Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Schadecompensatieregeling inzake het verleggen van kabels en leidingen in Rijkswaterstaatswerken[Regeling vervallen per 04-03-2004.]

Geldend van 01-09-1988 t/m 03-03-2004

Schadecompensatieregeling inzake het verleggen van kabels en leidingen in Rijkswaterstaatswerken

De minister van Verkeer en Waterstaat,

Overwegende, dat de intrekking of opzegging of wijziging van een vanwege de minister verleende vergunning tot het hebben van werken (leidingen, buizen en kabels) op in, door, naast, onder of boven Rijkswaterstaatswerken kan meebrengen dat natuurlijke dan wel rechtspersonen een onevenredig financieel nadeel ondervinden;

dat het wenselijk is voor de betreffende vergunninghouders vast te leggen, in welke gevallen en onder welke voorwaarden een financiële compensatie kan worden verstrekt en dat het wenselijk is voor de vergunningshouders een regeling te creëren, opdat belanghebbenden vooraf weten op welke wijze en naar welke normen de omvang van de compensatie bepaald kan worden;

Stelt de volgende regeling vast:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen [Vervallen per 04-03-2004]

Artikel 1. Definities [Vervallen per 04-03-2004]

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. De minister:

de minister van Verkeer en Waterstaat.

b. Vergunning:

een vergunning als bedoeld in het Rijkswegenreglement (Besluit van 4 juli 1927, Stb. 240), het Rijksrivierdijkenreglement (Besluit van 28 juli 1937, Stb. 576), het Rijkszeeweringenreglement (Besluit van 22 december 1937, Stb. 579°) en het Algemeen reglement van politie voor rivieren en Rijkskanalen (Besluit van 24 november 1919, Stb. 765).

c. Waterstaatswerken:

werken als bedoeld in de Wet van 28 februari 1891, Stb. 69 tot vaststelling van bepalingen betreffende 's Rijks waterstaatswerken.

d. Belanghebbende:

een natuurlijke of een rechtspersoon, die krachtens een vergunning een werk (buis, leiding, kabel) op, in door, naast, onder of boven een (Rijks)waterstaatswerk heeft (vergunninghouder).

e. Schade:

onevenredig financieel nadeel dat de vergunninghouder (belanghebbende) lijdt ingevolge de intrekking, opzegging of wijziging van een vergunning.

Hoofdstuk II. Procedurebepalingen inzake de financiële compensatie [Vervallen per 04-03-2004]

Artikel 2. Indiening van een verzoek om financiële compensatie [Vervallen per 04-03-2004]

  • 1 Het hoofd van de directie als bedoeld in het Organiek Besluit Rijkswaterstaat (Besluit van 14 januari 1971, Stb. 42) zijnde het gezag dat de vergunning heeft verleend zal de belanghebbende ingeval van intrekking, opzegging of wijziging van de vergunning informeren in welke gevallen en onder welke voorwaarden een financiële compensatie kan worden verstrekt alsmede informeren over de door de belanghebbende te volgen procedure. De procedure begint met het indienen van een verzoek om een financiële compensatie door de belanghebbende.

  • 2 Een verzoek om een financiële compensatie wordt gericht aan de minister en ingediend bij het hoofd van de directie. Het verzoek om een financiële compensatie kan gedurende een periode van 3 maanden, te rekenen vanaf het moment dat het betreffende intrekkings-, opzeggings- of wijzigingsbesluit onherroepelijk is geworden, bij het hoofd van de directie worden ingediend.

  • 3 Een belanghebbende dient zijn verzoek om een financiële compensatie met redenen te omkleden.

Artikel 3. Fatale termijn [Vervallen per 04-03-2004]

Een verzoek om een financiële compensatie dat na verloop van de termijn als genoemd in artikel 2 tweede lid wordt ingediend, zal door de minister niet meer in behandeling worden genomen.

Artikel 4. Afwijzing van het verzoek [Vervallen per 04-03-2004]

  • 1 De minister kan het binnen twee maanden na de ontvangst afwijzen zonder toepassing te geven aan artikel 4 en volgende indien het verzoek kennelijk ongegrond is danwel indien artikel 3 van toepassing is.

  • 2 De in het voorgaande lid genoemde termijn kan door de minister eenmaal met ten hoogste twee maanden worden verlengd. De minister stelt de verzoeker hiervan schriftelijk in kennis.

  • 3 Afschrift van het besluit, als bedoeld in het eerste lid, wordt de verzoeker zo spoedig mogelijk bij aangetekende brief toegezonden, waarbij zijn aandacht wordt gevestigd op de bestaande administratieve rechtsgangen tegen het besluit.

Artikel 5. Instellen Adviescommissie [Vervallen per 04-03-2004]

  • 1 Indien geen toepassing is gegeven aan het gestelde in het eerste lid van artikel 4, geeft de minister aan een in te stellen Adviescommissie, gehoord hebbend de belanghebbende, onder toezending van het verzoekschrift opdracht ter zake advies uit te brengen.

  • 2 De in het voorgaande lid bedoelde opdracht geschiedt binnen een maand na het verstrijken van de – eventueel verlengde — termijn, zoals aangeduid in artikel 4, eerste lid.

Artikel 6. Samenstelling en taak Adviescommissie [Vervallen per 04-03-2004]

  • 1 De adviescommissie bestaat uit drie onafhankelijke deskundigen die door de minister worden benoemd.

  • 2 De commissie heeft tot taak:

    • a. te onderzoeken of en in hoeverre er een causaal verband bestaat tussen het besluit tot intrekking, opzegging of wijziging van de vergunning enerzijds en het gestelde nadeel anderzijds en bij gebleken causaal verband;

    • b. te adviseren over de hoogte van het bedrag der financiële compensatie met inachtneming van het hierover in deze regeling bepaalde.

  • 3 De leden van deze commissie zijn tot geheimhouding verplicht.

    De minister zal er voor zorgdragen dat voor de realisering van de onderhavige geheimhoudingsplicht de vereiste afspraken worden gemaakt.

  • 4 De in het vorige lid bedoelde geheimhoudingsplicht bestaat niet tegenover degenen die bevoegd zijn van de inhoud van het door de commissie uitgebracht advies kennis te nemen.

Artikel 7. Procedure Adviescommissie [Vervallen per 04-03-2004]

  • 1 De commissie bevestigt aan de belanghebbende de ontvangst van het verzoek om een financiële compensatie onder mededeling van de te volgen procedure, zoals hierna omschreven.

  • 2 De commissie stelt de belanghebbende of diens gemachtigde in de gelegenheid het verzoek toe te lichten. Van deze toelichting wordt een verslag opgemaakt. Dit verslag wordt aan de belanghebbende toegezonden.

  • 3 De commissie stelt binnen twee maanden na ontvangst van het ingediende verzoek om een financiële compensatie vast of er al dan niet sprake is van een causaal verband.

  • 4 Indien de commissie van oordeel is dat er geen sprake is van een causaal verband, zoals omschreven in artikel 6 tweede lid onder a maakt zij hieromtrent een concept-advies op en legt dit, binnen een maand na vaststelling van het ontbreken van een causaal verband, zowel aan de belanghebbende als aan de minister voor. Indien niet binnen deze termijn een concept-advies opgemaakt kan worden, deelt de commissie dit aan de belanghebbende mede en geeft daarbij tevens een termijn aan welke maximaal een maand zal bedragen, waarbinnen in ieder geval de advisering zal plaatsvinden.

  • 5 Indien de commissie van oordeel is dat er sprake is van een causaal verband zoals omschreven in artikel 6 tweede lid onder a stelt zij een advies op over de hoogte van het bedrag der financiële compensatie.

  • 6 Alvorens de commissie haar definitieve advies als bedoeld in het vijfde lid opstelt, maakt zij een concept-advies op. Dit concept-advies wordt binnen twee maanden na vaststelling van het causaal verband zoals omschreven in artikel 6 tweede lid onder a zowel aan de belanghebbende als aan de minister voorgelegd.

    Indien niet binnen deze termijn een concept-advies opgemaakt kan worden, deelt de commissie dit aan de belanghebbende mede en geeft daarbij tevens een termijn aan, welke maximaal een maand zal bedragen, waarbinnen in ieder geval de advisering zal plaatsvinden.

  • 7 De belanghebbende en de minister kunnen binnen een termijn van twee maanden na datum van verzending van het concept-advies als bedoeld in het zesde lid eventuele bezwaren ten aanzien van het gestelde in het concept-advies aan de commissie toesturen.

  • 8 Na het verstrijken van de in het zevende lid genoemde termijn stelt de commissie binnen een maand na kennis genomen te hebben van de ingekomen berichten van de belanghebbende en/of minister een definitief advies op en stelt dit in handen van de minister.

Artikel 8. De beslissing op het verzoek om een financiële compensatie [Vervallen per 04-03-2004]

  • 1 Binnen twee maanden na ontvangst van het advies van de commissie beslist de minister op het ingediende verzoek om een financiële compensatie.

  • 2 Indien niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn een besluit genomen kan worden, deelt de minister dit aan de belanghebbende mede en geeft daarbij tevens een termijn aan, welke maximaal twee maanden zal bedragen, waarbinnen in ieder geval het besluit zal worden genomen.

  • 3 De beslissing wordt schriftelijk aan de belanghebbende medegedeeld en bij een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een motivering voorzien.

Hoofdstuk III. Bepalingen inzake de financiële compensatie [Vervallen per 04-03-2004]

Artikel 9. De financiële compensatie [Vervallen per 04-03-2004]

Aan belanghebbenden die schade lijden, welke redelijkerwijs niet of geheel ten laste van hen behoort te blijven, wordt, indien voldaan is aan de in deze verordening gestelde voorwaarden, een naar billijkheid te bepalen financiële compensatie verstrekt, indien en voor zover de vergoeding niet anderszins is verzekerd.

Artikel 10. Gevallen waarin geen financiële compensatie wordt verleend [Vervallen per 04-03-2004]

Onverminderd het bepaalde in artikel 3 en 4 beslist de minister in ieder geval geheel of gedeeltelijk afwijzend op een verzoek om een financiële compensatie, indien en voor zover naar zijn oordeel:

  • a. het financieel nadeel is veroorzaakt door andere omstandigheden dan de intrekking, opzegging dan wel wijziging van de vergunning.

  • b. het financieel nadeel behoort tot het normaal maatschappelijk risico van belanghebbende.

  • c. Het financieel nadeel behoort tot het door de belanghebbende aanvaarde risico.

  • d. De belanghebbende geldelijke aanspraken heeft ontleend, heeft kunnen ontlenen, of nog kan ontlenen aan andere regelingen van welke aard dan ook die mede voorzien in de door deze regeling beoogde financiële compensatie.

  • e. De belanghebbende verwijtbaar lijdelijk de gevolgen van de intrekking, opzegging dan wel wijziging van de vergunning heeft afgewacht, terwijl door het treffen van bepaalde maatregelen de financieel nadelige gevolgen ervan hadden kunnen worden beperkt of voorkomen.

  • f. De tijdsduur tussen het tijdstip van het verlenen van de vergunning uit hoofde van het Rijksrivierdijkenreglement, het Rijkszeeweringenreglement dan wel het Algemeen reglement van politie voor rivieren en Rijkskanalen tot het in, op onder of over de dijken en wat daartoe behoort uitvoeren of behouden van werken en het tijdstip van het onherroepelijk worden van het besluit tot intrekking, opzegging dan wel wijziging van de vergunning meer bedraagt dan 20 (twintig) jaar.

  • g. De tijdsduur tussen het tijdstip van het verlenen van de vergunning uit hoofde van het Rijkswegenreglement tot het leggen en laten liggen van goten, riolen, duikers, buizen, leidingen en kabels en het tijdstip van het onherroepelijk worden van het besluit tot intrekking, opzegging, dan wel wijziging van de vergunning meer bedraagt dan 10 (tien) jaar.

  • h. De belanghebbende het verzoek om een financiële compensatie niet binnen de in artikel 2 genoemde termijn heeft ingediend bij het hoofd van de directie.

Artikel 11. Risicoverdeling [Vervallen per 04-03-2004]

In de door de minister te nemen beslissing omtrent het verzoek om een financiële compensatie zal de minister ten aanzien van de vraag naar de omvang van het normaal maatschappelijk risico, dan wel het door belanghebbende aanvaarde risico, in ieder geval de mogelijke aanwezigheid van de navolgende indicaties voor genoemd risico betrekken:

  • a. indien de belanghebbende, die een werk op of in een waterstaatswerk (dijken, Rijkswegen) aanbrengt weet, of althans behoort te weten, dat het waterstaats- c.q. veiligheidsbelang, tot bescherming waarvan het vereiste een vergunning is gesteld, te eniger tijd kan vorderen, dat het werk verwijderd wordt, aanvaardt de belanghebbende daarmee in beginsel geheel of gedeeltelijk het risico, dat de bij hem in beheer zijnde werken te eniger tijd verwijderd dienen te worden;

  • b. indien de belanghebbende de betreffende werken krachtens een vergunning op of in waterstaatswerk (dijken, Rijkswegen) heeft aangebracht op zodanig tijdstip, dat de belanghebbende had kunnen voorzien, dan wel had behoren te voorzien, dat de waterstaatswerken in de nabije toekomst opgehoogd, verbreed dan wel anderszins gewijzigd zouden moeten worden, is dat een omstandigheid, die in beginsel het door belanghebbende aanvaarde risico verhoogt. Het voorgaande geldt in het bijzonder indien het hoofd van de directie de belanghebbende in kennis heeft gesteld van deze omstandigheid, of indien ten tijde van het aanbrengen van het werk de belanghebbende redelijkerwijze op de hoogte kon zijn van de overheidsmaatregelen en de daarmee samenhangende plannen dienaangaande;

  • c. indien de belanghebbende het betreffende werk in of op een waterstaatswerk heeft aangebracht, zonder dat de door belanghebbende aan te tonen noodzaak bestond om het betreffende werk juist in of op de betreffende waterkering en niet elders aan te brengen, aanvaardt de belanghebbende daarmee een extra risico. Dit geldt in het bijzonder, indien de belanghebbende, ten einde kosten te besparen, ervan heeft afgezien de betreffende werken elders aan te brengen.

Artikel 12. De hoogte van de financiële compensatie [Vervallen per 04-03-2004]

  • 1 De financiële compensatie wordt, rekening houdend met het bepaalde in de artikelen 10 en 11, bepaald door het schadebedrag, dat is opgebouwd uit de bestaande restantboekwaarde van de te vervangen werken vermeerderd met de contante waarde (over de resterende periode van de liggingsduur van de te vervangen werken) van het verschil tussen de annuïteit van de oorspronkelijke (historische) en de nieuwe investering, te vermenigvuldigen met de factor

    (D - X)

    1

     
     

    D

     

    waarbij:

    D =

    de te verwachten ongestoorde liggingsduur, welke voor wat betreft werken die liggen op vergunning uit hoofde van het Rijksrivierdijkenreglement/ Rijkszeeweringenreglement/ Algemeen reglement van politie voor rivieren en Rijkskanalen is vastgesteld op 20 (twintig) jaar en voor wat betreft werken die liggen op vergunning uit hoofde van het Rijkswegenreglement is vastgesteld op 10 (tien) jaar.

    X =

    de reeds verstreken liggingsduur vanaf het tijdstip van het verlenen van de vergunning.

  • 2 Het contant maken geschiedt tegen de marktrente van langlopende leningen, op het tijdstip van het onherroepelijk worden van het betreffende intrekkings-, opzeggings- of wijzigingsbesluit: over de periode strekkend van het jaar van de vervroegde vervanging tot het einde van de te verwachten ongestoorde liggingsduur zoals omschreven in het eerste lid.

  • 3 Voor de berekening van de annuïteiten wordt ten aanzien van zowel de nieuwe als de bestaande (oude) annuïteit het percentqage van de op dat tijdstip geldende wettelijke rente gehanteerd en de periode van de te verwachten ongestoorde liggingsduur als bedoeld in artikel 10.

  • 4 Het berekenen van de annuïteit geschiedt op basis van de factor die aangeeft, welk gelijkblijvend bedrag aan interest en aflossing te zamen aan het einde van elk jaar moet worden voldaan om in n-jaar een schuld af te lossen.

  • 5 Het contant maken geschiedt op basis van de factor die geldt voor het contant maken van n-periodes gelijkblijvende termijnen.

Artikel 13. Voorschot hangende een verzoek om een financiële compensatie [Vervallen per 04-03-2004]

  • 1 De minister kan, gehoord de adviescommissie, op verzoek van de belanghebbende, die naar redelijkerwijs te verwachten valt in aanmerking komt voor een financiële compensatie, daarop een voorschot verstrekken. De belanghebbende kan zijn verzoek om een voorschot indienen bij het hoofd van de directie.

  • 2 Met het verstrekken van het voorschot wordt geen recht op een financiële compensatie van het nadeel erkend.

  • 3 Het voorschot wordt alleen verleend indien de belanghebbende schriftelijk de verplichting aanvaardt tot zijnerzijds gehele of gedeeltelijke terugbetaling, wanneer op grond van latere definitieve gegevens blijkt dat het voorschot geheel of gedeeltelijk ten onrechte is verstrekt.

Artikel 14. Hardheidsclausule [Vervallen per 04-03-2004]

Indien een strikte toepassing van deze compensatieregeling zou leiden tot een beslissing die onmiskenbaar als onredelijk moet worden aangemerkt kan de minister van het gestelde in deze regeling afwijken.

Artikel 15 [Vervallen per 04-03-2004]

Deze regeling kan worden aangehaald als schadecompensatieregeling inzake het verleggen van kabels en leidingen in Rijkswaterstaatswerken.

's-Gravenhage, 15 juli 1988

De

minister

van Verkeer en Waterstaat,

N. Smit-Kroes