Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling vrijwillige pleegzorg[Regeling vervallen per 28-08-2004.]

Geldend van 01-01-1989 t/m 27-08-2004

Subsidieregeling vrijwillige pleegzorg

De minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

Besluit:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 1 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

    de minister:

    de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;

    jeugdige:

    een persoon die:

    • 1. de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt;

    • 2. de meerderjarigheidsleeftijd, doch nog niet de leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt en voor wie voortzetting van uithuisplaatsing noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van een uithuisplaatsing minder dan een half jaar tevoren, plaatsing bij een pleegouder noodzakelijk is;

    jeugdhulpverlening:

    activiteiten gericht op het bij jeugdigen voorkomen, verminderen of opheffen van problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig beïnvloeden;

    uithuisplaatsing:

    het voor het bieden van jeughulpverlening plaatsen van een jeugdige bij een pleegouder of in een voorziening van residentiële hulpverlening;

    pleegouder:

    een natuurlijk persoon die een jeugdige, niet zijnde zijn kind of stiefkind in zijn gezin opvoedt en verzorgt;

    de erkenningsregeling:

    de Erkenningsregeling vrijwillige plaatsingen jeugdhulpverlening (Stcrt. 1987, 140);

    erkende ambulante instelling:

    een ambulante instelling die is erkend op grond van de erkenningsregeling;

    regio:

    de regio, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Tijdelijke stimuleringsregeling samenwerkingsverbanden jeugdhulpverlening (Stcrt. 1987, 28).

  • 2 Dit besluit is niet van toepassing indien het de verzorging en opvoeding betreft van een jeugdige,

    • a. die op grond van artikel 254 van boek I van het Burgerlijk Wetboek onder toezicht is gesteld;

    • b. wier ouders of voogd ontzet of ontheven zijn uit de ouderlijke macht of de voogdij indien de voogdij is opgedragen aan een voogdij-instelling;

    • c. die voorlopig is toevertrouwd aan een raad voor de kinderbescherming.

Artikel 2 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Aan een in Nederland woonachtige pleegouder die de leeftijd van 21 jaren heeft bereikt, kan subsidie worden verstrekt in de kosten van opvoeding en verzorging van een jeugdige indien:

    • a. de opvoeding en verzorging geschiedt gedurende het gehele etmaal en gedurende tenminste vijf opeenvolgende dagen per week;

    • b. een bevoegde ambulante instelling met betrekking tot de jeugdige in de periode van twee maanden voorafgaande aan de plaatsing een indicatie tot plaatsing bij een pleegouder heeft gesteld;

    • c. aan niet meer dan drie jeugdigen jeugdhulpverlening wordt geboden, tenzij de erkende ambulante instelling heeft vastgesteld dat meer dan drie pleegkinderen door de pleegouder kunnen worden verzorgd en opgevoed;

    • d. ook overigens wordt voldaan aan het in dit besluit bepaalde.

  • 2 Aan een pleegouder wordt geen subsidie verstrekt in de kosten van opvoeding en verzorging van een jeugdige indien:

    • a. het een minderjarige betreft wiens wettelijke vertegenwoordiger schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de hulpverlening;

    • b. de pleegouder degene is die door de plaatsende instantie, bedoeld in het eerste lid, onder b, is belast met de begeleiding.

  • 3 Indien het de opvoeding en verzorging betreft van een jeugdige die door een raad voor de kinderbescherming ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een maatregel tot beperking of ontneming van de ouderlijke macht of van de voogdij bij een pleegouder is geplaatst, wordt het subsidie gedurende ten hoogste drie maanden verstrekt.

Artikel 3 [Vervallen per 28-08-2004]

Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover de wetgever de nodige gelden heeft toegestaan.

Artikel 4 [Vervallen per 28-08-2004]

Op een subsidie-aanvrage wordt in ieder geval afwijzend beslist indien:

  • a. door de plaatsing van de jeugdige de capaciteit wordt overschreden die is toegekend aan de erkende ambulante instelling die de indicatie heeft gesteld;

  • b. de (stief)ouder(s) van de jeugdige die op grond van het Bijdragebesluit jeugdhulpverlening bijdrageplichtig zijn, zich niet hebben verbonden tot het betalen van een met toepassing van dat besluit berekende bijdrage, tenzij ontheffing is verleend van de voorwaarde een ondertekend ouderbijdrageformulier in te zenden, met dien verstande dat in een zodanig geval aan de pleegouder subsidie wordt verstrekt tot de tweede werkdag na de dag waarop de beslissing op de aanvrage is verzonden.

Artikel 5 [Vervallen per 28-08-2004]

Het subsidie wordt in ieder geval beëindigd, indien:

  • a. de termijn van (her)plaatsing, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de erkenningsregeling, is verstreken, tenzij de erkende ambulante instelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, een indicatie heeft gesteld tot herplaatsing van de jeugdige bij de desbetreffende pleegouder;

  • b. de erkende ambulante instelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, aan de pleegouder heeft medegedeeld dat voortzetting van de hulpverlening bij de desbetreffende pleegouder niet langer aangewezen is;

  • c. de (stief)ouders van de jeugdige die op grond van het Bijdragebesluit jeugdhulpverlening bijdrageplichtig zijn, zich na afloop van de periode waarvoor ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 4, onder b, niet hebben verbonden tot het betalen van de met toepassing van dat besluit berekende bijdrage.

Hoofdstuk II. Grondslag voor de vaststelling van het subsidie [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 6 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Het subsidie bestaat uit een pleegvergoeding voor de kosten van opvoeding en verzorging van de jeugdige, die wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage 1, eventueel vermeerderd met een toeslag als bedoeld in het derde lid en een vergoeding als bedoeld in het vierde lid.

  • 2 De pleegvergoeding wordt verstrekt voor elke maand of dag waarover de pleegsituatie zich uitstrekt. De dag van aankomst wordt daarbij wel en de dag van vertrek wordt daarbij niet meegerekend.

  • 3 De minister kan aan een pleegouder voor een daarbij aan te geven periode een toeslag van ten hoogste f5 per dag verlenen in de door de pleegouder ten behoeve van de jeugdige, noodzakelijk gemaakte kosten, waarvan wordt aangetoond dat zij niet uit de pleegvergoeding kunnen worden voldaan en waarvoor geen uitkering op grond van een andere regeling kan worden verstrekt, indien:

    • a. de indicatie tot plaatsing als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de erkenningsregeling een termijn bevat van ten hoogste zes weken of die termijn daarna met ten hoogste 6 weken is verlengd en het een pleegouder betreft die geacht wordt regelmatig gedurende een korte periode als pleegouder op te treden;

    • b. het een pleegouder betreft door wie aan drie of meer jeugdigen jeugdhulpverlening wordt geboden;

    • c. de jeugdige een geestelijke of lichamelijke handicap heeft die noodzaakt tot het maken van kosten.

  • 4 Tenzij de jeugdige (mede)verzekerd kan zijn op grond van de Ziekenfondswet of terzake van de ziektekosten verzekerd is door zijn wettelijke vertegenwoordiger(s), wordt aan een pleegouder naast de pleegvergoeding de betaalde premie voor een ziektekostenverzekering ten behoeve van de jeugdige vergoed tot ten hoogste f 100 per maand, dan wel indien geen ziektekostenverzekering kan worden gesloten, een vergoeding voor ten behoeve van de jeugdige gemaakte ziektekosten verleend, voorzover de minister zich daartoe heeft verbonden. Het bepaalde met betrekking tot de premie voor een ziektekostenverzekering geldt niet voor jeugdigen van 18 jaar en ouder die een uitkering ontvangen ingevolge de Wet studiefinanciering.

Hoofdstuk III. III Subsidievoorschriften [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 7 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De pleegouder laat zich bij de uitvoering van zijn taak begeleiden door de erkende ambulante instelling die de indicatie heeft gesteld dan wel door de erkende ambulante instelling aan welke de begeleiding op grond van artikel 11 van de erkenningsregeling is overgedragen.

  • 2 De pleegouder werkt mee aan de totstandkoming van een schriftelijk pleegcontract tussen hemzelf, de erkende ambulante instelling, bedoeld in het eerste lid, en zo mogelijk de (stief) ouders, de voogd of andere verzorgers.

  • 3 De pleegouder stelt de ambulante instelling, bedoeld in het eerste lid, onverwijld op de hoogte van elke verandering van de verblijfplaats van de jeugdige die langer dan één week duurt en stelt de instelling ook overigens op de hoogte van alle belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot de jeugdige.

Artikel 8 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Subsidie in de vorm van een pleegvergoeding wordt door de pleegouder aangevraagd door toezending aan de minister door de erkende ambulante instelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van daartoe door de minister beschikbaar gestelde en volledig ingevulde formulieren.

  • 2 Een aanvrage van een pleegouder die betrekking heeft op een toeslag als bedoeld in artikel 6, derde lid of een vergoeding als bedoeld in artikel 6, vierde lid, geschiedt door toezending aan de minister door de erkende ambulante instelling van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld en volledig ingevuld formulier.

Artikel 9 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De minister beslist op een subsidieaanvrage binnen een maand nadat de aanvrage aan de minister is gezonden.

  • 2 Het subsidie gaat in op de dag waarop de jeugdige bij de pleegouder wordt geplaatst, doch niet vóór de datum van de zesde werkdag voorafgaand aan de dag waarop de subsidieaanvrage aan de minister is gezonden.

Artikel 10 [Vervallen per 28-08-2004]

De pleegouder zendt aan het begin van elke maand aan de minister een daartoe door deze beschikbaar gesteld en volledig ingevuld formulier over de voorafgaande maand en doet onverwijld aan de minister mededeling van wijzigingen in de situatie die van belang zijn voor de vaststelling van het subsidie.

Artikel 11 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Op het subsidie wordt aan het begin van elke maand voor die maand een voorschot verstrekt op basis van de gegevens vermeld op het in artikel 10 bedoelde formulier, ingediend in de daaraan voorafgaande maand en op basis van de wijzigingen, bedoeld in artikel 10.

  • 2 Afrekening van het subsidie vindt plaats na afloop van elk kalenderjaar of zoveel eerder als het subsidie wordt beëindigd.

Artikel 12 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Indien blijkt dat het subsidie ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens is vastgesteld op een bedrag dat hoger is dan wanneer het zou zijn vastgesteld op grond van juiste en volledige gegevens wordt het subsidie opnieuw vastgesteld.

  • 2 De pleegouder stort eventueel ontvangen voorschotten of subsidie terstond terug, tenzij verrekening op andere wijze geschiedt.

Artikel 13 [Vervallen per 28-08-2004]

Een pleegouder werkt mee aan onderzoeken ten behoeve van het beleid op het terrein van de pleegzorg welke worden verricht door of in opdracht van de minister.

Hoofdstuk IV. Slotbepalingen [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 14 [Vervallen per 28-08-2004]

Alle stukken en correspondentie betreffende de uitvoering van dit besluit worden aan de minister gezonden door toezending aan een door de minister bekend te maken adres.

Artikel 15 [Vervallen per 28-08-2004]

Een pleegouder verschaft de betrokken erkende ambulante instelling, de Inspectie jeugdhulpverlening en andere door de minister aan te wijzen ambtenaren alle inlichtingen die noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van hun taak. Pleegouders verlenen ook anderszins aan de Inspectie Jeugdhulpverlening en de bedoelde ambtenaren medewerking teneinde hen in staat te stellen op de naleving van dit besluit toe te zien.

Artikel 16 [Vervallen per 28-08-2004]

De minister kan van dit besluit afwijken indien daar dringende redenen voor zijn en stringente toepassing van dit besluit naar zijn oordeel tot kennelijke onbillijkheden zou leiden.

Artikel 17 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De Subsidieregeling vrijwillige pleegzorg (Stcrt. 1984, 138) en artikel II van het besluit van de minister van 22 december 1987 (Stcrt. 1987, 252) tot wijziging van de Regeling begeleiding vrijwillige pleegzorg worden ingetrokken.

  • 2 Aan een pleegouder die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit op grond van de in het eerste lid genoemde regeling subsidie ontving in de kosten van opvoeding en verzorging van een jeugdige die bij hem werd geplaatst door een andere dan een erkende ambulante instelling, wordt ten behoeve van die jeugdige tot uiterlijk 1 oktober 1988 subsidie verstrekt op grond van artikel 6. Gedurende die periode kan de begeleiding, in afwijking van artikel 7, eerste lid, worden voortgezet door de ambulante instelling die de jeugdige heeft geplaatst.

Artikel 18 [Vervallen per 28-08-2004]

[Red: Wijzigt de erkenningsregeling.]

Artikel 19 [Vervallen per 28-08-2004]

[Red: Wijzigt het besluit van de minister van 22 december 1987 (Stcrt. 1987, 252) tot wijziging van de Regeling begeleiding vrijwillige pleegzorg.]

Artikel 20 [Vervallen per 28-08-2004]

Dit besluit, dat kan worden aangehaald als Subsidieregeling vrijwillige pleegzorg, treedt in werking met ingang van 15 juli 1988. Bekendmaking geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. Afschrift wordt gezonden aan de Algemene Rekenkamer.

Rijswijk, 4 juli 1988

De

Minister

van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

L. C. Brinkman

Bijlage [Vervallen per 28-08-2004]

1 [Vervallen per 28-08-2004]

Voor de verschillende leeftijdscategorieën bedraagt de pleegvergoeding:

Leeftijdscategorie Pleegkind Maximale vergoeding per maand/dag

0 t/m 8 jaar

f 468/f 15,40

9 t/m 11 jaar

f 531/f 17,45

12 t/m 15 jaar

f 624/f 20,50

16 t/m 17 jaar

f 738/f 24,25

18 t/m 20 jaar

f 765/f 25,15

2 [Vervallen per 28-08-2004]

Op het subsidie worden in mindering gebracht de volgende bedragen die door de jeugdige worden ontvangen dan wel waarop deze recht kan doen gelden:

  • a. 2/3 van de inkomsten uit arbeid of van een uitkering op grond van de Ziektewet, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Nieuwe Werkloosheidswet en in geval van een schoolgaande gebruiker slechts voor zover het inkomen uit arbeid het bedrag van f 1 400 op jaarbasis te boven gaat;

  • b. voor studerende jeugdigen van 18 jaar en ouder, de ingevolge de Wet studiefinanciering ontvangen uitkering, na aftrek van dat deel van de uitkering dat volgens de normen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen bedoeld is voor boeken, leermiddelen of onderwijsbijdrage, welk bedrag per opleiding kan verschillen en, tenzij de jeugdige (mede)verzekerd kan zijn op grond van de Ziekenfondswet of ter zake van de ziektekosten verzekerd is door zijn wettelijke vertegenwoordiger(s), na aftrek van de voor een ten behoeve van de jeugdige gesloten verzekering tegen ziektekosten te betalen premie tot ten hoogste f 100 per maand;

  • c. in andere gevallen dan bedoeld onder a en b, alle inkomsten.

3 [Vervallen per 28-08-2004]

Op het subsidie worden bovendien in mindering gebracht:

  • -

    de bedragen die de pleegouder heeft ontvangen dan wel waarop hij recht kan doen gelden terzake van de opvoeding en verzorging van de jeugdige;

  • -

    door de pleegouder(s) (ten behoeve van opvoeding en verzorging) ontvangen kinderalimentatie of kinderbijslag.