke tanks brandbare vloeistoffen bevatten, moet tevens worden voldaan aan het bepaalde in artikel 83, derde, elfde en twaalfde lid.

  • 6 De voorziening voor peilen op de vullingen van ruimten die niet te allen tijde toegankelijk zijn, waaronder begrepen laadruimten, dient te bestaan uit een peilinrichting ingericht voor aflezing op afstand, als bedoeld in het tweede lid, onder 1, dan wel uit een alarminrichting als bedoeld in het tweede lid, onder 2.

  • 7 Peilinrichtingen, bedoeld in het tweede lid, onder 1, alsmede inrichtingen, bedoeld in het tweede lid onder 2, moeten van een goedgekeurd type zijn.

  • 8 Peilinrichtingen, bedoeld in het tweede lid, onder 1, moeten zijn voorzien van een ingebouwde mogelijkheid tot calibratie. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan afzien van een mogelijkheid tot calibratie, indien de betreffende ruimte of ruimten tevens zijn voorzien van een peilpijp en de bestemming van deze ruimte of ruimten zodanig is dat peilen door middel van deze peilpijp geen bezwaar voor de veiligheid oplevert.

  • 9 Indien is toegestaan dat een ruimte is voorzien van een inrichting als bedoeld in het tweede lid onder 2, moet deze ruimte tevens zijn voorzien van een peilpijp.

  • 10 Indien is toegestaan dat tanks of kofferdammen zijn voorzien van peilpijpen, moeten deze zoveel mogelijk boven het werkdek, op een steeds toegankelijke plaats uitkomen. Peilpijpen van brandstofolietanks moeten bovendien op een naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie veilige plaats uitkomen. Korte peilpijpen die onder het werkdek uitkomen, moeten zijn voorzien van zelfsluitende kranen; op brandstofolietanks moeten zij voldoen aan het ter zake bepaalde in artikel 83, derde lid.

  • 11 Indien peilpijpen door laadruimten worden gevoerd, moeten zij aldaar en aan dek zodanig zijn beschermd of zo sterk zijn dat zij door verschuiven van lading niet kunnen worden beschadigd.

  • 12 Onder peilpijpen moeten stootplaatjes zijn aangebracht.

  • 13 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven voor de constructie en aanleg van peilinrichtingen, bedoeld in het tweede lid, onder 1, en van inrichtingen, bedoeld in het tweede lid onder 2.

  • 14 Indien op drinkwatertanks peilpijpen zijn toegestaan, moeten deze ten minste 150 mm boven het dek reiken.

Artikel 40. Patrijspoorten, ramen en vaste lichtranden

  • 1 Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 144 en 170, tiende lid, moeten patrijspoorten, ramen en vaste lichtranden in ruimten onder het werkdek of in een gesloten bovenbouw aan de binnenzijde zijn voorzien van scharnierende blinden die deugdelijk en waterdicht kunnen worden gesloten.

  • 2 Het laagste punt van de dagopening van patrijspoorten en lichtranden mag niet lager zijn gelegen dan een lijn die evenwijdig aan het werkdek in de zijde op het scheepsboord is getrokken en die haar laagste punt heeft op een hoogte boven de hoogst gelegen lastlijn, overeenkomend met 2,5 percent van de breedte, dan wel 500 mm indien deze laatste hoogte groter is.

  • 3 Alle patrijspoorten met inbegrip van de zich daarin bevindende glasschijven, ramen, vaste lichtranden en blinden moeten van deugdelijke constructie zijn en moeten overigens voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gestelde eisen betreffende type, afmetingen en sterkte.

  • 4 Voor de ramen van het stuurhuis moet gehard veiligheidsglas of soortgelijk materiaal worden toegepast.

  • 5 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat patrijspoorten, ramen, en vaste lichtranden welke zijn aangebracht in de zij- en achterschotten van dekhuizen op of boven het werkdek, niet zijn voorzien van blinden, indien naar zijn oordeel de veiligheid van het vaartuig daardoor niet vermindert.

Artikel 41. Spuipijpen, inlaat- en uitlaatopeningen

  • 1 De door het scheepsboord gaande afvoerpijpen van ruimten onder het werkdek of van ruimten in gesloten bovenbouwen of dekhuizen op het werkdek, voorzien van deuren die voldoen aan het bepaalde in artikel 32, tweede en derde lid, moeten zijn voorzien van doelmatige middelen ter voorkoming van het binnendringen van water. Deze middelen tot afsluiting moeten steeds bereikbaar zijn. Behoudens het bepaalde in het volgende lid moet in het algemeen elke afzonderlijke uitlaatopening zijn voorzien van een terugslagklep met een inrichting door middel waarvan de klep in gesloten toestand rechtstreeks vanaf een plaats boven het werkdek kan worden geborgd. Deze plaats moet gemakkelijk bereikbaar zijn en er moet aldaar een inrichting zijn aangebracht die aanwijst of de klep open dan wel gesloten is. De spuipijpen voor waterafvoer vanuit de ruimten voor accommodatie mogen niet in de ruimte voor machines uitmonden. Indien de vertikale afstand van de hoogst gelegen lastlijn tot de binnenboordsopening van een afvoerpijp groter is dan één percent van de lengte, mag de uitlaatopening zijn voorzien van twee terugslagkleppen zonder bovengenoemde borginrichting, mits de bovenste klep gedurende de normale dienst bruikbaar is teneinde te worden nagezien. Indien de vertikale afstand van de hoogst gelegen lastlijn tot de binnenboordsopening van een afvoerpijp groter is dan twee percent van de lengte, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de uitlaatopening is voorzien van een enkele terugslagklep zonder borginrichting.

  • 2 Indien bij de maximum toelaatbare diepgang de binnenboordsopening van een afvoerpijp van een toilet eerst bij een hellingshoek groter dan 15 graden wordt ondergedompeld, kan in plaats van de in het voorgaande lid voorgeschreven afsluiting van de buitenboordsopening worden volstaan met het afsluiten van de binnenboordsopening door middel van een in het toilet ingebouwde terugslagklep van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde constructie en met het aanbrengen van een afvoerpijp welke over de gehele lengte dikwandig moet zijn. Ter plaatse van de huid en dekdoorvoering moet de ondersteuning van de pijp deugdelijk zijn uitgevoerd.

  • 3 Buitenboordsin- en uitlaatopeningen van pijpleidingen behorende tot de werktuiglijke inrichting, moeten zijn voorzien van afsluiters of kranen, welke door middel van een flensverbinding aan de huid of aan een op de huid gebouwde stalen kast zijn aangebracht. Voor uitlaatopeningen mag in de plaats van een afsluiter of kraan gebruik worden gemaakt van een terugslagklep, mits deze in gesloten stand kan worden geborgd. Bedoelde afsluitmiddelen moeten gemakkelijk kunnen worden bediend, hetzij vanaf een te allen tijde bereikbare plaats boven het werkdek hetzij ter plaatse, in welk laatste geval de bedieningsinrichting onder normale omstandigheden te allen tijde bereikbaar moet zijn en zich boven de vloerplaten moet bevinden. Afsluiters, kranen en terugslagkleppen moeten op de plaats waar zij kunnen worden bediend, zijn voorzien van een standaanwijzer.

  • 4 Spui- en afvoerpijpen die op een afstand van meer dan 450 mm onder het werkdek of minder dan 600 mm boven de hoogst gelegen lastlijn, door het scheepsboord worden gevoerd, moeten ongeacht het niveau van de binnenboordsopening, zijn voorzien van een tegen het scheepsboord geplaatste terugslagklep. Tenzij vereist ingevolge het bepaalde in het eerste lid, mag deze terugslagklep vervallen indien de wanddikte van de afvoerpijp voldoende is.

  • 5 Spuipijpen vanuit bovenbouwen of dekhuizen die niet zijn voorzien van deuren die voldoen aan het bepaalde in artikel 32, tweede en derde lid, moeten naar buitenboord worden gevoerd.

  • 6 Alle terugslagkleppen, kranen, afsluiters en huidappendages die vereist zijn ingevolge de voorgaande leden van dit artikel moeten van staal, brons of een ander door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd materiaal zijn vervaardigd. Gewoon gietijzer of ander dergelijk materiaal is hiervoor niet toegestaan. Zij moeten zijn voorzien van een deksel dat afdoende tegen loswerken is beveiligd. Alle pijpen die zich tussen de huid en de terugslagkleppen bevinden, dienen te zijn vervaardigd van staal, met dien verstande dat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie op niet-stalen vaartuigen het gebruik van andere materialen kan toestaan in ruimten, andere dan ruimten voor machines.

  • 7 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven voor de afsluiting van afvoervoorzieningen andere dan bedoeld in de voorgaande leden.

Artikel 42. Waterloospoorten

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder de standaardzeeg een kromme die bestaat uit twee halve parabolen die hun top hebben ter plaatse van het midden van de lengte en waarvan de ordinaten op de voorloodlijn en de achterloodlijn respectievelijk de waarden 50 (L/3 + 10) mm en 25 (L/3 + 10) mm hebben. De ordinaten worden gemeten van het dek in de zijde tot een denkbeeldige lijn die evenwijdig aan de kiel door de zeeglijn op het midden van de lengte is getrokken. Voor een vaartuig dat met stuurlast is ontworpen wordt deze denkbeeldige lijn evenwijdig aan de constructiewaterlijn getrokken.

  • 2 Indien ter plaatse van een kuil op aan weer en wind blootgestelde gedeelten van werkdek en opbouwdekken een verschansing is aangebracht, moet voldoende gelegenheid tot lozing van water bestaan. Behoudens het bepaalde in het derde en het vierde lid moet de totale oppervlakte (A) van de waterloospoorten in elk scheepsboord voor elke kuil op het werkdek, indien de zeeg van dit dek gelijk is aan of groter is dan de standaardzeeg, ten minste gelijk zijn aan de volgens een van de onderstaande formules bepaalde waarde. De totale oppervlakte van de waterloospoorten in elk scheepsboord voor elke kuil op het dek van een bovenbouw moet ten minste de helft van de in een van deze formules gegeven oppervlakte bedragen.

    • 1°. Indien de lengte van de verschansing (l) aan een zijde in de kuil 20 m of minder bedraagt: A = 0,7 + 0,035 l m2;

    • 2°. Indien l meer dan 20 m bedraagt: A = 0,07 l m2;

    behoeft in geen geval groter genomen te worden dan 70 percent van de lengte van het vaartuig.

    Indien de gemiddelde hoogte van de verschansing groter is dan 1200 mm, moet voor elke 100 mm verschil in hoogte de vereiste oppervlakte van de waterloospoorten worden vergroot met 0,004 m2 per meter lengte van de kuil.

    Indien de gemiddelde hoogte van de verschansing kleiner is dan 900 mm, mag voor elke 100 mm verschil in hoogte de vereiste oppervlakte van de waterloospoorten worden verkleind met 0,004 m2 per meter lengte van de kuil.

  • 3 Op een vaartuig zonder zeeg moet de oppervlakte van de waterloospoorten, berekend volgens de in het tweede lid gegeven formules, met 50 percent worden vergroot. Indien het oppervlak tussen de actuele zeeglijn en de in het eerste lid genoemde denkbeeldige lijn kleiner is dan het oppervlak tussen de standaardzeeg en die lijn, moet het vereiste oppervlak van de waterloospoorten door lineaire interpolatie worden vastgesteld.

  • 4 Indien een vaartuig voorzien van een trunk, naast die trunk niet is voorzien van een verschansing welke over ten minste de halve lengte van de aan weer en wind blootgestelde gedeelten van het werkdek door open relingwerk is onderbroken, of indien doorlopende of grotendeels doorlopende langshoofden en luikopeningen zijn aangebracht tussen delen van een onderbroken bovenbouw, moet de verhouding van de totale oppervlakte van de waterloospoorten tot de oppervlakte van de verschansing ten minste gelijk zijn aan die vermeld in onderstaande tabel:

    Breedte van het luikhoofd of de trunk in verhouding tot de scheepsbreedte

    Totale oppervlakte van de waterloospoorten in verhouding tot de oppervlakte van de verschansing

    40% of minder

    20%

    75% of meer

    10%

    Bij tussengelegen breedten wordt de vereiste totale oppervlakte van de waterloospoorten door interpolatie bepaald.

  • 5 Op een vaartuig met bovenbouwen die aan een van de einden of aan beide einden open zijn, moeten doelmatige voorzieningen worden getroffen voor lozing van water uit deze bovenbouwen.

  • 6 De onderkanten van de waterloospoorten moeten zo dicht mogelijk boven het dek liggen. Tweederde van de voorgeschreven oppervlakte der waterloospoorten moet in die helft van de kuil zijn aangebracht, die het dichtst bij het laagste punt van de zeeg is gelegen.

  • 7 Waterloospoorten en dergelijke openingen in de verschansing moeten door rasterwerk of door staven met een onderlinge afstand van ongeveer 230 mm worden beschermd. Indien kleppen zijn aangebracht, moet voor ruime speling worden gezorgd teneinde klemmen te vermijden. De scharnieren moeten van pennen van roestvrij materiaal zijn voorzien. Indien inrichtingen voor het vastzetten van deze kleppen zijn aangebracht, moeten deze zijn goedgekeurd door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en vanaf een gemakkelijke bereikbare plaats eenvoudig te bedienen zijn. Deze vastzetinrichtingen kunnen alleen worden toegestaan indien zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van de visserij.

  • 8 Lastplanken en inrichtingen waarmede vistuig wordt vastgezet, moeten zodanig zijn aangebracht dat de werking van waterloospoorten niet vermindert. Lastplanken moeten zo zijn geconstrueerd dat zij bij gebruik in de juiste stand kunnen worden vastgezet en de lozing van overkomend water niet belemmeren.

  • 9 Bij vaartuigen bestemd om te worden gebruikt in wateren waar ijsafzetting kan voorkomen, moeten kleppen en voorzieningen ter bescherming van waterloospoorten als bedoeld in het zevende lid, gemakkelijk kunnen worden verwijderd teneinde ijsafzetting te beperken.

§ 2. Uitrusting en keuring van materialen

Artikel 43. Uitrusting voor het ankeren en het meren

  • 1 Een vaartuig moet zodanig zijn uitgerust dat het snel en veilig kan ankeren. De uitrusting dient daartoe te bestaan uit ankers met toebehoren, ankerkettingen of staaldraadkabels, stoppers en een ankerspil of andere voorzieningen voor het laten vallen van het anker, het lichten van het anker en het ten anker houden van het vaartuig tijdens elke te voorziene bedrijfsomstandigheid.

  • 2 Een vaartuig moet tevens zijn uitgerust met doelmatig meergerei, teneinde onder alle bedrijfsomstandigheden veilig te kunnen meren.

  • 3 De uitrusting voor het ankeren en voor het meren moet voldoen aan het bepaalde in deze paragraaf en moet tevens ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

Artikel 44. Anker- en meergerei

  • 1 De ankers moeten in voldoend aantal aanwezig zijn en van voldoende gewicht en sterkte zijn. De ankerkettingen of ankerkabels moeten van voldoende lengte, gewicht en sterkte zijn, terwijl elk van de ankerkettingen uit de nodige, onderling verbonden, losneembare einden moet bestaan. Er moet een reserve anker- en kettingsluiting aan boord aanwezig zijn.

  • 2 De ankers en kettingen moeten worden gekeurd op de wijze, als in deze paragraaf is voorgeschreven.

  • 3 De ankerkettingen moeten zodanig aan het vaartuig zijn bevestigd, dat zij buiten de kettingbak kunnen worden ontsloten.

  • 4 De voor een vaartuig bestemde ankerkettingen mogen niet worden gebruikt voor het remmen tijdens het te water lopen van het vaartuig.

  • 5 De ankerinrichting moet wat bouw, plaatsing en vermogen betreft, zodanig zijn, dat de ankers gemakkelijk en snel kunnen worden bediend, terwijl een bijzondere borginrichting van de ankers aanwezig moet zijn, die het uitlopen ten gevolge van schok of stoot voorkomt.

  • 6 Al het aan boord aanwezige meergerei moet van voldoende sterkte zijn en moet geschikt zijn voor het beoogde gebruik.

  • 7 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van anker- en meergerei.

Artikel 45. Het keuren van materialen - algemeen

Alleen indien materialen bestemd voor de bouw van of herstellingen aan vaartuigen of scheepswerktuigen dan wel voor ankers en kettingen, niet zijn gekeurd door of vanwege een klassebureau, geschiedt de keuring daarvan door de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, die daarbij de in deze paragraaf vermelde voorschriften in acht nemen. Bovendien kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere regels worden gegeven.

Artikel 46. Beproevingstoestellen

Een toestel waarin materialen naar hoedanigheid worden beproefd, dient, blijkens een certificaat afgegeven door een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende instelling, te zijn geijkt.

Artikel 47. Kosten beproeving

  • 1 De kosten van de beproeving komen ten laste van de betrokken scheepsbouwmeester of machinefabrikant.

  • 2 Indien een beproeving buiten Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba plaatsvindt, dienen de beproevingstoestellen door een in het betrokken land bevoegde instantie te zijn geijkt. Een geldig bewijs hiervan wordt overgelegd.

Artikel 48. Bijwonen beproeving

Elke beproeving of keuring mag door de betrokken scheepsbouwmeester of machinefabrikant of zijn gemachtigde worden bijgewoond.

Artikel 49. Keuring, keuringseisen, enzovoort

  • 1 De voorschriften betreffende maatafwijkingen, keuze en aanwijzing van proefstukken, keuring, afkeuring, wijze en middelen van beproeving, keuringseisen en al wat daarbij hoort zoals deze zijn neergelegd in de desbetreffende normen van het Nederlands Normalisatie Instituut worden bij de beoordeling van materialen gevolgd, tenzij in de volgende bepalingen van deze paragraaf afwijkende voorschriften voorkomen.

    Bovendien kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere regels worden gegeven.

  • 2 Waar in de in het eerste lid bedoelde normen wordt gesproken van «besteller of diens gemachtigde» of «leverancier», dient voor de toepassing van deze paragraaf te worden gelezen: «ambtenaar van de Scheepvaartinspectie» onderscheidenlijk «scheepsbouwmeester of machinefabrikant».

  • 3 Staal gebezigd bij de bouw van romp en werktuigen en voor ankers en kettingen moet zijn vervaardigd volgens het open-haardproces of volgens een proces dat door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie of door een klassebureau wordt geacht een gelijkwaardig product te leveren.

Artikel 50. Keuringsmerk

Zowel de proefstukken als de stukken waaraan deze zijn ontleend, worden door de met de keuring belaste ambtenaar voorzien van het hierna afgebeelde slagmerkteken.

Bijlage 249452.png

Artikel 51. Afkeuringsmerk

Afgekeurde voorwerpen worden door de met de keuring belaste ambtenaar voorzien van het in artikel 50 afgebeelde slagmerkteken, waardoor een kruis wordt geslagen op een wijze zoals hierna is afgebeeld.

Bijlage 249453.png

Artikel 52. Gevallen waarin materialen niet worden gekeurd

De betrokken ambtenaar van de Scheepvaartinspectie kan voor bepaalde gevallen, met het oog op de aard van het werk waarvoor het materiaal moet worden gebruikt, gedeeltelijk van het nemen van proeven afzien. Indien het in dergelijke gevallen zeer kleine partijen betreft, kan door hem de keuring geheel achterwege worden gelaten.

Artikel 53. Afkeuring

Elk onderdeel kan te allen tijde, zowel tijdens als na de bewerking, nog worden afgekeurd wanneer dit gebreken vertoont, ook wanneer deze gebreken materiaalfouten zijn die bij de materiaalkeuring niet zijn opgemerkt.

Artikel 54. Ankers, kenmerken, gewicht

  • 1 Elk ter beproeving aangeboden anker moet zijn voorzien van een goed leesbaar slagmerk en ingeslagen nummer, onderscheidenlijk aanduidend de naam van de fabrikant en het doorlopend fabrikatienummer.

  • 2 Tevens moeten de massa van het anker zonder stok en dat van de eventueel bijbehorende stok, beide afzonderlijk gewogen, duidelijk op de schacht van het anker zijn ingeslagen.

  • 3 Nadat de voorgeschreven belastingproef met goed gevolg heeft plaatsgehad, wordt onder de in het voorgaande lid genoemde merken door of ten overstaan van de met de keuring belaste ambtenaar het slagmerkteken van de Scheepvaartinspectie ingeslagen.

  • 4 Ankers met een massa van niet meer dan 70 kg behoeven niet te worden beproefd.

  • 5 Waar in deze paragraaf van de massa van het anker wordt gesproken, wordt de massa zonder stok bedoeld.

Artikel 55. Beproeving van ankers

  • 1 Ankerdelen van gegoten staal moeten worden onderworpen aan een valproef die zij moeten kunnen doorstaan zonder te breken, te scheuren of andere belangrijke beschadiging. Hierbij laat men een dergelijk gegoten stalen onderdeel, of indien het anker uit één stuk is gegoten het gehele anker, vallen over een vrije valhoogte van 4,50 m voor ankers lichter dan 750 kg, over een hoogte van 4 m voor ankers van 750 tot 1500 kg en over een hoogte van 3 m voor zwaardere ankers. Het voorwerp moet bij de val neerkomen op een ijzeren of stalen grondplaat die zo sterk is dat zij niet breekt of scheurt. De grondplaat moet door een massieve gemetselde of betonnen fundatie worden gesteund.

  • 2 Een hamerproef moet op de in het voorgaande lid bedoelde valproef volgen, waarbij alle delen van gegoten staal, vrij opgehangen, met een hamer van 3 kg worden beklopt voor onderzoek naar niet zichtbare gebreken.

  • 3 Alle ankers, onverschillig uit welk materiaal vervaardigd, met uitzondering van dreggen en ankers als bedoeld in artikel 54, vierde lid, moeten worden onderworpen aan een belastingproef. Deze proef wordt genomen met behulp van een kettingtrekbank of op een andere door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde wijze. Voor de te bezigen werktuigen geldt het bepaalde in artikel 46. De in artikel 58 opgenomen tabel geeft, in verband met de massa van het anker, de te gebruiken belasting aan. Ankers die op grond van hun constructie van geringere massa mogen zijn dan de gebruikelijke typen, moeten worden beproefd met een belasting zoals voorgeschreven indien geen reductie op de massa zou zijn toegepast.

  • 4 Voor de belastingproef wordt het te beproeven anker zodanig opgehangen, dat de trekkracht aan de ene zijde aangrijpt aan de roering en aan de andere zijde aan een van de vloeien, bij stokloze ankers aan beide vloeien, op een derde van de lengte van de arm van de vloei, van de punt van de vloei gemeten. Met deze lengte wordt bedoeld de afstand van de punt van de vloei tot het snijpunt van de hartlijn van de schacht met ondereind anker. Bij ankers met een scharnierende schacht neemt men voor deze lengte de loodrechte afstand tussen de punt van de vloei en de hartlijn van het scharnier. Elk anker wordt tweemaal beproefd. Na de eerste beproeving wordt het anker gedraaid, zodat bij ankers met stok de andere vloeiarm wordt belast en bij stokloze ankers beide vloeien aan de keerzijde worden belast.

  • 5 Gedurende en na afloop van de beproeving wordt het anker nagezien om te constateren of zich gebreken voordoen als scheuren, blijvende vormveranderingen en dergelijke. Indien zich gebreken voordoen, wordt het anker afgekeurd. Bij ankers met scharnierende schacht wordt bovendien nagezien of de scharnierpunten gangbaar zijn gebleven. Indien zij niet gangbaar zijn gebleven, wordt dit hersteld en de proef herhaald.

Artikel 56. Ankerkettingen

  • 1 Met uitzondering van de eindschalmen en de onmiddellijk daarop aansluitende grote schalmen aan elk kettingeind, moeten alle schalmen van gelijke grootte zijn. In de lengte- en breedte-afmetingen wordt voor de schalmen en sluitingen een speling toegestaan van ten hoogste plus of min 2 percent. De speling van de middellijnen van de schalmdoorsnede mag naar beneden niet meer bedragen dan:

    1 mm, voor ketting van kettingmateriaal met een middellijn kleiner dan 50 mm;

    1,5 mm voor ketting van kettingmateriaal met een middellijn van 50 tot en met 75 mm; en

    2 mm voor ketting van kettingmateriaal met een middellijn groter dan 75 mm.

  • 2 Elk kettingeind, ongeveer 27 m lang, moet uit een oneven aantal schalmen bestaan.

  • 3 Wartels mogen alleen aan de uiteinden van de gehele ketting voorkomen.

  • 4 De kettingen mogen tijdens de beproeving noch geschilderd, noch geolied, noch met enig ander smeersel zijn bedekt.

  • 5 Elk kettingeind dat aan de eisen voldoet, moet op beide eindschalmen en op alle sluitings, eindharpen en wartels door of ten overstaan van de met de keuring belaste ambtenaar duidelijk worden gemerkt met het slagmerkteken als bedoeld in artikel 50.

Artikel 57. Beproeving van ankerkettingen

  • 1 Alle kettingeinden, ook voorloopkettingen, behorende tot het ankergerei van een vaartuig moeten worden beproefd. Hiertoe worden alle schalmen, wartels, sluitings en eindharpen, die tot zulk een eind behoren, alsmede de bij de ketting eventueel behorende reserve sluitings en harpen, onderworpen aan een rekproef. De in artikel 59 opgenomen tabel geeft voor de verschillende zwaarten van ketting de voorgeschreven belasting. Belangrijke vormveranderingen, breuken of andere uitwendige tekenen van beschadiging mogen zich daarbij niet voordoen. Indien dit wel het geval mocht zijn, wordt het betrokken eind ketting of reservedeel afgekeurd. Het bepaalde in artikel 46 is van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Voordat tot deze rekproef wordt overgegaan, kunnen door de met de keuring belaste ambtenaar, drie willekeurige, opvolgende gewone schalmen uit een kettingeind worden aangewezen voor een proef met verhoogde belasting, de zogenaamde breekproef, met dien verstande dat uit elke 27 m nooit meer dan een eerste breekproef wordt gehouden. Bij deze breekproef mogen de schalmen niet breken beneden of bij een belasting zoals is aangegeven voor elk zwaarte van ketting in de in het voorgaande lid bedoelde tabel. Breekt een van de drie schalmen voordat de belasting is overschreden dan moet een tweede serie van drie opvolgende schalmen uit hetzelfde eind worden onderworpen aan dezelfde proef. Treedt er nogmaals een breuk op, dan wordt het betrokken kettingeind afgekeurd.

  • 3 Na afloop van de breekproef worden de drie hoogbelaste schalmen uit het kettingeind verwijderd en de ketting weer tot een geheel gemaakt, door een of drie nieuwe schalmen tussen beide gedeelten te brengen. Daarna kan tot de in het eerste lid genoemde rekproef worden overgegaan.

  • 4 Na afloop van de rekproef wordt elk kettingeind grondig nagezien om vast te stellen of de lassen in orde zijn, de verschillende delen de vereiste vorm en de vereiste afmetingen hebben en er geen gebreken zijn. Bij het voorkomen van gebreken moeten deze worden hersteld en het kettingeind daarna opnieuw aan de rekproef worden onderworpen.

  • 5 Voor kettingen vervaardigd van staal met een treksterkte die gelijk is aan of groter is dan 690 N/mm2 moeten aanvullende beproevingen van de mechanische eigenschappen worden uitgevoerd, zoals voorgeschreven door de klassebureaus.

Artikel 58. Tabel, aangevende de te gebruiken belasting bij het beproeven van ankers

Massa in kg van het anker. Bij stokankers de massa zonder stok

Belastingproef in kN

50

23,2

55

25

60

27

65

29

70

31

75

32,5

80

34

90

36

100

39

120

44

140

49

160

53

180

57

200

61

225

67

250

70

275

75

300

79

325

84

350

88

375

93

400

97

425

102

450

106

475

111

500

115

550

124

600

132

650

140

700

150

750

157

800

165

850

174

900

182

950

190

1000

200

1050

207

1100

215

1150

223

1200

230

1250

240

1300

247

1350

255

1400

260

1450

270

1500

275

1600

290

1700

305

1800

320

1900

335

2000

350

2100

360

2200

375

2300

385

2400

400

2500

410

2600

425

2700

435

2800

450

2900

460

3000

470

3100

480

3200

495

3300

505

3400

515

3500

525

3600

535

3700

545

3800

555

3900

565

4000

575

4100

585

4200

595

4300

600

4400

610

4500

620

4600

630

4700

635

4800

645

4900

650

5000

660

5100

665

5200

675

5300

680

5400

690

5500

695

5600

705

5700

710

5800

720

5900

725

6000

730

6100

740

6200

745

6300

750

6400

760

6500

765

6600

770

6700

775

6800

785

6900

790

7000

800

7200

815

7400

830

7600

845

7800

860

8000

875

8200

890

8400

905

8600

920

8800

935

9000

945

9200

960

9400

970

9600

985

9800

995

10000

1010

10500

1030

11000

1060

11500

1080

12000

1100

12500

1120

13000

1150

13500

1170

14000

1200

14500

1220

15000

1250

15500

1270

16000

1300

16500

1330

17000

1350

17500

1390

18000

1410

18500

1450

19000

1470

19500

1500

20000

1520

21000

1560

22000

1610

23000

1660

24000

1700

25000

1750

26000

1800

27000

1850

28000

1900

29000

1950

30000

2000

31000

2030

32000

2060

34000

2150

36000

2250

38000

2350

40000

2400

42000

2500

44000

2550

46000

2650

Artikel 59. Tabel, aangevende de te gebruiken belasting bij het beproeven van ankerkettingen met dam

Staal met een treksterkte van 300–490 N/mm2

Staal met een treksterkte van 490–690 N/mm2

Staal met een treksterkte van ≥ 690 N/mm2

Massa per lengte van 27,50 m

Nominale diameter

Breekproef

Rekproef

Breekproef

Rekproef

Breekproef

Rekproef

Met D-sluiting

Met Patent-sluiting

mm

kN

kN

kN

kN

kN

kN

kg

kg

12,5

66

46

92

66

132

92

100

98

14

82

58

115

82

165

115

122

120

16

106

75

150

106

215

150

157

155

17,5

127

89

180

127

255

180

186

184

19

150

105

210

150

300

210

218

215

20,5

175

122

245

175

350

245

253

250

22

200

140

280

200

400

280

290

287

24

235

166

330

235

475

330

343

339

26

275

195

390

275

555

390

400

395

28

320

225

445

320

640

445

462

456

30

365

255

510

365

730

510

530

523

32

415

290

580

415

830

580

603

594

34

465

325

655

465

935

655

680

670

36

520

365

730

520

1050

730

760

750

38

580

405

810

580

1150

810

850

835

40

640

445

895

640

1280

895

930

915

42

700

490

980

700

1400

980

1030

1010

44

765

535

1070

765

1550

1070

1140

1120

46

835

585

1160

835

1670

1160

1235

1210

48

905

635

1270

905

1800

1270

1345

1320

50

980

685

1370

980

1950

1370

1460

1430

52

1050

735

1480

1050

2100

1480

1585

1555

54

1130

790

1600

1130

2250

1600

1700

1665

56

1210

850

1700

1210

2450

1700

1840

1800

58

1300

905

1800

1300

2600

1800

1980

1930

60

1380

965

1950

1380

2750

1950

2120

2065

62

1470

1020

2050

1470

2950

2050

2255

2200

64

1550

1100

2200

1550

3100

2200

2395

2330

66

1650

1150

2300

1650

3300

2300

2570

2505

68

1750

1220

2450

1750

3500

2450

2715

2635

70

1850

1300

2600

1850

3700

2600

2900

2815

73

2000

1400

2800

2000

4000

2800

3150

3065

76

2150

1500

3000

2150

4300

3000

3425

3315

78

2250

1570

3150

2250

4500

3150

3620

3500

81

2400

1700

3350

2400

4800

3350

3880

3745

84

2600

1800

3600

2600

5150

3600

4135

3980

87

2750

1920

3850

2750

5500

3850

4485

4315

90

2900

2050

4050

2900

5800

4050

4840

4655

92

3050

2120

4250

3050

6050

4250

5040

4845

95

3200

2250

4500

3200

6400

4500

5410

5190

97

3350

2350

4650

3350

6650

4650

5610

5375

100

3500

2450

4900

3500

7050

4900

5980

5725

102

3650

2550

5100

3650

7300

5100

6170

5900

105

3850

2700

5350

3850

7650

5350

6540

6245

107

3950

2800

5550

3950

7950

5550

6910

6610

111

4250

2950

5900

4250

8450

5900

7270

6930

114

4400

3100

6200

4400

8850

6200

7885

7505

117

4650

3250

6500

4650

9250

6500

8260

7850

120

4850

3400

6800

4850

9700

6800

8630

8190

122

5000

3500

7000

5000

9950

7000

9065

8605

124

5100

3600

7150

5100

10200

7150

9200

8725

127

5350

3750

7450

5350

10700

7450

9870

9370

130

5550

3900

7750

5550

11100

7750

10250

9690

132

5700

4000

8000

5700

11500

8000

10730

10145

137

6050

4250

8500

6050

12100

8500

11575

10920

142

6450

4500

9000

6450

13000

9000

12420

11690

147

6800

4750

9550

6800

13600

9550

13265

12455

152

7200

5050

10100

7200

14500

10100

14090

13195

157

7600

5300

10600

7600

15200

10600

15030

14080

162

7950

5550

11100

7950

16000

11100

16000

14990

Hoofdstuk 3. Stabiliteit en de daarmede verband houdende zeewaardigheid

§ 1. Stabiliteit en de daarmede verband houdende zeewaardigheid

Artikel 60. Algemeen

Vaartuigen moeten zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat aan de bepalingen van dit hoofdstuk wordt voldaan in de bedrijfstoestanden als bedoeld in artikel 66. Berekeningen van de krommen van de armen van statische stabiliteit moeten voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nader te stellen regels.

Artikel 61. Stabiliteitscriteria

  • 1 Een vaartuig moet voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen eisen betreffende de minimum stabiliteitscriteria.

  • 2 Wanneer voorzieningen, andere dan kimkielen zijn aangebracht teneinde het slingeren te beperken, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden aangetoond dat in alle bedrijfstoestanden de stabiliteit ten minste zal blijven voldoen aan de criteria als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Wanneer ballast is aangebracht teneinde zeker te stellen dat wordt voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, moet deze in het algemeen bestaan uit vast aangebrachte ballast. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan in gevallen als bedoeld in artikel 67 het gebruik van waterballast toestaan in welk geval de in artikel 69, eerste lid, bedoelde stabiliteitsgegevens duidelijke instructies voor de kapitein moeten bevatten voor het gebruik van zulke ballast.

Artikel 62. Vervuld raken van visruimen

  • 1 Op vaartuigen, andere dan die waarmede de boomkorvisserij wordt uitgeoefend, moeten luikopeningen die tijdens het uitoefenen van visserijwerkzaamheden niet gesloten zijn en die niet snel gesloten kunnen worden, zodanig zijn aangebracht dat bij een hellingshoek van 20 graden of minder geen water de visruimen kan binnendringen, tenzij aan het bepaalde in artikel 61, eerste lid, kan blijven worden voldaan wanneer die visruimen geheel of gedeeltelijk vervuld zijn geraakt.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op vaartuigen waarmede de boomkorvisserij wordt uitgeoefend, met dien verstande dat de hellingshoek waarbij geen water de visruimen kan binnendringen, 30 graden of minder moet bedragen.

Artikel 63. Bijzondere vismethoden

Vaartuigen die worden gebruikt voor bijzondere vismethoden waarbij extra krachten van buitenaf op het vaartuig werken tijdens de visserij-werkzaamheden, moeten ten minste voldoen aan de stabiliteitscriteria bedoeld in artikel 61, tweede lid, die zonodig ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kunnen worden uitgebreid.

Artikel 64. Invloed van de wind

Vaartuigen moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie weerstand kunnen bieden aan de invloed van de wind en het slingeren in de daarmede verband houdende zeegang, waarbij rekening moet worden gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.

Artikel 65. Water aan dek

Vaartuigen moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie weerstand kunnen bieden aan de invloed van water aan dek, waarbij rekening moet worden gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.

Artikel 66. Bedrijfstoestanden

Het aantal en soort bedrijfstoestanden waarmede rekening moet worden gehouden wordt vastgesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 67. IJsafzetting

  • 1 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geeft nadere regels voor het berekenen van de stabiliteit van vaartuigen welke de visserij zullen uitoefenen in gebieden waar zich ijsafzetting kan voordoen.

  • 2 Vaartuigen die zijn bestemd voor het uitoefenen van de visserij in gebieden waarvan het bekend is dat zich ijsafzetting voordoet, moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie:

    • 1°. zodanig zijn ontworpen dat ijsafzetting tot een minimum wordt beperkt; en

    • 2°. met middelen voor het verwijderen van ijs zijn uitgerust.

Artikel 68. Hellingproef

  • 1 Elk vaartuig moet na voltooiing aan een hellingproef worden onderworpen waarbij het werkelijke gewicht en de ligging van het zwaartepunt moeten worden bepaald voor de toestand van het lege, bedrijfsklare vaartuig.

  • 2 Indien een vaartuig wijzigingen heeft ondergaan die van invloed kunnen zijn op de toestand van het lege, bedrijfsklare vaartuig en de ligging van het zwaartepunt, moet het vaartuig, indien zulks naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie noodzakelijk is, opnieuw aan een hellingproef worden onderworpen en moeten de stabiliteitsgegevens worden herzien.

  • 3 Evenzo kan een vaartuig aan een hellingproef worden onderworpen indien de nodige stabiliteitsgegevens niet kunnen worden overgelegd dan wel deze gegevens naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie onvoldoende betrouwbaar zijn.

  • 4 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven voor de wijze waarop een hellingproef moet worden uitgevoerd.

Artikel 69. Stabiliteitsgegevens

  • 1 Aan de kapitein moeten voldoende nauwkeurige en betrouwbare gegevens betreffende de stabiliteit ter beschikking worden gesteld, opdat door hem op een snelle en eenvoudige wijze de stabiliteit van het vaartuig onder verschillende bedrijfstoestanden kan worden beoordeeld. Deze gegevens moeten zonodig gerichte instructies voor de kapitein bevatten die hem waarschuwen voor die bedrijfstoestanden die een ongunstige invloed kunnen hebben op de stabiliteit of de trim van het vaartuig. De stabiliteitsgegevens moeten ter goedkeuring worden overgelegd aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

  • 2 De goedgekeurde stabiliteitsgegevens moeten te allen tijde aan boord aanwezig en beschikbaar zijn.

  • 3 Indien een vaartuig wijzigingen heeft ondergaan die van invloed zijn op zijn stabiliteit, moeten de gegevens betreffende de stabiliteit opnieuw worden berekend en ter goedkeuring aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden overgelegd. Indien op grond van deze stabiliteitsberekeningen het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat de bestaande stabiliteitsgegevens moeten worden herzien, moeten de nieuwe gegevens aan de kapitein ter beschikking worden gesteld en moeten de vervangen gegevens worden verwijderd.

Artikel 70. Keeschotten

De vislading moet deugdelijk worden gestuwd teneinde het overgaan van de lading, waardoor een gevaarlijke vertrimming of slagzij van het vaartuig zou kunnen ontstaan, tegen te gaan. Indien hiertoe keeschotten worden toegepast, moeten deze voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen eisen.

Artikel 71. Boeghoogte

  • 1 De boeghoogte moet toereikend zijn om te voorkomen dat het vaartuig bovenmatige hoeveelheden water overkrijgt en moet zodanig zijn vastgesteld, dat rekening is gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.

  • 2 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van de boeghoogte.

Artikel 72. Maximum toelaatbare diepgang

Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet een maximum toelaatbare diepgang worden vastgesteld waarbij nog wordt voldaan aan de stabiliteitscriteria gesteld in dit hoofdstuk zomede aan het bepaalde, voorzover van toepassing, in de hoofdstukken 2 en 6. De vastgestelde waarde van de maximum toelaatbare diepgang moet in de in artikel 69, eerste lid, bedoelde stabiliteitsgegevens worden opgenomen. Indien een vaartuig is ingericht voor meer dan één vismethode, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor elk van die methoden een maximum toelaatbare diepgang in overweging nemen.

Artikel 73. Waterdichte indeling en lekstabiliteit

Van een vaartuig waarvan de lengte 100 m of meer bedraagt en met 100 of meer opvarenden aan boord moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie de stabiliteit toereikend zijn om het lek geraken van enig compartiment te kunnen doorstaan, waarbij rekening moet worden gehouden met het type vaartuig, de aard van de dienst waarvoor het vaartuig bestemd is en het vaargebied.

Hoofdstuk 4. Machine-installaties, elektrische installaties en tijdelijk onbemande machinekamers

§ 1. Algemeen

Artikel 74. Algemeen

  • 1 Hoofdvoortstuwingsinstallaties en toebehoren, hulpwerktuigen, brandstofsystemen, elektrische installaties, koelsystemen, ketels en andere drukvaten, pijpleidingen en pompinstallaties, stuurmachines en toebehoren, assen en koppelingen, bestemd voor de overdracht van vermogen, moeten zijn ontworpen, geconstrueerd, ingericht, beproefd en onderhouden ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. De uitvoering en opstelling van deze machine-installaties, met inbegrip van hefwerktuigen, lieren en uitrusting voor de behandeling en verwerking van vis, moeten zodanig zijn, dat de veiligheid en de gezondheid van in de nabijheid aanwezige personen zoveel mogelijk is gewaarborgd. Waar nodig moeten ter beveiliging tegen bewegende delen, hete oppervlakken en andere gevaren, schermplaten, handgrepen of hekwerk zijn aangebracht.

  • 2 Ruimten voor machines moeten zodanig zijn ontworpen dat alle werktuigen en de daarbij behorende bedieningsinstallaties, alsmede alle andere onderdelen die onderhoud kunnen vereisen, veilig en gemakkelijk toegankelijk zijn. De betreffende ruimten moeten voldoende kunnen worden geventileerd.

  • 3 De bouw en de uitvoering van de werktuiglijke installatie en de inrichting der ruimten waarin tot de installatie behorende werktuigen zijn geplaatst, moeten ten minste voldoen aan de eisen gesteld door een klassebureau, voor zover bij of krachtens dit besluit daaromtrent geen andere voorschriften zijn gegeven. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan hieromtrent nadere voorschriften geven.

  • 4 Roosters, bordessen en vloerplaten moeten deugdelijk zijn gesteund en bevestigd. Vloerplaten moeten gemakkelijk kunnen worden losgenomen.

  • 5 Reservedelen, scheepsbenodigdheden en dergelijke moeten deugdelijk zijn opgeborgen en mogen de doorgang niet versperren.

  • 6 In ruimten voor machines moeten de vullings of de tanktop ter plaatse van de lenskorven kunnen worden gecontroleerd zonder dat hiertoe vloerplaten behoeven te worden losgenomen. Aan boord van een vaartuig, waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, moet voor dit doel tevens een vast aangebrachte verlichting aanwezig zijn, die voldoet aan het bepaalde in artikel 127.

  • 6 In ruimten waarin één of meer met olie gestookte ketels zijn opgesteld, moeten op doelmatige plaatsen roosters zijn aangebracht teneinde de tanktop of de vullings onder de stookplaat te allen tijde te kunnen controleren. Voor dit doel moet tevens een vast aangebrachte verlichting aanwezig zijn, die voldoet aan het bepaalde in artikel 127.

  • 7 Voorzieningen moeten zijn aangebracht om de goede werking van de voortstuwingsinstallatie te kunnen handhaven of herstellen, zelfs indien één van de essentiële hulpinstallaties uitvalt. Bijzondere aandacht moet daarbij worden gegeven aan de goede werking van:

    • 1°. de inrichtingen die de brandstoftoevoer naar de hoofd-voortstuwingsinstallatie verzorgen;

    • 2°. de normale middelen die de smeeroliedruk verzorgen;

    • 3°. de hydraulische, pneumatische en elektrische middelen voor de bediening van de hoofdvoortstuwingsinstallatie met inbegrip van de verstelbare schroeven;

    • 4°. de middelen om de koelwaterdruk ten behoeve van de koelsystemen van de hoofdvoortstuwingsinstallatie en de hulpwerktuigen te verzorgen; en

    • 5°. de luchtcompressoren en de luchtvaten voor aanzet- of bedieningsdoeleinden.

  • 7 Voorzieningen moeten zijn aangebracht met behulp waarvan de machine-installatie in werking kan worden gesteld vanuit een dood-schip-toestand zonder dat hulp van buiten wordt geboden.

  • 8 Hoofdvoortstuwingsinstallaties en alle hulpinstallaties die noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en de veiligheid van het vaartuig, moeten, zoals zij zijn geïnstalleerd, kunnen functioneren ongeacht of het vaartuig recht ligt dan wel een slagzij maakt tot 15 graden naar beide zijden onder statische omstandigheden of een slagzij tot 22½ graden naar beide zijden onder dynamische omstandigheden, waarbij het vaartuig over beide zijden slingert en gelijktijdig een dynamisc he stampbeweging tot 7½ graden over de boeg of achtersteven maakt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, rekening houdende met het type, de afmetingen en het gebruik van het vaartuig, toestaan dat van deze criteria wordt afgeweken.

  • 9 Het ontwerp, de constructie en de installatie van voortstuwingssystemen moet zodanig zijn, dat binnen de normale bedrijfsgebieden op geen enkele wijze door trillingen abnormale spanningen in deze voortstuwingssystemen worden veroorzaakt.

  • 10 Aan boord van elk vaartuig, moeten met betrekking tot de controle over en de beveiliging van de werktuiglijke installatie en van de ruimten waarin de tot de installatie behorende werktuigen zijn geplaatst, zodanige voorzieningen zijn getroffen als door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden nodig geacht. Indien onder deze voorzieningen een alarmering is begrepen welke waarschuwt tegen een te hoge waterstand in de vullingen van genoemde ruimten, moeten constructie, uitvoering en aanleg van een dergelijke alarmeringsinstallatie voldoen aan de eisen gesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

  • 11 Elektrische installaties moeten zodanig zijn uitgevoerd dat:

    • 1°. alle elektrische hulpdiensten, nodig om de normale toestand van bedrijfsvoering en leefbaarheid te handhaven, verzekerd zijn zonder dat behoeft te worden teruggevallen op de noodkrachtbron;

    • 2°. elektrische diensten welke essentieel zijn voor de veiligheid tijdens verschillende noodtoestanden, verzekerd zijn; en

    • 3°. de veiligheid van bemanning en vaartuig tegen gevaren van elektrische aard is gewaarborgd.

  • 12 Ten aanzien van elektrische installaties dient te allen tijde te worden voldaan aan het bepaalde in paragraaf 3, voor zover op het vaartuig van toepassing.

  • 13 Aan boord van vaartuigen met tijdelijk onbemande machinekamers:

    • 1°. moet, onverminderd het bepaalde in de paragrafen 1 en 2 en het bepaalde in hoofdstuk 5, bovendien worden voldaan aan het bepaalde in paragraaf 4;

    • 2°. moeten, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, zodanige voorzieningen worden getroffen dat het zeker is dat de gehele machine-installatie onder alle omstandigheden op betrouwbare wijze functioneert. In elk geval moeten deze voorzieningen regelmatige inspecties en ronden omvatten teneinde de voortdurende goede werking van de machine-installatie te verzekeren; en

    • 3°. moet een verklaring aanwezig zijn, afgegeven door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, waaruit blijkt dat deze vaartuigen zijn ingericht om met tijdelijk onbemande machinekamers te varen.

  • 14 Aan boord van een werktuiglijk voortbewogen vaartuig moeten gereedschap, materiaal en verwisselstukken in voldoende hoeveelheid aanwezig zijn, om op zee noodherstellingen aan de werktuigen, de ketels, de stuurinrichting en de elektrische installatie te kunnen uitvoeren.

  • 15 De samenstellende delen van de scheepsromp en van de werktuigen en inrichtingen, die van belang kunnen zijn voor de veiligheid van vaartuig en opvarenden, mogen niet te veel zijn ingeteerd of versleten. Assen mogen niet op gevaarlijke wijze zijn verzakt.

§ 2. Machine-installaties

Artikel 75. Machine-installaties

  • 1 De hoofd- en hulpwerktuigen moeten, zowel in hun geheel als in onderdelen, goed functioneren, voldoende sterk geconstrueerd, nauwkeurig gesteld, deugdelijk gefundeerd en voor hun taak berekend zijn.

  • 2 Hoofd- en hulpwerktuigen die noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en de veiligheid van het vaartuig, moeten zijn voorzien van doelmatige bedieningsmiddelen.

  • 3 Verbrandingsmotoren met een cilinderdiameter van 200 mm of meer, of een krukkast volume van 0,6 m3 of meer, moeten zijn voorzien van ontlastkleppen voor krukkastexplosies; deze ontlastkleppen moeten van een geschikt type zijn en een voldoende ontlast-oppervlak hebben. De ontlastkleppen moeten zodanig zijn aangebracht of met zodanige voorzieningen zijn uitgerust dat bij in werking treden van de ontlastkleppen de uitstroming zodanig wordt geleid dat de kans op letsel aan de opvarenden tot een minimum wordt beperkt.

  • 4 Indien hoofd- of hulpwerktuigen, drukvaten inbegrepen, of onderdelen van deze werktuigen aan inwendige druk zijn onderworpen en aan gevaarlijke overdruk kunnen worden blootgesteld moeten, waar praktisch uitvoerbaar, voorzieningen worden getroffen die tegen zulk een te hoge druk beschermen.

  • 5 Alle tandwieloverbrengingen en elke as en koppeling welke gebruikt worden voor het overbrengen van vermogen naar werktuigen die essentieel zijn voor de voortstuwing en veiligheid van het vaartuig en van de opvarenden, moeten zodanig zijn ontworpen en vervaardigd dat zij bestand zijn tegen de hoogste spanningen waaraan zij kunnen worden onderworpen in alle bedrijfstoestanden. Speciale aandacht dient te worden geschonken aan de uitvoering van de werktuigen waardoor zij worden aangedreven of waarvan zij een onderdeel uitmaken.

  • 6 Voortstuwingswerktuigen en, waar van toepassing, hulpwerktuigen moeten voorzien zijn van automatisch werkende voorzieningen om deze uit te schakelen bij storingen, zoals het uitvallen van de smeerolietoevoer, die aanleiding kunnen geven tot ernstige schade, onklaar geraken of explosie. Tevens moet een vooralarm zijn aangebracht opdat een waarschuwingssignaal wordt gegeven alvorens de machines automatisch worden gestopt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter voorzieningen toestaan, waarmede de automatische stopinrichtingen buiten werking kunnen worden gesteld, dan wel ontheffing verlenen van het bepaalde in dit lid, rekening houdende met het type vaartuig of het bijzondere gebruik daarvan.

Artikel 76. Voortstuwingsvermogen

  • 1 Er moet een zodanig voortstuwingsvermogen kunnen worden ontwikkeld, dat het vaartuig onder alle in de praktijk voorkomende omstandigheden behoorlijk manoeuvreerbaar is.

  • 2 Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet worden aangetoond dat de machine-installatie in staat is de richting van de stuwdruk van de schroef binnen redelijke tijd om te keren en hiermede binnen redelijke afstand de vaart uit het vaartuig te halen vanuit de maximum dienstsnelheid vooruit.

Artikel 77. Stoom- en damptoestellen, aanzetluchtvaten en andere drukhouders

  • 1 Stoom- en damptoestellen, aanzetluchtvaten en andere drukhouders moeten voldoende sterk zijn geconstrueerd en beveiligd.

  • 2 Bij de beoordeling van de constructie en uitvoering van de in het voorgaande lid bedoelde toestellen, luchtvaten en drukhouders, zomede van hun appendages, aansluitingen en leidingen, zullen de regels van de klassebureaus worden gevolgd, voor zover bij of krachtens dit besluit geen andere voorschriften zijn gegeven.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde toestellen, luchtvaten en drukhouders moeten worden beproefd overeenkomstig de regels van de klassebureaus, voor zover bij of krachtens dit besluit geen andere voorschriften zijn gegeven.

  • 4 Hydrofoortanks moeten zijn voorzien van een manometer, een veiligheidsklep en een peilglas of van daaraan naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gelijkwaardige veiligheidsvoorzieningen. Een tank met een inhoud van meer dan 200 l moet zijn voorzien van een man- of handgat.

  • 5 Onverminderd het bepaalde in dit artikel moeten stoom- en damptoestellen, aanzetluchtvaten en andere drukhouders tevens voldoen aan het bepaalde in de artikelen 78 tot en met 80, voor zover van toepassing.

Artikel 78. Stoomketels, voedingwatersystemen en stoomleidingen

  • 1 Elke stoomketel en elke ongestookte stoomgenerator moet zijn voorzien van ten minste twee veiligheidskleppen van voldoende capaciteit, met dien verstande dat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, rekening houdende met de capaciteit of enige andere eigenschap van stoomketels of ongestookte stoomgenerators, kan toestaan dat slechts één veiligheidsklep is aangebracht, mits hij ervan overtuigd is dat in dat geval voorzien is in een afdoende beveiliging tegen overdruk.

  • 2 Elke met olie gestookte stoomketel die is ontworpen om niet met de hand te worden bediend, moet voorzien zijn van veiligheidsinrichtingen die de olietoevoer afsluiten en alarm geven in geval van laag waterpeil, storing in de luchttoevoer of vlamstoring.

  • 3 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven voor stoomketelinstallaties, teneinde zeker te stellen dat voedingwatersystemen, bedieningsapparatuur en veiligheidsvoorzieningen in alle opzichten geschikt zijn om de veiligheid van ketels, stoomdrukvaten en stoomleidingen te garanderen.

Artikel 79. Stoomafsluiters

Afsluiters aan een stoomketel, door middel waarvan stoom kan worden toegelaten in een hoofd- of hulpstoomleiding, moeten vanaf een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde plaats kunnen worden gesloten. Daar waar de afsluiters worden bediend, moet een duidelijke aanwijzing zijn aangebracht in welke richting moet worden gedraaid om de stoomtoevoer af te sluiten.

Artikel 80. Systemen voor samengeperste lucht

  • 1 Op elk vaartuig moeten voorzieningen zijn aangebracht om ongewenste overdruk te voorkomen in enig deel van systemen voor samengeperste lucht en in die gevallen waarin watermantels of cilinderblokken van luchtcompressoren en huizen van koelers kunnen worden onderworpen aan een gevaarlijke overdruk ten gevolge van lekkage naar deze delen afkomstig van onder luchtdruk staande onderdelen. Doelmatige ontlastvoorzieningen moeten op deze systemen zijn aangebracht.

  • 2 De aanzetluchtleidingen van alle voortstuwingsmotoren moeten zijn voorzien van een veiligheidsinrichting. De aanzetluchtleidingen van direct omkeerbare voortstuwingsmotoren moeten voorts zijn voorzien van veiligheidsinrichtingen nabij de aanzetluchtkleppen op elke werkcilinder, teneinde explosies in de aanzetluchtleidingen te voorkomen of te localiseren. De hierboven genoemde veiligheidsinrichtingen moeten zodanig zijn geplaatst of beschermd, dat bij het in werking komen daarvan geen gevaar voor het bedienend personeel kan ontstaan.

  • 3 Alle persleidingen van de aanzetluchtcompressoren moeten rechtstreeks zijn aangesloten op de aanzetluchtvaten, terwijl alle aanzetluchtleidingen van de aanzetluchtvaten naar de hoofden hulpmotoren geheel moeten zijn gescheiden van het persleidingsysteem van de compressoren.

  • 4 Voorzieningen moeten zijn getroffen om het binnendringen van olie in de systemen voor samengeperste lucht tot een minimum te beperken en om deze olie uit het betreffende systeem af te voeren.

  • 5 De totale capaciteit van aanzetluchtvaten voor voortstuwingsmotoren moet voldoende groot zijn om, zonder tussentijds bijpompen van lucht, bij:

    • 1°. direct omkeerbare motoren: twaalf maal te kunnen aanzetten, afwisselend in beide draairichtingen;

    • 2°. motoren met één draairichting: zes maal te kunnen aanzetten.

    De capaciteit van de luchtcompressoren moet voldoende groot zijn om de lege luchtvaten binnen één uur weer op de werkdruk te brengen.

Artikel 81. Communicatie tussen brug, machinekamer, bedieningsplaats hulpstuurinrichting, verblijven van kapitein en hoofdwerktuigkundige

  • 1 Vanaf de brug moeten door middel van ten minste twee onafhankelijke communicatiemiddelen op doeltreffende wijze orders kunnen worden gegeven naar de plaats in de machinekamer of in de controlekamer waar in normale omstandigheden de voortstuwingsinstallatie kan worden bediend. Bedoelde orders moeten vanaf deze plaats ook kunnen worden beantwoord.

    Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt moet een van deze communicatiemiddelen een machinekamertelegraaf zijn, die zowel op de brug als op de bedieningsplaats de orders en de beantwoording daarvan zichtbaar aangeeft. Tussen de brug en elke andere plaats waar de voortstuwingsinstallatie kan worden bediend moet een doelmatig communicatiemiddel aanwezig zijn.

    Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, waarop de bediening vanaf de voortstuwingsinstallatie geschiedt vanaf de brug, kan indien de uitvoering van de afstandsbediening voldoet aan de daarvoor door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen eisen en de inrichting en uitvoering van de machineinstallatie naar zijn oordeel hiervoor in aanmerking komt, de telegraaf worden vervangen door een andere doeltreffende rechtstreekse verbinding.

  • 2 Vanaf de brug, dient eveneens een doeltreffende rechtstreekse spreekverbinding te bestaan met de plaats waar de hulpstuurinrichting wordt bediend en met de verblijven van de kapitein.

  • 3 Op vaartuigen waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt moet vanaf de plaats of plaatsen waar het voortstuwingswerktuig of de voortstuwingswerktuigen kan of kunnen worden bediend, een doeltreffende rechtstreekse spreekverbinding bestaan met de verblijven van de hoofdwerktuigkundige.

  • 4 De in de voorgaande leden bedoelde doeltreffende spreekverbinding moet voldoen aan het bepaalde in artikel 111.

Artikel 82. Bediening van de voortstuwingsinstallatie

  • 1 Indien een voortstuwingswerktuig, behalve ter plaatse of vanaf een daartoe speciaal aanwezige bedieningspost, ook rechtstreeks vanaf de brug kan worden bediend:

    • 1.1. moeten onder alle bedrijfsomstandigheden waaronder het manoeuvreren, de snelheid, de richting van de stuwkracht en, indien van toepassing, de spoed van de verstelbare schroef volledig door middel van afstandbediening vanaf de brug kunnen worden geregeld;

    • 1.2. moet de afstandbediening als bedoeld onder 1 ten genoegen zijn van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en verricht worden door middel van een bedieningsapparaat, dat zonodig voorzien moet zijn van een inrichting die voorkomt dat de voortstuwingswerktuigen worden overbelast;

    • 1.3. moeten de hoofdvoortstuwingswerktuigen voorzien zijn van een noodstopinrichting op de brug, die onafhankelijk moet werken van het bedieningssysteem op de brug als bedoeld onder 1;

    • 1.4. moet de hiervoor benodigde omschakelinrichting ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zodanig zijn uitgevoerd, dat:

      • 1°. nimmer gelijktijdig vanaf meer dan één bedieningsplaats het voortstuwingswerktuig kan worden aangezet, dan wel, indien van toepassing, de spoed van de verstelbare schroef kan worden versteld;

      • 2°. het nimmer kan voorkomen dat door omschakeling van de bediening de stuwkracht een noemenswaardige verandering ondergaat; en

      • 3°. op elke bedieningsplaats op duidelijke wijze blijkt welke bedieningsplaats is ingeschakeld. De overschakeling van de bediening van de brug naar de ruimte voor machines dient alleen mogelijk te zijn in de ruimte voor machines of in de controlekamer. Voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de bedieningsplaats in de ruimte voor machines alleen een noodbedieningsplaats is, mits de controle- inrichting en bedieningsorganen op de brug doelmatig zijn;

    • 1.5. moeten instrumenten op de brug zijn aangebracht die aangeven:

      • 1°. de omwentelingssnelheid en de draairichting van de schroef in het geval het vaartuig is voorzien van vaste schroeven;

      • 2°. de omwentelingssnelheid en de stand van de spoed in het geval het vaartuig is voorzien van verstelbare schroeven; en

      • 3°. het vooralarm zoals voorgeschreven in artikel 75, zesde lid;

    • 1.6. moeten, indien een storing optreedt in een onderdeel van het afstandbedieningssysteem, de voortstuwingswerktuigen op andere wijze kunnen worden bediend;

    • 1.7. moet, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat zulks praktisch niet uitvoerbaar is, het afstandbedieningssysteem zodanig zijn ontworpen, dat bij uitvallen alarm wordt gegeven en de vooraf ingestelde snelheid en richting van de stuwkracht worden gehandhaafd totdat de bediening op andere wijze wordt overgenomen; en

    • 1.8. moet, indien de afstandsbediening van het voortstuwingswerktuig is ingericht voor automatisch aanzetten, het aantal keren waarop automatische, opeenvolgende, vergeefse startpogingen verricht kunnen worden zodanig zijn begrensd dat voldoende aanzetlucht aanwezig blijft voor het aanzetten van het voortstuwingswerktuig ter plaatse. Er moet een alarm zijn aangebracht in de ruimte voor machines dat een lage aanzetdruk aangeeft en dat is afgesteld op een druk waarbij aanzetten van het voortstuwingswerktuig nog mogelijk is. Indien het voortstuwingswerktuig een direct omkeerbare motor is moet dit alarm ook op de brug zijn aangebracht.

  • 2 Aan boord van een vaartuig waar het omkeren van de door de schroef uitgeoefende stuwdruk geschiedt door het verstellen van de schroefbladen, moet dit verstellen in elk geval in de ruimte voor machines kunnen geschieden.

  • 3 Wanneer de hoofdvoortstuwingswerktuigen en bijbehorende machine-installaties met inbegrip van de elektrische hoofdkrachtbron zijn voorzien van verschillende graden van automatische bediening of afstandbediening en daarop voortdurend toezicht wordt gehouden vanuit een controlekamer, moet deze controlekamer zodanig zijn ontworpen, uitgerust en ingericht, dat de werking van de machine-installaties even veilig en doeltreffend is als wanneer daarop rechtstreeks toezicht wordt gehouden.

  • 4 Automatische systemen voor aanzetten, regeling en bediening moeten in het algemeen voorzieningen omvatten om de bediening van deze systemen met de hand over te kunnen nemen. Storing in enig gedeelte van deze systemen mag het gebruik van voorzieningen voor handbediening niet verhinderen.

Artikel 83. Gebruik van ontvlambare oliën

  • 1 Als vloeibare brandstof mag slechts olie worden gebruikt waarvan het vlampunt niet lager is dan 60°C, behalve voor noodagregaten, waarvoor olie met een vlampunt van niet lager dan 43°C mag worden gebruikt.

  • 2 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter het algemeen gebruik toestaan van brandstofolie met een vlampunt lager dan 60°C, maar niet lager dan 43°C, onder zodanige voorzorgen als hij nodig acht en op voorwaarde dat de temperatuur in de ruimte waarin zulk brandstofolie is opgeslagen of wordt gebruikt, niet zal mogen stijgen tot een waarde hoger dan 10°C onder het vlampunt van de brandstofolie.

  • 3 Veilige en doeltreffende middelen ter bepaling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank dienen aanwezig te zijn. Indien peilpijpen zijn aangebracht, moeten de boveneinden daarvan op veilige plaatsen uitkomen en voorzien zijn van doeltreffende middelen voor afsluiting. Buisvormige peilglazen mogen niet worden toegepast. Andere middelen ter vaststelling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank kunnen worden toegestaan, mits het bij het onklaar raken daarvan of het overvullen van de tanks niet mogelijk is dat daardoor brandstofolie buiten de tank geraakt.

  • 4 Voorzieningen moeten zijn getroffen ter vermijding van overdruk in een brandstofolietank of in een gedeelte van het brandstofoliesysteem, met inbegrip van verwarmingstoestellen, vulpijpen en dergelijke. Ontlastkleppen en lucht- of overvloeipijpen moeten afvoeren naar een veilige plaats, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

  • 5 Iedere brandstofleiding waaruit bij beschadiging olie zou kunnen ontsnappen uit een boven de dubbele bodem opgestelde voorraad-, bezink- of dagtank moet direct aan de tank zijn voorzien van een afsluiter die vanaf een veilige plaats buiten de betrokken ruimte waarin dergelijke tanks zijn geplaatst, kan worden gesloten in het geval dat in die ruimte brand uitbreekt. In het bijzondere geval van dieptanks in een schroefas- of pijpentunnel of een dergelijke ruimte, moeten afsluiters op deze tanks zijn aangebracht. De afsluiting in het geval van brand mag evenwel worden bewerkstelligd door middel van een extra afsluiter in de pijp of pijpen buiten de tunnel of dergelijke ruimte. Indien zulk een extra afsluiter is aangebracht in de ruimte voor machines, moet deze afsluiter vanaf een plaats buiten deze ruimte kunnen worden bediend.

  • 6 Pompen die deel uitmaken van het brandstofleidingsysteem, moeten gescheiden zijn van elk ander leidingsysteem en de aansluitingen op de betrokken pompen moeten zijn voorzien van een doelmatige ontlastklep die deel uitmaakt van een gesloten systeem. Wanneer brandstofolietanks tevens gebruikt kunnen worden als ballasttanks, moeten doelmatige voorzieningen zijn getroffen om het brandstofleidingsysteem en het ballastleidingsysteem van elkaar te scheiden.

  • 7 Olietanks mogen niet zodanig zijn gelegen dat overvloeien of lekkage van vloeistof daaruit op hete oppervlakken een gevaar kan vormen. Voorzorgsmaatregelen moeten zijn genomen om te voorkomen dat olie onder druk, die uit een pomp, filter of voorwarmers zou kunnen ontsnappen, in aanraking komt met hete oppervlakken.

  • 8 Brandstofleidingen en hun afsluiters en bevestigingen, moeten van staal of ander goedgekeurd materiaal zijn, behoudens dat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een beperkt gebruik van flexibele leidingen kan toestaan op plaatsen waar ten genoegen van genoemd hoofd kan worden aangetoond dat deze noodzakelijk zijn. Dergelijke flexibele leidingen en hun eindbevestigingen moeten van goedgekeurd brandbestendig materiaal van voldoende sterkte zijn en hun constructie moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

  • 8 Waar dit noodzakelijk is, moeten brandstofolie- en smeerolieleidingen, voor zover praktisch uitvoerbaar, zijn afgeschermd of op andere wijze doeltreffend zijn beveiligd teneinde olienevel of olielekkage op hete oppervlakken of in luchtinlaten van werktuigen te voorkomen. Het aantal koppelingen in pijpleidingen moet tot een minimum worden beperkt.

  • 9 Voor zover dit praktisch uitvoerbaar is, moeten de brandstofolietanks deel uitmaken van de scheepsconstructie en buiten de ruimten voor machines van categorie A gelegen zijn. Wanneer brandstofolietanks, geen dubbele bodemtanks zijnde, noodzakelijkerwijze naast of in ruimten voor machines van categorie A gelegen zijn, moet ten minste één van hun verticale zijden samenvallen met de begrenzingswanden van de ruimte voor machines en moeten zij bij voorkeur een gemeenschappelijke begrenzingswand hebben met dubbele bodemtanks indien deze zijn aangebracht. De oppervlakte van de begrenzingswand tussen de tank en de ruimte voor machines moet zo klein mogelijk zijn. Wanneer dergelijke tanks gelegen zijn binnen de begrenzingswanden van ruimten voor machines van categorie A mogen zij geen brandstofolie bevatten met een vlampunt dat lager is dan 60°C. Het gebruik van vrijstaande brandstofolietanks in brandgevaarlijke ruimten en in het bijzonder in ruimten voor machines van categorie A is in het algemeen niet toegestaan. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter de toepassing van vrijstaande brandstofolietanks toestaan. In dat geval moeten zij zijn geplaatst in een lekbak van ruime afmetingen welke is voorzien van een afvoerleiding van voldoende afmetingen, welke naar een lekolietank leidt met voldoende capaciteit.

  • 10 De ventilatie van ruimten voor machines moet onder alle bedrijfsomstandigheden voldoende zijn om opeenhoping van oliedampen te voorkomen.

  • 11 De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van olie voor smeeroliesystemen onder druk moeten ten genoegen zijn van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Wanneer deze inrichtingen zijn aangebracht in ruimten voor machines, moeten zij ten minste voldoen aan het bepaalde in het eerste, tweede, vierde, zevende en achtste lid en, voor zover het Hoofd van de Scheepvaartinspectie dit noodzakelijk acht, aan het bepaalde in het derde en vijfde lid. Het gebruik van kijkglazen in smeeroliesystemen is toegestaan, mits door middel van een proef is aangetoond dat zij in voldoende mate brandbestendig zijn.

  • 12 De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van ontvlambare oliën die onder druk worden toegepast in hydraulische systemen voor het overbrengen van vermogen en die geen oliën zijn als bedoeld in het voorgaande lid, zomede van oliën die worden gebruikt in bedienings-, bekrachtigings- en verwarmingssystemen, moeten ten genoegen zijn van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Op plaatsen waar ontstekingsbronnen aanwezig zijn, moeten dergelijke inrichtingen ten minste voldoen aan het bepaalde in het derde, vijfde en zevende lid en ten aanzien van sterkte en constructie aan het bepaalde in het vierde en het achtste lid.

  • 13 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie onder door hem te bepalen nadere voorwaarden, toestaan dat voor motoren van hulpverleningsboten vloeibare brandstof met een lager vlampunt wordt gebruikt.

  • 14 Voorpiektanks mogen geen brandstofolie, smeerolie of andere ontvlambare oliën bevatten.

Artikel 84. Lensinrichting

  • 1 Elk gedeelte van een vaartuig, voor zover het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het hiervoor vatbaar acht, en elke waterdichte afdeling die niet permanent is bestemd voor de berging van olie of water, moeten onder alle omstandigheden die in de praktijk kunnen voorkomen, ongeacht of het vaartuig recht ligt dan wel slagzij heeft, door de lensinrichting kunnen worden leeggepompt. Voor dit doel moet een hoofdlensleiding aanwezig zijn, waarop de lenspompen zijn aangesloten en die is voorzien van de nodige afsluiters en zuigpijpen naar lenskorven in de afdelingen die moeten kunnen worden lensgepompt. De plaatsing van de lenspompen en de ligging van de lensleiding moeten zodanig zijn, dat een goede werking onder alle vorenbedoelde omstandigheden is gewaarborgd.

  • 2 De lenskorven moeten als regel in de zijden der afdelingen zijn aangebracht. In smalle afdelingen kan, dit ter beoordeling van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, met één lenskorf worden volstaan, terwijl deze in afdelingen van bijzondere vorm extra lenskorven kan eisen.

  • 3 Voorzieningen moeten worden getroffen, opdat in een afdeling aanwezig water naar de lenskorven kan toevloeien.

  • 4 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat bepaalde afdelingen waarin een zuigaansluiting onnodig of ongewenst zou zijn, niet op de lensleiding zijn aangesloten.

  • 5 Indien in een gedeelte van een vaartuig door de aard van het bedrijf of om andere redenen, ongewenste hoeveelheden water kunnen voorkomen, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bijzondere voorzieningen voorschrijven voor het lenzen van dit gedeelte.

  • 6 Het lenzen van koelruimen moet op een doelmatige wijze kunnen geschieden.

Artikel 85. Inrichting van lens- en ballastleidingen

  • 1 De inrichting van lensleidingen en ballastleidingen met de daarbij behorende pompen moet zodanig zijn, dat geen water rechtstreeks van buitenboord of uit waterballastruimten naar laadruimten en ruimten voor machines of uit de ene waterdichte ruimte naar een andere kan vloeien. Voorts moeten alle leidingen aangesloten op pompen die dienen om laadruimten, ruimten voor machines of andere in artikel 84, eerste lid, bedoelde ruimten lens te houden, afdoende zijn gescheiden van leidingen die kunnen worden gebruikt voor het vullen of ledigen van ruimten waarin water, olie of andere vloeistof wordt vervoerd. Dezelfde voorzorgen moeten zoveel mogelijk in acht worden genomen ten aanzien van brandstof- en ballastleidingen in gevallen waarin tanks afwisselend voor de berging van brandstofolie en ballastwater kunnen worden gebruikt.

  • 2 Bijzondere voorzieningen moeten zijn getroffen om te voorkomen dat een dieptank met aansluiting zowel aan de lensleiding als aan de ballastleiding door onachtzaamheid hetzij met zeewater volloopt, hetzij door een lenspomp wordt leeggepompt.

  • 3 In een lensleiding die door het openen van afsluiters of kranen in verbinding kan worden gesteld met een buitenboordopening of waterballastruimte, moeten zich tussen de inlaat en het open einde van de zuigpijp ten minste twee terugslagkleppen bevinden.

  • 4 De doorvoering van een lensleiding door het aanvaringsschot moet voldoen aan het bepaalde in artikel 27, zevende lid.

Artikel 86. Aftapinrichting

Indien een tank of ruimte die niet op de lensleiding is aangesloten, is voorzien van een wateraftapinrichting moet deze hetzij boven het werkdek kunnen worden bediend, hetzij zich op een steeds toegankelijke plaats bevinden en in dat geval zelfsluitend zijn.

Artikel 87. Uitvoering lens- en ballastleidingen

  • 1 Lens- en ballastleidingen moeten zijn vervaardigd van staal of een ander goedgekeurd materiaal en, waar nodig, behoorlijk tegen beschadiging zijn beschermd.

  • 2 Verdeelkasten in lensleidingen moeten zodanig zijn ingericht dat het niet mogelijk is losse en vaste kleppen daarin bij montage abusievelijk te verwisselen. Kleppen in de verdeelkasten van de lensleiding moeten van het terugslagtype zijn. Afsluiters en terugslagkleppen in lensleidingen moeten bij onklaar raken op eenvoudige wijze weer bedrijfsklaar kunnen worden gemaakt.

  • 3 Een leiding van niet-corrosiebestendig materiaal die wordt gevoerd door een tank die niet in open verbinding staat met die leiding, moet binnen die tank een wanddikte hebben die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is.

Artikel 88. Afmetingen lensleidingen

  • 1 De inwendige middellijn van de lensleidingen moet zijn berekend volgens volgende formules, met dien verstande dat:

    • 1°. als inwendige middellijn mag worden toegepast de dichtstbijzijnde standaardpijpmiddellijn, mits deze niet meer dan 5 percent kleiner is dan de berekende;

    • 2°. de inwendige middellijn van de hoofdlensleiding en van de leidingen naar de pompen niet kleiner mag zijn dan die van de zuigleidingen naar de lenskorven;

    • 3°. de inwendige middellijn van een lensleiding niet kleiner mag zijn dan 50 mm.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde berekende middellijn, uitgedrukt in millimeters, bedraagt:

    • 1°. voor de hoofdlensleiding en de leidingen naar de pompen:

      25 + 1,68 L(B+D);

    • 2°. voor de zuigpijpen naar de lenskorven:

      25 + 2,14 l(B+D).

      In deze formules is:

      L = de lengte, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder 17;

      B = de breedte, bedoeldin artikel 2, eerste lid, onder 19;

      D = de holte, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder 21; en

      l = de lengte van de waterdichte ruimte, uitgedrukt in meters.

  • 3 De doorlaat van zuigopeningen van pompen, kranen en afsluiters moet ten minste gelijk zijn aan die van de daarop aangesloten leidingen.

  • 4 De lensinrichting moet zodanig zijn, dat de totale capaciteit van de pompen, bedoeld in artikel 89, derde lid, kan worden aangewend voor elke waterdichte afdeling die ligt tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot.

Artikel 89. Lenspompen

  • 1 De in artikel 91, eerste lid, voorgeschreven lenspompen moeten werktuiglijk aangedreven zijn en aangesloten zijn op de hoofdlensleiding.

  • 2 Met uitzondering van eventueel extra voorgeschreven pompen, uitsluitend bestemd voor piektanks, moet elke voorgeschreven lenspomp kunnen pompen op elke ruimte die ingevolge het bepaalde in artikel 84, eerste lid, moet kunnen worden lensgepompt.

  • 3 Sanitaire-, ballast- en algemene-dienst-pompen kunnen worden aanvaard als onafhankelijk werktuiglijk gedreven lenspompen, mits zij zijn voorzien van de nodige aansluitingen op de lensleiding. Pompen waarvan de persleiding kan worden afgesloten, moeten zonodig van ontlastkleppen zijn voorzien. Elke pomp die is bestemd om als lenspomp te worden gebruikt, moet zelfaanzuigend zijn.

  • 4 Indien de werking van twee of meer pompen afhankelijk is van slechts een aandrijfwerktuig of van een krachtbron, kan slechts een van deze pompen als een voorgeschreven pomp worden aangemerkt.

Artikel 90. Rechtstreekse zuigpijpen

  • 1 Elke in artikel 91, eerste lid, voorgeschreven lenspomp moet zijn voorzien van een rechtstreekse zuigpijp op de ruimte waarin deze is opgesteld. Wanneer twee of meer van dergelijke zuigpijpen in een ruimte aanwezig zijn, moet ten minste een aan bakboordszijde en een aan stuurboordszijde van de ruimte uitmonden. De middellijn van een rechtstreekse zuigpijp mag niet kleiner zijn dan die van de hoofdlensleiding.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, behoeft aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 75 m bedraagt, slechts een lenspomp voorzien te zijn van een rechtstreekse zuigpijp op de ruimte waarin deze is opgesteld.

  • 3 In ruimten voor machines moeten de afsluiters van rechtstreekse zuigpijpen boven de vloerplaten kunnen worden bediend.

Artikel 91. Aantal en capaciteit van lenspompen

  • 1 Een vaartuig moet zijn uitgerust met ten minste twee op de hoofdlensleiding aangesloten lenspompen, die onafhankelijk van het hoofdvoortstuwingswerktuig kunnen worden gebruikt, met dien verstande dat op een vaartuig waarvan de lengte minder dan 55 m bedraagt, kan worden volstaan met één zodanige pomp, mits een andere door het hoofdvoortstuwingswerktuig gedreven lenspomp in staat is alle ruimten van het vaartuig lens te pompen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor vaartuigen, waarvan de lengte minder dan 24 m bedraagt, afwijking toestaan van het bepaalde in dit lid.

  • 2 Een van de lenspompen, voorgeschreven in het voorgaande lid, mag worden vervangen door een lensejecteur met bijbehorende werktuiglijk gedreven pomp, mits de andere voorgeschreven lenspomp onafhankelijk van het hoofdvoortstuwingswerktuig kan worden gebruikt. De bij de lensejecteur behorende pomp moet van voldoende capaciteit zijn en onafhankelijk van het hoofdvoortstuwingswerktuig en het lenssysteem kunnen worden gebruikt.

  • 3 Elke voorgeschreven lenspomp moet aan het water in de hoofdlensleiding een snelheid van ten minste 122 m/min. kunnen geven. Een door het hoofdvoortstuwingswerktuig gedreven lenspomp moet dezelfde snelheid kunnen geven in de voor de ruimte voor machines voorgeschreven zuigpijp naar de lensflessen.

Artikel 92. Voorzieningen in verband met beschadiging van de lensleiding

  • 1 Aan boord van een vaartuig met meer dan een ruim voor of achter de ruimte voor machines, moeten voorzieningen zijn getroffen, opdat een van deze ruimen niet door een daarin aanwezige lensaansluiting zal vollopen, indien de hierop aangesloten leiding, buiten dat ruim wordt beschadigd. Hiertoe moet in elke zuigleiding, binnen het ruim waarin zich het open zuigeinde bevindt, ter plaatse waar zij dat ruim binnentreedt, een terugslagklep of een vanaf een steeds toegankelijke plaats te bedienen afsluiter aanwezig zijn, indien deze leiding zich op enige plaats dichter bij het scheepsboord bevindt dan 20 percent van de breedte van het vaartuig.

  • 2 Lensleidingen die aan boord van een vaartuig in de dubbele bodem of in een kokerkiel zijn ondergebracht op een wijze die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie beschadiging van die leidingen bij aan de grond lopen mogelijk maakt, moeten ter plaatse van het open zuigeinde zijn voorzien van een terugslagklep of van een afsluiter die vanaf een steeds toegankelijke plaats is te bedienen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een andere uitvoering toestaan die dezelfde veiligheid waarborgt.

Artikel 93. Bescherming tegen geluidhinder

  • 1 Maatregelen moeten worden getroffen om geluidhinder in ruimten voor machines te beperken tot aanvaardbare niveaus.

  • 2 Indien de geluidhinder niet voldoende kan worden beperkt moeten de bronnen van het overmatige geluid doeltreffend worden geïsoleerd of afgezonderd, óf er moet voor een aparte geluidarme ruimte worden gezorgd indien de ruimte voor machines bemand moet zijn. Indien nodig moeten oorbeschermers worden verstrekt aan personeel dat deze ruimten moet betreden.

  • 3 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van maatregelen in verband met bescherming tegen geluidhinder.

Artikel 94. Stuurinrichtingen en roer

  • 1 Elk vaartuig moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn voorzien van een hoofdstuurinrichting en van een hulpstuurinrichting. Deze inrichtingen moeten zodanig zijn, dat voor zover dit mogelijk en praktisch uitvoerbaar is, een enkelvoudige fout in een van de inrichtingen de ander niet buiten werking stelt.

  • 2 De hoofdstuurinrichting moet voldoende sterk zijn gebouwd en geschikt zijn voor de besturing van het vaartuig bij maximum dienstsnelheid vooruit. De hoofdstuurinrichting, het roer en de roerkoning moeten zodanig zijn ontworpen, dat zij, ook bij maximum snelheid achteruit of bij het manoeuvreren tijdens het vissen, niet worden beschadigd.

  • 3 Het vermogen en de uitvoering van de hoofdstuurinrichting moeten zodanig zijn dat het roer van 35 graden uitslag aan een zijde naar 35 graden uitslag aan de andere zijde kan worden bewogen wanneer het vaartuig zich bij maximum toelaatbare diepgang, met maximum dienstsnelheid vooruit beweegt. Het roer moet onder deze omstandigheden van 35 graden uitslag aan één zijde in niet meer dan 28 seconden naar 30 graden uitslag aan de andere zijde kunnen worden bewogen. Zonodig dient de hoofdstuurinrichting werktuiglijk te kunnen worden bewogen teneinde aan deze eisen te voldoen.

  • 4 Wanneer de hoofdstuurinrichting twee of meer gelijkwaardige krachtwerktuigen omvat, behoeft geen hulpstuurinrichting te zijn aangebracht indien de hoofdstuurinrichting geschikt is om het roer te bewegen overeenkomstig het bepaalde in het zesde lid, in het geval dat een van de krachtwerktuigen buiten bedrijf is.

  • 5 De hulpstuurinrichting moet voldoende sterk zijn gebouwd en geschikt zijn voor de besturing van het vaartuig bij een snelheid, waarbij het nog manoeuvreerbaar is en voorts zijn ingericht om in noodgevallen snel in werking te kunnen worden gebracht.

  • 6 De hulpstuurinrichting moet geschikt zijn om het roer in niet meer dan 60 seconden van 15 graden uitslag aan een zijde te bewegen naar 15 graden uitslag aan de andere zijde, bij een snelheid vooruit welke maximaal of de helft van de maximum dienstsnelheid of 7 mijl per uur bedraagt, welke van de twee waarden het grootst is. Zonodig dient de hulpstuurinrichting werktuiglijk te kunnen worden bewogen teneinde aan deze eisen te voldoen. Indien een roerkoning met een middellijn ter plaatse van de helmstok van meer dan 230 mm is voorgeschreven moet de hulpstuurinrichting in ieder geval werktuiglijk kunnen worden bewogen.

  • 7 De stand van het roer moet op de brug worden aangegeven indien het roer werktuiglijk wordt bewogen. De roerstandaanwijzing moet onafhankelijk zijn van het afstandbedieningssysteem.

  • 8 Aan boord van een vaartuig moet elk krachtwerktuig van een elektrische of elektrisch-hydraulische stuurinrichting rechtstreeks vanaf het hoofdschakelbord worden gevoegd. Eén van de stroomkringen mag vanaf het noodschakelbord worden gevoed. De stroomkringen moeten over hun gehele lengte zover als praktisch mogelijk is, van elkaar verwijderd zijn aangebracht.

  • 9 Elke stroomkring en elke motor moet zijn voorzien van een kortsluitbeveiliging en een overbelastingsalarm. Indien een overbelastingsbeveiliging is aangebracht moet deze niet lager zijn ingesteld dan tweemaal de nominale stroomsterkte van de motor of stroomkring en moet verder zodanig zijn uitgevoerd dat deze bij de gebruikelijke aanloopstroom niet in werking treedt.

  • 10 Aan boord van elk vaartuig moet het in bedrijf zijn van de motoren van elektrische en elektrisch-hydraulische stuurinrichtingen op de brug worden aangegeven.

  • 11 De krachtwerktuigen voor de hoofdstuurinrichting en de hulpstuurinrichting moeten zodanig zijn uitgevoerd dat zij automatisch weer in werking treden, zodra de energievoorziening, na te zijn uitgevallen, weer is hersteld.

  • 12 De krachtwerktuigen voor de hoofdstuurinrichting en de hulpstuurinrichting moeten op de brug in werking kunnen worden gesteld. Het uitvallen van de energievoorziening van enig krachtwerktuig moet op de brug door middel van een hoorbaar en zichtbaar alarm worden aangegeven.

  • 13 De hoofdstuurinrichting moet op de brug kunnen worden bediend.

  • 14 Indien de hoofdstuurinrichting is uitgevoerd zoals aangegeven in het vierde lid moeten twee afstandbedieningssystemen aanwezig zijn, welke onafhankelijk van elkaar kunnen werken en vanaf de brug zijn te bedienen. Het is evenwel niet noodzakelijk dat elk systeem is voorzien van een afzonderlijk stuurwiel of stuurhandel.

  • 15 Indien de hulpstuurinrichting door een krachtwerktuig wordt aangedreven moet zij tevens zijn voorzien van een afstandbedieningssysteem dat op de brug kan worden bediend en dit systeem moet onafhankelijk zijn van het afstandbedieningssysteem voor de hoofdstuurinrichting.

  • 16 Elk afstandbedieningssysteem voor hoofdstuurinrichtingen en hulpstuurinrichtingen dat vanaf de brug kan worden bediend, moet aan de volgende eisen voldoen:

    • 1°. indien elektrisch uitgevoerd moet het afstandbedieningssysteem worden gevoed door een afzonderlijk voor dit doel bestemde stroomkring, betrokken vanuit de voeding van een krachtwerktuig voor de stuurinrichting;

    • 2°. het uitvallen van de elektrische voeding van een afstandbedieningssysteem moet op de brug door middel van alarmen worden aangegeven. Deze alarmen moeten zowel hoorbaar als zichtbaar zijn en moeten gemakkelijk kunnen worden waargenomen; en

    • 3°. de voeding voor de afstandbedieningssystemen mag uitsluitend tegen kortsluiting zijn beveiligd.

  • 17 Indien voorzien is in een automatische stuurinrichting, dient deze te voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen regels.

Artikel 95. Alarminstallatie voor werktuigkundigen

Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moet een alarminstallatie zijn aangebracht die hetzij vanuit de machine-controlekamer, hetzij vanaf de manoeuvreerstand in werking moet kunnen worden gesteld en die duidelijk hoorbaar moet zijn in de verblijven welke zijn bestemd voor de werktuigkundigen.

Artikel 96. Koelinstallaties, koel- en vriesruimten

  • 1 Koelinstallaties moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd, beproefd en geïnstalleerd, dat rekening is gehouden met de veiligheid in het bijzonder met het oog op mogelijk letsel dat personen kunnen oplopen ten gevolge van het gebruikte koelmedium.

  • 2 Koelmedia voor het gebruik in koelinstallaties moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. Het gebruik van methylchloride als koelmedium is niet toegestaan.

  • 3 Koelinstallaties moeten voldoende zijn beschermd tegen trillen, schokken, uitzetten, krimpen en dergelijke en moeten voorzien zijn van een automatische veiligheidsinrichting, waardoor een gevaarlijke stijging van de temperatuur en van de druk wordt voorkomen.

  • 3 Koelinstallaties waarin giftige of ontvlambare koelmedia worden gebruikt, moeten zijn voorzien van afvoerinrichtingen die uitmonden op een plaats waar het koelmedium geen gevaar oplevert.

  • 4 Koelmachines, met inbegrip van koelers en gastanks, die giftige koelmedia gebruiken, moeten zijn ondergebracht in een afzonderlijke ruimte die door gasdichte schotten van aangrenzende ruimten is gescheiden. Deze ruimte moet zijn voorzien van een lekzoeksysteem met een aanwijsinstrument dat moet zijn aangebracht naast de ingang tot deze ruimte, een onafhankelijk ventilatiesysteem en een watersproei-installatie.

  • 4 Indien ten gevolge van de grootte van het vaartuig het praktisch niet uitvoerbaar is, dat een koelinstallatie als bedoeld in het derde lid, in een afzonderlijke ruimte wordt ondergebracht, mag de installatie worden geplaatst in de ruimte voor machines, mits de hoeveelheid gebruikt koelmedium in geval van ontsnapping van de totale hoeveelheid gas geen gevaar oplevert voor personen in de ruimte voor machines.

  • 5 In ruimten voor koelmachines en in koel- en vriesruimten moet een installatie zijn aangebracht waarmee door personen die opgesloten raken op doelmatige plaatsen alarm kan worden gegeven. Ten minste één uitgang van een dergelijke ruimte moet van binnenuit geopend kunnen worden. Uitgangen van de ruimten waarin koelinstallaties zijn ondergebracht die giftig of ontvlambaar gas gebruiken dienen waar mogelijk niet rechtstreeks toegang te geven tot ruimten voor accommodatie.

  • 6 Wanneer in een koelinstallatie een giftig koelmedium wordt gebruikt, moeten ten minste twee persluchttoestellen aanwezig zijn, die te allen tijde bereikbaar zijn in geval koelmedium ontsnapt. Voor elke tot het toestel behorende luchtcilinder moet ten minste een reserve-cilinder met samengeperste lucht aanwezig zijn. Persluchttoestellen die deel uitmaken van de brandweeruitrusting van het vaartuig, kunnen hiertoe worden gebruikt, mits de plaatsing daarvan zodanig is dat aan beide doeleinden kan worden voldaan.

  • 7 Ten behoeve van een veilige bedrijfsvoering en het optreden in noodsituaties moeten, met betrekking tot koelinstallaties, aan boord doelmatige richtlijnen duidelijk zichtbaar zijn opgehangen.

§ 3. Elektrische installaties

Artikel 97. Toepassing

  • 1 Elektrische installaties moeten zijn ingericht volgens de voorschriften die dienaangaande worden gegeven door het desbetreffende klassebureau, voorzover in deze paragraaf geen afwijkende of aanvullende voorschriften worden gegeven. Voor niet geklasseerde vaartuigen worden gelijkwaardige eisen gesteld.

  • 2 Elektrische inrichtingen ten behoeve van liften die aan boord van vaartuigen worden opgesteld, moeten behalve aan de voorschriften van deze paragraaf en aan die van het desbetreffende klassebureau, ook voldoen aan de eisen gesteld door het particuliere bureau, bedoeld in artikel 192, vierde lid.

  • 3 In aanvulling op het bepaalde in deze paragraaf kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere regels voor elektrische installaties worden gesteld.

Artikel 98. Omschrijvingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • 1°. elektrische machines: generatoren, motoren en omvormers;

  • 2°. spanning: nominale spanning waarbij de elektrische energie onder normale omstandigheden wordt verbruikt; en

  • 3°. vochtige ruimten: ruimten waarin vocht het behouden van een normale isolatietoestand bemoeilijkt of de elektrische weerstand van de daarin vertoevende personen belangrijk vermindert.

Artikel 99. Toegelaten spanningen

  • 1 Bij gelijkstroom mag de spanning ten hoogste bedragen:

    • 1°. 250 V voor alle doeleinden, met uitzondering van het bepaalde in artikel 132, tweede lid; en

    • 2°. 500 V voor de vast aangebrachte krachtinstallatie onder door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen voorwaarden.

  • 2 Bij wisselstroom mag de spanning ten hoogste bedragen:

    • 1°. 250 V voor:

      • 1.1. de vast aangebrachte verlichting;

      • 1.2. de vast aangebrachte telecommunicatie-toestellen voor het intern gebruik;

      • 1.3. de vast aangebrachte krachtinstallatie en de verwarmingstoestellen in hutten en verblijven, geen ruimten voor algemeen gebruik zijnde;

      • 1.4. contactdozen bestemd voor het aansluiten van navigatielantaarns;

      • 1.5. contactdozen in ruimten voor accommodatie, ruimten voor algemeen gebruik en controlestations;

      • 1.6. contactdozen bestemd voor het aansluiten van scheerapparaten in badkamers en doucheruimten, mits voorzien van een speciaal voor dit doel aangepaste beschermingstransformator; contactdozen voor andere bestemmingen mogen in die ruimten niet zijn aangebracht; en

      • 1.7. contactdozen in vochtige ruimten of aan dek, bestemd voor het aansluiten van handgereedschappen, ruim- of looplampen en dergelijke, met uitzondering van die bedoeld onder 2, onder de voorwaarden dat:

        • 1.7.1. deze spanning voor elke contactdoos afzonderlijk wordt verkregen van een bij deze contactdoos vast aangebrachte beschermingstransformator; of

        • 1.7.2. de op de contactdozen aan te sluiten toestellen dubbel geïsoleerd zijn uitgevoerd.

    • 2°. 55 V, mits deze spanning wordt verkregen van een omvormer of beschermingstransformator; voor:

      • 2.1. de onder 1.7 bedoelde contactdozen welke niet voldoen aan de daarin onder 1.7.1 en 1.7.2 genoemde voorwaarden; en

      • 2.2. contactdozen ten behoeve van werkzaamheden in nauwe ruimten zoals ketels, tanks en dergelijke en in het algemeen op plaatsen waar naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bijzondere veiligheidsvoorzorgen nodig zijn.

    • 3°. 660 V voor:

      • 3.1. de vast aangebrachte krachtinstallatie en verwarmingstoestellen, andere dan die bedoeld onder 1; en

      • 3.2. contactdozen op aansluitkasten voor verplaatsbare werktuigen en toestellen die bij het gebruik niet in de hand worden genomen, een en ander onder de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen voorwaarden.

  • 3 Het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel geldt niet voor voortstuwingsinstallaties en voor installaties waarbij een hogere spanning noodzakelijk is, onder voorwaarde dat zodanige voorzieningen zijn getroffen dat de veiligheid naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie op overeenkomstige wijze is gewaarborgd.

Artikel 100. Materiaal, inrichting en opstelling

  • 1 Het voor de elektrische installatie gebruikte materiaal benevens de wijze van aanleggen van de installatie moeten onder alle omstandigheden een voldoende veiligheid en bedrijfszekerheid waarborgen.

  • 2 Installaties moeten zodanig zijn ingericht en opgesteld, dat zij onder normale bedrijfsomstandigheden niet zijn blootgesteld aan gevaar van beschadiging van buitenaf en geen zodanig hoge temperatuur kunnen bereiken, dat de goede werking wordt geschaad. Zonodig moeten ruimten waarin elektrische installaties zijn ondergebracht, van een doeltreffende ventilatie-inrichting zijn voorzien.

  • 3 Installaties moeten zowel in het geheel als in onderdelen zodanig zijn ingericht en opgesteld, dat het optreden van brand en van stroomovergang op personen, zowel bij het gebruik en de bediening als bij herstellings-, onderhouds-, meet- en controlewerkzaamheden, zoveel mogelijk wordt voorkomen.

  • 4 Elektrische machines, schakel- en verdeelinrichtingen en toestellen mogen, voorzover zij niet doelmatig beschermd zijn uitgevoerd, zich niet in de nabijheid van openingen van peilpijpen voor brandstoftanks bevinden.

Artikel 101. Invloed op instrumenten en maatregelen tegen storing in of veroorzaakt door elektronische navigatie- en communicatie-apparatuur

  • 1 De inrichting en de opstelling van elektrische machines, elektronische apparatuur, transformatoren en accumulatoren, zomede de keuze en het systeem van aanleg van leidingen moeten zodanig zijn, dat de goede werking van magnetische kompassen, chronometers en elektrische en elektronische instrumenten onderling is gewaarborgd.

  • 1 Ter voorkoming van storing in de elektronische navigatie- en communicatie-apparatuur door de elektrische installatie van het vaartuig en de hierop aangesloten elektrische uitrustingen, moeten alle maatregelen zijn genomen om deze storingen te onderdrukken of op te heffen. Hiertoe dient aandacht te worden besteed, in het bijzonder in de direkte omgeving van apparatuur, aan de toepassing en aanleg van elektrische leidingen met afscherming en de aarding hiervan.

  • 1 Ter voorkoming van storing in de elektrische en elektronische installaties van het vaartuig ten gevolge van elektromagnetische velden die door de zendinstallaties aan boord worden opgewekt, moeten de elektrische en elektronische installaties van het vaartuig zodanig zijn ingericht en opgesteld dat de goede werking ervan niet wordt geschaad door de in die installaties en in de leidingen geïnduceerde hoogfrequente spanningen.

  • 2 Om aan de in het eerste lid gestelde eisen te voldoen zal in het ontwerp van een vaartuig bijzondere aandacht moeten worden besteed aan de noodzakelijke voorzieningen ter voorkoming van wederzijdse storingen in en op navigatie en communicatie-apparatuur en de installatie van het vaartuig.

Artikel 102. Elektrische hoofdkrachtbron

  • 1 Elk vaartuig waarvoor elektrische energie het enig middel vormt tot het onderhouden van de voor de voortstuwing en de veiligheid van het vaartuig onontbeerlijke hulpdiensten, moet van een elektrische hoofdkrachtbron zijn voorzien. Deze hoofdkrachtbron moet ten minste bestaan uit twee generatoraggregaten, waarbij een van de generatoren door het hoofdvoortstuwingswerktuig mag worden aangedreven.

  • 2 Het vermogen van de generatoren, bedoeld in het voorgaande lid, moet zodanig zijn dat, met uitzondering van het vermogen dat benodigd is voor het vissen, de verwerking en het conserveren van de vangst, de goede werking van de diensten, bedoeld in artikel 74, elfde lid, onder 1, wordt verzekerd, indien een generatoraggregaat buiten bedrijf is geraakt. Voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, behoeven bij het in ongerede raken van een van de generatoraggregaten slechts de noodzakelijke hulpdiensten voor de voortstuwing, de besturing en de veiligheid van het vaartuig te zijn gewaarborgd.

  • 3 Indien de elektrische energievoorziening in de regel door meer dan één generator in parallelbedrijf wordt verzorgd, moeten voorzieningen zijn getroffen, zoals door middel van het afschakelen van minder belangrijke groepen, teneinde te waarborgen dat in het geval één van deze generatoren uitvalt, de overige generatoren in dienst blijven zonder dat overbelasting optreedt, teneinde de voortstuwing en de besturing van het vaartuig te kunnen behouden en de veiligheid van het vaartuig te waarborgen.

  • 4 De elektrische hoofdkrachtbron van het vaartuig moet zodanig zijn ingericht dat de diensten genoemd in artikel 74, elfde lid, onder 1, kunnen worden gehandhaafd, ongeacht het toerental en de draairichting van het voortstuwingswerktuig of de schroefas.

  • 5 Indien transformatoren een essentieel onderdeel vormen van de volgens deze paragraaf vereiste stroomvoorziening, moeten deze zodanig zijn ingericht dat dezelfde continuïteit van de stroomvoorziening bedoeld in het tweede lid, verzekerd is.

  • 6 De elektrische hoofdverlichtingsinstallatie moet zodanig zijn ingericht dat een brand of ander ongeval in de ruimte of ruimten waarin de elektrische hoofdkrachtbron, inclusief eventuele transformatoren, het hoofdschakelbord en het hoofdverlichtingsschakelbord zijn opgesteld, niet de noodverlichtingsinstallatie als vereist in de artikelen 112, tweede lid, en 113, tweede lid, buiten werking stelt.

  • 7 De noodverlichtingsinstallatie moet zodanig zijn ingericht dat een brand of ander ongeval in de ruimte of ruimten waarin de elektrische noodkrachtbron, inclusief eventuele transformatoren, het noodschakelbord en het noodverlichtingsschakelbord is opgesteld, niet de hoofdverlichtingsinstallatie buiten werking stelt.

Artikel 103. Installaties voor navigatielantaarns en middelen tot het geven van geluidsseinen

  • 1 De elektrische installatie voor de in artikel 205, tweede lid, bedoelde navigatielantaarns moet aan de volgende eisen voldoen:

    • 1°. de top-, boord- en heklantaarns moeten zijn aangesloten op een speciaal voor dit doel bestemde verdeelinrichting geplaatst in het stuurhuis of in de kaartenkamer. Deze verdeelinrichting moet rechtstreeks dan wel via transformatoren door het hoofdschakelbord worden gevoed. De voeding voor deze verdeelinrichting mag ook worden betrokken van een verdeelbord mits dit verdeelbord rechtstreeks dan wel via transformatoren door het hoofdschakelbord wordt gevoed en geplaatst is in het stuurhuis of in de kaartenkamer;

    • 2°. de reserve top-, boord- en heklantaarns moeten zijn aangesloten op een speciaal voor dit doel bestemde verdeelinrichting geplaatst in het stuurhuis of in de kaartenkamer. Deze verdeelinrichting moet rechtstreeks danwel via transformatoren door het noodschakelbord worden gevoed. De voeding voor deze verdeelinrichting mag ook worden betrokken van een verdeelbord mits dit verdeelbord rechtstreeks dan wel via transformatoren door het noodschakelbord wordt gevoed en geplaatst is in het stuurhuis of in de kaartenkamer;

    • 3°. de onder 1 en 2 genoemde navigatie- en reserve navigatielantaarns mogen ook op een voor dit doel gecombineerde verdeelinrichting worden aangesloten. Deze verdeelinrichting moet zowel door het hoofdschakelbord als door het noodschakelbord kunnen worden gevoed met inachtneming van de eisen ten aanzien van de voeding van deze verdeelinrichting zoals gesteld in 1 en 2;

    • 4°. in het geval dat volgens artikel 285, tweede lid, de reserve navigatielantaarns niet zijn vereist, moet de installatie voor de top-, boord- en heklantaarns voldoen aan het bepaalde onder 1 met dien verstande dat de verdeelinrichting eveneens rechtstreeks dan wel via transformatoren door het noodschakelbord moet kunnen worden gevoed. Deze noodvoeding mag ook worden betrokken van een verdeelbord mits dit verdeelbord rechtstreeks dan wel via transformatoren door het noodschakelbord wordt gevoed en geplaatst is in het stuurhuis of in de kaartenkamer;

    • 5°. de top-, boord- en heklantaarns en indien vereist de reserve top-, boord- en heklantaarns moeten elk via een afzonderlijke leiding op de in 1 en 4 genoemde verdeelinrichting(en) zijn aangesloten. Alle stroomkringen moeten van smeltveiligheden en van schakelaars zijn voorzien. In plaats van smeltveiligheden en schakelaars mogen automatische schakelaars met kortsluit- en overbelastingsbeveiliging worden toegepast; en

    • 6°. voor ieder van de top-, boord- en heklantaarns en indien vereist de reserve top-, boord- en heklantaarns, moet een doeltreffende controle-inrichting aanwezig zijn die waarschuwt in geval van doven van het licht. Bij toepassing van een optische inrichting in serie met het licht, mag defect raken van deze inrichting niet kunnen leiden tot het doven van het licht. Genoemde controle-inrichtingen zijn niet vereist op een vaartuig waarvan de lengte minder dan 24 m bedraagt.

  • 2 Alle overige in de van kracht zijnde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee genoemde navigatielantaarns moeten door de noodkrachtbron kunnen worden gevoed. Deze navigatielantaarns mogen op de in het eerste lid genoemde verdeelinrichting(en) van de top-, boord- en heklantaarns zijn aangesloten, mits alle stroomkringen van smeltveiligheden en schakelaars zijn voorzien. In plaats van smeltveiligheden en schakelaars mogen automatische schakelaars met kortsluit- en overbelastingsbeveiliging worden toegepast.

  • 3 Een elektrische installatie ten behoeve van middelen voor het geven van geluidsseinen aan boord van een vaartuig, dient te kunnen worden gevoed door de noodkrachtbron.

Artikel 104. Installaties in ruimten met explosiegevaar

  • 1 In alle ruimten waar brandbare gasmengsels zich zouden kunnen verzamelen, in elke afgescheiden ruimte voornamelijk bestemd voor accumulatoren, in verfhutten, opslagplaatsen voor acetyleen of soortgelijke ruimten, mogen geen elektrische inrichtingen zijn aangebracht tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat deze:

    • 1°. noodzakelijk zijn vanwege bedrijfstechnische redenen;

    • 2°. van een soort zijn die het betreffende mengsel niet kan ontsteken;

    • 3°. geschikt zijn voor de betreffende ruimte; en

    • 4°. van een goedgekeurd explosieveilig type zijn voor gebruik daar waar stof, dampen of gassen aanwezig kunnen zijn.

  • 2 Indien kabels aangebracht in gevaarlijke ruimten, aanleiding zouden geven tot brand- en explosiegevaar bij een elektrische fout in die ruimte, moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voorzorgsmaatregelen tegen deze gevaren zijn genomen.

  • 3 Schakelaars en beveiligingstoestellen ten behoeve van installaties in ruimten met explosiegevaar moeten alpolig verbreken en mogen niet in die ruimte zijn geplaatst.

  • 4 Voor tijdelijke verlichting van de in het eerste lid bedoelde ruimten mag slechts gebruik worden gemaakt van draagbare lampen die voldoen aan de eisen gesteld in artikel 105.

Artikel 105. Tijdelijke verlichting van gevaarlijke ruimten (elektrische veiligheidslamp)

Een elektrische veiligheidslamp die bestemd is te worden gebruikt voor tijdelijke verlichting van gevaarlijke ruimten als bedoeld in artikel 104, eerste lid, moet van een goedgekeurd type zijn en moet:

  • 1°. draagbaar zijn;

  • 2°. een eigen stroombron hebben, bestaande uit droge elementen of accumulatoren met een totale spanning van ten hoogste 6 V;

  • 3°. een brandduur hebben van ten minste drie achtereenvolgende uren; en

  • 4°. zodanig zijn uitgevoerd, dat zij geen aanleiding kan geven tot ontsteking van een ontvlambaar mengsel van koolwaterstoffen en lucht.

Artikel 106. Dekwerktuigen

  • 1 Elektrisch gedreven dekwerktuigen moeten zodanig zijn ingericht dat:

    • 1°. het inschakelen van de aandrijfmotor alleen vanuit de ruststand van de bedieningsorganen kan geschieden;

    • 2°. bij het wegvallen van de netspanning of bij het onderbreken van de stroomtoevoer naar de aandrijfmotor de rem automatisch in werking treedt en de last vasthoudt. Deze bepaling geldt niet voor dekwerktuigen waarbij voor het vieren van de last de rem met de hand moet worden gelicht; en

    • 3°. bij toepassing van hulpstroom, het ontstaan van een aardsluiting in de hulpstroomketen niet tot het in gang komen of blijven van de aandrijfmotor of het lichten of gelicht blijven van de rem van het lierwerk kan leiden.

  • 2 Nabij de bedieningshandel van elektrisch gedreven dekwerktuigen moet de stand van de handel bij hieuwen en vieren op duidelijke en duurzame wijze zijn aangegeven.

  • 3 Nabij de plaats waar het werktuig wordt bediend, moet een schakelaar of hulpschakelaar zijn aangebracht, waarmede de stroomtoevoer naar de aandrijfmotor of naar de motor van het voedingsaggregaat onafhankelijk van de stand van de bedieningsinrichting van de motor kan worden uitgeschakeld.

Artikel 107. Vislieren

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven betreffende de uitvoering van vislieren.

Artikel 108. Noodbrandbluspompen

  • 1 Bij toepassing van een elektrisch gedreven noodbrandbluspomp als bedoeld in artikel 154, vierde lid, onder 3, moet de voeding geleverd worden door een onafhankelijke generator van voldoende capaciteit, die op een veilige plaats buiten de ruimte voor machines en bij voorkeur boven het werkdek is opgesteld. Deze generator mag de noodgenerator als bedoeld in artikel 112 zijn, mits deze van voldoende capaciteit is.

  • 2 De pompmotor en de voedingskabels, de starter en eventuele voorzieningen voor afstandbediening met de daarbij behorende elektrische leidingen moeten geheel buiten de ruimten zijn aangebracht waar een brand alle overige brandbluspompen buiten werking zou kunnen stellen.

  • 3 Voor het bepalen van de plaats waar de pompmotor in werking moet kunnen worden gesteld moet rekening worden gehouden met het bepaalde in artikel 154, vierde lid, onder 4.

Artikel 109. Noodstopinrichtingen

  • 1 Aan boord van een vaartuig moeten de elektromotoren voor:

    • 1°. kunstmatige ventilatie van ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations en ruimten voor machines voldoen aan het bepaalde in artikel 146, derde lid, of artikel 171, eerste lid;

    • 2°. kunstmatige ventilatie van ladingruimten buiten deze ruimten kunnen worden gestopt;

    • 3°. geforceerde trek vanaf een plaats buiten de ruimte waar de ketel is of waar de ketels zijn opgesteld, en buiten een ruimte voor machines van categorie A kunnen worden gestopt; en

    • 4°. brandstoftrimpompen, pompen van oliestookinrichtingen en dergelijke brandstofpompen voldoen aan het gestelde in artikel 148, achtste lid of artikel 173, zevende lid.

  • 2 Aan boord van een vaartuig moeten elektrisch gedreven dekwerktuigen zijn voorzien van een noodstopinrichting als bedoeld in artikel 106, derde lid.

  • 3 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven voor noodstopinrichtingen van centrale verwarmingsinstallaties.

  • 4 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven voor noodstopinrichtingen van vislieren.

Artikel 110. Elektrische aanzetinrichtingen voor voortstuwingsmotoren

  • 1 Aan boord van een vaartuig voorzien van elektrische aanzetinrichtingen ten behoeve van de voortstuwingsmotor of -motoren, moet aan het volgende zijn voldaan:

    • 1°. bij aanwezigheid van één voortstuwingsmotor moet voor deze motor een startbatterij van zodanige capaciteit zijn aangebracht, dat de motor in koude toestand ten minste zesmaal kan worden aangezet. Het laden van deze batterij moet kunnen geschieden door twee laadinrichtingen die niet van hetzelfde werktuig afhankelijk mogen zijn. Bovendien moet een tweede batterij van ten minste dezelfde capaciteit aanwezig zijn waarmee de voortstuwingsmotor kan worden gestart. In plaats van de bovengenoemde tweede batterij mag een accumulatorenbatterij die dienst doet voor de verlichting of de noodverlichting van het vaartuig, voor het starten worden gebezigd mits deze, behalve voor de verlichting of de noodverlichting de energie voor zesmaal starten van de motor in koude toestand kan leveren; en

    • 2°. bij aanwezigheid van twee of meer voortstuwingsmotoren moeten de elektrische aanzetinrichtingen aan het onder 1 gestelde voldoen, echter met dien verstande dat elke voortstuwingsmotor op beide batterijen moet kunnen worden gestart.

  • 2 Indien voortstuwingsmotoren alleen van een elektrische aanzetinrichting zijn voorzien, moet voor de startinstallatie een complete startmotor als reserve aan boord aanwezig zijn.

Artikel 111. Telefoons of andere spreekverbindingen

  • 1 De doeltreffende rechtstreekse spreekverbinding als bedoeld in de artikelen 81, vierde lid, en 135, moet van het scheepsnet onafhankelijk zijn.

  • 2 Indien een centrale telefooninstallatie of gelijkwaardig spreeksysteem wordt toegepast, dienen de brug, de machinekamer en de verblijven van de kapitein en de hoofdwerktuigkundige te zijn voorzien van toestellen die door middel van een voorkeurschakeling een directe onderlinge verbinding mogelijk maken.

Artikel 112. Elektrische noodkrachtbron aan boord van vaartuigen waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt.

  • 1 Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt moet zijn voorzien in een onafhankelijk werkende elektrische noodkrachtbron.

  • 1 De elektrische noodkrachtbron, inclusief eventuele transformatoren, de tijdelijke elektrische noodkrachtbron, het noodschakelbord en het noodverlichtingsschakelbord moeten boven het bovenste doorlopende dek zijn opgesteld. Zij mogen niet voor het aanvaringsschot zijn geplaatst, echter in bijzondere gevallen kan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ontheffing worden verleend.

  • 1 De elektrische noodkrachtbron, inclusief eventuele transformatoren, de tijdelijke elektrische noodkrachtbron, het noodschakelbord en het noodverlichtingsschakelbord, moeten ten opzichte van de elektrische hoofdkrachtbron, inclusief eventuele transformatoren en het hoofdschakelbord zodanig zijn opgesteld dat de voeding, de bediening en de verdeling van de elektrische energie van de noodkrachtbron niet kunnen worden beïnvloed door een brand of ander ongeval in de ruimte waar de elektrische hoofdkrachtbron, inclusief eventuele transformatoren en het hoofdschakelbord zijn opgesteld of in een ruimte voor machines van categorie A, zulks ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

  • 2 Het beschikbare elektrische vermogen moet voldoende zijn om de stroom te kunnen leveren aan al die diensten welke in geval van nood belangrijk zijn voor de veiligheid, waarbij rekening moet worden gehouden met die diensten die gelijktijdig in bedrijf moeten kunnen zijn. De elektrische noodkrachtbron moet in staat zijn om, rekening houdend met startstromen en inschakelverschijnselen van bepaalde verbruikers, gelijktijdig, gedurende de hierna aangegeven tijd, de stroom te kunnen leveren aan ten minste de volgende diensten, voor zover deze voor hun werking afhankelijk zijn van een elektrische krachtbron:

    • 1°. gedurende 3 uur de noodverlichting bij elke verzamelplaats en, zowel aan dek als buitenboord, bij elke inschepingsplaats waar de groepsreddingmiddelen zijn opgesteld, als voorgeschreven ingevolge het bepaalde in de artikelen 202, vierde lid, en 206, zevende lid;

    • 2°. gedurende 6 uur de noodverlichting;

      • 2.1. in alle dienst- en accommodatiegangen, bij alle trappen en uitgangen, en in liftkooien en schachten van liften met betreedbare kooi;

      • 2.2. in ruimten voor machines en hoofdgeneratorstations, inclusief hun bedieningsplaatsen;

      • 2.3. in alle controlestations, machine-controlekamers en bij elk hoofd- en noodschakelbord;

      • 2.4. bij alle bergplaatsen van brandweeruitrustingen;

      • 2.5. bij de stuurinrichting;

      • 2.6. bij de noodbrandbluspomp, indien aanwezig, bij de sprinklerpomp, indien aanwezig, en op de plaatsen waar de bij die pompen behorende motoren kunnen worden ingeschakeld;

      • 2.7. bij magnetische kompassen;

      • 2.8. bij peilglazen van stoomketels;

      • 2.9. in kombuizen, eetzalen en andere ruimten voor algemeen gebruik;

      • 2.10. bij de centrale bedieningsplaatsen van vast aangebrachte brandblusinstallaties; en

      • 2.11. in de ruimten waar de vis wordt behandeld en verwerkt;

    • 3°. gedurende 6 uur de navigatielichten en andere lichten vereist volgens de van kracht zijnde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee;

    • 4°. gedurende 6 uur:

      • 4.1. alle interne communicatiemiddelen welke in geval van nood noodzakelijk zijn, zoals de rechtstreekse spreekverbindingen, bedoeld in artikel 81, vierde lid, en artikel 135 en het nood-communicatiesysteem indien dit vast is aangebracht, bedoeld in artikel 239, eerste lid;

      • 4.2. de brandontdekkings- en brandalarminstallatie;

      • 4.3. het intermitterend gebruik van de dagseinlamp, de middelen tot het geven van geluidsseinen indien elektrisch uitgevoerd of elektrisch te bedienen en alle interne signaleringen welke in geval van nood zijn vereist; en

      • 4.4. de algemeen alarminstallatie en de omroepinstallatie, bedoeld in artikel 239, tweede lid, de alarminstallatie voor de vast aangebrachte brandblusinstallatie met gas als blusstof en de alarminstallatie van liften met betreedbare kooi, tenzij deze diensten worden gevoed door een onafhankelijke stroombron bestaande uit een accumulatorenbatterij van voldoende capaciteit voor een periode van 6 uur, opgesteld op een voor noodgebruik geschikte plaats;

    • 5°. gedurende 3 uur de noodbrandbluspomp als bedoeld in artikel 108, eerste lid, indien de elektrische krachtbron hiervoor afhankelijk is van de noodgenerator.

  • 3 De elektrische noodkrachtbron mag hetzij een generator hetzij een accumulatorenbatterij zijn, die aan de volgende voorwaarden moet voldoen:

    • 1°. indien de elektrische noodkrachtbron een generator is, dan moet deze:

      • 1.1. aangedreven worden door een daartoe geschikte werktuiglijke inrichting, voorzien van een onafhankelijke brandstofvoeding en van een goedgekeurd aanzetsysteem en waarbij het vlampunt van de te gebruiken brandstof niet lager is dan 43°C;

      • 1.2. automatisch starten bij het uitvallen van de elektrische voeding, vanaf de elektrische hoofdkrachtbron, tenzij is voorzien in een tijdelijke noodkrachtbron als bedoeld onder 1.3. Indien de noodgenerator automatisch wordt gestart moet deze automatisch op het noodschakelbord worden geschakeld. De diensten welke genoemd zijn in het vierde lid moeten dan automatisch op de noodgenerator worden geschakeld. Tenzij in een tweede onafhankelijke aanzetinrichting voor de noodgenerator is voorzien, moet de enige bron met geaccumuleerde energie worden beveiligd tegen volledige uitputting door de automatische aanzetinrichting; en

      • 1.3. voorzien zijn van een tijdelijke elektrische noodkrachtbron zoals omschreven in het vierde lid tenzij er een noodgenerator aanwezig is die in staat is om de stroom te leveren voor de in dat artikel genoemde diensten en in staat is om automatisch te starten en zo snel als veilig en praktisch mogelijk is de benodigde stroom te leveren, zulks echter binnen ten hoogste 45 seconden;

    • 2°. indien de elektrische noodkrachtbron een accumulatorenbatterij is, moet deze in staat zijn:

      • 2.1. zonder wederoplading de noodbelasting op te nemen, waarbij gedurende de gehele ontlaadperiode de spanning van de accumulatorenbatterij binnen 12 percent boven of onder zijn nominale spanning blijft;

      • 2.2. automatisch op het noodschakelbord te schakelen bij uitvallen van de elektrische hoofdvoeding; en

      • 2.3. onmiddellijk de stroom te leveren aan ten minste de in het vierde lid genoemde diensten.

  • 4 De tijdelijke elektrische noodkrachtbron, indien vereist volgens het derde lid, onder 1.3, dient te bestaan uit een accumulatorenbatterij, opgesteld op een voor noodgebruik geschikte plaats, van voldoende capaciteit om zonder wederopladen te kunnen werken, waarbij gedurende de gehele ontlaadperiode de spanning binnen 12 percent boven of onder zijn nominale spanning blijft, en zodanig ingericht dat bij uitvallen van hetzij de elektrische hoofd- hetzij de elektrische noodkrachtbron automatisch ten minste de volgende diensten gedurende een half uur van stroom worden voorzien, voor zover deze voor hun werking afhankelijk zijn van een elektrische krachtbron:

    • 1°. de verlichting vereist volgens het tweede lid, onder 1 tot en met 3. Voor de overgangsfase mag ten aanzien van de vereiste elektrische noodverlichting in ruimten voor machines, in ruimten voor accommodatie en in dienstruimten gebruik worden gemaakt van vast aangebrachte, afzonderlijke, automatische ladende, relais bediende verlichting die wordt gevoed door een accumulator; en

    • 2°. alle diensten vereist volgens het tweede lid, onder 4.1 tot en met 4.4, tenzij deze diensten onafhankelijk worden gevoed door een accumulatorenbatterij met een capaciteit voor de aangegeven tijdsduur, opgesteld op een voor noodgebruik geschikte plaats.

  • 5 Het noodschakelbord moet zo dicht als praktisch mogelijk bij de elektrische noodkrachtbron zijn opgesteld.

  • 5 Indien de elektrische noodkrachtbron een generator is, moet het noodschakelbord in dezelfde ruimte zijn opgesteld tenzij de werking daardoor nadelig zou worden beïnvloed.

  • 5 Accumulatorenbatterijen die ingevolge dit artikel aanwezig moeten zijn, mogen niet met het noodschakelbord in dezelfde ruimte zijn geplaatst. Op een daartoe geschikte plaats op het hoofdschakelbord of in de machine-controlekamer moet een aanwijsinrichting zijn aangebracht die aangeeft wanneer de accumulatoren-batterijen, zijnde de elektrische noodkrachtbron of de tijdelijke elektrische noodkrachtbron als bedoeld in het derde lid onder 2, of het vierde lid, in ontlading zijn.

  • 5 Het noodschakelbord moet bij normaal bedrijf via een koppelkabel die in het hoofdschakelbord doelmatig tegen overbelasting en kortsluiting moet zijn beveiligd, worden gevoed vanaf het hoofdschakelbord en automatisch worden ontkoppeld op het noodschakelbord bij het uitvallen van de elektrische hoofdvoeding. Indien het systeem is ingericht voor een bedrijf met terugvoedmogelijkheid, dan moet de koppelkabel ook in het noodschakelbord tegen ten minste kortsluiting zijn beveiligd.

  • 6 De noodgenerator en zijn aandrijvend werktuig, en elke noodaccumulatorenbatterij moeten zodanig zijn ingericht en opgesteld dat hun goede werking bij hun nominaal vermogen is verzekerd bij rechtliggend vaartuig en bij elke slagzijhoek tot 22½ graad of bij een trimhoek voor- of achterover tot 10 graden of bij enige combinatie van hellinghoeken binnen genoemde grenzen.

  • 7 Voorzieningen moeten zijn aangebracht voor het periodiek testen van de gehele noodinstallatie inclusief het testen van de automatische aanzetinrichting.

Artikel 113. Elektrische noodkrachtbron aan boord van vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt.

  • 1 Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt moet zijn voorzien in een onafhankelijk werkende elektrische noodkrachtbron.

  • 1 De elektrische noodkrachtbron, inclusief eventuele transformatoren, het noodschakelbord en het noodverlichtingsschakelbord moeten ten opzichte van de elektrische hoofdkrachtbron, inclusief eventuele transformatoren en het hoofdschakelbord zodanig zijn opgesteld dat de voeding, de bediening en de verdeling van de elektrische energie van de noodkrachtbron niet kunnen worden beïnvloed door een brand of ander ongeval in de ruimte waar de elektrische hoofdkrachtbron, inclusief eventuele transformatoren en het hoofdschakelbord zijn opgesteld of in een ruimte voor machines van categorie A, zulks ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

  • 2 Het beschikbare elektrische vermogen moet voldoende zijn om de stroom te kunnen leveren aan al die diensten welke in geval van nood belangrijk zijn voor de veiligheid, waarbij rekening moet worden gehouden met die diensten die gelijktijdig in bedrijf moeten kunnen zijn. De elektrische noodkrachtbron moet in staat zijn om, rekening houdend met startstromen en inschakelverschijnselen van bepaalde verbruikers, gelijktijdig, gedurende de hierna aangegeven tijd, de stroom te kunnen leveren aan ten minste de volgende diensten, voor zover deze voor hun werking afhankelijk zijn van een elektrische krachtbron:

    • 1°. gedurende 3 uur de noodverlichting bij elke verzamelplaats en, zowel aan dek als buitenboord, bij elke inschepingsplaats waar de groepsreddingmiddelen zijn opgesteld, als voorgeschreven ingevolge het bepaalde in de artikelen 202, vierde lid, en 206, zevende lid;

    • 2°. gedurende 3 uur de noodverlichting;

      • 2.1. in alle dienst- en accommodatiegangen, bij alle trappen en uitgangen, en in liftkooien en schachten van liften met betreedbare kooi;

      • 2.2. in ruimten voor machines en hoofdgeneratorstations, inclusief hun bedieningsplaatsen;

      • 2.3. in alle controlestations, machine-controlekamers en bij elk hoofd- en noodschakelbord;

      • 2.4. bij de stuurinrichting;

      • 2.5. bij magnetische kompassen;

      • 2.6. bij peilglazen van stoomketels;

      • 2.7. in kombuizen, eetzalen en andere ruimten voor algemeen gebruik;

      • 2.8. bij de centrale bedieningsplaatsen van vast aangebrachte brandblusinstallaties; en

      • 2.9. in de ruimten waar de vis wordt behandeld en verwerkt.

    • 3°. gedurende 3 uur de navigatielichten en andere lichten vereist volgens de van kracht zijnde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee;

    • 4°. gedurende 3 uur:

      • 4.1. alle interne communicatiemiddelen welke in geval van nood noodzakelijk zijn, zoals de rechtstreekse spreekverbindingen, bedoeld in de artikelen 81, vierde lid, en 135;

      • 4.2. de brandontdekkings- en brandalarminstallatie;

      • 4.3. het intermitterend gebruik van de dagseinlamp, de middelen tot het geven van geluidseinen indien elektrisch uitgevoerd of elektrisch te bedienen, en alle interne signaleringen welke in geval van nood zijn vereist; en

      • 4.4. de algemeen alarminstallatie, de alarminstallatie voor de vast aangebrachte brandblusinstallatie met gas als blusstof en de alarminstallatie van liften met betreedbare kooi, tenzij deze diensten worden gevoed door een onafhankelijke stroombron bestaande uit een accumulatorenbatterij van voldoende capaciteit voor een periode van 3 uur, opgesteld op een voor noodgebruik geschikte plaats.

  • 3 De elektrische noodkrachtbron mag hetzij een generator hetzij een accumulatorenbatterij zijn, die aan de volgende voorwaarden moet voldoen:

    • 1°. indien de elektrische noodkrachtbron een generator is, dan moet deze aangedreven worden door een daartoe geschikte werktuiglijke inrichting, voorzien van een onafhankelijke brandstofvoeding en van een goedgekeurd aanzetsysteem en waarbij het vlampunt van de te gebruiken brandstof niet lager is dan 43°C. Tenzij in een tweede onafhankelijke aanzetinrichting voor de noodgenerator is voorzien, moet de enige bron met geaccumuleerde energie worden beveiligd tegen volledige uitputting door de automatische aanzetinrichting;

    • 2°. indien de elektrische noodkrachtbron een accumulatorenbatterij is, moet deze in staat zijn:

      • 2.1. zonder wederoplading de noodbelasting op te nemen, waarbij gedurende de gehele ontlaadperiode de spanning van de accumulatorenbatterij binnen 12 percent boven of onder zijn nominale spanning blijft;

      • 2.2. automatisch op het noodschakelbord te schakelen bij uitvallen van de elektrische hoofdvoeding; en

      • 2.3. onmiddellijk de stroom te leveren aan ten minste de in het tweede lid genoemde diensten.

  • 4 Het noodschakelbord moet zo dicht als praktisch mogelijk bij de elektrische noodkrachtbron zijn opgesteld.

  • 4 Indien de elektrische noodkrachtbron een generator is, moet het noodschakelbord in dezelfde ruimte zijn opgesteld tenzij de werking daardoor nadelig zou worden beïnvloed.

  • 4 Accumulatorenbatterijen die ingevolge dit artikel aanwezig moeten zijn, mogen niet met het noodschakelbord in dezelfde ruimte zijn geplaatst. Op een daartoe geschikte plaats op het hoofdschakelbord of in de machine-controlekamer moet een aanwijsinrichting zijn aangebracht die aangeeft wanneer de accumulatorenbatterijen, zijnde de elektrische noodkrachtbron in ontlading zijn.

  • 4 Het noodschakelbord moet bij normaal bedrijf via een koppelkabel, die in het hoofdschakelbord doelmatig tegen overbelasting en kortsluiting moet zijn beveiligd, worden gevoed vanaf het hoofdschakelbord en automatisch worden ontkoppeld op het noodschakelbord bij het uitvallen van de elektrische hoofdvoeding. Indien het systeem is ingericht voor een bedrijf met terugvoedmogelijkheid, dan moet de koppelkabel ook in het noodschakelbord tegen ten minste kortsluiting zijn beveiligd.

  • 5 De noodgenerator en zijn aandrijvend werktuig, en elke noodaccumulatorenbatterij moeten zodanig zijn ingericht en opgesteld dat hun goede werking bij hun nominaal vermogen is verzekerd bij rechtliggend vaartuig en bij elke slagzijhoek tot 22 graad of bij een trimhoek voor- of achterover tot 10 graden of bij enige combinatie van hellinghoeken binnen genoemde grenzen.

  • 6 Voorzieningen moeten zijn aangebracht voor het periodiek testen van de gehele noodinstallatie inclusief het testen van de automatische aanzetinrichting.

Artikel 114. Opstelling accumulatorenbatterijen

  • 1 Accumulatorenbatterijen moeten zodanig zijn opgesteld, dat zij tegen beschadiging van buitenaf doelmatig zijn beschermd en dat zij niet zijn blootgesteld aan overmatige warmte dan wel zeer grote koude of aan andere invloeden die de goede werking kunnen schaden.

  • 1 Accumulatorenbatterijen moeten zodanig zijn opgesteld, dat voldoende ruimte aanwezig is ten behoeve van het onderhoud en de controle.

  • 1 Accumulatorenbatterijen moeten zodanig zijn opgesteld, dat de vrijkomende gassen geen schade aan voorwerpen in de omgeving kunnen veroorzaken. Plaatsing in verblijven is niet toegestaan. Alkalische accumulatoren mogen niet te zamen met loodaccumulatoren in één kist, kast of accuruimte zijn geplaatst.

  • 1 De opstelling van accumulatorenbatterijen ten behoeve van de noodinstallatie, moet bovendien voldoen aan het bepaalde in de artikelen 112, vijfde lid, en 113, vierde lid.

  • 2 Accumulatorenbatterijen aangesloten aan een laadinrichting met een laadvermogen van 2 kW of meer, te berekenen uit de nominale spanning van de batterij en de laadstroom die maximaal kan worden verkregen, moeten in een speciaal voor accumulatorenbatterijen bestemde ruimte zijn geplaatst, dan wel in een doelmatige kist of kast aan dek.

  • 2 Accumulatorenbatterijen aangesloten aan een laadinrichting met een laadvermogen van 0,2 kW of meer, doch minder dan 2 kW, te berekenen als omschreven onder 2.1, moeten in een speciaal voor accumulatorenbatterijen bestemde ruimte zijn geplaatst, dan wel in een doelmatige kist of kast. Evenwel mogen zij ook in een ruimte voor machines zijn geplaatst, mits is voldaan aan het bepaalde in het voorgaande lid.

  • 2 Accumulatorenbatterijen aangesloten aan een laadinrichting met een laadvermogen van minder dan 0,2 kW, te berekenen als omschreven onder 2.1, mogen op een daartoe geschikte plaats vrij zijn opgesteld, mits is voldaan aan het bepaalde in het voorgaande artikel.

Artikel 115. Ventilatie van accuruimten

  • 1 Accuruimten, -kisten en -kasten moeten op zodanige wijze worden geventileerd, dat zich hierin geen explosieve gasmengsels kunnen verzamelen. Daartoe moet zodanig kunnen worden geventileerd dat per uur een aantal liters lucht, gelijk aan 110 maal het produkt van het aantal cellen en de laadstroomsterkte in ampère, de ruimte, kist of kast doorstroomt. Voor de berekening van het aantal liters lucht moet de maximale waarde van de laadstroomsterkte worden genomen, die gedurende de periode van gasvorming zal optreden. Deze waarde mag echter niet kleiner worden genomen dan één vierde van de waarde van de laadstroom die ten hoogste door de laadinrichting kan worden geleverd.

  • 2 Bij toepassing van kunstmatige ventilatie van accuruimten, -kisten en -kasten moet de inrichting zodanig zijn, dat de af te voeren gassen boven uit de ruimte, kist of kast worden afgezogen. Deze gassen mogen de ventilatormotor niet kunnen bereiken. De waaier of het schoepenrad moet van zodanig materiaal zijn, dat vonkvorming onder alle omstandigheden wordt voorkomen.

  • 3 Bij toepassing van natuurlijke ventilatie wordt voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, indien:

    • 1°. de te verwijderen gassen boven uit de ruimte, kist of kast worden afgevoerd;

    • 2°. ventilatiepijpen of -kokers zodanig zijn aangebracht, dat hun hartlijn op geen enkele plaats een grotere hoek met de vertikaal vormt dan 45 graden;

    • 3°. de inwendige weerstand van de ventilatiepijpen of -kokers zo gering mogelijk is. Vlamkerende inrichtingen die de doortocht noemenswaard verkleinen, mogen niet worden toegepast;

    • 4°. de doortocht van ventilatiepijpen of -kokers ten minste een waarde heeft als in onderstaande tabel is aangegeven:

      Maximum laadvermogen in kW als bedoeld in artikel 114, tweede lid

      Doortocht in mm2

      loodbatterijen

      alkalische batterijen

      minder dan 1,0

      7 500

      12 000

      1,0 tot 1,5

      12 000

      18 000

      1,5 tot 2,0

      15 000

      24 000

      2,0 tot 3,0

      24 000

      40 000

    • 5°. ventilatiepijpen of -kokers voor afvoer aan het boveneinde zijn voorzien van een doelmatige zuigkap of gelijkwaardige inrichting. Zij moeten zo hoog als praktisch mogelijk zijn opgetrokken.

  • 4 Het bepaalde in het voorgaande lid is niet van toepassing op:

    • 1°. accumulatorenbatterijen van de categorie als omschreven in artikel 114, tweede lid, onder 2, indien zij vrij in de ruimte voor machines of in een andere daartoe geschikte goed geventileerde ruimte zijn opgesteld;

    • 2°. accumulatorenbatterijen van de categorie als omschreven in artikel 114, tweede lid, onder 3.

  • 5 Indien naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie door middel van natuurlijke ventilatie niet voldoende veiligheid kan worden verkregen, kan genoemd hoofd kunstmatige ventilatie voorschrijven.

Artikel 116. Diverse voorschriften betreffende accumulatorenbatterijen

  • 1 Het inwendige van de accuruimten, -kisten of -kasten en van hierop aangesloten ventilatiepijpen of -kokers moet duurzaam zijn beschermd tegen aantasting door het elektrolyt.

  • 2 In accuruimten, -kisten of -kasten mogen geen machines of toestellen zijn aangebracht die tot vonkvorming aanleiding kunnen geven. Voor kunstmatige verlichting van accuruimten mogen slechts lampen in vast aangebrachte explosieveilige drukvaste lamparmaturen worden gebruikt. Voor tijdelijke verlichting van deze ruimten mag slechts van draagbare lampen worden gebruik gemaakt, die voldoen aan het bepaalde in artikel 105. In genoemde ruimten mogen geen andere leidingen aanwezig zijn dan die, benodigd voor de daarin aanwezige delen der elektrische installatie.

  • 3 Op de deuren van accuruimten moet zijn aangegeven, dat het binnengaan met open vuur en licht is verboden. Op de deksels of deuren van accukisten of -kasten moet zijn aangegeven dat het openen daarvan in de nabijheid van open vuur en licht is verboden. Bij vrij opgestelde accumulatorenbatterijen moet zijn aangegeven, dat het in de nabijheid brengen van open vuur en licht is verboden.

  • 4 Bij een helling tot en met 40 graden met de vertikale as mag geen elektrolyt uit cellen van accumulatorenbatterijen kunnen vloeien.

  • 5 In alle gevallen waarin een accumulatorenbatterij kan worden ontladen terwijl deze tevens geladen wordt, mag de laadspanning aan de batterij een voor de aangesloten toestellen veilige waarde niet te boven gaan. Indien in bovengenoemd geval via een weerstand vanuit het scheepsnet wordt geladen, moeten de aangesloten toestellen de netspanning tegen aarde kunnen weerstaan. Tevens moet op een doelmatige plaats zijn aangegeven welke handelingen dienen te worden verricht om een veilig werken aan de batterij en aan door de batterij gevoede stroomkringen of toestellen te waarborgen.

Artikel 117. Algemene voorschriften betreffende schakel- en verdeelinrichtingen

  • 1 Bij de uitvoering van schakel- en verdeelinrichtingen moet zoveel mogelijk zijn gebruik gemaakt van hoofdrails en verdeelrails die niet van een isolerende bekleding zijn voorzien.

  • 2 Leidingen die behoren tot verschillende stroomkringen, mogen niet aan eenzelfde stel klemmen zijn aangesloten.

  • 3 Bij schakel- en verdeelinrichtingen moet voldoende bedieningsruimte aanwezig zijn. Onderhoud en bediening mogen niet door in de nabijheid opgestelde toestellen of voorwerpen worden belemmerd.

  • 4 Schakel- en verdeelinrichtingen moeten zijn voorzien van de nodige bedrijfsvoorschriften. De gegevens omtrent de toelaatbare stroomsterkte van iedere stroomkring moeten, samen met die van de nominale waarde of de afstelling van het voor de beveiliging tegen overbelasting geschikte apparaat, doelmatig en duurzaam zijn aangebracht.

  • 5 Niet-geïsoleerde, onder spanning staande stroomgeleiders van verschillende polariteit of fase moeten door middel van verschillende kleuren duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn.

Artikel 118. Plaatsing van schakelaars

  • 1 In elke elektrische installatie moeten de voor het bedrijf en voor het doelmatig en veilig verrichten van bedienings-, herstellings- en onderhoudswerkzaamheden nodige schakelaars aanwezig zijn.

  • 2 Motoren en bijbehorende aanloopinrichtingen moeten door middel van schakelaars volledig van het net kunnen worden gescheiden. Een zodanige schakelaar moet zich aan of in de nabijheid van de aanloopinrichting bevinden. Indien de motor niet in de nabijheid van de aanloopinrichting is opgesteld, of indien geen aanloopinrichting aanwezig is, moet nabij de motor een dergelijke scheidingsschakelaar of gelijkwaardige inrichting zijn geplaatst, tenzij de schakelaar aan of bij de aanloopinrichting op deugdelijke en doelmatige wijze in de uit-stand kan worden vergrendeld of een zodanige voorziening voor een andere voor het doel geschikte schakelaar is getroffen.

  • 3 De scheidingsschakelaar of gelijkwaardige inrichting genoemd in het tweede lid behoeft niet te zijn aangebracht indien er naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geen gevaar aanwezig is voor letsel aan personen door bewegende delen gedurende het verrichten van herstellings- en onderhoudswerkzaamheden.

  • 4 Indien voor de bediening van motoren automatische schakelaars met afstandbediening worden toegepast, moeten zonodig maatregelen zijn genomen, die verhinderen dat ten gevolge van een aardsluiting in de hulpstroomketen de motoren onverwacht in beweging kunnen komen of ongewild in beweging kunnen blijven.

  • 5 Schakelaars voor stroomverbruikende toestellen, met uitzondering van lampen, moeten in de uit-stand het betreffende toestel volledig van het net scheiden.

  • 6 Schakelaars mogen niet zijn aangebracht in leidingen die uit hoofde van het bedrijf met de aarde in verbinding zijn, tenzij deze door één handeling gelijktijdig met de overige bijbehorende leidingen kunnen worden uitgeschakeld.

  • 7 Indien een dieselmotor elektrisch op afstand kan worden gestart moet een schakelaar zijn aangebracht waarmede het elektrisch starten kan worden voorkomen. Een zodanige schakelaar moet op of in de nabijheid van de dieselmotor zijn geplaatst.

Artikel 119. Aanloopinrichtingen voor motoren

Aanloopinrichtingen voor motoren met een vermogen van 500 W of meer moeten zodanig zijn ingericht, dat bij het wegvallen van de spanning dan wel na het optreden van een spanningsdaling tot ongeveer 20 percent van de nominale waarde en bij normale frequentie, de stroomtoevoer naar de motor wordt verbroken en het vanzelf in bedrijf komen bij terugkeren van de spanning of bij spanningsstijging niet mogelijk is, tenzij de aard van het bedrijf dit eist. Zij moeten verder zijn voorzien van een beveiliging tegen overbelasting. Dit laatste geldt niet voor motoren van elektrische en elektro-hydraulische stuurinrichtingen.

Artikel 120. Elektrische verwarmings- en kooktoestellen

Elektrische verwarmings- en kooktoestellen moeten vast zijn opgesteld. De toestellen moeten zodanig zijn ingericht dat de verwarmingselementen zijn omgeven door een doelmatig beschuttend omhulsel.

Artikel 121. Smeltveiligheden en maximumschakelaars

  • 1 Smeltveiligheden moeten als schroefsmeltveiligheden of daarmede ten minste gelijkwaardige patroonveiligheden zijn uitgevoerd.

  • 2 Smeltveiligheden moeten zodanig zijn ingericht, dat:

    • 1°. het bij smeltpatronen die zijn ontworpen om stoomsterkte gelegen tussen 6 en 25 A, met inbegrip van deze beide grenswaarde, niet mogelijk is door onachtzaamheid of bij vergissing een smeltpatroon in te zetten van een hogere nominale stroomsterkte dan die waarvoor de betreffende smeltveiligheid is ontworpen; en

    • 2°. bij een nominale stroomsterkte van de smeltpatroon van minder dan 6 A, het niet mogelijk is een smeltpatroon van meer dan 6 A in te zetten.

  • 3 Smeltveiligheden moeten zodanig zijn ingericht, dat het uitnemen of inzetten van de smeltpatroon kan geschieden, zonder dat daartoe niet-geïsoleerde, onder spanning staande delen met de hand of met ongeïsoleerd gereedschap behoeven te worden aangeraakt. Bovendien mag er geen gevaar bestaan om met onder spanning staande delen in aanraking te komen of om letsel ten gevolge van vlamboogverschijnselen op te lopen.

  • 4 Het gebruik van open buisveiligheden, dan wel het gebruik van smeltveiligheden met verwisselbare smeltdraad van een nominale stroomsterkte van 25 A of minder, is niet toegestaan.

  • 5 Het gebruik van gerepareerde smeltpatronen die kennelijk niet voor vervanging van de smeltdraad zijn ingericht, is niet toegestaan.

  • 6 Op de smeltveiligheidshouder en op de smeltpatronen moeten de nominale stroomsterkte en de spanning waarvoor zij mogen worden gebruikt, zijn aangegeven.

  • 7 Smeltveiligheden en maximumschakelaars moeten zoveel mogelijk een uitschakelvermogen bezitten dat ten minste gelijk is aan het kortsluitvermogen ter plaatse. Indien dit niet het geval is, moeten deze smeltveiligheden en maximumschakelaars zijn beveiligd door smeltveiligheden en maximumschakelaars, die het uitschakelvermogen wel bezitten.

  • 8 In serie geschakelde smeltveiligheden en maximumschakelaars moeten onderling voldoende selectief zijn.

Artikel 122. Meet- en controletoestellen

  • 1 In elke installatie moeten voor een deugdelijke bediening en controle en voor een doelmatig gebruik nodige meet- en controletoestellen zijn aangebracht. Op de meetinstrumenten moet de hoogst toelaatbare waarde door een rode streep zijn aangegeven.

  • 2 Ter controle van het al of niet in bedrijf zijn van de generatoren en motoren ten dienste van de voortstuwing of de besturing van het vaartuig, moeten op een of meer doelmatige plaatsen controle-inrichtingen zijn aangebracht, een en ander ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

  • 3 Indien een beveiligingsinrichting aanwezig is als bedoeld in artikel 102, derde lid, dient op het hoofdschakelbord een controle-inrichting te zijn aangebracht, die het in werking treden van deze beveiligingsinrichting aangeeft.

  • 4 Indien een niet-geaard primair of secundair verdeelsysteem wordt gebruikt voor kracht, verwarming of verlichting, moet dit zijn voorzien van een middel voor de voortdurende controle van de isolatie-weerstand ten opzichte van aarde, dat een hoorbare of zichtbare aanwijzing geeft in geval van een te lage isolatieweerstand.

Artikel 123. Draagbare isolatiemeters en spanningaanwijzers

  • 1 Aan boord van een vaartuig moet, wanneer elektro-motoren met een vermogen van meer dan 2,5 kW deel uitmaken van de elektrische installatie, ter controle van de isolatieweerstand van deze installatie, een daartoe geschikte draagbare isolatiemeter aanwezig zijn.

  • 2 Om te onderzoeken of de delen van elektrische installatie al of niet onder spanning staan, moeten daartoe geschikte draagbare voltmeters, proeflampen of andere spanningaanwijzers aanwezig zijn.

  • 3 Een draagbare spanningaanwijzer moet voldoen aan de volgende eisen:

    • 1°. hij moet zodanig zijn ingericht, dat daarin geen kortsluiting kan optreden;

    • 2°. het deel dat de aanwezigheid van spanning aanwijst, moet zijn omgeven door deugdelijk en moeilijk breekbaar isolatiemateriaal; en

    • 3°. hij moet bestand zijn tegen ruwe behandeling, vallen en stoten.

Artikel 124. Algemene eisen voor verlichtingsarmaturen en lampen

  • 1 Verlichtingsarmaturen moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat geen temperatuurstijging kan ontstaan die schade aan de leidingen kan veroorzaken. Geen enkel deel van de armatuur, voor zover dit binnen handbereik kan worden aangeraakt, mag bij normaal gebruik een hogere temperatuur dan 60°C kunnen bereiken.

  • 2 Gloeilampen, fluorescentiebuizen en andere lichtbronnen, aangebracht op plaatsen waar zij aan beschadiging blootstaan, moeten doelmatig zijn beschermd.

  • 3 In vochtige ruimten moeten waterdichte lamparmaturen worden gebruikt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat in bepaalde vochtige ruimten hetzij druipwaterdichte, hetzij spatwaterdichte lamparmaturen worden toegepast.

Artikel 125. Lampengroepen

  • 1 In ruimten voor machines, ketelruimen, in het algemeen in gangen en bij trappen, alsmede in die ruimten die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie daarvoor in aanmerking komen, moeten bij aanwezigheid van twee of meer lichtpunten per ruimte, deze op ten minste twee afzonderlijke groepen zijn aangesloten.

  • 2 Verlichtingsgroepen aangebracht in laadruimen of bunkers, moeten zijn voorzien van alpolige schakelaars die buiten deze ruimten zijn aangebracht.

  • 3 Groepleidingen voor verlichting moeten zijn beveiligd door smeltpatronen of maximumschakelaars van ten hoogste 16 A nominale stroomsterkte.

Artikel 126. Handlampen

  • 1 Handlampen bestemd voor tijdelijke verlichting, geen ladinglampen zijnde, moeten zijn vervaardigd van isolerend materiaal van voldoende sterkte of van tegen vocht geïmpregneerd hout, waarin de lamphouder zoveel mogelijk verzonken moet zijn aangebracht. Metalen lamphouders in houten handlampen moeten zodanig op isolatiemateriaal zijn bevestigd, dat zij niet met het hout in aanraking komen. Zij moeten zijn voorzien van een beschermkorf en een schutglas. Bij afgenomen korf en glas mogen geen metalen delen van de lamphouder en de lampvoet kunnen worden aangeraakt. De bescherming van de lampvoet moet voldoende tegen mechanische beschadiging bestand zijn.

  • 2 Handlampen van afwijkend type mogen worden toegepast indien zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ten aanzien van de veiligheid ten minste gelijkwaardig zijn aan de handlampen als bedoeld in het voorgaande lid.

Artikel 127. Verlichting ter controle van de vullings in ruimten voor machines en ketelruimen

De vast aangebrachte verlichting bedoeld in artikel 74, zesde lid, moet waterdicht zijn uitgevoerd. Het lichtpunt of de lichtpunten hiervoor moeten op een speciaal voor dit doel bestemde stroomkring zijn aangesloten, dan wel door middel van een afzonderlijke schakelaar geheel van de overige verlichting kunnen worden gescheiden.

Artikel 128. Beveiliging en belasting van elektrische leidingen

  • 1 Iedere afzonderlijke stroomkring moet tegen kortsluiting zijn beveiligd. Iedere afzonderlijke stroomkring moet ook tegen overbelasting zijn beveiligd, uitgezonderd de stroomkringen als bedoeld in artikel 94, negende lid, en zestiende lid, onder 3, of indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bij uitzondering anders toestaat.

  • 2 Leidingen mogen niet met een hogere stroomsterkte worden belast dan de maximum stroomsterkte voorgeschreven door een klassebureau. De gegevens omtrent de toelaatbare stroomsterkte van iedere stroomkring moeten, samen met die van de nominale waarde of de afstelling van het voor de beveiliging tegen overbelasting geschikte apparaat, doelmatig en duurzaam zijn aangebracht.

Artikel 129. Soort en aanleg van elektrische leidingen

  • 1 Leidingen moeten wat betreft de constructie en samenstelling voldoen aan de voorschriften van een klassebureau. De voorschriften van dit bureau dienen eveneens te worden gevolgd bij de keuze van het leidingtype en met betrekking tot de wijze van aanbrengen, een en ander voor zover in deze paragraaf geen afwijkende voorschriften zijn gegeven.

  • 2 Behalve daar waar het Hoofd van de Scheepvaartinspectie in bijzondere omstandigheden zulks anders toestaat, moeten alle metalen omhulsels en afschermingen van elektrische leidingen ononderbroken zijn en zijn geaard.

  • 3 Alle elektrische leidingen en uitwendige bedrading naar uitrustingen moeten ten minste van het brandvertragende type zijn en zo zijn aangebracht dat hun oorspronkelijke brandvertragende eigenschappen niet worden aangetast. Indien bijzondere omstandigheden dit noodzakelijk maken, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het gebruik toestaan van speciale kabeltypen, zoals hoogfrequent kabels, die niet voldoen aan het voorafgaande.

  • 4 Leidingen of bedradingen ten behoeve van essentiële of noodkracht-installaties, verlichting en interne communicatie of signaalinrichtingen moeten, voor zover uitvoerbaar, zo zijn aangelegd dat zij niet door kombuizen, wasserijen, ruimten voor machines van categorie A, andere ruimten met groot brandrisico en ruimten waar de vis wordt behandeld en verwerkt, lopen. Onverminderd het bepaalde in artikel 108, tweede lid, moeten verbindingskabels tussen het noodschakelbord en de noodbrandbluspomp, die door ruimten lopen met een groot brandrisico van het brandwerend type zijn. Waar mogelijk moeten al deze kabels op zodanige wijze zijn gelegd dat buiten bedrijf raken door opwarming van schotten, veroorzaakt door een brand in een aangrenzende ruimte, wordt voorkomen.

  • 5 Elektrische leidingen en bedrading moeten zodanig zijn aangebracht, dat beschadiging door schavielen of anderszins wordt voorkomen.

  • 6 De aansluitingen en aftakkingen van elke leiding moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat de oorspronkelijke elektrische, mechanische, brandvertragende en waar nodig brandwerende eigenschappen van de leiding behouden blijven.

  • 7 Leidingen die in koelruimten zijn aangebracht moeten geschikt zijn voor gebruik bij lage temperaturen en bij een hoge vochtigheidsgraad.

Artikel 130. Kabeldoorvoeringen door schotten of dekken

  • 1 Indien kabels door waterdichte schotten of dekken zijn gevoerd, moeten voorzieningen zijn getroffen teneinde de waterdichtheid van het schot of het dek te verzekeren.

  • 2 Indien kabels door dekken zijn gevoerd, moeten zij tot een hoogte van ten minste 200 mm boven het dek tegen beschadiging zijn beschermd.

  • 3 Indien kabels door schotten of dekken van klasse «A» onderscheidenlijk van klasse «B» zijn gevoerd, moeten voorzieningen zijn getroffen teneinde het brandwerende vermogen van de betreffende schotten of dekken niet nadelig te beïnvloeden.

Artikel 131. Voorschriften in verband met het gebruik van het casco van het vaartuig als terugleider

  • 1 Het casco van een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, mag niet als terugleider worden gebruikt voor kracht, verwarming, of verlichting.

  • 1 Het bepaalde onder 1.1 is niet van toepassing op het gebruik van onder door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde omstandigheden:

    • 1°. kathodische beschermingen welke werken met opgedrukte stroom;

    • 2°. systemen van beperkte omvang die plaatselijk zijn geaard; of

    • 3°. inrichtingen voor controle van de isolatieweerstand mits de stroom onder de meest ongunstige omstandigheid niet meer bedraagt dan 30 mA.

  • 2 Indien het casco als terugleider wordt gebruikt moeten alle eindgroepen, zijnde alle stroomkringen achter de laatste beveiliging, dubbelpolig zijn en de verbindingen met het casco moeten op toegankelijke plaatsen tot stand zijn gebracht en wel zodanig dat zij gemakkelijk kunnen worden gecontroleerd en losgemaakt voor het verrichten van isolatiemetingen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor verdeelsystemen waarbij het casco als terugleider wordt gebruikt, aanvullende eisen stellen.

Artikel 132. Voorzorgsmaatregelen tegen gevaren van elektrische oorsprong

  • 1 Onbeschermde metalen delen van elektrische machines of uitrustingen, die niet zijn bestemd om onder spanning te staan, doch ten gevolge van een defect onder spanning kunnen geraken, moeten zijn geaard, tenzij de machines of uitrustingen:

    • 1°. worden gevoed met een spanning niet hoger dan 55 V gelijkspanning of 55 V wisselspanning tussen de geleiders. Spaartransformatoren mogen voor het verkrijgen van de genoemde wisselspanning niet worden gebruikt;

    • 2°. worden gevoed met een spanning niet hoger dan 250 V, verkregen van een beschermingstransformator waarop slechts één verbruiker is aangesloten; of

    • 3°. zijn geconstrueerd volgens het principe van dubbele isolatie.

  • 2 Voor verplaatsbare elektrische uitrustingen die gedurende het gebruik in de hand worden gehouden gelden de volgende eisen:

    • 1°. verplaatsbare elektrische uitrustingen die gedurende het gebruik in de hand worden gehouden zoals handgereedschappen, ruim- en looplampen en dergelijke dienen bij voorkeur te zijn geconstrueerd volgens het principe van dubbele isolatie. Indien dit niet het geval is mag in vochtige ruimten en aan dek de voedingsspanning niet hoger zijn dan 55 V gelijkspanning of 55 V wisselspanning tussen de geleiders; spaartransformatoren mogen voor het verkrijgen van de genoemde wisselspanning niet worden gebruikt. Deze spanning mag worden verhoogd tot ten hoogste 250 V, onder voorwaarde dat deze spanning wordt verkregen van een beschermingstransformator waarop slechts één verbruiker is aangesloten;

    • 2°. voor werkzaamheden in nauwe ruimten zoals ketels, tanks en dergelijke mag de voedingsspanning in geen geval hoger zijn dan 55 V gelijkspanning of 55 V wisselspanning tussen de geleiders; spaartransformatoren mogen voor het verkrijgen van de genoemde wisselspanning niet worden gebruikt; en

    • 3°. het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan aanvullende voorzorgsmaatregelen eisen voor verplaatsbare elektrische uitrustingen die worden gebruikt in nauwe of uitzonderlijk vochtige ruimten waar in verband met de geleidbaarheid bijzonder gevaar kan bestaan.

  • 3 Alle elektrische toestellen moeten zo zijn geconstrueerd en geïnstalleerd dat zij geen letsel kunnen veroorzaken, wanneer deze op de normale wijze worden behandeld of aangeraakt.

  • 4 Hoofd- en noodschakelborden moeten zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat zij zonder gevaar voor het aanwezige personeel gemakkelijk toegang geven tot de apparatuur en verdere uitrusting. De zijkanten en de achterzijde en zonodig de voorzijde moeten doelmatig zijn beschermd. Aan de voorzijde van deze schakelborden mogen geen onbeschermde stroomvoerende delen zijn aangebracht waarvan de spanning ten opzichte van aarde hoger is dan de spanning welke door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aanvaardbaar wordt geacht. Waar nodig moeten aan voor- en achterzijde matten of roosters van niet-elektrisch-geleidend materiaal aanwezig zijn. Aan de voorzijde van schakelborden moet een handgeleider zijn aangebracht. Bij een schakelbord van het open type moet deze handgeleider geïsoleerd zijn uitgevoerd.

  • 5 Indien de achterzijde van hoofd- en noodschakelborden open is, moet zich aan die zijde een goed toegankelijke vrije ruimte bevinden, die bij een totale lengte van 6 meter of meer van beide einden goed toegankelijk is. Langs de achterzijde moet een geïsoleerde handgeleider zijn aangebracht. De toegangen moeten door middel van doelmatig afsluitbare, naar buiten draaiende deuren of schuifdeuren kunnen worden afgesloten. Op de deuren moet aan de buitenzijde de nominale spanning en de stroomsoort zijn vermeld.

  • 6 Hoofd- en noodschakelborden moeten zijn voorzien van de nodige aanduidingen ten dienste van het bedrijf.

  • 7 Aan alle houten masten of stengen moeten bliksemafleiders zijn aangebracht. Op vaartuigen die van niet geleidende materialen zijn vervaardigd, moeten de bliksemafleiders door middel van geschikte geleiders verbonden zijn met een koperen plaat die ruimschoots onder de waterlijn van de romp van het vaartuig is bevestigd.

§ 4. Tijdelijk onbemande machinekamers

Artikel 133. Brandbeveiliging

  • 1 Bijzondere aandacht moet worden gegeven aan de afscherming van hogedruk brandstofleidingen. Waar praktisch uitvoerbaar, moeten lekkages van deze leidingsystemen in een doelmatige afvoertank worden opgevangen, die moet zijn voorzien van een hoog niveau alarm.

  • 2 Wanneer brandstofdagtanks automatisch of door middel van afstandbediening worden gevuld, moet een inrichting zijn aangebracht teneinde overlopen te voorkomen. Deze bepaling is eveneens van toepassing op andere inrichtingen voor de automatische behandeling van brandbare vloeistoffen. Brandstofcentrifuges moeten zo mogelijk zijn geïnstalleerd in een speciale ruimte voor centrifuges, filters en hun voorwarmers.

  • 3 Wanneer brandstofdagtanks of bezinktanks zijn voorzien van een verwarmingsinrichting, moet, indien het vlampunt van de brandstofolie kan worden overschreden, een hoog-temperatuur-alarm zijn aangebracht.

  • 4 In ruimten voor machines moet een automatische brandalarmen brandontdekkingsinstallatie van een goedgekeurd type zijn aangebracht, die voldoet aan het bepaalde in artikel 176, tweede lid. Ten aanzien van vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat deze installatie niet wordt aangebracht, mits de ruimte voor machines zodanig is gelegen, dat een hierin optredende brand door de aan boord aanwezige personen gemakkelijk kan worden opgemerkt.

  • 5 Inwendige verbrandingsmotoren met een vermogen van 2250 kW of meer of met een cilinder diameter groter dan 300 mm, moeten zijn voorzien van oliemistdetectie in de krukkasten of van temperatuurmeting aan de lagers, of van gelijkwaardige voorzieningen.

  • 6 Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet een vast aangebrachte brandblusinstallatie aanwezig zijn die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 159, eerste lid of 182, eerste lid, al naar gelang van toepassing.

  • 7 Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moeten voorzieningen zijn getroffen voor een onmiddellijke waterlevering uit de hoofdbrandblusleiding, hetzij door middel van afstandbediening van één van de hoofdbrandbluspompen vanaf de brug en vanuit het eventuele brandcontrolestation, hetzij door middel van het voortdurend onder druk houden van de hoofdbrandblusleiding in welk laatste geval voorzieningen dienen te worden getroffen teneinde beschadiging van de hoofdbrandblusleiding door bevriezing te voorkomen.

  • 8 De brandveiligheid van ruimten voor machines, van de plaats waar de bedieningsapparatuur van de brandblusinstallatie is samengebracht en van het veiligheidssysteem als bedoeld in artikel 138, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 5 kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie daartoe aanvullende brandblustoestellen, brandbestrijdingsmiddelen alsmede persluchttoestellen voorschrijven.

Artikel 134. Beveiliging tegen vervuld raken

  • 1 Vullings in ruimten voor machines moeten voorzien zijn van een goedgekeurde alarminstallatie die een hoog-niveau-alarm geeft en waarvan de goede werking binnen de normale toestanden van stuur- en koplast is verzekerd. Deze bilge-alarminstallatie moet daar, waar voortdurend de wacht wordt gehouden, een hoorbaar en zichtbaar alarmsignaal in werking kunnen stellen.

  • 2 Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, moet de bedieningsplaats van elke afsluiter die deel uitmaakt van een zee-inlaat, een uitlaat beneden de waterlijn of een bilge-ejector, zodanig zijn gelegen dat er voldoende tijd is om deze afsluiters te bedienen ingeval water de ruimte binnenstroomt.

Artikel 135. Verbindingen

Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moet in aanvulling op het bepaalde in artikel 81, bovendien een doeltreffende spreekverbinding tussen de brug en de verblijven van de werktuigkundigen zijn aangebracht, die moet voldoen aan het bepaalde in artikel 111.

Artikel 136. Alarminstallatie

  • 1 Een alarminstallaties moet zijn aangebracht die elke storing welke verholpen dient te worden, aangeeft.

  • 2 De alarminstallatie moet in de ruimte voor machines een hoorbaar alarmsignaal kunnen geven en moet elke afzonderlijke alarmfunctie op een doelmatige plaats zichtbaar aangeven. Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de installatie elke afzonderlijke alarmfunctie alleen op de brug hoorbaar en zichtbaar aangeeft.

  • 2 Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, moet de alarminstallatie verbonden kunnen worden met de hutten van de werktuigkundigen door middel van een keuzeschakelaar naar elke hut en met het dagverblijf van de werktuigkundigen, indien aanwezig. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan andere voorzieningen toestaan die dezelfde veiligheid waarborgen.

  • 2 Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, moet een algemeen werktuigkundigenalarm en een alarm op de brug, bestemd voor de personen die de wacht houden, in werking treden, indien op enige alarmfunctie geen acht is geslagen binnen een tijdsverloop dat ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet zijn.

  • 2 Op de brug moeten hoorbare en zichtbare alarmen in werking treden in elke situatie die onder de aandacht moet worden gebracht van de verantwoordelijke wachtdoende persoon, dan wel waarin deze handelend dient op te treden.

  • 2 De alarminstallatie moet zoveel mogelijk zijn ontworpen volgens een principe dat het optreden van fouten uitsluit.

  • 3 De alarminstallatie moet:

    • 1°. ononderbroken gevoed worden; ingeval de normale voeding wegvalt moet de installatie automatisch overschakelen op een noodvoeding; en

    • 2°. alarmeren ingeval een storing in de normale voeding optreedt.

  • 4 De alarminstallatie moet tegelijkertijd meer dan één storing kunnen aangeven. Het accepteren van een alarm mag het doorkomen van een ander alarm niet verhinderen.

  • 5 Acceptatie van iedere alarmtoestand op de plaatsen als bedoeld in het tweede lid, onder 1, moet worden aangegeven op de plaatsen waar de alarmtoestand werd gemeld. Een alarmtoestand moet gehandhaafd blijven totdat deze is geaccepteerd, terwijl de zichtbare aanduidingen van afzonderlijke alarmen zichtbaar moeten blijven totdat de storing verholpen is, waarna het alarmsysteem automatisch moet terugkeren in de normale bedrijfstoestand

Artikel 137. Bijzondere voorschriften voor machine- en ketelinstallaties en elektrische installaties

  • 1 Wanneer aan boord van een vaartuig, waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, de elektrische energievoorziening in de regel kan worden verzorgd door één generator, moeten doelmatige voorzieningen zijn getroffen teneinde de energielevering ten dienste van de noodzakelijke werktuigen bestemd voor de voortstuwing, de besturing en de veiligheid van het schip te kunnen waarborgen. Passende voorzieningen moeten aanwezig zijn voor het automatisch starten en op het net schakelen van een «stand-by» generator bij het uitvallen van de te werk staande generator. Deze generator moet van voldoende capaciteit zijn om de voortstuwing en de besturing van het schip te kunnen verzekeren en de veiligheid van het schip te kunnen waarborgen door automatisch starten van de hiervoor belangrijke werktuigen, waar nodig met behulp van een volgorde schakeling.

  • 2 In geval «stand-by» hulpwerktuigen worden vereist voor andere, voor de voortstuwing noodzakelijke hulpwerktuigen, moeten automatische omschakelinrichtingen worden toegepast.

  • 3 Een automatisch regel- en alarmsysteem moet voldoen aan de volgende bepalingen:

    • 1°. het regelsysteem moet zodanig zijn uitgevoerd dat de diensten nodig voor de werking van het hoofdvoortstuwingswerktuig en de hulpwerktuigen, door de noodzakelijke automatische voorzieningen zijn verzekerd;

    • 2°. automatisch overschakelen moet door middel van een alarm worden aangegeven;

    • 3°. een alarmsysteem dat voldoet aan het bepaalde in artikel 136 moet zijn aangebracht voor alle belangrijke drukken, temperaturen, vloeistofniveaus en andere van belang zijnde parameters;

    • 4°. een centrale post moet zijn ingericht met de noodzakelijke alarm- en instrumentenpanelen, welke elk alarm kunnen aangeven; en

    • 5°. voorzieningen moeten zijn getroffen om de aanzetluchtdruk op het vereiste niveau te houden wanneer verbrandingsmotoren voor de voortstuwing worden gebruikt.

Artikel 138. Veiligheidssysteem

Een veiligheidssysteem moet zijn aangebracht teneinde te verzekeren dat een ernstige storing aan de te werk staande werktuigen of ketels, welke een direct gevaar oplevert, automatisch het desbetreffende gedeelte van de installatie zal uitschakelen, waarbij tevens een alarm wordt gegeven. Het stopzetten van de voortstuwingsinstallatie mag niet automatisch plaatsvinden, behalve in die gevallen welke tot ernstige schade, algeheel onklaar raken of explosie zouden kunnen leiden. Indien voorzieningen zijn aangebracht welke het stopzetten van het hoofdvoortstuwingswerktuig ongedaan kunnen maken, moeten deze voorzieningen zodanig zijn uitgevoerd dat ongewild gebruik ervan niet mogelijk is. Wanneer zulk een voorziening is gebruikt, dient dit zichtbaar te worden aangegeven.

Hoofdstuk 5. Bescherming tegen, opsporing en bestrijding van brand

§ 1. Brandbescherming voor vaartuigen waarvan de lengte 55 m of meer bedraagt

Artikel 139. Algemeen

  • 1 De voorschriften in deze paragraaf zijn van toepassing op vaartuigen waarvan de lengte 55 m of meer bedraagt.

  • 2 In ruimten voor accommodatie en dienstruimten moet een van de volgende methoden van bescherming zijn toegepast:

    • 1°. methode I F- het aanbrengen van scheidingsschotten van klasse «B» of «C» van onbrandbare kwaliteit, in het algemeen zonder dat daarbij installaties als voorgeschreven bij methode II of III F in de ruimten voor accommodatie en de dienstruimten zijn aangebracht;

    • 2°. methode II F- het installeren van een automatische sprinkler- en brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie voor het ontdekken en blussen van brand in alle ruimten waarin het ontstaan van een brand kan worden verwacht, in het algemeen zonder beperkingen ten aanzien van het type van de scheidingsschotten; of

    • 3°. methode III F- het installeren van een automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie in alle ruimten waarin het ontstaan van een brand kan worden verwacht, in het algemeen zonder beperkingen ten aanzien van het type van de scheidingsschotten, met dien verstande dat de oppervlakte van enige ruimte of ruimten voor accommodatie die door een schot van klasse «A» of «B» dienen te worden begrensd, in geen geval meer dan 50 m2 mag bedragen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor ruimten voor algemeen gebruik echter een grotere oppervlakte toestaan. De bepalingen met betrekking tot de toepassing van onbrandbare materialen bij de constructie en isolatie van schotten die de begrenzing vormen van ruimten voor machines, controlestations en dergelijke, en de bescherming van trapomsluitingen en gangen zijn voor alle drie methoden gelijk.

Artikel 140. Constructie

  • 1 De romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen moeten van staal of ander, gelijkwaardig materiaal zijn vervaardigd.

  • 2 De isolatie van onderdelen van schotten van klasse «A» of «B» welke van aluminiumlegering zijn vervaardigd, met uitzondering van die welke naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet lastdragend zijn, dient zodanig te zijn dat de temperatuur van de metalen kern van de constructie gedurende de van toepassing zijnde brandproef te eniger tijd niet meer dan 200°C boven de temperatuur van de omgeving stijgt.

  • 3 Bijzondere aandacht dient te worden geschonken aan de isolatie van onderdelen van stutten, stijlen en andere delen van de constructie die van aluminiumlegering zijn vervaardigd en die nodig zijn ter ondersteuning van de plaatsen voor de opstelling en het te water brengen van en de inscheping in de groepsreddingmiddelen en van schotten van klasse «A» en «B» teneinde zeker te stellen:

    • 1°. dat voor dergelijke constructiedelen die de plaatsen met de groepsreddingmiddelen en schotten van klasse «A» steunen, de grens voor de temperatuurstijging genoemd in het voorgaande lid, aan het einde van een uur zal gelden; en

    • 2°. dat voor dergelijke constructiedelen die schotten van klasse «B» moeten ondersteunen, de grens voor de temperatuurstijging genoemd in het voorgaande lid, aan het einde van een half uur zal gelden.

  • 4 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid moeten kappen en schachten van ruimten voor machines van categorie A van staal zijn en naar behoren zijn geïsoleerd, terwijl de openingen daarin, indien aanwezig, doelmatig moeten zijn aangebracht en zijn voorzien van middelen om uitbreiding van brand tegen te gaan.

Artikel 141. Schotten binnen ruimten voor accommodatie en dienstruimten

  • 1 Binnen ruimten voor accommodatie en dienstruimten dienen alle schotten welke van klasse «B» moeten zijn, te zijn opgetrokken van dek tot dek en zich uit te strekken tot de huid of tot andere begrenzingswanden, tenzij aan beide zijden van de schotten doorlopende plafonds of beschietingen van klasse «B» zijn aangebracht, in welk geval het schot mag eindigen bij het doorlopende plafond of de doorlopende beschieting.

  • 2 Methode I F- Alle schotten die niet ingevolge het bepaalde in deze paragraaf van klasse «A» of «B» moeten zijn, dienen ten minste schotten van klasse «C» te zijn.

  • 3 Methode II F- De constructie van schotten die niet ingevolge het bepaalde in deze paragraaf van klasse «A» of «B» moeten zijn, is niet aan beperking onderworpen, behoudens in die gevallen waarin schotten van klasse «C» zijn vereist overeenkomstig tabel 1 van artikel 144, onder 2.

  • 4 Methode III F- De constructie van schotten die niet ingevolge het bepaalde in deze paragraaf van klasse «A» of «B» moeten zijn, is niet aan beperkingen onderworpen, behoudens in die gevallen waarin schotten van klasse «C» zijn vereist overeenkomstig tabel 1 van artikel 144, onder 2. De oppervlakte van enige ruimte of ruimten voor accommodatie die door een doorlopend schot van klasse «A» of «B» dienen te worden begrensd, mag in geen geval meer dan 50 m2 bedragen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor ruimten voor algemeen gebruik echter een grotere oppervlakte toestaan.

Artikel 142. Bescherming van trappen en liftschachten in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations

  • 1 Trappen die niet meer dan twee dekken bedienen, moeten ten minste op een niveau zijn beschermd door schotten van klasse «B-O» en zelfsluitende deuren. Liften die niet meer dan twee dekken bedienen, moeten zijn omsloten door schotten van klasse «A-O» die op beide niveaus moeten zijn voorzien van stalen deuren. Trappen en liftschachten die meer dan twee dekken bedienen, moeten ten minste zijn omsloten door schotten van klasse «A-O» en zijn beschermd door zelfsluitende deuren op alle niveaus.

  • 2 Het constructieve deel van alle trappen moet van staal zijn, behalve wanneer het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het gebruik van ander, gelijkwaardig materiaal toestaat.

Artikel 143. Deuren in brandwerende schotten

  • 1 Deuren moeten een brandwerend vermogen hebben dat - voor zover als praktisch mogelijk - gelijkwaardig is aan dat van het schot waarin zij zijn aangebracht. Deuren en deurkozijnen in schotten van klasse «A» moeten van staal zijn. Deuren in schotten van klasse «B» moeten van onbrandbaar materiaal zijn. Deuren aangebracht in begrenzingsschotten van ruimten voor machines van categorie A, moeten zelfsluitend en redelijk gasdicht zijn. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het gebruik van brandbare materialen toestaan in deuren die hutten scheiden van de eigen bijbehorende sanitaire ruimten, zoals douchecellen, indien methode I F is toegepast.

  • 2 Deuren die zelfsluitend moeten zijn, mogen niet zijn voorzien van vastzethaken. Vastzetinrichtingen mogen evenwel worden toegepast, indien deze zijn voorzien van op afstand bediende ontkoppelingsinrichtingen van een type dat de deur doet sluiten indien het systeem in het ongerede geraakt.

  • 3 Ventilatie-openingen mogen zijn aangebracht in en onder deuren in schotten van gangen, met dien verstande dat dergelijke openingen niet mogen zijn aangebracht in en onder deuren van trapomsluitingen. De openingen in deuren mogen uitsluitend in de onderste helft van een deur zijn aangebracht. Indien een dergelijke opening zich bevindt in of onder een deur, mag de totale oppervlakte van deze opening of openingen niet meer bedragen dan 0,05 m2. Indien een dergelijke opening in een deur is aangebracht, moet deze zijn voorzien van een rooster van onbrandbaar materiaal.

  • 4 Waterdichte deuren behoeven niet te zijn geïsoleerd.

Artikel 144. Brandwerendheid van schotten en dekken

  • 1 Behalve dat moet zijn voldaan aan de specifieke bepalingen voor brandwerendheid van schotten en dekken die elders in deze paragraaf worden voorgeschreven, moet de brandwerendheid van schotten en dekken ten minste zijn zoals voorgeschreven in tabel 1 en tabel 2 van het tweede lid.

  • 2 De toepassing van de tabellen wordt geregeld door de volgende bepalingen:

    • 1°. de tabellen 1 en 2 zijn onderscheidenlijk van toepassing op schotten en dekken welke aan elkaar grenzende ruimten scheiden; en

    • 2°. ter bepaling van de passende normen voor de brandwerendheid die moeten worden aangelegd voor schotten en dekken tussen aan elkaar grenzende ruimten, zijn deze ruimten ingedeeld op grond van hun brandrisico als hieronder is aangegeven, waarbij het tussen haken geplaatste nummer dat achter elke categorie vermeld staat, naar de desbetreffende kolom of rij in de tabellen verwijst:

      • 2.1. Controlestations (1)

        Ruimten waarin de noodkrachtbronnen en de voorzieningen voor de noodverlichting zijn ondergebracht;

        stuurhuis en kaartenkamer;

        ruimten waarin de radio-installatie van het vaartuig is ondergebracht;

        ruimten ten behoeve van brandblussing, stations voor brandcontrole en brandmelding;

        controleruimte voor de voortstuwingsinstallatie indien gelegen buiten de ruimten voor machines;

        ruimten waarin de brandalarmeringsapparatuur bijeen is gebracht.

      • 2.2. Gangen (2)

        Gangen en portalen.

      • 2.3. Ruimten voor accommodatie (3)

        Ruimten zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, onder 59, met uitzondering van gangen.

      • 2.4. Trappen (4)

        Binnentrappen, liften en roltrappen, andere dan die welke geheel binnen de ruimten voor machines liggen, zomede de bijbehorende ingesloten ruimten. In dit verband dient een trap die slechts op één niveau is ingesloten, te worden beschouwd als een deel van de ruimte waarin hij niet door een brandwerende deur is gescheiden.

      • 2.5. Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn (5)

        Bergkasten en bergplaatsen die een oppervlakte hebben van minder dan 2 m2, droogkamers en wasserijen.

      • 2.6. Ruimten voor machines van categorie A (6)

        Ruimten zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, onder 63.

      • 2.7. Andere ruimten voor machines (7)

        Ruimten zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, onder 64, alsmede ruimten waar vis tot vismeel wordt verwerkt, doch met uitzondering van ruimten voor machines van categorie A.

      • 2.8. Laadruimten (8)

        Alle ruimten die gebruikt worden voor lading, met inbegrip van lading-olietanks alsmede schachten en luikhoofden van zodanige ruimten.

      • 2.9. Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn (9)

        Kombuizen, pantries die voorzien zijn van kooktoestellen, verfhutten, lampenhutten, bergkasten en bergplaatsen die een oppervlakte hebben van 2 m2 of meer, alsmede werkplaatsen die geen deel uitmaken van de ruimten voor machines.

      • 2.10. Open dekken (10)

        Open dekruimten en gesloten wandelgangen, ruimten waar vis in rauwe staat wordt verwerkt, ruimten waar vis wordt schoongespoeld en soortgelijke ruimten die niet brandgevaarlijk zijn;

        luchtruimten buiten de bovenbouwen en dekhuizen.

    Tabel 1 Brandwerendheid van schotten die aan elkaar grenzende ruimten scheiden

    Ruimten

     

    (1)

    (2)

    (3)

    (4)

    (5)

    (6)

    (7)

    (8)

    (9)

    (10)

    Controlestations

    (1)

    A-0 (e)

    A-0

    A-60

    A-0

    A-15

    A-60

    A-15

    A-60

    A-60

    (∗)

                           

    Gangen

    (2)

     

    C

    B-0

    B-0

    B-0

    A-60

    A-0

    A-0

    A-0

    (∗)

                           

    Ruimten voor accommodatie

    (3)

       

    C (a,b)

    B-0

    B-0

    A-60

    A-0

    A-0

    A-0

    (∗)

           

    A-0 (c)

               
                           

    Trappen

    (4)

         

    B-0

    B-0

    A-60

    A-0

    A-0

    A-0

    (∗)

           

    A-0 (c)

    A-0 (c)

             
                           

    Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn

    (5)

           

    C

    A-60

    A-0

    A-0

    A-0

    (∗)

                           

    Ruimten voor machines van categorie A

    (6)

             

    (∗)

    A-0

    A-0

    A-60

    (∗)

                           

    Andere ruimten voor machines

    (7)

               

    A-0 (d)

    A-0

    A-0

    (∗)

                           

    Laadruimten

    (8)

                 

    (∗)

    A-0

    (∗)

                           

    Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn

    (9)

                   

    A-0 (d)

    (∗)

                           

    Open dekken

    (10)

                     

    -

    Tabel 2 Brandwerendheid van dekken die aan elkaar grenzende ruimten scheiden

    Ruimte onder

    Ruimte boven

    (1)

    (2)

    (3)

    (4)

    (5)

    (6)

    (7)

    (8)

    (9)

    (10)

    Controle stations

    (1)

    A-0

    A-0

    A-0

    A-0

    A-0

    A-60

    A-0

    A-0

    A-0

    (∗)

                           

    Gangen

    (2)

    A-0

    (∗)

    (∗)

    A-0

    (∗)

    A-60

    A-0

    A-0

    A-0

    (∗)

                           

    Ruimten voor accommodatie

    (3)

    A-60

    A-0

    (∗)

    A-0

    (∗)

    A-60

    A-0

    A-0

    A-0

    (∗)

                           

    Trappen

    (4)

    A-0

    A-0

    A-0

    (∗)

    A-0

    A-60

    A-0

    A-0

    A-0

    (∗)

                           

    Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn

    (5)

    A-15

    A-0

    A-0

    A-0

    (∗)

    A-60

    A-0

    A-0

    A-0

    (∗)

                           

    Ruimten voor machines van categorie A

    (6)

    A-60

    A-60

    A-60

    A-60

    A-60

    (∗)

    A-60

    A-30

    A-60

    (∗)

                           

    Andere ruimten voor machines

    (7)

    A-15

    A-0

    A-0

    A-0

    A-0

    A-0

    (∗)

    A-0

    A-0

    (∗)

                           

    Laadruimten

    (8)

    A-60

    A-0

    A-0

    A-0

    A-0

    A-0

    A-0

    (∗)

    A-0

    (∗)

                           

    Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn

    (9)

    A-60

    A-0

    A-0

    A-0

    A-0

    A-0

    A-0

    A-0

    A-0 (d)

    (∗)

                           

    Open dekken

    (10)

    (∗)

    (∗)

    (∗)

    (∗)

    (∗)

    (∗)

    (∗)

    (∗)

    (∗)

    -

    Noten: Onderstaande noten gelden, voorzover van toepassing, voor zowel tabel 1 als tabel 2.

    (a) Bij de brandbescherming volgens methode II F en III F worden geen bijzondere eisen aan deze schotten gesteld.

    (b) Bij de toepassing van methode III F moeten schotten van klasse «B-0» zijn aangebracht tussen ruimten of groepen van ruimten met een oppervlakte van 50 m2 of meer.

    (c) Ter verduidelijking van hetgeen van toepassing is, zie de artikelen 141 en 142.

    (d) Indien ruimten onder dezelfde nummercategorie vallen en de letter (d) staat vermeld, wordt het schot of dek met een brandwerendheid zoals aangegeven in de tabellen, alleen geëist indien de aan elkaar grenzende ruimten voor verschillende doeleinden dienen, zoals bijvoorbeeld in categorie (9). Indien twee kombuizen aan elkaar grenzen, worden aan het schot geen eisen gesteld, doch indien een kombuis aan een verfhut grenst, is een schot van klasse «A-0» vereist.

    (e) Schotten die het stuurhuis, de kaartenkamer en de radiohut van elkaar scheiden, mogen schotten van klasse «B-0» zijn.

    (∗) Wanneer een sterretje in de tabellen staat vermeld, moet het scheidingsschot of -dek van staal of ander gelijkwaardig materiaal zijn, doch het behoeft niet van klasse «A» te zijn.

  • 3 Doorlopende plafonds of beschietingen van klasse «B» kunnen, te zamen met de desbetreffende dekken of schotten, worden aanvaard als een volledige of gedeeltelijke bijdrage tot de vereiste isolatie en brandwerendheid van een afscheiding.

  • 4 Voor ruimten voor machines geldt ten aanzien van schijnlichten, ramen, patrijspoorten en lichtranden het volgende:

    • 1°. wanneer schijnlichten kunnen worden geopend, moeten zij van buiten de ruimte waarop zij zijn aangebracht, gemakkelijk kunnen worden gesloten;

    • 2°. schijnlichten voor ruimten voor machines van categorie A mogen niet zijn voorzien van ramen, patrijspoorten of lichtranden;

    • 3°. indien in schijnlichten voor ruimten voor machines, andere dan ruimten voor machines van categorie A, ramen, patrijspoorten of lichtranden zijn aangebracht, moeten deze van draadglas zijn. Zij moeten tevens aan de buitenzijde zijn voorzien van blinden die vast aan het schijnlicht zijn verbonden en die zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal; en

    • 4°. glas of soortgelijk materiaal mag niet in begrenzingsschotten van ruimten voor machines zijn aangebracht. Dit sluit het gebruik van glas in wanden van controlekamers die geheel in de ruimten voor machines zijn gelegen, niet uit.

  • 5 In de buitenste begrenzingswanden die ingevolge het bepaalde in artikel 140, eerste lid, van staal of ander, gelijkwaardig materiaal moeten zijn, mogen ramen en patrijspoorten zijn aangebracht, mits niet elders in deze paragraaf is voorgeschreven dat zodanige begrenzingswanden een brandwerendheid van klasse «A» moeten hebben. Evenzo mogen deuren in dergelijke begrenzingswanden die geen brandwerendheid van klasse «A» behoeven te hebben, zijn vervaardigd van materialen die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

Artikel 145. Constructiedetails

  • 1 Methode I F- In ruimten voor accommodatie, in dienstruimten en in controlestations moeten alle beschietingen, afstoppingen, plafonds en het bijbehorende grondhout van onbrandbaar materiaal zijn.

  • 2 Methoden II F en III F- In de gangen en ingesloten ruimten voor trappen die toegang geven tot ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, moeten plafonds, beschietingen, afstoppingen en het bijbehorende grondhout van onbrandbaar materiaal zijn.

  • 3 Methode I F, II F en III F:

    • 1°. Tenzij toegepast in laadruimten of koel- en vrieskamers in dienstruimten, moeten de isolatiematerialen onbrandbaar zijn. Dampwerende lagen, kleefstoffen gebruikt bij isolatie, alsmede de isolatie van pijpleidingen van koudwatersystemen behoeven niet van onbrandbaar materiaal te zijn, doch zij moeten tot het praktisch mogelijk minimum worden beperkt en het vlamverspreidend vermogen van de blootgestelde oppervlakken ervan moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. In ruimten waarin olieprodukten aanwezig kunnen zijn, moet het oppervlak van de isolatie ondoordringbaar zijn voor olie en oliedampen.

    • 2°. Indien onbrandbare schotten, beschietingen en plafonds zijn aangebracht in ruimten voor accommodatie en dienstruimten, mogen deze binnen deze ruimten zijn voorzien van een brandbare fineerlaag mits deze niet dikker is dan 2 mm, behalve in gangen, ingesloten ruimten voor trappen en controlestations, waar deze laag niet dikker mag zijn dan 1,5 mm.

    • 3°. Luchtruimten, ingesloten achter wanden en beschietingen en tussen plafonds en dekken, moeten op passende wijze zijn onderverdeeld door afstoppingen die de trek tegengaan en die niet verder dan 14 m uiteenliggen. In vertikale richting moeten dergelijke ruimten, met inbegrip van die achter beschietingen van trappenhuizen, schachten en dergelijke, op elk dek zijn afgestopt.

Artikel 146. Ventilatiesystemen

  • 1 Ventilatiekanalen moeten zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal. Korte stukken van kanalen die over het algemeen niet langer zijn dan 2 m en waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede niet meer dan 0,02 m2 bedraagt, behoeven echter niet onbrandbaar te zijn, mits aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

    • 1°. de kanalen moeten zijn vervaardigd van een materiaal dat slechts in beperkte mate brandgevaarlijk is, dit ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie;

    • 2°. zij mogen alleen worden gebruikt aan het eind van het ventilatiesysteem; en

    • 3°. zij mogen zich, langs het kanaal gemeten, niet minder dan 600 mm vanaf een doorvoering door een schot van klasse «A» of «B», doorlopende plafonds van klasse «B» daaronder begrepen, bevinden.

  • 2 Indien ventilatieschachten of -kanalen ruimten aan weerszijden van schotten of dekken van klasse «A» bedienen, moeten kleppen zijn aangebracht ter voorkoming van verspreiding van vuur en rook van de ene ruimte naar de andere. Handbedienbare kleppen moeten aan beide zijden van het schot of het dek geopend en gesloten kunnen worden. Indien de oppervlakte van de dwarsdoorsnede van dergelijke schachten of kanalen meer dan 0,075 m2 bedraagt, moeten automatisch sluitende kleppen zijn aangebracht, die tevens aan beide zijden van het schot met de hand kunnen worden gesloten. De kleppen moeten zijn voorzien van een standaanwijzer die aangeeft of de klep geopend of gesloten is. Ter plaatse van schot- en dekdoorvoeringen moeten ventilatieschachten of -kanalen voldoen aan het bepaalde onder 2.2.1 en 2.2.2.

  • 2 Indien ventilatieschachten of -kanalen ruimten bedienen welke alleen aan één zijde van schotten of dekken van klasse «A» zijn gelegen en een dwarsdoorsnede hebben van meer dan 0,02 m2, moet aan het volgende zijn voldaan:

    • 1°. in de doorvoeringen voor de kanalen in schotten of dekken van klasse «A» moet een stalen ommantelingskoker zijn aangebracht, tenzij de kanalen ter plaatse van de doorvoeringen van staal zijn. De ommantelingskoker moet een dikte van ten minste 3 mm en een lengte van ten minste 900 mm hebben. Bij doorvoering door een schot verdient het aanbeveling deze lengte gelijkelijk over beide zijden van het schot te verdelen;

    • 2°. de kanalen moeten, indien van toepassing, ter plaatse van de doorvoering zijn voorzien van een brandisolatie. Het aldus geïsoleerde kanaal moet ten minste dezelfde brandwerendheid hebben als het schot of dek waardoor het kanaal is gevoerd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een door hem gelijkwaardig geachte beveiliging van de doorvoering toestaan;

    • 3°. kanalen waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede meer dan 0,075 m2 bedraagt, moeten, in aanvulling op het bepaalde onder 2.2.1 en 2.2.2, zijn voorzien van brandkleppen. De brandklep moet automatisch werkend zijn, doch moet tevens aan beide zijden van het schot of dek met de hand kunnen worden gesloten. De klep moet zijn voorzien van een standaanwijzer die aangeeft of de klep geopend of gesloten is. Brandkleppen zijn echter niet vereist, indien kanalen door ruimten lopen die zijn omsloten door schotten van klasse «A» en die niet door deze kanalen worden bediend, mits deze kanalen dezelfde brandwerendheid hebben als de schotten waar doorheen zij gevoerd worden.

  • 2 Ventilatiekanalen voor ruimten voor machines van categorie A of voor kombuizen mogen over het algemeen niet door ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations lopen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan evenwel toestaan dat deze ventilatiekanalen door de bovengenoemde ruimten lopen, mits zij zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal en zodanig zijn uitgevoerd dat de brandwerendheid van schotten en dekken niet vermindert.

  • 2 Ventilatiekanalen voor ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations mogen over het algemeen niet door ruimten voor machines van categorie A of door kombuizen lopen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan evenwel toestaan dat deze ventilatiekanalen door de bovengenoemde ruimten lopen, mits zij zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal en zodanig zijn uitgevoerd dat de brandwerendheid van schotten en dekken niet vermindert.

  • 2 Indien ventilatiekanalen waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede meer dan 0,02 m2 bedraagt, door schotten van klasse «B» gaan, moeten de openingen zijn voorzien van stalen ommantelingskokers die een lengte van ten minste 900 mm moeten hebben, tenzij de kanalen over dezelfde lengte ter plaatse van de doorvoering zijn vervaardigd van staal. Deze lengte moet, waar mogelijk, gelijkelijk over beide zijden van het schot van klasse «B» zijn verdeeld.

  • 2 Al het mogelijke moet worden gedaan om te bereiken, dat in controlestations die buiten ruimten voor machines zijn gelegen, ventilatie, zicht en afwezigheid van rook worden gehandhaafd, zodat in geval van brand de werktuigen en toestellen daarin op deugdelijke wijze blijven werken en gecontroleerd kunnen worden. Een extra gescheiden systeem van luchttoevoer moet zijn aangebracht; de inlaatopeningen van de beide systemen van luchttoevoer moeten zo zijn gelegen, dat het gevaar dat zij gelijktijdig rook aanzuigen tot een minimum beperkt blijft. Dergelijke eisen behoeven niet te worden gesteld aan controlestations, gelegen op en uitgang verlenend naar een open dek, of daar waar plaatselijke afsluitmiddelen zijn aangebracht die even doeltreffend zijn, dit ter beoordeling van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

  • 2 Indien kokers van afvoerkappen boven fornuizen door ruimten voor accommodatie of ruimten met brandbare materialen lopen, moeten zij zijn geconstrueerd als schotten van klasse «A». Elke afvoerkoker moet zijn uitgerust met:

    • 1°. een vetvanger die gemakkelijk kan worden verwijderd voor reiniging;

    • 2°. een brandklep in het onderste deel van de koker;

    • 3°. een inrichting die vanuit het kombuis kan worden bediend voor het stoppen van de afzuigventilator; en

    • 4°. een vast aangebrachte inrichting om een brand in de koker te blussen, tenzij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het aanbrengen van een dergelijke inrichting op een vaartuig, waarvan de lengte minder dan 75 m bedraagt, niet praktisch uitvoerbaar is.

  • 3 De hoofdin- en uitlaten van alle ventilatiesystemen moeten buiten de ruimten die worden geventileerd, kunnen worden gesloten. Toestellen voor mechanische ventilatie van ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations en ruimten voor machines moeten vanaf een gemakkelijk bereikbare plaats buiten de ruimten die zij bedienen, kunnen worden gestopt. Deze plaats moet zodanig zijn gelegen dat die niet gemakkelijk onbereikbaar wordt in geval van brand in de ruimten die worden bediend.

    De inrichting waarmee de toestellen voor mechanische ventilatie van de ruimten voor machines kunnen worden gestopt, moet geheel gescheiden zijn van die, waarmee de ventilatie van andere ruimten kan worden gestopt.

  • 4 Middelen moeten aanwezig zijn om de ringvormige ruimten rond schoorstenen vanaf een veilige plaats te kunnen sluiten.

  • 5 Ventilatiesystemen die ruimten voor machines bedienen, moeten onafhankelijk zijn van systemen die andere ruimten bedienen.

  • 6 Bergplaatsen waarin zich aanzienlijke hoeveelheden gemakkelijk ontvlambare stoffen bevinden, moeten zijn voorzien van ventilatie-inrichtingen die gescheiden zijn van andere ventilatiesystemen. De ventilatie moet plaatsvinden op hoog en op laag niveau. De in- en uitlaten van de ventilatoren moeten op een veilige plaats zijn aangebracht en zijn voorzien van vlamkerende inrichtingen.

Artikel 147. Verwarmingsinstallaties

  • 1 De verwarming van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations dient te geschieden door toevoer van stoom, heet water, warme lucht of elektriciteit.

  • 2 Verwarmings- en kooktoestellen moeten vast zijn opgesteld en moeten zo zijn ingericht dat het brandgevaar tot een minimum is beperkt. Deze toestellen mogen niet zijn voorzien van een verwarmingselement dat stoffen in de directe omgeving kan doen schroeien of in brand doen geraken door de door het element geleverde hitte.

  • 3 De constructie en opstelling van oliekachels moeten voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen regels.

  • 4 Propaan- en butaaninstallaties voor huishoudelijke doeleinden moeten voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen regels.

Artikel 148. Diversen

  • 1 Alle blootgestelde oppervlakken in gangen en ingesloten ruimten voor trappen, alsmede oppervlakken, met inbegrip van het daarmee verbonden grondhout, in verborgen of ontoegankelijke plaatsen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten een laag vlamverspreidend vermogen hebben. Blootgestelde oppervlakken van plafonds in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten een laag vlamverspreidend vermogen hebben.

  • 2 Verven, vernissen en andere stoffen voor afwerking gebruikt op blootgestelde inwendige oppervlakken, moeten zodanig zijn dat zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geen onnodig brandgevaar opleveren, en mogen geen overmatige hoeveelheden rook of giftige gassen of dampen kunnen voortbrengen.

  • 3 De onderste laag van dekbedekkingen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moet van goedgekeurd materiaal zijn dat noch gemakkelijk kan ontbranden, noch aanleiding kan geven tot vergiftigings- of explosiegevaar bij verhoogde temperaturen.

  • 4 Wanneer schotten of dekken van klasse «A» of «B» zijn doorboord voor het doorvoeren van elektrische leidingen, pijpen, schachten, kanalen en dergelijke, of voor het aanbrengen van uitmondingen van het ventilatiesysteem, verlichtingsarmaturen en soortgelijke inrichtingen, moeten zodanige maatregelen zijn getroffen dat de brandwerendheid van de schotten of dekken niet vermindert.

  • 5 In ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten pijpen die door schotten of dekken van klasse «A» of «B» zijn gevoerd, van goedgekeurde materialen zijn vervaardigd, rekening houdende met de temperatuur waaraan de betrokken schotten of dekken weerstand moeten kunnen bieden. Indien door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt toegestaan dat door ruimten voor accommodatie en dienstruimten olie of brandbare vloeistoffen worden gevoerd, moeten de pijpen waardoor die olie of brandbare vloeistoffen worden gevoerd van goedgekeurd materiaal zijn vervaardigd, rekening houdende met het brandgevaar.

  • 5 Materialen die gemakkelijk onbruikbaar worden door warmte, mogen niet worden gebruikt voor spuipijpen, sanitaire uitlaten en andere uitlaten, die dicht bij de lastlijn liggen en waarvan smelten, in geval van brand, gevaar voor instromen van water zou meebrengen.

  • 6 Filmmateriaal op basis van cellulosenitraat mag niet in cinematografische installaties worden gebruikt.

  • 7 Afvalbakken, andere dan die worden gebruikt bij de verwerking van vis, moeten zijn vervaardigd van onbrandbare materialen en mogen geen openingen in de zijkanten of bodem hebben.

  • 8 Werktuigen voor de aandrijving van brandstoftrimpompen, pompen van oliestookinrichtingen en dergelijke brandstofpompen moeten zijn voorzien van afstandsbedieningsinrichtingen welke zijn aangebracht buiten de desbetreffende ruimten, zodat bedoelde werktuigen kunnen worden stopgezet bij het uitbreken van brand in de ruimte waarin zij zijn opgesteld.

  • 9 Waar nodig moeten lekbakken zijn aangebracht, teneinde te voorkomen dat olie naar de vullings kan vloeien.

  • 10 Brandbare isolatie in visruimen moet door een goed afsluitende bekleding zijn beschermd.

Artikel 149. Gasflessen en bijbehorende installaties, alsmede opslag van gevaarlijke materialen

  • 1 Flessen bestemd voor samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen, waaronder begrepen ontvlambare en andere gevaarlijke gassen, alsmede de bijbehorende installaties, moeten voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen eisen.

  • 2 Ruimten waarin gemakkelijk ontvlambare vloeistoffen, zoals vluchtige verfstoffen, paraffine en dergelijke zijn opgeslagen, mogen uitsluitend zijn voorzien van directe toegangen vanaf blootgestelde dekken. Wanneer begrenzingsschotten van dergelijke ruimten grenzen aan andere omsloten ruimten, moeten deze schotten gasdicht zijn uitgevoerd.

  • 3 Elektrische bedrading en aansluitingen zijn niet toegestaan binnen ruimten welke worden gebruikt voor het bergen van gemakkelijk ontvlambare vloeistoffen, tenzij benodigd binnen die ruimten. In dat geval moeten de elektrische aansluitingen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geschikt zijn voor gebruik in een ontvlambare atmosfeer. Warmtebronnen mogen zich niet dicht bij dergelijke ruimten bevinden en opschriften met «niet roken» en «geen open vuur» moeten zijn aangebracht op een doelmatige plaats.

  • 4 Elk soort samengeperst gas moet afzonderlijk zijn opgeslagen. Ruimten die voor opslag van dergelijke gassen worden gebruikt, mogen niet worden gebruikt voor het opslaan van brandbare produkten, noch voor gereedschappen of onderdelen die geen deel uitmaken van het gasdistributiesysteem. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter met inachtneming van de kenmerkende eigenschappen, hoeveelheid en voorgenomen gebruik van dergelijke samengeperste gassen, verlichting van deze voorschriften toestaan.

Artikel 150. Voorzieningen voor ontsnapping

  • 1 In en vanuit alle ruimten voor accommodatie en ruimten waarin door de bemanning onder normale omstandigheden dienst wordt gedaan, andere dan ruimten voor machines, moeten trappen en ladders zijn aangebracht waarlangs het open dek en vervolgens de groepsreddingmiddelen gemakkelijk kunnen worden bereikt. In het bijzonder moet aan de volgende bepalingen zijn voldaan:

    • 1°. op elk dek waarop zich ruimten voor accommodatie bevinden, moeten ten minste twee, zo ver mogelijk van elkaar verwijderde voorzieningen voor ontsnapping zijn aangebracht. De normale voorzieningen voor toegang tot elke besloten ruimte of groep van ruimten mogen hieronder worden begrepen;

    • 2.1°. onder het blootgestelde dek moet de hoofdvoorziening voor ontsnapping bestaan uit een trap, terwijl de tweede voorziening voor ontsnapping mag bestaan uit een schacht of trap; en

    • 2.2°. boven het blootgestelde dek moeten de voorzieningen voor ontsnapping bestaan uit trappen of deuren naar een open dek, dan wel uit een combinatie van beide;

    • 3°. bij wijze van uitzondering kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat slechts een voorziening voor ontsnapping is aangebracht, indien de aard en de plaats van de ruimten en het aantal van de personen die in normale omstandigheden daarin verblijven of dienst doen, daartoe aanleiding geven;

    • 4°. doodlopende gangen met een lengte van meer dan 7 m zijn niet toegestaan;

    • 5°. de afmetingen van en de wijze waarop de voorzieningen voor ontsnapping zijn uitgevoerd, dienen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te zijn; en

    • 6°. indien een radiotelegraafstation geen rechtstreekse toegang tot het open dek heeft, moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie twee voorzieningen voor ontsnapping zijn aangebracht;

    • 7°. voorzieningen voor ontsnapping zijn op de juiste plaats voorzien van signaleringen die voldoen aan bij ministeriële regeling vast te stellen nadere regels.

  • 2 In elke ruimte voor machines van categorie A moeten twee voorzieningen voor ontsnapping zijn aangebracht, die moeten bestaan uit hetzij:

    • 1°. twee stel stalen ladders, aangebracht op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, die leiden naar eveneens zo ver mogelijk van elkaar verwijderde deuren in het bovenste gedeelte van de ruimte vanwaar het open dek kan worden bereikt. In het algemeen moet een van deze ladders een ononderbroken bescherming tegen brand geven vanaf het onderste gedeelte van de ruimte tot een veilige plaats buiten de ruimte. Deze bescherming moet van staal zijn, waar nodig geisoleerd ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en aan de onderzijde voorzien van een zelfsluitende stalen deur. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat een zodanige bescherming niet wordt aangebracht, indien de inrichting en de afmetingen van de ruimte voor machines zodanig zijn, dat in een veilige vluchtweg uit het onderste gedeelte van deze ruimte is voorzien; hetzij

    • 2°. een stel stalen ladders, dat leidt naar een deur in het bovenste gedeelte van de ruimte, vanwaar het open dek kan worden bereikt. Bovendien moet in het onderste gedeelte van de ruimte, ruimschoots verwijderd van deze ladder, een stalen deur zijn aangebracht, die aan beide zijden kan worden bediend en die een veilige vluchtweg biedt vanuit het onderste gedeelte van de ruimte naar het open dek.

  • 3 Vanuit ruimten voor machines, andere dan die van categorie A, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie in veilige vluchtwegen zijn voorzien, daarbij rekening houdend met de aard en de ligging van de betreffende ruimte alsmede of daarin onder normale omstandigheden personen dienst doen.

  • 4 Liften mogen niet worden beschouwd als een van de vereiste voorzieningen voor ontsnapping.

Artikel 151. Automatische sprinkler-, brandalarm- en brandontdekkingsinstallaties (methode II F)

  • 1 Op vaartuigen waar methode II F wordt toegepast, moet een automatische sprinkler-, brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie van een goedgekeurd type zijn aangebracht, die voldoet aan de bepalingen van dit artikel. Deze installatie moet op zodanige wijze zijn aangebracht, dat ruimten voor accommodatie en dienstruimten, met uitzondering van ruimten die vrijwel geen brandgevaar opleveren, zoals lege ruimten en sanitaire ruimten, worden beschermd.

  • 2 De installatie dient te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed te zijn en generlei handeling van de zijde van de bemanning moet nodig zijn om de installatie in werking te stellen. De installatie moet van het natte-pijp-type zijn, doch kleine blootgestelde delen kunnen van het droge-pijp-type zijn, indien dit naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een noodzakelijke voorzorg is. Delen van het systeem die kunnen worden blootgesteld aan temperaturen beneden het vriespunt, dienen op passende wijze tegen bevriezing te zijn beschermd. De installatie moet steeds onder voldoende druk staan en een voortdurende watertoevoer moet zijn verzekerd, zoals vereist in het zesde lid, onder 2.

  • 2 In elke sprinklersectie moeten middelen zijn aangebracht voor het automatisch geven van zichtbare en hoorbare signalen op een of meer alarmpanelen, wanneer een sprinkler gaat werken. Deze alarmpanelen moeten een aanwijzing geven in welke door de installatie beschermde sectie zich brand voordoet en moeten zijn gecentraliseerd op de brug; bovendien moeten zichtbare en hoorbare signalen afkomstig van het alarmpaneel op een zodanige plaats buiten het stuurhuis waarneembaar zijn, dat zeker is dat de brandmelding onmiddellijk door de bemanning wordt opgemerkt. Een dergelijke alarminstallatie moet zodanig zijn geconstrueerd, dat eventueel in de installatie optredende defecten worden aangegeven.

  • 3 De sprinklers moeten zijn gegroepeerd in afzonderlijke secties, elk niet meer dan 200 sprinklers omvattend.

  • 3 Elke sprinklersectie moet door middel van slechts één afsluiter kunnen worden afgescheiden van het overige deel van de installatie. De afsluiter in elke sectie moet gemakkelijk bereikbaar zijn en de plaats ervan moet duidelijk en duurzaam zijn aangegeven. Voorzieningen moeten zijn getroffen teneinde te voorkomen dat de afsluiters door een onbevoegde kunnen worden bediend.

  • 3 Een manometer die de druk in de installatie aangeeft, moet zijn aangebracht bij iedere sectie-afsluiter en op een centrale plaats.

  • 3 De sprinklers moeten bestand zijn tegen corrosie. In ruimten voor accommodatie en dienstruimten moeten de sprinklers gaan werken bij een temperatuur tussen 68°C en 79°C, behoudens dat in ruimten zoals droogkamers, waar een hoge temperatuur kan worden verwacht, de temperatuur waarbij de sprinkler gaat werken, kan worden verhoogd tot niet meer dan 30°C boven de maximumtemperatuur bij het plafond.

  • 3 Op of bij elk alarmpaneel moeten duidelijk zijn aangegeven de door de installatie bestreken ruimten en de plaats van de betreffende sprinklersectie ten opzichte van de overige secties. Passende instructies voor de beproeving en het onderhoud moeten aanwezig zijn.

  • 4 De sprinklers moeten hoog in de ruimte zijn aangebracht in een zodanig patroon dat de levering van een gemiddelde hoeveelheid water van niet minder dan 5 l/m2/min. wordt gehandhaafd over de nominale oppervlakte die door de sprinklers wordt bestreken. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het gebruik van sprinklers toestaan die een andere hoeveelheid water, op de juiste wijze verdeeld, leveren en waarvan ten genoegen van genoemd hoofd is aangetoond dat zij niet minder doeltreffend zijn.

  • 5 Een druktank moet zijn aangebracht met een inhoud gelijk aan ten minste het dubbele van de hoeveelheid water zoals aangegeven in dit lid. De tank moet permanent een hoeveelheid zoet water bevatten die gelijk is aan de hoeveelheid water die in één minuut zou worden geleverd door de pomp bedoeld in het zesde lid, onder 2. De inrichting moet erin voorzien dat een zodanige luchtdruk in de tank wordt gehandhaafd, dat wordt gewaarborgd dat, nadat de permanente hoeveelheid zoet water uit de tank is gedreven, de druk niet minder zal zijn dan de werkdruk van de sprinkler, vermeerderd met de statische druk van een kolom water gemeten van de bodem van de tank tot de hoogste sprinkler in het systeem. Passende middelen moeten aanwezig zijn voor de aanvulling van de onder druk staande lucht en van de zoetwatervoorraad in de tank. Een peilglas moet zijn aangebracht dat het waterpeil in de tank aangeeft.

  • 5 Middelen moeten aanwezig zijn om te verhinderen dat zeewater in de tank kan stromen.

  • 6 Een onafhankelijke mechanisch aangedreven pomp moet aanwezig zijn, die uitsluitend bestemd is voor het automatisch doen doorgaan van de afgifte van water uit de sprinklers. De pomp moet automatisch in werking treden door een drukval in het systeem voordat de permanente hoeveelheid zoet water in de druktank volledig is uitgeput.

  • 6 De pomp en het leidingstelsel moeten in staat zijn de nodige druk ter hoogte van de hoogste sprinkler te handhaven, teneinde een voortdurende afgifte van water te verzekeren die voldoende is voor het gelijktijdig bestrijken van de maximum oppervlakte die wordt begrensd door onbrandbare schotten van klasse «A» en «B» of van een oppervlakte van 280 m2, waarbij de kleinste oppervlakte mag worden aangehouden, bij een hoeveelheid water per tijdseenheid als aangegeven in het vierde lid.

  • 6 De pomp moet aan de drukzijde zijn voorzien van een proefkraan met een korte open afvoerpijp. De effectieve doorstroomopening van de kraan en de pijp moet groot genoeg zijn om de vereiste pompcapaciteit af te voeren bij een druk in het systeem, zoals die is omschreven in het vijfde lid, onder 1.

  • 6 De zee-inlaat van de pomp moet, indien mogelijk, in dezelfde ruimte zijn gelegen als waarin de pomp is opgesteld, en zodanig zijn geplaatst dat het bij het te water liggende vaartuig niet nodig is de toevoer van zeewater naar de pomp af te sluiten voor andere doeleinden dan inspectie of reparatie van de pomp.

  • 7 De sprinklerpomp en -tank moeten zijn opgesteld op een redelijke afstand van ruimten voor machines van categorie A. Zij mogen niet zijn opgesteld in een ruimte die door het sprinklersysteem moet worden beschermd.

  • 8 Ten minste twee krachtbronnen moeten aanwezig zijn voor de aandrijving van de sprinklerpomp en voor de voeding van de automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie. Indien de pomp door een elektromotor wordt aangedreven, moet deze zijn aangesloten op de elektrische hoofdkrachtbron die door ten minste twee generatoren moet kunnen worden gevoed.

  • 8 De voedingsleidingen moeten zodanig zijn aangelegd dat zij niet door kombuizen, ruimten voor machines en andere ingesloten ruimten met een hoog brandrisico lopen, behoudens voor zover het noodzakelijk is om het desbetreffende schakelbord te bereiken. Een van de krachtbronnen voor de brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie moet een noodkrachtbron zijn. Indien een van de krachtbronnen voor de pomp een verbrandingsmotor is, moet de opstelling hiervan voldoen aan het bepaalde in het zevende lid en tevens zo zijn gelegen, dat de luchttoevoer naar de desbetreffende motor niet wordt beïnvloed door een brand in een beschermde ruimte.

  • 9 De sprinklerinstallatie moet een verbinding hebben met de hoofdbrandblusleiding van het vaartuig door middel van een afsluiter met een losse klep die is voorzien van een borginrichting met slot, waardoor het terugvloeien van water vanuit de sprinklerinstallatie naar de hoofdbrandblusleiding wordt voorkomen.

  • 10 Een proefkraan moet aanwezig zijn voor de beproeving van het automatische alarm voor elke sprinklersectie, waardoor een hoeveelheid water kan worden afgevoerd die gelijkwaardig is aan de werking van een sprinkler. De proefkraan voor elke sectie moet bij de sectie-afsluiter zijn geplaatst.

  • 10 Middelen moeten aanwezig zijn voor de beproeving van de automatische werking van de pomp door de druk in het systeem te verminderen.

  • 10 Schakelaars moeten aanwezig zijn bij een van de alarmpanelen als bedoeld in het tweede lid, onder 2, waarmede de hoorbare en zichtbare alarmen van elke sprinklersectie kunnen worden beproefd.

  • 11 Voor elke sprinklersectie moet een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te bepalen aantal reserve sprinklerkoppen aanwezig zijn.

Artikel 152. Automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallaties (methode III F)

  • 1 Op vaartuigen waar methode III F wordt toegepast, moet een automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie van een goedgekeurd type zijn aangebracht, die voldoet aan het bepaalde in dit artikel. Deze installatie moet op zodanige wijze zijn aangebracht, dat de aanwezigheid van brand in alle ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations met uitzondering van ruimten die vrijwel geen brandgevaar opleveren, zoals lege ruimten en sanitaire ruimten, kan worden ontdekt.

  • 2 De installatie moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed zijn en generlei handeling van de zijde van de bemanning moet nodig zijn om de installatie in werking te stellen.

  • 2 In elke sectie als bedoeld in het derde lid moeten middelen zijn aangebracht voor het automatisch geven van zichtbare en hoorbare alarmsignalen op een of meer alarmpanelen, wanneer een branddetector gaat werken. Deze alarmpanelen moeten een aanwijzing geven in welke door de installatie beschermde sectie zich brand voordoet en moeten zijn gecentraliseerd op de brug en op zodanige andere plaatsen, dat zeker is dat elk alarm van de installatie onmiddellijk door de bemanning wordt opgemerkt. Bovendien moeten voorzieningen zijn aangebracht teneinde zeker te stellen dat een hoorbaar alarmsignaal wordt gegeven op het dek waarop de brand is ontdekt. Een dergelijke alarminstallatie moet zodanig zijn geconstrueerd, dat eventueel in de installatie optredende defecten worden aangegeven.

  • 3 De branddetectors moeten zijn gegroepeerd in afzonderlijke secties, die zich uitstrekken tot niet meer dan 50 ruimten, waarin een dergelijke installatie is aangebracht en die niet meer dan 100 detectors mogen omvatten. De branddetectors moeten op zodanige wijze in zones zijn ondergebracht, dat kan worden aangegeven op welk dek zich brand voordoet.

  • 4 De installatie moet in werking worden gesteld door een abnormale temperatuur van de lucht, door een abnormale rookconcentratie of door andere factoren, die een begin van brand in een te beschermen ruimte aanduiden. De installaties die reageren op de temperatuur van de lucht, mogen niet in werking treden bij een temperatuur van minder dan 57°C en moeten in werking treden bij een temperatuur van niet meer dan 74°C, wanneer de temperatuurstijging tot die waarden niet meer is dan 1°C/min. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat in ruimten zoals droogkamers, waar hoge omgevingstemperaturen kunnen worden verwacht, de temperatuur waarbij de installatie in werking treedt, wordt verhoogd tot niet meer dan 30°C boven de maximumtemperatuur bij het plafond. Installaties die reageren op rookconcentratie, moeten in werking treden door de vermindering van de intensiteit van een uitgezonden lichtstraal in een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te bepalen mate. Andere even doeltreffende methoden voor inwerkingstelling van de installatie kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden aanvaard. De ontdekkingsinstallatie mag niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor brandontdekking.

  • 5 De branddetectors moeten zodanig zijn uitgevoerd dat zij het alarm in werking stellen door hetzij openen of sluiten van contacten, hetzij op een andere doelmatige wijze. Zij moeten hoog in de ruimte zijn geplaatst en op deugdelijke wijze zijn beschermd tegen stoten en mogelijke andere oorzaken van beschadiging. Zij moeten bestand zijn tegen de inwerking van zeelucht. Zij moeten op een open plaats zijn aangebracht, vrij van dekbalken en andere voorwerpen die het toestromen van hete gassen of rook naar het gevoelige element zouden kunnen belemmeren. Detectors die in werking treden door het sluiten van contacten, moeten van een type zijn waarbij de contacten zijn afgesloten van de buitenlucht. Voorzieningen moeten aanwezig zijn om het systeem voortdurend op defecten te kunnen controleren.

  • 6 In elke ruimte waar voorzieningen van brandontdekking zijn vereist, moet ten minste een detector zijn aangebracht, met dien verstande dat voor elke 37 m2 dekoppervlakte tenminste een detector aanwezig moet zijn. In grote ruimten moeten de detectors zijn aangebracht in een regelmatig patroon, zodat geen enkele detector meer dan 9 m van een andere detector of meer dan 4,5 m van een schot is verwijderd.

  • 7 Ten minste twee krachtbronnen moeten aanwezig zijn voor de elektrische apparatuur, nodig voor het functioneren van de brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie. Een van deze krachtbronnen moet een noodkrachtbron zijn. De voeding moet geschieden door uitsluitend voor dit doel bestemde voedingsleidingen. De voedingsleidingen moeten zijn aangesloten op een omschakelaar in het controlestation voor het brandontdekkingssysteem. De leidingen moeten zodanig zijn aangelegd dat zij niet door kombuizen, ruimten voor machines en andere besloten ruimten met een groot brandrisico lopen, behoudens voor zover dergelijke leidingen nodig zijn voor brandontdekking in deze ruimte of om het betreffende schakelbord te bereiken.

  • 8 Op of bij elk alarmpaneel moeten de door de installatie bestreken ruimten en de ligging van de betreffende zone van het ontdekkingssysteem duidelijk zijn aangegeven. Instructies voor de beproeving moeten aanwezig zijn.

  • 8 Middelen moeten aanwezig zijn waarmede hete lucht of rook op detectors kan worden gericht, teneinde de goede werking daarvan en die van de alarmpanelen te beproeven.

  • 9 Voor elke sectie van de brandontdekkingsinstallatie moet een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te bepalen aantal reserve detectorelementen aan boord aanwezig zijn.

Artikel 153. Vast aangebrachte brandblusinstallaties voor laadruimten die bestemd zijn voor ladingen die in hoge mate brandgevaarlijk zijn

Laadruimten die bestemd zijn voor ladingen die in hoge mate brandgevaarlijk zijn, moeten zijn beschermd door een vast aangebrachte brandblusinstallatie met gas als blusstof of door een brandblusinstallatie die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een gelijkwaardige bescherming biedt.

Artikel 154. Brandbluspompen

  • 1 Aan boord van een vaartuig moeten ten minste twee brandbluspompen aanwezig zijn.

  • 2 Wanneer een brand in een bepaalde afdeling alle brandbluspompen buiten werking zou kunnen stellen, moet een vervangend middel aanwezig zijn voor het leveren van water voor het blussen van brand. Op vaartuigen waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moet dit vervangend middel bestaan uit een vast opgestelde, onafhankelijk aangedreven noodbrandbluspomp. Deze noodbrandbluspomp moet in staat zijn tot het leveren van twee stralen water, een en ander ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

  • 3 De brandbluspompen, de noodbrandbluspomp uitgezonderd, moeten in staat zijn voor brandblusdoeleinden een hoeveelheid water te leveren met een minimumdruk van 0,25 N/mm2, met een totale capaciteit (Q) van ten minste:

    Q = (0,15L(B+D) + 2,25)2 m3/uur.

    De vereiste totale capaciteit der brandbluspompen behoeft echter niet meer dan 180 m3/uur te bedragen.

  • 3 Elke voorgeschreven brandbluspomp, behalve de noodbrandbluspomp, moet een capaciteit hebben van niet minder dan 40 percent van de onder 3.1 vereiste totale capaciteit van de brandbluspompen en moet in elk geval in staat zijn ten minste de in artikel 156, tweede lid, onder 1, vereiste stralen water te leveren. Deze brandbluspompen moeten in staat zijn de hoofdbrandblusleiding onder de in artikel 155, tweede lid, voorgeschreven voorwaarden van water te voorzien. Wanneer meer dan twee pompen zijn opgesteld, moet de capaciteit van die extra pompen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

  • 4 Brandbluspompen moeten werktuiglijk gedreven pompen zijn die onafhankelijk van het voortstuwingswerktuig kunnen worden gebruikt. Sanitaire, ballast-, lens- of algemene dienstpompen mogen worden aanvaard als brandbluspompen, mits zij onder normale omstandigheden niet worden gebruikt voor het pompen van olie en, indien zij af en toe voor dit doel moeten worden gebezigd, doelmatige verwisselinrichtingen zijn aangebracht die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

  • 4 Brandbluspompen moeten van ontlastkleppen zijn voorzien indien zij in staat zijn een druk te leveren die de druk overtreft waarvoor de brandblusleidingen, brandkranen en brandslangen zijn ontworpen. Deze ontlastkleppen moeten op zodanige plaats zijn aangebracht en zodanig zijn afgesteld, dat een te hoge druk in enig deel van de hoofdbrandblusleiding wordt voorkomen.

  • 4 Werktuiglijk gedreven noodbrandbluspompen moeten zelfaanzuigende pompen zijn die zijn uitgerust met een eigen dieselmotor en brandstoftoevoer, welke zijn opgesteld op een toegankelijke plaats buiten de ruimte waarin de overige brandbluspompen zijn ondergebracht. De aandrijving van de noodbrandbluspomp mag elektrisch geschieden, mits voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 108. De werking van de noodbrandbluspomp moet voor ten minste drie uur zijn verzekerd.

  • 4 Noodbrandbluspompen, zee-inlaatafsluiters en andere noodzakelijke afsluiters moeten kunnen worden bediend vanaf een plaats die is gelegen buiten de ruimten waarin de overige brandbluspompen zijn ondergebracht. Deze plaats moet zodanig zijn dat het niet waarschijnlijk is dat zij in geval van brand in de bedoelde ruimten onbereikbaar wordt.

Artikel 155. Hoofdbrandblusleidingen

  • 1 Aan boord van een vaartuig moet een hoofdbrandblusleiding zijn aangebracht.

  • 1 Hoofdbrandblusleidingen mogen geen andere aansluitingen hebben dan die, welke voor de brandbestrijding zijn vereist, met uitzondering van aansluitingen die zijn aangebracht om het dek te wassen, de ankerkettingen schoon te spuiten of een ejector voor de kettingbak te bedienen.

  • 1 In hoofdbrandblusleidingen moeten aftapkranen zijn aangebracht op doelmatige plaatsen, waardoor beschadiging door bevriezing kan worden voorkomen.

  • 1 Hoofdbrandblusleidingen moeten zijn vervaardigd van materialen die in voldoende mate hittebestendig zijn.

  • 2 De doorlaat van de hoofdbrandblusleiding en van de aftakkingen daarvan moet voldoende groot zijn voor een doelmatige verwerking van de maximaal voorgeschreven opbrengst van twee gelijktijdig werkende brandbluspompen. De doorlaat behoeft echter niet groter te zijn dan voor de verwerking van 140 m3/uur nodig is.

  • 2 Wanneer de onder 2.1 genoemde opbrengst, geleverd door de aldaar genoemde pompen, wordt verwerkt door straalpijpen als omschreven in artikel 156, vijfde lid, gekoppeld aan slangen aangesloten op in elkaars nabijheid gelegen brandkranen, moet bij alle brandkranen ten minste een druk van 0,25 N/mm2 kunnen worden gehandhaafd.

Artikel 156. Brandkranen, brandslangen en straalpijpen