KruimelpadGeldend op 29-05-2009
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de taak en de bestuursstructuur van de Nederlandse organisatie voor zuiver-wetenschappelijk onderzoek te wijzigen;
dat het in verband daarmede noodzakelijk is de regeling van deze organisatie, vervat in de Wet op het Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (Stb. 1950, K5), te herzien;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
b. organisatie: de organisatie, genoemd in artikel 2, eerste lid;
c. reglement: het reglement, bedoeld in artikel 16.
1.De organisatie heeft tot taak het bevorderen van de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek alsmede het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek.
2.De organisatie voert haar taak uit in het bijzonder door het toewijzen van middelen.
3.De organisatie bevordert de overdracht van kennis van de resultaten van door haar geïnitieerd en gestimuleerd onderzoek ten behoeve van de maatschappij.
4.De organisatie richt zich bij het uitvoeren van haar taak in hoofdzaak op het universitaire onderzoek. Daarbij let zij op het aspect van coördinatie en bevordert deze waar nodig.
1.Het algemeen bestuur bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zes overige leden. Het aantal leden wordt bij koninklijk besluit bepaald.
2.De voorzitter en de overige leden van het algemeen bestuur worden benoemd bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister, het algemeen bestuur gehoord. De benoeming geschiedt voor een termijn van vijf jaren. De leden kunnen éénmaal opnieuw worden benoemd.
3.Onze Minister stelt de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de universiteiten, genoemd in de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, gezamenlijk, in de gelegenheid van hun gevoelens te doen blijken over de voordrachten, bedoeld in het tweede lid.
4.De voorzitter en de overige leden van het algemeen bestuur kunnen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister, het algemeen bestuur gehoord, om zwaarwichtige redenen worden geschorst en tussentijds ontslagen.
5.Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met dat van een gebiedsbestuur. Een lid van het personeel kan niet worden benoemd tot lid van het algemeen bestuur.
1.Het algemeen bestuur wordt bijgestaan door een algemeen directeur.
2.Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat de algemeen directeur.
3.De algemeen directeur is belast met de leiding van het bureau van de organisatie.
4.Het algemeen bestuur stelt de taakomschrijving van de algemeen directeur vast, de gebiedsbesturen gehoord.
1.Bij reglement wordt vastgesteld voor welke wetenschapsgebieden er gebiedsbesturen zijn.
2.Een gebiedsbestuur is, met inachtneming van door het algemeen bestuur te geven richtlijnen, het instellingsplan, bedoeld in artikel 18, eerste lid, en de door Onze Minister goedgekeurde begroting, belast met het toewijzen van middelen ten behoeve van onderzoeksprojecten en onderzoekprogramma's.
3.Een gebiedsbestuur adviseert het algemeen bestuur desgevraagd of uit eigen beweging.
4.Bij reglement wordt bepaald welke de verdere bevoegdheden van de onderscheiden gebiedsbesturen zijn.
5.Een gebiedsbestuur is verantwoording verschuldigd aan het algemeen bestuur. Het verstrekt aan het algemeen bestuur de gevraagde inlichtingen.
1.Een gebiedsbestuur bestaat uit een voorzitter en ten hoogste acht overige leden. Het aantal leden wordt door het algemeen bestuur bepaald.
2.De voorzitter en de overige leden van een gebiedsbestuur worden benoemd door het algemeen bestuur, op voordracht van het zittende gebiedsbestuur. De benoeming geschiedt voor een termijn van drie jaren. De leden kunnen tweemaal opnieuw worden benoemd.
3.De voorzitter en de overige leden van een gebiedsbestuur kunnen door het algemeen bestuur, het desbetreffende gebiedsbestuur gehoord, worden geschorst en tussentijds ontslagen.
4.Het lidmaatschap van een gebiedsbestuur is onverenigbaar met dat van het algemeen bestuur of van enig ander gebiedsbestuur. Een lid van het personeel kan niet worden benoemd tot lid van een gebiedsbestuur.
Voor zover bij algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald, is op het personeel van de organisatie het bij of krachtens artikel 4.5. van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bepaalde van overeenkomstige toepassing.
1.Het reglement wordt vastgesteld door het algemeen bestuur.
2.Het reglement of een wijziging daarvan behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
3.De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of op de grond dat het reglement naar het oordeel van Onze Minister een goede taakuitoefening door de organisatie kan belemmeren.
1.Onze Minister stelt het wetenschapsbudget vast. Het wetenschapsbudget heeft betrekking op een tijdvak van ten minste vier jaren.
2.Onze Minister agendeert, in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers, in het wetenschapsbudget beleidsonderwerpen op het terrein van het fundamenteel en toegepast onderzoek.
1.Het wetenschapsbudget wordt vastgesteld uiterlijk vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige wetenschapsbudget. Na overleg met de beide Kamers der Staten-Generaal kan het wetenschapsbudget uiterlijk zes maanden na het tijdstip, bedoeld in de eerste volzin, worden vastgesteld.
2.Onze Minister biedt uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het tijdstip waarop het wetenschapsbudget moet zijn vastgesteld, een ontwerp daarvan aan de beide Kamers der Staten-Generaal aan.
3.Over de wijze waarop het vastgestelde wetenschapsbudget wordt openbaar gemaakt, doet Onze Minister mededeling in de Staatscourant.
1.Het algemeen bestuur stelt, rekening houdend met voorstellen van de gebiedsbesturen, een instellingsplan vast uiterlijk vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige plan. Het algemeen bestuur zendt het plan na vaststelling onverwijld aan Onze Minister.
2.In het instellingsplan wordt tevens rekening gehouden met het wetenschapsbudget, bedoeld in artikel 16a, de instellingsplannen van universiteiten, verkenningen, rapporten, adviezen en aanbevelingen, een en ander voorzover die naar het oordeel van het algemeen bestuur van belang zijn voor de uitvoering van de taken van de organisatie.
3.Het instellingsplan omvat in elk geval:
a. doelstellingen van de organisatie op middellange termijn;
b. hoofdlijnen van het te voeren beleid en de daarin te stellen prioriteiten;
c. financiële, personele, materiële en organisatorische voorwaarden die moeten worden vervuld.
4.Onze Minister brengt zijn standpunt over het instellingsplan binnen zes maanden na ontvangst van het plan ter kennis van het algemeen bestuur. Onze Minister doet daarvan en van het instellingsplan afschrift toekomen aan de beide Kamers van de Staten-Generaal.
5.Onze Minister kan zijn standpunt over het instellingsplan gedurende de looptijd daarvan wijzigen, indien de vaststelling van een nieuw wetenschapsbudget daartoe aanleiding geeft. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
1.De inkomsten van de organisatie bestaan uit:
a. de bijdrage uit ’s Rijks kas;
b. inkomsten, die samenhangen met voorzieningen waarvoor de rijksbijdrage is verleend;
c. andere inkomsten.
2.De rijksbijdrage wordt vastgesteld of nader vastgesteld door de vaststelling of nadere vaststelling bij wet van het hoofdstuk van de rijksbegroting waarop zij is voorgesteld. De rijksbijdrage wordt betaald in zodanige termijnen en tot zodanige bedragen als voor het doen van de betalingen door de organisatie nodig is.
3.Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop een voorschot betaald overeenkomstig door Onze Minister te stellen regelen.
4.Bij vaststelling van de rijksbijdrage blijven inkomsten als bedoeld in het eerste lid onder c, buiten beschouwing.
5.Onze Minister stelt regels met betrekking tot de bestemming van saldi die voortvloeien uit de inkomsten, bedoeld in het eerste lid onder a en b.
1.Het algemeen bestuur zendt jaarlijks voor 1 november aan Onze Minister de begroting voor het daaropvolgende jaar.
2.De begroting behelst een raming van de baten en lasten van de organisatie, een raming van de voorgenomen investeringsuitgaven en een raming van de inkomsten en uitgaven. In de begroting is een allocatie van middelen opgenomen die in overeenstemming is met het instellingsplan, bedoeld in artikel 18. In de begroting wordt rekening gehouden met de voorstellen van de gebiedsbesturen.
3.De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een toelichting voorzien. Uit de toelichting blijkt steeds welke begrotingsposten betrekking hebben op de uitoefening van de bij of krachtens de wet aan de organisatie opgedragen taken dan wel op andere activiteiten.
4.Tenzij de activiteiten waarop de begroting betrekking heeft nog niet eerder werden verricht, behelst de begroting een vergelijking met de begroting van het lopende jaar en de laatst goedgekeurde jaarrekening, bedoeld in artikel 25.
1.Het besluit tot vaststelling van de begroting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
2.De goedkeuring wordt verleend of onthouden aan de vastgestelde begroting in haar geheel. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
3.Indien Onze Minister binnen twee maanden na ontvangst geen toepassing heeft gegeven aan het eerste lid, wordt het besluit tot vaststelling van de begroting geacht te zijn goedgekeurd.
Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en lasten dan wel inkomsten en uitgaven, doet het algemeen bestuur daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.
1.Gelijktijdig met het jaarverslag dient het algemeen bestuur de jaarrekening bij Onze Minister in.
2.Het besluit tot vaststelling van de jaarrekening behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
3.De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang dan wel op de grond dat de jaarrekening naar het oordeel van Onze Minister niet of niet voldoende in overeenstemming is met het instellingsplan. Artikel 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
4.Indien Onze Minister binnen één jaar na ontvangst geen toepassing heeft gegeven aan het tweede lid, wordt het besluit tot vaststelling van de jaarrekening geacht te zijn goedgekeurd.
1.De jaarrekening, waarin rekening en verantwoording wordt afgelegd van het financieel beheer en van de geleverde prestaties over het verstreken boekjaar, wordt ingericht zoveel mogelijk met overeenkomstige toepassing van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het algemeen bestuur aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het algemeen bestuur dat aan Onze Minister desgevraagd inzicht wordt geboden in de controlewerkzaamheden van de accountant.
3.De verklaring, bedoeld in het tweede lid, heeft mede betrekking op de rechtmatige inning en besteding van de middelen door de organisatie.
4.De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid, tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en inrichting van de werkzaamheden van de organisatie voldoen aan eisen van doelmatigheid.
5.Indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend, niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister, onverminderd artikel 25, bepalen dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage. Hij maakt dit binnen een jaar na de ontvangst van de jaarrekening bekend aan het algemeen bestuur.
1.De besluiten van een gebiedsbestuur kunnen door het algemeen bestuur worden vernietigd.
2.In afwijking van artikel 10:44, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de schorsing niet langer duren dan 17 weken.
1.Indien het algemeen bestuur naar het oordeel van Onze Minister zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen.
2.De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat het algemeen bestuur in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.
3.Onze Minister stelt de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.
Het instellingsplan, bedoeld in artikel 18, wordt voor de eerste maal uitgebracht in het jaar 2006. Tot het tijdstip van kennisname van het standpunt door het algemeen bestuur, bedoeld in artikel 18, vierde lid, wordt, voor de toepassing van de artikelen 9, tweede lid, 21, tweede lid, en 25, derde lid, de beleidsnota, bedoeld in artikel 17 zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, beschouwd als instellingsplan.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Beatrix
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
W. J. Deetman
De Minister van Justitie a.i.,
C. P. van Dijk