Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

BTW-positie ondernemersorganisatie[Regeling vervallen per 07-12-2006 met terugwerkende kracht tot 27-11-2006.]

Geldend van 04-02-1988 t/m 27-11-2006

BTW-positie ondernemersorganisatie

De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

1. Met de aanschrijving van 16 oktober 1986, nr. 086-2856 (BTW-179), is aan de in artikel 11, eerste lid, onderdeel t, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de wet) opgenomen vrijstelling voor werkgeversorganisaties nader vorm en inhoud gegeven. Daarbij is voor ondernemersorganisaties, zijnde organisaties die zich bezighouden met de behartiging van de belangen van hun leden-ondernemers als zodanig, het keuzerecht om in de heffing van omzetbelasting te worden betrokken, met ingang van 1 januari 1987 komen te vervallen. Dit betekent, dat deze organisaties thans in beginsel belast zijn voor die prestaties die niet vallen onder de reikwijdte van vorengenoemde aanschrijving. Dit heeft met name nadelige gevolgen voor ondernemersorganisaties met leden-ondernemers die vrijgestelde prestaties verrichten, aangezien deze leden geen recht hebben op aftrek van voorbelasting.

2. Inmiddels hebben mij van de zijde van de hiervoren bedoelde ondernemersorganisaties verzoeken bereikt om toepassing van de vrijstelling voor zogenoemde samenwerkingsverbanden die is opgenomen in artikel 11, eerste lid, onderdeel u, van de wet.

Gelet op de strekking van de overeenkomstige vrijstellingsbepaling in de zesde richtlijn van de EEG (77/388/EEG, Pb. EG L 145 van 13 juni 1977, artikel 13, A, lid 1, sub f) zie ik geen aanleiding het toepassingsgebied van de vrijstelling voor samenwerkingsverbanden te beperken tot de thans in artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 aangewezen categorieën. Ten einde de vrijstelling te effectueren is evenwel een aanwijzing door de Kroon vereist. Inmiddels is een nieuwe opzet van het vrijstellingsregime in voorbereiding, onder meer om te voorkomen dat steeds nieuwe categorieën samenwerkingsverbanden zullen moeten worden aangewezen. Vooruitlopend op die nieuwe regeling ontmoet het bij mij geen bezwaar dat de diensten van de onderhavige organisaties aan de daarin samenwerkende ondernemers (die op zichzelf ook weer een samenwerkingsverband kunnen vormen) buiten de heffing blijven aangezien deze diensten, voor zover mij bekend, voldoen aan de ten aanzien daarvan gestelde voorwaarden in artikel 11, eerste lid, onderdeel u, van de wet. Uiteraard bestaat ter zake van de aldus vrijgestelde diensten geen recht op aftrek van voorbelasting.

3. In verband met de voorwaarde dat de vrijstelling voor samenwerkingsverbanden niet mag leiden tot een ernstige verstoring van concurrentieverhoudingen, kan de vrijstelling geen toepassing vinden voor zover de door de ondernemersorganisaties aan de daarin samenwerkende ondernemers verrichte diensten bestaan in:

  • het ter beschikking stellen van personeel;

  • het, al dan niet op geautomatiseerde wijze, verzorgen van de loon- en salarisadministratie, de financiële administratie en de grootboekadministratie.

4. De vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel u, van de wet geldt alleen voor samenwerkingsverbanden van vrijgestelde ondernemers en niet-ondernemers. Het ontmoet bij mij echter geen bezwaar dat het hiervoren gestelde ook geldt ten aanzien van ondernemersorganisaties waarin naast vrijgestelde ondernemers tevens ondernemers samenwerken die belaste prestaties verrichten, voor zover het de diensten aan de eerstbedoelde ondernemers betreft.

Evenmin heb ik bezwaar ertegen dat het vorenstaande toepassing vindt op ondernemersorganisaties waarin ondernemers samenwerken op wie de landbouwregeling van artikel 27 van de wet van toepassing is, voor zover het de diensten aan deze ondernemers betreft. Ik wijs in dit verband evenwel nogmaals erop, dat deze aanschrijving slechts geldt voor die organisaties waarvoor tot 1 januari 1987 het keuzerecht bestond om in de heffing van omzetbelasting te worden betrokken. Derhalve is zij niet van toepassing op bij voorbeeld werktuigencoöperaties en bedrijfsverzorgingsdiensten.

5. Met het vorenstaande kan vanaf heden rekening worden gehouden. Voor ondernemersorganisaties die op grond van punt 4 een splitsing moeten gaan aanbrengen in hun ledenbestand, kan met het vorenstaande evenwel rekening worden gehouden met ingang van het eerste na 30 april 1988 gelegen contributiejaar.

Op het verleden dient niet te worden teruggekomen.