Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Wet op de waterhuishouding[Regeling vervallen per 22-12-2009.]

Geldend van 01-07-2009 t/m 21-12-2009

Wet van 14 juni 1989, houdende regelen inzake de waterhuishouding

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen in het belang van een samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding in haar geheel alsmede nadere regelen met betrekking tot het kwantiteitsbeheer over het oppervlaktewater;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 1 [Vervallen per 22-12-2009]

In het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

"Onze Minister": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

"Onze Ministers": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat tezamen met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ieder voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren;

"waterhuishouding": de overheidszorg die zich richt op het op en in de bodem vrij aanwezige water, met het oog op de daarbij betrokken belangen;

"waterhuishoudkundig systeem": een samenhangend geheel van oppervlaktewateren en grondwatervoorkomens;

"kwantiteitsbeheerder": het openbaar gezag dat belast is met kwantiteitsbeheer van oppervlaktewater;

"kwaliteitsbeheerder": het openbaar gezag dat bevoegd is tot vergunningverlening ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 1981, 573);

"kaderrichtlijn water": richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327), zoals deze is gewijzigd bij beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 tot vaststelling van de lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid en tot wijziging van richtlijn 2000/60/EG (PbEG L 331) en met inbegrip van wijzigingen uit hoofde van artikel 20, eerste lid, van de richtlijn, doch voor het overige naar de tekst zoals deze bij de richtlijn is vastgesteld;

"stroomgebied": een gebied vanwaar al het over het oppervlak lopende water via een reeks stromen, rivieren en eventueel meren door één riviermond, estuarium of delta in zee stroomt;

"stroomgebieddistrict": het gebied van land en zee, gevormd door een of meer aan elkaar grenzende stroomgebieden met de bijbehorende grond- en kustwateren;

"stroomgebiedbeheersplan": plan als bedoeld in artikel 13 van de kaderrichtlijn water, dat betrekking heeft op het op Nederlands grondgebied gelegen deel van een stroomgebieddistrict;

"internationaal stroomgebiedbeheersplan": plan als bedoeld in artikel 13 van de kaderrichtlijn water, dat betrekking heeft op zowel het op Nederlands grondgebied gelegen deel van een stroomgebieddistrict als het buiten Nederlands grondgebied gelegen deel van een stroomgebieddistrict;

natuurlijk oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewaterlichaam dat niet wordt aangewezen als kunstmatig dan wel sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam, een en ander in de zin van de kaderrichtlijn water.

Artikel 1a [Vervallen per 22-12-2009]

Een wijziging uit hoofde van artikel 20, eerste lid, van de kaderrichtlijn water gaat voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Artikel 2 [Vervallen per 22-12-2009]

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden tot de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk mede gerekend de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen door anderen beheerde oppervlaktewateren die met de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk in open verbinding staan. Over een voordracht voor een zodanige algemene maatregel van bestuur stelt Onze Minister de kwantiteitsbeheerders van de betrokken oppervlaktewateren in de gelegenheid hun oordeel te geven.

Artikel 2a [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt het Nederlandse grondgebied ingedeeld in de op Nederlands grondgebied gelegen delen van de stroomgebieddistricten Eems, Rijn, Maas en Schelde. Onder het Nederlandse grondgebied wordt mede verstaan de territoriale zee, voor zover die is gelegen aan de landzijde van de lijn waarvan elk punt zich bevindt op een afstand van een internationale zeemijl, zijnde achttienhonderd en twee en vijftig meter, gemeten zeewaarts vanaf de laagwaterlijn, bedoeld in artikel 1 van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee of de basislijn, bedoeld in artikel 2 van die wet.

  • 2 De onderlinge grenzen van de Nederlandse delen van de stroomgebieddistricten worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Daarbij wordt tevens voorzien in de toedeling van grondwatervoorkomens aan één van de stroomgebieddistricten.

  • 3 Bij de voorbereiding van de maatregel raadplegen Onze Ministers per stroomgebieddistrict gedeputeerde staten van de betrokken provincies, de kwaliteitsbeheerders en de kwantiteitsbeheerders, alsmede de regeringen van de andere staten in het stroomgebieddistrict.

Artikel 2b [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Provinciale besturen, kwaliteitsbeheerders, kwantiteitsbeheerders en gemeentebesturen:

    • a. verrichten de analyses en beoordelingen, bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn water, en

    • b. verstrekken aan Onze Minister de resultaten daarvan, alsmede de overige gegevens, bedoeld in bijlage VII van de kaderrichtlijn water,

      voor zover die betrekking hebben op hun onderscheiden aandeel in de waterhuishouding in een stroomgebieddistrict, onverminderd het bepaalde in hoofdstuk II van deze wet.

  • 2 Op initiatief van Onze Minister vindt per stroomgebieddistrict overleg van de betrokken bestuursorganen plaats ten behoeve van een goede uitvoering van het eerste lid.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld aangaande de gegevensverstrekking.

Hoofdstuk II. De plannen voor de waterhuishouding [Vervallen per 22-12-2009]

Afdeling 1. De nota voor de waterhuishouding [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 3 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Onze Ministers stellen een nota vast waarin:

    • a. de hoofdlijnen van het ten aanzien van de landelijke waterhuishouding te voeren beleid zijn aangegeven, en

    • b. de stroomgebiedbeheersplannen of de inbreng voor de internationale stroomgebiedbeheersplannen met betrekking tot de in artikel 2a bedoelde delen van de stroomgebieddistricten zijn opgenomen.

    Bij het vaststellen van de nota wordt voor elk van de in artikel 2a bedoelde delen van de stroomgebieddistricten rekening gehouden met het desbetreffende internationale stroomgebiedbeheersplan, dan wel wordt dat plan in acht genomen voor zover dat uit het plan voortvloeit.

  • 2 De hoofdlijnen omvatten:

    • a. een aanduiding van de belangrijkste functies van de oppervlaktewateren behorend tot het waterhuishoudkundig hoofdsysteem en, voorzover nationale belangen dat nodig maken, van de regionale waterhuishoudkundige systemen;

    • b. aanwijzingen voor de verdere bepaling van functies van waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan;

    • c. een aanduiding, in samenhang met de onder a en b bedoelde functies, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan, alsmede van de termijnen die daarbij worden nagestreefd;

    • d. een uiteenzetting van de algemene aard en omvang van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, en werking en bescherming nodig zijn, met inbegrip van de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, voor zover die op elk van de in artikel 2a bedoelde delen van de stroomgebieddistricten van toepassing zijn;

    • e. een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële, economische en ruimtelijke gevolgen van het te voeren beleid.

  • 3 De nota geeft aan in hoeverre de hoofdlijnen zijn afgestemd op dan wel leiden tot aanpassing van het nationale milieubeleid en het nationale beleid inzake natuur en landschap en in hoeverre en binnen welke termijn Onze Ministers voornemens zijn het geldende nationale milieubeleidsplan en het geldende natuurbeleidsplan te herzien.

  • 4 Een stroomgebiedbeheersplan omvat de informatie die ingevolge bijlage VII bij de kaderrichtlijn water daarin moet worden opgenomen.

  • 5 Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inbreng, met dien verstande dat slechts de gegevens worden opgenomen die betrekking of mede betrekking hebben op het Nederlandse deel van een stroomgebieddistrict.

  • 6 De nota wordt tenminste eenmaal in de zes jaren herzien. Nieuwe of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in de nota in werking.

  • 7 Onze Minister doet de nota aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal toekomen.

Artikel 4 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 2 Onze Ministers leggen ter inzage:

    • a. een tijdschema en een werkprogramma voor de opstelling of een herziening van het internationale stroomgebiedbeheersplan of het stroomgebiedbeheersplan, tenminste drie jaren voor het begin van de periode waarop het plan betrekking heeft,

    • b. een tussentijds overzicht van belangrijke waterbeheerkwesties die zijn vastgesteld in het stroomgebieddistrict of het in artikel 2a bedoelde deel daarvan, tenminste twee jaren voor het begin van de periode waarop het plan of een herziening betrekking heeft, en

    • c. het ontwerp voor het stroomgebiedbeheersplan of voor het internationaal stroomgebiedbeheersplan of een herziening voor zover betrekking of mede betrekking hebbend op het op Nederlands grondgebied gelegen deel van het desbetreffende stroomgebieddistrict, tenminste een jaar voor het begin van de periode waarop het plan of de herziening betrekking heeft.

  • 3 Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.

  • 4 De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen over de in het tweede lid bedoelde stukken bedraagt zes maanden en vangt aan met ingang van de dag waarop het stuk ter inzage is gelegd.

  • 5 Met betrekking tot grensvormende of grensoverschrijdende wateren raadplegen Onze Ministers de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten. Met betrekking tot stroomgebiedbeheersplannen en de inbreng voor de internationale stroomgebiedbeheersplannen raadplegen Onze Ministers de regeringen van de andere staten in het stroomgebieddistrict.

  • 6 Onze Ministers raadplegen ten aanzien van de maatregelen bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn gedeputeerde staten van de betrokken provincies en de kwantiteitsbeheerders en kwaliteitsbeheerders van het op Nederlands grondgebied gelegen deel van het stroomgebieddistrict.

  • 7 Onze Ministers brengen de ontvangen zienswijzen over het ontwerp voor een internationaal stroomgebiedbeheersplan of een herziening, voor zover die zienswijzen niet uitsluitend betrekking hebben op het op Nederlands grondgebied gelegen deel van het desbetreffende stroomgebieddistrict, ter kennis van de regeringen van de andere staten in het stroomgebieddistrict.

Afdeling 2. Het beheersplan voor de rijkswateren [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 5 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Onze Ministers stellen ten aanzien van de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk een beheersplan vast. Het plan kan bestaan uit afzonderlijke delen. Bij de vaststelling van het plan wordt rekening gehouden met de in artikel 3 bedoelde nota en, voor zover het krachtens artikel 7, tweede lid, aangewezen oppervlaktewateren betreft, met het provinciaal plan voor de waterhuishouding.

  • 2 Het plan geeft aan:

    • a. de functies van de oppervlaktewateren;

    • b. het programma van maatregelen en voorzieningen, die met het oog op de ontwikkeling, werking en bescherming van de waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan en de bescherming van het milieu nodig zijn, onder vermelding van de termijnen die daarbij worden nagestreefd;

    • c. de wijze waarop het beheer bij normale en bij afwijkende omstandigheden wordt gevoerd;

    • d. de financiële middelen, die voor de uitvoering van het programma en het te voeren beheer nodig zijn.

  • 3 Tot de maatregelen en voorzieningen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, behoren mede, gerangschikt naar stroomgebieddistrict:

    • a. de aanwijzing van oppervlaktewateren of onderdelen daarvan als kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen, overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de kaderrichtlijn water, dan wel als natuurlijk oppervlaktewaterlichaam, en

    • b. de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water.

  • 4 Het plan gaat vergezeld van een toelichting.

  • 5 Het plan wordt ten minste eenmaal in de zes jaren herzien. Nieuwe of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in het plan in werking.

Artikel 6 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 2 De terinzagelegging geschiedt tevens ter secretarie van de betrokken provincies.

  • 3 Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.

  • 4 Met betrekking tot grensvormende of grensoverschrijdende wateren raadplegen Onze Ministers de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten.

  • 5 Onze Ministers stemmen de in artikel 5, derde lid, bedoelde maatregelen en voorzieningen per stroomgebieddistrict af met gedeputeerde staten van de betrokken provincies en de kwantiteitsbeheerders en kwaliteitsbeheerders van het stroomgebieddistrict.

Afdeling 3. De provinciale plannen voor de waterhuishouding [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 7 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Provinciale staten stellen een provinciaal plan vast, waarin de hoofdlijnen van het ten aanzien van de waterhuishouding in de provincie te voeren beleid zijn aangegeven. Daarbij wordt rekening gehouden met de in artikel 3 bedoelde nota.

  • 2 Het plan heeft mede betrekking op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk.

  • 3 De hoofdlijnen van het plan omvatten:

    • a. de vastlegging van de belangrijkste functies van de regionale waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan;

    • b. een aanduiding, in samenhang met de onder a bedoelde functies, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de regionale waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan alsmede van de termijnen die daarbij worden nagestreefd;

    • c. een uiteenzetting van het ingevolge de Grondwaterwet (Stb. 1981, 392) te voeren grondwaterbeheer, alsmede een overzicht van de financiële middelen die voor de uitvoering van het beheer nodig zijn;

    • d. een uiteenzetting van de algemene aard en omvang van de overige maatregelen en voorzieningen die met het oog op de onder b bedoelde ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn;

    • e. een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid.

  • 4 Tot de maatregelen en voorzieningen, bedoeld in het derde lid, onderdelen b, c en d, behoren mede, gerangschikt naar stroomgebieddistrict:

    • a. de aanwijzing van regionale oppervlaktewateren of onderdelen daarvan als kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen, overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de kaderrichtlijn water, dan wel als natuurlijk oppervlaktewaterlichaam, en

    • b. de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, die in alle in de provincie gelegen delen van stroomgebieddistricten van toepassing zijn dan wel het te voeren grondwaterbeheer betreffen.

  • 5 In het plan geven provinciale staten aan in hoeverre de hoofdlijnen zijn afgestemd op dan wel leiden tot aanpassing van het provinciale milieubeleid, het provinciale ruimtelijk beleid of het provinciale verkeers- en vervoerbeleid, en in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het geldende provinciale milieubeleidsplan, een of meer geldende streekplannen of het geldende provinciale verkeers- en vervoerplan te herzien. Het plan gaat vergezeld van een toelichting.

  • 6 Het plan wordt ten minste een maal in de zes jaren herzien. Nieuwe of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in het plan in werking.

  • 7 Het besluit tot vaststelling of herziening van het plan wordt met het plan toegezonden aan Onze Ministers.

Artikel 8 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Provinciale staten stellen bij verordening nadere regelen met betrekking tot de voorbereiding van het plan. Zij stellen daarbij in elk geval regels met betrekking tot:

    • a. de wijze waarop het ontwerp van het plan in gemeenschappelijk overleg met de kwaliteitsbeheerders en kwantiteitsbeheerders die een beheersplan als bedoeld in artikel 9 vaststellen, alsmede de gemeentebesturen wordt voorbereid;

    • b. de raadpleging van Onze Minister, gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies en, indien het plan betrekking heeft op grensvormende of grensoverschrijdende wateren, de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten;

    • c. de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden worden betrokken bij de voorbereiding van het plan, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 147 van de Provinciewet vastgestelde verordening.

  • 2 Provinciale staten en gedeputeerde staten regelen overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet gezamenlijk de instelling, samenstelling, taak en werkwijze van een commissie, die door provinciale staten en gedeputeerde staten vooraf worden gehoord over maatregelen en plannen die van betekenis zijn voor het provinciale beleid inzake de waterhuishouding. Provinciale staten en gedeputeerde staten benoemen elk een gelijk aantal leden.

  • 3 Provinciale Staten zenden het besluit waarbij de verordening is vastgesteld aan Onze Minister.

Afdeling 4. Beheersplannen [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 9 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Een kwantiteitsbeheerder of kwaliteitsbeheerder, niet zijnde het Rijk, stelt met betrekking tot oppervlaktewateren onder zijn beheer een beheersplan vast. Bij die vaststelling wordt rekening gehouden met het provinciaal plan voor de waterhuishouding.

  • 2 Een beheersplan geeft aan hetgeen de beheerder ter vervulling van zijn taak verricht.

  • 3 Door een kwaliteitsbeheerder worden mede opgenomen, gerangschikt naar stroomgebieddistrict en voor zover niet opgenomen in het provinciale plan:

    • a. de aanwijzing van regionale oppervlaktewateren of onderdelen daarvan als kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de kaderrichtlijn water, dan wel als natuurlijk oppervlaktewaterlichaam, en

    • b. de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, met uitzondering van maatregelen die het kwantiteitsbeheer betreffen.

  • 4 Het derde lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een kwantiteitsbeheerder, voor zover de maatregelen van artikel 11 van de kaderrichtlijn water het kwantiteitsbeheer van oppervlaktewateren betreffen.

  • 5 Een niet door provinciale staten vastgesteld beheersplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.

  • 6 Het plan wordt tenminste een maal in de zes jaren herzien. Nieuwe of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in het plan in werking.

  • 7 Provinciale staten stellen bij verordening nadere regels vast met betrekking tot de inrichting, voorbereiding en vaststelling van het beheersplan. Zij geven daarin aan welke beheerders zijn uitgezonderd van de verplichting tot vaststelling van een beheersplan. Tevens geven zij daarin regels met betrekking tot:

    • a. de wijze waarop kwantiteitsbeheerders en kwaliteitsbeheerders bij de voorbereiding en vaststelling van een plan samenwerken;

    • b. het betrekken van de in het beheersgebied woonachtige personen en in het beheersgebied belanghebbenden bij de voorbereiding van het plan, op overeenkomstige wijze als voorzien in de krachtens artikel 147 van de Provinciewet vastgestelde verordening en

    • c. de raadpleging, indien het plan betrekking heeft op grensvormende of grensoverschrijdende wateren, van de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten.

  • 8 Provinciale Staten zenden het besluit waarbij de verordening, bedoeld in het vorige lid, is vastgesteld aan Onze Minister.

Afdeling 4a. De zorg voor het afvloeiend hemelwater en het grondwater [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 9a [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 De gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor een doelmatige inzameling van het afvloeiend hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen.

  • 2 De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen tevens zorg voor een doelmatige verwerking van het ingezamelde hemelwater. Onder het verwerken van hemelwater kunnen in ieder geval de volgende maatregelen worden begrepen: de berging, het transport, de nuttige toepassing, het, al dan niet na zuivering, terugbrengen op of in de bodem of in het oppervlaktewater van ingezameld hemelwater, en het afvoeren naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

Artikel 9b [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 De gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van het waterschap of de provincie behoort.

  • 2 De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, omvatten mede de verwerking van het ingezamelde grondwater, waaronder in ieder geval worden begrepen de berging, het transport, de nuttige toepassing en het, al dan niet na zuivering, op of in de bodem of in het oppervlaktewater brengen van ingezameld grondwater, en het afvoeren naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

Afdeling 5. Voorschriften van hoger gezag [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 10 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Onze Ministers kunnen aan provinciale staten omtrent de vaststelling of herziening en de inhoud van een provinciaal plan voor de waterhuishouding aanwijzingen geven, indien een samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding, nationaal dan wel per stroomgebieddistrict, zulks vorderen.

  • 2 Bij een aanwijzing kan een termijn worden gesteld binnen welke het plan dient te zijn vastgesteld dan wel, indien het een vastgesteld plan betreft, de herziening dient te hebben plaatsgevonden.

  • 3 Onze Ministers gaan niet over tot het geven van een aanwijzing dan nadat zij gedeputeerde staten in de gelegenheid hebben gesteld van hun gevoelen omtrent hun voornemen te doen blijken.

  • 4 Provinciale staten stellen het plan vast of herzien het plan in overeenstemming met de gegeven aanwijzing.

  • 5 Van het besluit houdende de aanwijzing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 11 [Vervallen per 22-12-2009]

Onze Minister kan aan provinciale staten omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid en 9, vierde lid, aanwijzingen geven indien een samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding, nationaal dan wel per stroomgebieddistrict, zulks vorderen. Artikel 10, tweede, derde, vierde en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk III. Beheersinstrumenten [Vervallen per 22-12-2009]

Afdeling 1. Registratie [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 12 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Degene die water afvoert naar, aanvoert uit, loost in of onttrekt aan oppervlaktewateren waarover hij niet het beheer voert, is in daartoe aan te wijzen gevallen verplicht de wijze van afvoer, aanvoer, lozing of onttrekking te melden en - eventueel - de afgevoerde, aangevoerde, geloosde of onttrokken waterhoeveelheden te meten, daarvan aantekening te houden en van de verkregen gegevens opgave te doen.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde melding en opgave worden in de gevallen welke geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk, gedaan aan Onze Minister en in de overige gevallen aan de kwantiteitsbeheerder van het desbetreffende oppervlaktewater.

  • 3 Een overzicht van de ontvangen gegevens wordt jaarlijks, vóór 1 juli van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben, door Onze Minister toegezonden aan gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie of provincies en door de beheerder, bedoeld in het tweede lid, aan Onze Minister en aan gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie of provincies.

  • 4 Ter provinciale griffie liggen de in het derde lid bedoelde overzichten kosteloos ter inzage tot drie jaren na het einde van het kalenderjaar waarop zij betrekking hebben.

  • 5 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde melding, meting, het houden van aantekening daarvan en het doen van opgave van de verkregen gegevens.

Artikel 13 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 De in artikel 12, eerste lid, bedoelde aanwijzing van gevallen welke geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk vindt plaats bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en van de overige gevallen bij door de kwantiteitsbeheerder vast te stellen verordening. Bij de aanwijzing wordt rekening gehouden met het in artikel 5 respectievelijk artikel 9 bedoelde beheersplan. De kwantiteitsbeheerder zendt het besluit waarbij de verordening is vastgesteld aan Onze Minister.

  • 2 Een voordracht tot de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt Ons gedaan door Onze Minister.

Artikel 14 [Vervallen per 01-06-2004]

Artikel 15 [Vervallen per 22-12-2009]

Onze Minister kan aan de kwantiteitsbeheerder omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanwijzingen geven indien een samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding zulks vorderen. Artikel 10, tweede, derde, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2. Het peilbesluit [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 16 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Een kwantiteitsbeheerder is in daartoe aan te wijzen gevallen verplicht voor oppervlatewateren onder zijn beheer één of meer peilbesluiten vast te stellen. De kwantiteitsbeheerder draagt er zorg voor dat de in het peilbesluit aangegeven waterstanden gedurende daarbij aangegeven perioden zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Bij het vaststellen van het peilbesluit wordt rekening gehouden met de in de artikelen 5 en 9 bedoelde beheersplannen, die van toepassing zijn op de oppervlaktewateren waarop het peilbesluit betrekking heeft.

  • 2 Ten aanzien van oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen gesteld met betrekking tot het peilbesluit.

  • 3 Ten aanzien van de overige oppervlaktewateren stellen provinciale staten bij verordening nadere regelen met betrekking tot het peilbesluit.

  • 4 De in het eerste lid bedoelde aanwijzing van gevallen welke geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk vindt plaats bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en van de overige gevallen bij door provinciale staten vast te stellen verordening. Provinciale staten zenden het besluit waarbij de verordening is vastgesteld aan Onze Minister.

  • 5 Een voordracht tot de in het vierde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt Ons gedaan door Onze Minister.

  • 6 Onze Minister kan aan provinciale staten omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in het vierde lid aanwijzingen geven indien een samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding zulks vorderen. Artikel 10, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3. Het waterakkoord [Vervallen per 22-12-2009]

§ 1. Algemeen [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 17 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Een kwantiteitsbeheerder die water afvoert naar of aanvoert uit oppervlaktewateren in beheer bij een andere kwantiteitsbeheerder, alsmede die andere beheerder zijn in daartoe aan te wijzen gevallen verplicht gezamenlijk een waterakkoord vast te stellen. Voor zover deze verplichting rust op het Rijk, wordt zij door of vanwege Onze Minister nagekomen. Indien een kwantiteitsbeheerder niet tevens kwaliteitsbeheerder is, neemt ook de kwaliteitsbeheerder aan het waterakkoord deel. Een kwantiteitsbeheerder kan voorts een ander openbaar gezag uitnodigen aan het waterakkoord deel te nemen, indien dat openbaar gezag een waterstaatkundige taak vervult die niet door de kwantiteitsbeheerder wordt vervuld.

  • 2 Een waterakkoord bevat bepalingen omtrent de wijze waarop de beheerders de af- en aanvoer van water ten opzichte van elkaar in het belang van de waterhuishouding regelen. Bij het stellen van deze bepalingen wordt rekening gehouden met de in de artikelen 5 en 9 bedoelde beheersplannen welke op de oppervlaktewateren waarop het waterakkoord betrekking heeft, van toepassing zijn.

§ 2. De totstandkoming van een waterakkoord [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 18 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 De deelnemers stellen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een termijn van acht maanden na het van kracht worden van de in artikel 17, eerste lid, bedoelde verplichting een ontwerp van het waterakkoord op.

  • 2 Een exemplaar van het ontwerp wordt uiterlijk twee weken na het opstellen ervan toegezonden aan:

    • a. gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie of provincies;

    • b. de besturen van andere openbare lichamen alsmede andere bestuursorganen of instellingen welke naar het oordeel van de deelnemers geacht kunnen worden bij het ontwerp belang te hebben.

  • 3 Gedurende een termijn van vier weken vanaf de datum van verzending kunnen degenen aan wie het ontwerp is toegezonden, hun zienswijze omtrent het ontwerp aan de deelnemers kenbaar maken.

Artikel 19 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 De deelnemers stellen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken na verloop van de in artikel 18, derde lid, bedoelde termijn het waterakkoord vast.

  • 2 Een exemplaar van het waterakkoord wordt uiterlijk twee weken na de vaststelling ervan toegezonden aan degenen aan wie ingevolge artikel 18, tweede lid, toezending van het ontwerp heeft plaatsgevonden, en aan Onze Minister.

Artikel 20 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Uiterlijk twee weken na de in artikel 19, tweede lid, bedoelde toezending wordt een exemplaar van het waterakkoord gedurende een maand ter inzage gelegd ten kantore van de deelnemers.

  • 2 Van de terinzagelegging wordt tevoren kennis gegeven in de Nederlandse Staatscourant en in één of meer dag-, nieuws of advertentiebladen.

§ 3. De wijziging van een waterakkoord [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 21 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Een deelnemer die wijziging van een waterakkoord aan de vaststelling waarvan hij heeft meegewerkt, nodig acht, richt een schriftelijk verzoek daartoe aan de andere deelnemers.

  • 2 Binnen een termijn van drie maanden na het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt een aanvang gemaakt met de voorbereiding van de wijziging van het waterakkoord. Bij de wijziging van het waterakkoord wordt rekening gehouden met de in de artikelen 5 en 9 bedoelde beheersplannen, welke op de oppervlaktewateren waarop het waterakkoord betrekking heeft van toepassing zijn. De artikelen 18, 19 en 20 zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 4. Voorschriften van hoger gezag [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 22 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Indien een waterakkoord niet binnen een termijn van een jaar is vastgesteld of gewijzigd, nadat de in artikel 17, eerste lid, bedoelde verplichting van kracht is geworden onderscheidenlijk de in artikel 21, tweede lid, bedoelde termijn is verlopen, doen de deelnemers daarvan mededeling aan het in het tweede lid bedoelde gezag.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde mededeling wordt, indien het Rijk of een provincie aan het waterakkoord deelneemt, gedaan aan Onze Minister en in de overige gevallen aan gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie of provincies.

Artikel 23 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Het in artikel 22, tweede lid, bedoelde gezag kan in het geval, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, of indien een samenhangend beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding zulks vordert, aan de deelnemers aanwijzingen geven omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een waterakkoord.

  • 2 Bij een aanwijzing kan een termijn worden gesteld binnen welke het waterakkoord dient te zijn vastgesteld dan wel, indien het een vastgesteld waterakkoord betreft, de wijziging dient te hebben plaatsgevonden.

  • 3 Een aanwijzing wordt niet gegeven dan nadat de deelnemers in de gelegenheid zijn gesteld van hun gevoelen omtrent het voornemen tot het geven van de aanwijzing te doen blijken. Indien Onze Minister het voornemen heeft een aanwijzing te geven, stelt hij, indien de provincie niet tot de deelnemers behoort, ook gedeputeerde staten in de gelegenheid hun gevoelen daaromtrent te laten blijken.

  • 4 De deelnemers stellen het waterakkoord vast of wijzigen het waterakkoord in overeenstemming met de gegeven aanwijzing.

  • 5 Van de beschikking, houdende de aanwijzing, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Afdeling 4. De vergunning [Vervallen per 22-12-2009]

§ 1. Algemeen [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 24 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Het is in daartoe aan te wijzen gevallen verboden water te lozen in of te onttrekken aan oppervlaktewateren zonder vergunning. Het verbod geldt eveneens ingeval door anderen dan kwantiteitsbeheerders water wordt afgevoerd naar of aangevoerd uit oppervlaktewateren. Het verbod geldt niet voor kwantiteitsbeheerders voor zover zij water lozen in of onttrekken aan oppervlaktewateren waarover zij zelf het beheer voeren.

  • 2 De aanwijzing ingevolge het eerste lid kan enkel betreffen de lozing of onttrekking van waterhoeveelheden die, zelfstandig of in samenhang met andere lozingen of onttrekkingen, van nadelige invloed kunnen zijn op de peilregeling, de grondwaterstand of de waterbeweging, dan wel de kwantiteitsbeheerder kunnen noodzaken tot bijzondere beheersmaatregelen. De artikelen 13 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Een vergunning wordt verleend door de kwantiteitsbeheerder van het desbetreffende oppervlaktewater. Is het Rijk kwantiteitsbeheerder, dan geschiedt de vergunningverlening door of vanwege Onze Minister. Bij het verlenen van de vergunning wordt rekening gehouden met de in de artikelen 5 en 9 bedoelde beheersplannen, die van toepassing zijn op het oppervlaktewater waarop de vergunning betrekking heeft.

  • 5 In de vergunning worden ten minste de waterhoeveelheden vermeld die per één of meer tijdseenheden mogen onderscheidenlijk moeten worden afgevoerd, aangevoerd, geloosd of onttrokken, alsmede, voor zover het aanvoeren of onttrekken betreft, het doel waarvoor de waterhoeveelheden zijn bestemd. De vorige volzin geldt niet voor zover de vergunning wordt verleend voor een lozing in een geval waarin ingevolge het eerste lid een aanwijzing van toepassing is in verband met de nadelige invloed van de lozing van de desbetreffende waterhoeveelheden op de grondwaterstand of de grondwaterbeweging.

  • 6 De vergunning geldt ook voor de rechtsopvolgers van de houder, met dien verstande dat zij met ingang van de vierde maand na de dag van de rechtsopvolging vervalt, tenzij vóór dat tijdstip de wijziging van de tenaamstelling schriftelijk is aangevraagd.

§ 2. De aanvraag tot verlening van een vergunning [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 25 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 De aanvraag tot verlening van een vergunning wordt ingediend bij de kwantiteitsbeheerder.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de gegevens en bescheiden welke de aanvrager moet overleggen teneinde een beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken.

Artikel 26 [Vervallen per 22-12-2009]

De kwantiteitsbeheerder zendt zo spoedig mogelijk een exemplaar van de aanvraag aan de kwaliteitsbeheerder, onder mededeling dat hij van advies kan dienen, alsmede aan gedeputeerde staten.

Artikel 27 [Vervallen per 22-12-2009]

Ten aanzien van de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk onderscheidenlijk ten aanzien van de overige oppervlaktewateren kunnen bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij provinciale verordening gevallen worden aangewezen, waarin afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag.

§ 3. De beschikking op de aanvraag [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 28 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 29 [Vervallen per 22-12-2009]

De kwantiteitsbeheerder doet van een beslissing tot verlening van een vergunning of tot weigering daarvan mededeling door toezending van een afschrift aan de kwaliteitsbeheerder en aan gedeputeerde staten.

§ 4. Wijziging of intrekking van een vergunning [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 30 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 De kwantiteitsbeheerder kan uit eigen beweging of op schriftelijk verzoek van een belanghebbende een vergunning wijzigen, dan wel geheel of gedeeltelijk intrekken.

  • 2 Behoudens ingeval de houder van de vergunning om de wijziging verzoekt, kan een vergunning slechts worden gewijzigd indien de bescherming van het belang van de waterhuishouding voor zover de Wet verontreiniging oppervlaktewateren of de Grondwaterwet daarin niet voorziet, zulks vordert.

  • 3 Een vergunning kan slechts geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken indien:

    • a. de houder van de vergunning schriftelijk verklaart daarvan in het geheel onderscheidenlijk voor een gedeelte geen gebruik meer te zullen maken;

    • b. de ter verkrijging van de vergunning verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

    • c. van de vergunning gedurende vier achtereenvolgende jaren in het geheel onderscheidenlijk voor een gedeelte geen gebruik is gemaakt;

    • d. wordt gehandeld in strijd met de vergunning;

    • e. blijkt van feiten of omstandigheden waardoor, in verband met het belang van de waterhuishouding voor zover dit niet door de Wet verontreiniging oppervlaktewateren of de Grondwaterwet wordt beschermd, de lozing, onttrekking, afvoer of aanvoer in het geheel onderscheidenlijk voor een gedeelte niet langer toelaatbaar wordt geacht.

  • 4 Bij de wijziging of intrekking van een vergunning wordt rekening gehouden met de in de artikelen 5 en 9 bedoelde beheersplannen, die van toepassing zijn op het oppervlaktewater waarop de vergunning betrekking heeft.

Artikel 31 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Van een voornemen tot wijziging geeft de kwantiteitsbeheerder zo spoedig mogelijk kennis aan:

    • a. de houder van de vergunning;

    • b. de kwaliteitsbeheerder;

    • c. gedeputeerde staten;

    • d. de belanghebbende, voor zover niet genoemd onder a, b of c, die een verzoek tot wijziging heeft gedaan.

  • 2 Behoudens in het geval, bedoeld in artikel 30, derde lid onder a, geeft de kwantiteitsbeheerder van een voornemen tot gehele of gedeeltelijke intrekking zo spoedig mogelijk kennis aan de houder van de vergunning.

  • 3 De kennisgeving bevat de redenen waarop het voornemen tot wijziging dan wel gehele of gedeeltelijke intrekking is gegrond, en, indien het een voornemen tot wijziging betreft, de zakelijke inhoud van de wijziging.

  • 4 Ten aanzien van de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk onderscheidenlijk ten aanzien van de overige oppervlaktewateren kunnen bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij provinciale verordening gevallen worden aangewezen, waarin afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op een voornemen als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 32 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 33 [Vervallen per 22-12-2009]

De kwantiteitsbeheerder doet van een beslissing tot wijziging of tot weigering daarvan mededeling door toezending van een afschrift aan de kwaliteitsbeheerder en aan gedeputeerde staten.

Afdeling 5. Algemene regels van kwantiteitsbeheerders [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 33a [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 De kwantiteitsbeheerder kan algemene regels stellen ten aanzien van het lozen van water in, het onttrekken van water aan, het afvoeren van water naar of het aanvoeren van water uit oppervlaktewateren waarover hij het beheer voert.

  • 2 De regels kunnen enkel betreffen de lozing, onttrekking, aanvoer of afvoer van waterhoeveelheden die, niet zelfstandig maar wel in samenhang met andere lozingen, onttrekkingen, aanvoer of afvoer, van nadelige invloed kunnen zijn op de peilregeling, de grondwaterstand of de waterbeweging, dan wel de kwantiteitsbeheerder kunnen nopen tot bijzondere beheersmaatregelen.

  • 4 De regels kunnen een algeheel verbod of een bepaalde beperking inhouden van het met behulp van daarbij aan te geven categorieën van werken afvoeren, aanvoeren, lozen of onttrekken van waterhoeveelheden. De regels kunnen betrekking hebben op alle of op bepaalde oppervlaktewateren ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan worden uitgeoefend.

  • 5 De regels kunnen geen betrekking hebben op gevallen waarin ingevolge artikel 24, eerste lid, een vergunning is vereist.

  • 6 Het vijfde lid geldt niet voor zover de regels overgangsvoorzieningen betreffen voor gevallen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van die regels een vergunning was vereist ingevolge artikel 24, eerste lid.

  • 7 Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de wijze van vaststelling van de regels. Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aanwijzingen van Onze Minister omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in artikel 13, eerste lid.

Hoofdstuk IV. Bevoegdheden in buitengewone omstandigheden [Vervallen per 22-12-2009]

Afdeling 1. Vervallen [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 34 [Vervallen per 01-09-2002]

Artikel 35 [Vervallen per 01-09-2002]

Artikel 36 [Vervallen per 01-09-2002]

Afdeling 2. Vervallen [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 37 [Vervallen per 01-09-2002]

Artikel 38 [Vervallen per 01-09-2002]

Artikel 39 [Vervallen per 01-01-1994]

Hoofdstuk V. Schadevergoeding [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 40 [Vervallen per 22-12-2009]

Aan degene die ten gevolge van het vaststellen of wijzigen van een peilbesluit, het vaststellen of wijzigen van een waterakkoord, het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning of het vaststellen of wijzigen van een algemene regel als bedoeld in artikel 33a, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet op andere wijze voldoende is verzekerd, wordt door het gezag dat het desbetreffende besluit heeft genomen, op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend. De schadevergoeding kan worden bepaald in geld of op andere wijze.

Artikel 41 [Vervallen per 22-12-2009]

Indien het in artikel 40 bedoelde gezag, niet zijnde het Rijk, een vergoeding als bedoeld in dat artikel geheel of gedeeltelijk toekent in verband met de noodzakelijke behartiging van een openbaar belang waarvan de behartiging niet of niet geheel tot zijn taak behoort, kan Onze Minister op verzoek van dit gezag aan het openbaar lichaam welks belang geheel of gedeeltelijk wordt behartigd, de verplichting opleggen de met toepassing van artikel 40 gemoeide kosten die het gevolg zijn van die belangenbehartiging, geheel of gedeeltelijk te vergoeden.

Hoofdstuk VI. Beroep [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 42 [Vervallen per 22-12-2009]

Een belanghebbende kan tegen een peilbesluit voor oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk of een provincie beroep instellen bij de rechtbank.

Artikel 43 [Vervallen per 22-12-2009]

In het geval dat een ander dan het Rijk of een provincie aan het waterakkoord deelneemt kan een belanghebbende beroep instellen bij gedeputeerde staten tegen een besluit als bedoeld in artikel 19, eerste lid. Voor de gevallen waarin gedeputeerde staten van meer dan één provincie van het beroep zouden moeten kennisnemen, wijzen provinciale staten van de desbetreffende provincies gedeputeerde staten van één van de provincies als beroepsinstantie aan. Deze aanwijzing geschiedt bij verordening, vastgesteld bij gemeenschappelijk besluit van provinciale staten van de desbetreffende provincies.

Artikel 44 [Vervallen per 01-06-2004]

Artikel 45 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 46 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 47 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 48 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 49 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 50 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 51 [Vervallen per 22-12-2009]

Indien een beslissing van gedeputeerde staten op een krachtens dit hoofdstuk ingesteld beroep strekt tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een reeds in werking getreden besluit, kan, zo daartoe termen aanwezig zijn, bij die beslissing worden bepaald dat een vergoeding zal worden toegekend ten laste van het lichaam dat het geheel of gedeeltelijk vernietigde besluit heeft genomen, onverminderd het recht van degene die het beroep heeft ingesteld, om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen.

Artikel 52 [Vervallen per 22-12-2009]

Geschillen omtrent de naleving van een in werking getreden waterakkoord als bedoeld in artikel 17, eerste lid, tussen de deelnemers worden beslist door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, voor zover zij niet behoren tot die, vermeld in artikel 112, eerste lid, van de Grondwet. Artikel 18a, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de Raad van State is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk VII. Toezichts- en opsporingsbevoegdheden [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 53 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, zijn belast de bij besluit van Onze Minister of van het bestuur van een openbaar lichaam aan welk enige taak bij de uitvoering van deze wet is opgedragen, aangewezen ambtenaren.

  • 3 Van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 54 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 55 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 56 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 57 [Vervallen per 01-01-1994]

Hoofdstuk VIII. Dwang- en strafbepalingen [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 58 [Vervallen per 22-12-2009]

Onze Minister is, voor zover het de hem bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden betreft, bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.

Artikel 59 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Handelen in strijd met het in artikel 24, eerste lid, omschreven verbod, een krachtens artikel 24, vierde lid, aan een vergunning verbonden voorschrift, dan wel een krachtens artikel 33a gestelde algemene regel, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de vierde categorie.

  • 2 Handelen in strijd met bij of krachtens artikel 12 vastgestelde verplichtingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie weken of een geldboete van de eerste categorie.

  • 3 De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen [Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 60 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Bepalingen in algemene maatregelen van bestuur en verordeningen van provincies, waterschappen, gemeenten en andere openbare lichamen ter zake van het afvoeren, aanvoeren, lozen of onttrekken van water, alsmede ter zake van het vaststellen van peilbesluiten blijven na de inwerkingtreding van deze wet van kracht, totdat daaromtrent op de wijze in deze wet bepaald voorzieningen zijn getroffen en zulks uiterlijk tot drie jaren na de dag van inwerkingtreding van deze bepaling.

  • 2 Een peilbesluit onderscheidenlijk een besluit ter zake van het afvoeren of aanvoeren van water, genomen vóór de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde voorzieningen, behoudt zijn geldigheid totdat het is vervangen door een waterakkoord of een peilbesluit op grond van deze wet, behoudens eerdere beëindiging van de werking ervan. Een vóór de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde voorzieningen genomen besluit ter zake van het afvoeren of aanvoeren van water, dat is tot stand gekomen op de wijze van de artikelen 18 tot en met 20 van deze wet, wordt beschouwd als een waterakkoord in de zin van deze wet.

  • 3 Een vergunning, vóór de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde voorzieningen verleend op grond van enige wettelijke bepaling ter zake van het afvoeren, aanvoeren, lozen of onttrekken van water, wordt, voor zover niet verleend aan een kwantiteitsbeheerder voor het afvoeren of aanvoeren van water, voor de toepassing van deze wet beschouwd als een vergunning verleend op grond van deze wet.

Artikel 61 [Vervallen per 22-12-2009]

Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van de landsverdediging worden bepaald dat de in artikel 12, eerste lid, gestelde verplichting en het in artikel 24, eerste lid, gestelde verbod niet van toepassing zijn. Daarbij kunnen voorschriften worden gegeven welke naar ons oordeel in het belang van de waterhuishouding nodig zijn.

Artikel 62 [Vervallen per 22-12-2009]

De bevoegdheid tot het maken van verordeningen door waterschappen en gemeenten blijft ten aanzien van het onderwerp van deze wet gehandhaafd voor zover deze verordeningen niet met het bij of krachtens deze wet bepaalde in strijd zijn.

Artikel 63 [Vervallen per 22-12-2009]

Bepalingen in verordeningen van provincies ter zake van de aanwijzing van registratie- of vergunningplichtige gevallen, vastgesteld op grond van de artikelen 13, eerste lid, 14 of 24, tweede of derde lid, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de Wet van 23 februari 2004, Stb. 191, blijven na de inwerkingtreding van die wet van kracht tot het tijdstip waarop met betrekking tot de in die verordeningen genoemde gevallen voorschriften van de kwantiteitsbeheerder als bedoeld in de artikelen 13, eerste lid, 24, eerste lid, of 33a, eerste lid, van kracht worden.

Artikel 64 [Vervallen per 22-12-2009]

Ten aanzien van de behandeling van beroep dat voor de datum van inwerkingtreding van de Wet van 23 februari 2004, Stb. 191 is ingesteld tegen een beschikking ter zake van een vergunning als bedoeld in artikel 24, of ter zake van de aanvraag daarvan, blijft het recht zoals dat gold voor die datum van toepassing.

Artikel 65 [Vervallen per 17-02-1999]

Artikel 66 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid vervalt zodra in de provincie een inspraakverordening van kracht is.

Artikel 67 [Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 De bepalingen van deze wet zoals die luiden tot het tijdstip van inwerkingtreding van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water blijven tot 22 december 2009 van toepassing op een voor dat tijdstip vastgestelde nota waterhuishouding en op een voor dat tijdstip vastgesteld plan als bedoeld in artikel 5, 7 of 9 van deze wet. Indien voor een zodanige nota of een zodanig plan de termijn, bedoeld in artikel 3, vierde lid, 5, vierde lid, of 7, vijfde lid, eindigt op een tijdstip, liggende tussen 21 december 2006 en 22 december 2009, kan die termijn worden verlengd tot 22 december 2009.

  • 2 Voor een waterhuishoudkundig systeem of onderdeel daarvan dat wordt gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water en van waaruit dagelijks meer dan 10 m3 water wordt onttrokken dan wel van waaruit water wordt ontrokken ten behoeve van meer dan 50 personen, wordt uiterlijk op 22 december 2004 een op dat gebruik betrekking hebbende functie vastgelegd in het desbetreffende plan als bedoeld in artikel 5, 7 of 9 van deze wet.

Artikel 68 [Vervallen per 17-02-1999]

Artikel 69 [Vervallen per 22-12-2009]

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de waterhuishouding.

Artikel 70 [Vervallen per 22-12-2009]

De artikelen van deze wet treden in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage , 14 juni 1989

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

N. Smit-Kroes

Uitgegeven de dertiende juli 1989

De Minister van Justitie

F. Korthals Altes