Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Registratiebesluit dierlijke meststoffen[Regeling vervallen per 01-01-2006.]

Geldend van 01-02-1992 t/m 31-12-2005

Besluit van 12 december 1986, houdende regelen betreffende de registratie van de mestproduktie

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 3 oktober 1986, No. J. 6793, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, handelende in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gehoord het Landbouwschap, het Produktschap voor Vee en Vlees, het Produktschap voor Pluimvee en Eieren en het Produktschap voor Zuivel;

Overwegende, dat het noodzakelijk is voorschriften ter registratie van de produktie aan dierlijke meststoffen vast te stellen in verband met de in de Meststoffenwet (Stb. 1986, 598) opgenomen regelen ter voorkoming van een onverantwoorde uitbreiding daarvan;

Gelet op artikel 6 van de Meststoffenwet (Stb. 1986, 598);

De Raad van State gehoord (advies van 24 november 1986, No. W 11.86.0534);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 11 december 1986, No. J. 9055, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 In dit besluit en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    wet: Meststoffenwet (Stb. 1986, 598);

    jongvee: runderen tot een leeftijd van twee jaren, die bestemd zijn om als fok- of gebruiksvee te worden gehouden;

    producent van dierlijke meststoffen: degene die door het houden van dieren, uitscharing van rundvee of schapen of tijdelijke onderbrenging ter opfok van jongvee of ter weiding van schapen elders, dierlijke meststoffen produceert;

    bedrijf: het geheel van produktie-eenheden bestaande uit een of meer gebouwen of gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de landbouw;

    districtsbureauhouder: districtsbureauhouder ressorterend onder de directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie in de provincie in wiens werkgebied het bedrijf van de producent van dierlijke meststoffen is gelegen;

    het Bureau: het Bureau Heffingen te Assen.

  • 2 Met uitzondering van het in artikel 2, vierde lid, bepaalde is dit besluit niet van toepassing op degenen die dierlijke meststoffen produceren in een hoeveelheid van 125 kilogram fosfaat of minder per jaar per bedrijf.

  • 3 Voor de toepassing van dit besluit wordt onder het houden van dieren niet verstaan het ter inscharing aannemen van rundvee.

  • 4 Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt geen rekening gehouden met handelingen waarvan op grond van de omstandigheid dat zij geen wezenlijke verandering van feitelijke verhoudingen hebben ten doel gehad of waarvan op grond van andere bepaalde feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat zij achterwege gebleven zouden zijn indien daarmede niet de toepassing van dit besluit of de wet voor het vervolg geheel of ten dele onmogelijk zou worden gemaakt.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Producenten van dierlijke meststoffen zijn verplicht een door Onze Minister vastgesteld formulier volledig en naar waarheid in te vullen en dit ondertekend voor 1 februari 1987 te doen toekomen aan de districtsbureauhouder.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is de producent van dierlijke meststoffen die in 1986 jongvee ter opfok heeft aangenomen verplicht om een door Onze Minister vastgesteld formulier volledig en naar waarheid in te vullen en dit vóór 1 mei 1989 te doen toekomen aan het Bureau.

  • 3 In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid, zijn de producenten van dierlijke meststoffen, op wier bedrijf dierlijke meststoffen worden geproduceerd, afkomstig van eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen of geiten, verplicht om een door Onze Minister vastgesteld formulier volledig en naar waarheid in te vullen en dit vóór 1 maart 1992 te doen toekomen aan het Bureau.

  • 4 In afwijking in zoverre van de artikelen 1, tweede lid, en 2, derde lid, is een ieder die door of vanwege Onze Minister een formulier toegezonden heeft gekregen, verplicht dit formulier volledig en naar waarheid in te vullen en dit vóór 1 maart 1992 te doen toekomen aan het Bureau.

  • 5 De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde formulieren hebben onder meer betrekking op:

    • a. de in de aanwezige, daartoe bestemde en daarvoor geschikte ruimten - daaronder begrepen de op het land aanwezige dieren - gehouden aantallen van de ingevolge artikel 1, eerste lid, van de wet, aangewezen diersoorten;

    • b. de hoeveelheid dierlijke meststoffen die op het bedrijf als geheel als naar aangewezen diersoort en - categorie geproduceerd wordt;

    • c. de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond per 31 december 1986, dan wel, indien het een opgave van uitsluitend eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen of geiten betreft, of een opgave als bedoeld in artikel 3e, per 31 december 1991.

  • 6 In afwijking van het in het vijfde lid bepaalde, heeft het formulier, indien het een producent van dierlijke meststoffen betreft die eerder een opgave heeft gedaan als bedoeld in het eerste of tweede lid, resulterend in een mestproduktie boven de in artikel 14, eerste lid, van de Meststoffenwet (Stb. 1986, 598) bedoelde hoeveelheid, en die tevens eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen of geiten houdt, uitsluitend betrekking op de in het vijfde lid, onderdeel a en b, bedoelde gegevens, voor zover deze gegevens eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen of geiten betreffen.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De in artikel 2, vijfde lid, onderdeel a, bedoelde aantallen dieren worden, indien het betreft varkens, kippen, runderen of kalkoenen, bepaald en opgegeven aan de hand van de bezetting op 31 december 1986.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, kan, indien de bezetting op 31 december 1986 geen getrouw beeld geeft van de gebruikelijke bezetting op het bedrijf, onverminderd een opgave van de bezetting op die datum, een bezetting op een ander tijdstip gedurende 1986 worden opgegeven.

  • 3 De bezetting op 31 december 1986 dient door de mestproducent te kunnen worden gestaafd met bewijsstukken. De andere bezetting dient overeen te komen met de gebruikelijke bezetting en door de mestproducent te kunnen worden gestaafd met bewijsstukken.

Artikel 3a [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De in artikel 2, vijfde lid, onderdeel a, bedoelde aantallen dieren worden, indien het betreft eenden of konijnen, bepaald en opgegeven aan de hand van de bezetting op 31 december 1990.

Artikel 3b [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De in artikel 2, vijfde lid, onderdeel a, bedoelde aantallen dieren worden, indien het betreft vossen en nertsen, opgegeven aan de hand van de bezetting op 31 december 1990 alsmede aan de hand van de bezetting op een ander tijdstip in 1990, en bepaald door het totaal van deze opgaven, gedeeld door twee.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, kunnen de in dat lid bedoelde aantallen dieren, indien de bezetting in 1990 geen getrouw beeld geeft van de gebruikelijke bezetting op het bedrijf en onverminderd een opgave van de bezetting in 1990, worden opgegeven aan de hand van de bezetting op 31 december 1989 alsmede aan de hand van de bezetting op een ander tijdstip in 1989, waarbij voor de bepaling van de aantallen dieren het in het eerste lid bepaalde van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 3c [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De in artikel 2, vijfde lid, onderdeel a, bedoelde aantallen dieren worden, indien het betreft geiten, bepaald en opgegeven aan de hand van de bezetting op 31 december 1991.

Artikel 3d [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De in artikel 2, vijfde lid, onderdeel a, bedoelde aantallen dieren worden, indien het betreft schapen, opgegeven aan de hand van de bezetting op 31 december 1991 alsmede aan de hand van de bezetting op een tijdstip in de maanden mei of juni van 1991, en bepaald door het totaal van deze opgaven, gedeeld door twee.

Artikel 3e [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, dient de producent van dierlijke meststoffen door wie dierlijke meststoffen worden geproduceerd, afkomstig van eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen of geiten, indien hij geen opgave als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, heeft gedaan, maar door hem wel tevens dierlijke meststoffen worden geproduceerd afkomstig van varkens, kippen, runderen of kalkoenen tot ten hoogste de hoeveelheid, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Meststoffenwet, op het in artikel 2, derde lid, bedoelde formulier naast de eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen en geiten ook de per 31 december 1991 door hem gehouden varkens, kippen, runderen en kalkoenen op te geven.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, dient de producent van dierlijke meststoffen door wie dierlijke meststoffen worden geproduceerd, afkomstig van eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen of geiten, indien eerder ingevolge artikel 2, eerste en tweede lid, opgave is gedaan van de op het bedrijf gehouden varkens, kippen, runderen of kalkoenen, resulterend in een mestproduktie beneden de hoeveelheid, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Meststoffenwet, op het in artikel 2, derde lid, bedoelde formulier naast de eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen en geiten, ook de per 31 december 1991 door hem gehouden varkens, kippen, runderen en kalkoenen op te geven, voor zover deze aantallen dieren resulteren in een mestproduktie die groter is dan de geregistreerde produktie per 31 december 1986, doch die niet groter is dan de produktie, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Meststoffenwet.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2006]

De in artikel 2, vijfde lid, onderdeel b, bedoelde hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt uitgedrukt in kilogrammen fosfaat en bepaald aan de hand van:

  • a. de door Onze Minister ingevolge artikel 8, tweede lid, van de wet, vastgestelde omvang van de mestproduktie per dier;

  • b. de aantallen en aanwezigheid van de in artikel 3 bedoelde dieren.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2006]

Bij de in artikel 2, vijfde lid, onderdeel c, bedoelde oppervlakte dient de gemeten maat te worden opgegeven.

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2006]

Producenten van dierlijke meststoffen dienen de gegevens van de formulieren als bedoeld in artikel 2 gedurende vijf jaren te bewaren.

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Degene, die vóór 1 januari 1986 een verzoek om een andere heffingvrije hoeveelheid heeft ingediend in het kader van de Beschikking superheffing (Stcrt. 1984, 79) of de Beschikking superheffing 1985 (Stcrt. 1985, 118), dan wel degene, die een verzoek om een andere heffingvrije hoeveelheid heeft ingediend in het kader van de Beschikking superheffing bijzondere opvolgingssituaties (Stcrt. 1985, 109), de Beschikking aanvulling superheffing (Stcrt. 1986, 65) of de Beschikking superheffing bedrijfsopvolgingssituaties onderbezetting (Stcrt. 1986, 92), kan, indien de beslissing tot toewijzing van de andere heffingvrije hoeveelheid na 31 december 1985 is genomen, Onze Minister verzoeken de hoeveelheid dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onderdeel b, in afwijking van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde opgave, met toepassing van het tweede lid vast te stellen.

  • 2 De afwijkende hoeveelheid wordt vastgesteld door de hoeveelheid dierlijke meststoffen die voortvloeit uit de heffingvrije hoeveelheid melk waarop betrokkene op 31 december 1986 aanspraak heeft, in voorkomend geval vermeerderd met de na 31 december 1986 toegewezen extra heffingvrije hoeveelheid, te delen door 5.500, de uitkomst van deze deling te vermenigvuldigen met 50 kilogram fosfaat en de uitkomst van deze vermenigvuldiging te vermeerderen met de hoeveelheid dierlijke meststoffen die voortvloeit uit het op 31 december 1985 op het bedrijf aanwezige aantal dieren van de diersoorten varkens, kalkoenen, kippen en runderen met uitzondering van de diercategorieën melk- en kalfkoeien, vrouwelijk jongvee jonger dan één jaar en vrouwelijk jongvee één jaar en ouder.

  • 3 Het verzoek dient te worden gedaan binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn op een volledig en naar waarheid ingevuld door Onze Minister vastgesteld formulier op de daarbij aangegeven wijze en onder overlegging van de daarbij verzochte bescheiden.

  • 4 In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, kan, indien het aantal dieren op 31 december 1985 geen getrouw beeld geeft van het gebruikelijk aantal op het bedrijf, een aantal op een ander tijdstip gedurende 1985 worden opgegeven.

Artikel 7a [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Voor degene aan wie op grond van de Beschikking superheffing SLOM-deelnemers (Stcrt. 1989, 94) een specifieke referentiehoeveelheid melk is toegewezen, wordt de overeenkomstig de artikelen 2 en 3 bepaalde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van rundvee zoals deze hoeveelheid in voorkomend geval is gewijzigd door toepassing van artikel 9, vermeerderd met de overeenkomstig het tweede lid te bepalen bijzondere hoeveelheid.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde bijzondere hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt vastgesteld door de toegewezen specifieke referentiehoeveelheid melk, te delen door 5 500 en de uitkomst van deze deling te vermenigvuldigen met 50 kilogram fosfaat.

  • 3 De in het eerste en tweede lid bedoelde bijzondere hoeveelheid dierlijke meststoffen geldt voor betrokkene slechts voor de duur van de toewijzing van de specifieke referentiehoeveelheid melk en vermindert, indien artikel 6, derde lid, van de Beschikking superheffing SLOM-deelnemers van toepassing is, voor betrokkene met een aan de vermindering van de specifieke referentiehoeveelheid melk evenredig gedeelte.

  • 4 Ter uitvoering van dit artikel kunnen desgevraagd door of namens Onze Minister binnen de daartoe gestelde termijn nadere gegevens worden verlangd.

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Degene, die tot het tijdstip waarop de Regeling verbod voedsel- en slachtafvallen (varkens) (Stcrt. 1986, 66) in werking is getreden in het bezit was van een geldige vergunning als bedoeld in de Beschikking Voedsel- en slachtafvallen 1972 (Stcrt. 1972, 65) en voorts kan aantonen dat hij onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van genoemde regeling ten minste 60% van zijn fiscaal onzuiver inkomen, berekend op jaarbasis, heeft verkregen uit het houden van varkens van de diercategorie vleesvarken die gevoederd werden met voedsel- of slachtafvallen, kan Onze Minister verzoeken de hoeveelheid dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onderdeel b, in afwijking van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde opgave met toepassing van het tweede lid vast te stellen.

  • 2 De afwijkende hoeveelheid bedraagt de hoeveelheid zoals die voortvloeit uit het op 7 april 1986 op het bedrijf van de verzoeker aanwezige aantal dieren van de ingevolge artikel 1, eerste lid, van de wet aangewezen diersoorten, waarbij het aantal varkens van de diercategorie vleesvarken met drie wordt vermenigvuldigd met dien verstande dat het totale aantal vleesvarkens na vermenigvuldiging niet groter zal zijn dan 1.200.

  • 3 Het verzoek dient te worden gedaan binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn op een volledig en naar waarheid ingevuld door Onze Minister vastgesteld formulier op de daarbij aangewezen wijze en onder overlegging van de daarbij verzochte bescheiden.

  • 4 In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, kan, indien het aantal dieren op 7 april 1986 geen getrouw beeld geeft van het gebruikelijk aantal op het bedrijf, een aantal op een ander tijdstip gedurende het tijdvak aanvangende op 1 januari 1986 en eindigende op 6 april 1986 worden opgegeven.

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2006]

Indien blijkt dat de in de formulieren als bedoeld in artikel 2, eerste, tweede en derde lid, gedane opgave in strijd met de voorschriften van dit besluit of artikel 14, vijfde lid, van de wet is gedaan, kan Onze Minister de opgave dienovereenkomstig aanpassen.

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Dit besluit kan worden aangehaald als Registratiebesluit dierlijke meststoffen.

  • 2 Het treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage, 12 december 1986

Beatrix

De Minister van Landbouw en Visserij,

G. J. M. Braks

Uitgegeven de achttiende december 1986

De Minister van Justitie,

F. Korthals Altes