KruimelpadGeldend op 17-03-2010
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 oktober 1988 nr. TP/10 268, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;
Gelet op de artikelen 15, 21, 22, 23, 25, 41 en 48 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520);
De Raad van State gehoord (advies van 30 november 1988, no W09.88 0582);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 december 1988 nr. TP/10 393, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen;
b. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
c. [vervallen;]
d. een kabelinrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 23 van de wet;
e. registratie: een registratie als bedoeld in de artikelen 22a en 23a van de wet;
f. college: het college genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit.
De aanvraag tot verlening of wijziging van een machtiging voor een draadomroepinrichting bevat de volgende gegevens:
a. het aantal woningen of het gebied, waarop de aanvraag betrekking heeft;
b. gegevens waaruit blijkt dat de continuïteit van de exploitatie van de draadomroepinrichting voldoende wordt gewaarborgd.
1.Indien verschillende aanvragen tot verlening of wijziging van een machtiging voor een draadomroepinrichting worden ingediend, zal van de aanvragen die tenminste voldoen aan artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3, eerste lid, onder a , slechts de aanvraag die het eerste is ontvangen in behandeling worden genomen.
2.Indien de ingevolge het eerste lid in behandeling genomen aanvraag wordt geweigerd, wordt de aanvraag die eerstvolgend op die eerdere aanvraag was ontvangen in behandeling genomen.
1.Op een aanvraag bedoeld in artikel 2 wordt door het college beslist binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.
2.Indien niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn beslist kan worden, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en geeft daarbij een termijn aan die niet langer zal zijn dan zes maanden, waarbinnen een beslissing zal worden genomen.
3.Het verloop van de termijn bedoeld in het eerste lid wordt van rechtswege opgeschort met ingang van de dag waarop het college toepassing geeft aan artikel 4:7, eerste lid, dan wel artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht, tot de dag waarop de aanvrager, de machtiginghouder of de houder van de ontheffing zijn zienswijze naar voren heeft gebracht of waarop de krachtens artikel 4:7, eerste lid, dan wel artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn is verstreken.
1.De door Onze Minister ingevolge artikel 48, eerste lid, van de wet te geven aanwijzingen tot het voorkomen en opheffen van storingen en belemmeringen kunnen betreffen:
a. de verplichting voor de houder om de nodige voorzieningen te treffen aan de draadomroepinrichting of de kabelinrichting en
b. de verplichting om met onmiddellijke ingang het gebruik van de inrichting te staken.
Deze aanwijzingen kunnen in dringende gevallen door een toezichthouder mondeling worden gegeven, in welk geval zij binnen twee weken schriftelijk dienen te worden bevestigd.
2.Aan de in het eerste lid onder a bedoelde verplichting dient door de houder van de draadomroepinrichting of de kabelinrichting te worden voldaan binnen dertig dagen nadat de aanwijzing is gegeven.
1.Indien een krachtens artikel 15, eerste lid, gegeven aanwijzing tot het treffen van voorzieningen aan een inrichting niet binnen dertig dagen is opgevolgd, kan een toezichthouder deze voorzieningen, na voorafgaande waarschuwing, treffen of doen treffen.
2.De bij een krachtens artikel 15, eerste lid, gegeven aanwijzing opgelegde verplichting om het gebruik van een draadomroepinrichting of een kabelinrichting te staken wordt opgeheven, nadat een toezichthouder heeft vastgesteld, dat de in die aanwijzing bevolen voorzieningen zijn getroffen dan wel dat geen storing of belemmering meer wordt veroorzaakt.
Tot toepassing van de artikelen 21, zesde lid, onder a, 23, vijfde lid, onder a, en 48, vierde lid, van de wet wordt slechts overgegaan nadat de machtiginghouder aan een terzake gegeven schriftelijke waarschuwing geen gevolg heeft, gegeven. Voorzover het voor het gevolggeven aan de waarschuwing nodig is om aan de draadomroep- of de kabelinrichtingen voorzieningen te treffen, wordt in de waarschuwing daartoe een termijn gesteld van tenminste dertig dagen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Beatrix
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes