KruimelpadGeldend op 10-02-2012
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. N. J. Ginjaar-Maas, van 16 mei 1986, nr. 7263/3149A, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 9, tweede lid, 12, zesde lid, 19, eerste lid, en 30, eerste lid, van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen (Stb. 1985, 407);
Gehoord de Onderwijsraad (advies van 29 oktober 1985, nr. O.R. 4/114K);
De Raad van State gehoord (advies van 16 juni 1986, nr. W05.86.0245);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, van 18 augustus 1986, nr. 7722/3149A, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen;
b. de wet: de Wet op de erkende onderwijsinstellingen;
c. instelling: een instelling, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de wet;
d. bevoegd gezag: het bevoegd gezag, als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de wet;
e. de inspectie: de inspectie bedoeld in artikel 22 van de wet, voor zover belast met taken op het gebied van het onderwijs waarop de wet van toepassing is;
f. gecommitteerde: een gecommitteerde in de zin van artikel 13, eerste lid, van de wet, belast met het toezicht op het examen of een deel daarvan;
g. schriftelijk onderwijs: het schriftelijk onderwijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de wet;
h. auteur: een auteur als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de wet;
i. docent: een docent als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de wet;
j. cursus: een cursus als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de wet;
k. deelexamen: een deelexamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de wet;
l. kandidaat: degene die in staat wordt gesteld examen dan wel een of meer deelexamens af te leggen.
1.Het bevoegd gezag van de instelling draagt er zorg voor dat de cursist vóór de aanvang van de cursus schriftelijk wordt medegedeeld, dat het van wezenlijk belang is dat regelmatig werk ter correctie wordt ingezonden.
2.In alle gevallen waarin de cursist een aanzienlijke achterstand heeft bij de inzending van het te corrigeren werk, doet het bevoegd gezag van de instelling aan de cursist een brief of aanwijzing toekomen om te bevorderen dat tijdens de cursusduur regelmatig correctiewerk wordt ingezonden.
3.Indien de cursist gedurende een maand na de datum waarop de brief of de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, is verzonden in gebreke blijft, doet het bevoegd gezag van de instelling binnen twee weken na het verstrijken van die termijn tenminste nog eenmaal de in het tweede lid bedoelde brief of aanwijzing aan de cursist toekomen.
1.Het te corrigeren en gecorrigeerde werk bereikt de docent onderscheidenlijk de cursist uitsluitend via het bevoegd gezag van de instelling.
2.Onze Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. Bij het verlenen van de ontheffing kan Onze Minister voorwaarden stellen.
1.Het bevoegd gezag van de instelling draagt er zorg voor dat de cursist vóór de aanvang van de cursus schriftelijk wordt medegedeeld, dat het van wezenlijk belang is dat de lessen regelmatig worden bijgewoond en dat het noodzakelijk is die lessen zorgvuldig voor te bereiden.
2.Indien de cursist veelvuldig zonder bericht van verhindering de lessen niet bijwoont, draagt het bevoegd gezag van de instelling er zorg voor dat aan de cursist nogmaals wordt medegedeeld dat het van wezenlijk belang is dat de lessen regelmatig worden bijgewoond.
Het bevoegd gezag van de instelling verschaft aan de cursist uitsluitend juiste en volledige inlichtingen. Het onthoudt zich van voorspiegelingen met betrekking tot redelijkerwijs niet te bereiken resultaten en geeft geen onjuiste suggesties met betrekking tot het te behalen diploma.
Het bevoegd gezag van de instelling vermeldt in de prospectussen en studiegidsen op duidelijke wijze de gegevens die op grond van artikel 11, eerste lid, de onderdelen a tot en met i, van de wet in de overeenkomst dienen te worden opgenomen.
1.Het bevoegd gezag van de instelling draagt er zorg voor bij voortduring in staat te zijn zijn verplichtingen ten aanzien van de cursist na te komen.
2.Het bevoegd gezag van de instelling moet beschikken over volledig lesmateriaal wanneer het de inschrijving op een cursus openstelt.
3.Onze Minister kan goedkeuren dat wordt afgeweken van het bepaalde in het tweede lid.
1.De examens van een instelling worden geregeld in een of meer examenreglementen, die de goedkeuring van Onze Minister behoeven.
2.Het bevoegd gezag van de instelling verstrekt aan iedere kandidaat een exemplaar van het op hem van toepassing zijnde examenreglement.
3.De examenreglementen bevatten in elk geval:
a. bepalingen omtrent de in artikel 12, eerste lid, de onderdelen a tot en met h, van de wet opgenomen onderwerpen;
b. bepalingen omtrent het examengeld en het al dan niet terugbetalen van reeds betaalde examengelden bij niet deelneming aan het examen;
c. welke vakken examenvakken zijn;
d. voor ieder examenvak de stof waarop het examen betrekking zal hebben;
e. voor ieder examenvak of het examen zal plaatsvinden op schriftelijke wijze, op mondelinge wijze, op praktische wijze, dan wel door een combinatie daarvan;
f. bepalingen omtrent een eventuele praktijktijd, de beoordeling daarvan en door wie de beoordeling plaatsvindt;
g. het bepaalde in de artikelen 17, 21, 22 en 24 van dit besluit en artikel 14, eerste tot en met derde lid, van de wet;
h. bepalingen voor kandidaten die om een geldige reden, ter beoordeling van het bevoegd gezag van de instelling, niet aan het examen hebben kunnen deelnemen dan wel bij een of meer zittingen niet aanwezig konden zijn;
i. een bepaling bij wie en binnen welke termijn een kandidaat indien hem verdere deelneming aan het examen is ontzegd of zijn examen ongeldig is verklaard, in beroep kan gaan;
j. een regeling voor de examinering van kandidaten die in bijzondere omstandigheden verkeren.
1.Het bevoegd gezag van de instelling benoemt de examencommissie ten minste vier maanden voor de aanvang van het examen.
2.De examencommissie bestaat voor het merendeel uit deskundigen wier belangen niet vermengd zijn met die van de instelling.
3.De voorzitter van de examencommissie is een deskundige wiens belangen niet vermengd zijn met die van de instelling. Onze Minister kan goedkeuren dat wordt afgeweken van het bepaalde in dit lid.
4.Een deskundige is hij die een ruime ervaring bezit op het gebied van het afnemen van examens of kennis bezit op het gebied van de te examineren leerstof dan wel onderdelen daarvan.
5.Het bevoegd gezag van de instelling meldt de samenstelling van de examencommissie alsmede welke leden van de commissie belangen hebben die vermengd zijn met die van de instelling, tenminste twee weken na de samenstelling van deze commissie aan Onze Minister en de inspectie.
6.De examencommissie kan zich doen bijstaan door examinatoren, beoordelaars en toezichthouders. De examinatoren en beoordelaars dienen voor het merendeel deskundigen te zijn in de zin van het vierde lid.
1.De examenopgaven worden met de vereiste zorg voor geheimhouding vastgesteld. Op de enveloppen worden aangegeven het vak of het onderdeel van het vak waarop de inhoud betrekking heeft, de datum en het tijdstip waarop de opgaven aan de kandidaten moeten worden voorgelegd, de tijd die voor het werk beschikbaar is, alsmede het aantal ingesloten exemplaren. De voorzitter van de examencommissie draagt er zorg voor dat deze enveloppen met de vereiste geheimhouding in ongeopende staat worden bewaard tot de aanvang van het examen.
2.Bij de aanvang van het examen worden de enveloppen onder verantwoordelijkheid van de voorzitter van de examencommissie in tegenwoordigheid van de kandidaten geopend.
De beoordeling van het examen geschiedt door twee of meer personen, die in meerderheid geen belangen hebben die vermengd zijn met die van de instelling. Indien de beoordeling van het examen geschiedt door twee personen, dient ten minste een van hen geen belangen te hebben die vermengd zijn met die van de instelling.
1.Het schriftelijk examenwerk wordt gedurende tenminste 6 maanden na afloop van het examen bewaard door het bevoegd gezag van de instelling en is ter inzage voor belanghebbenden.
2.Het bevoegd gezag van de instelling draagt er zorg voor dat een volledig stel van de bij de schriftelijke examens gebruikte opgaven, de beoordelingsnormen en van elke kandidaat een lijst met de bij het examen behaalde cijfers, alsmede de uitslag bewaard blijven in het archief van de instelling.
Indien door onvoorziene omstandigheden het examen in één of meer vakken niet op de voorgeschreven wijze kan worden afgenomen, besluit de voorzitter van de examencommissie hoe alsdan moet worden gehandeld na overleg met de inspectie en voor zover deze is aangewezen met de gecommitteerde.
Indien uit een deskundigenonderzoek blijkt dat de instelling niet meer voldoet aan de voorschriften gegeven bij of krachtens de Wet op de erkende onderwijsinstellingen, stelt Onze Minister het bevoegd gezag van de instelling in de gelegenheid binnen 60 dagen na de dag van verzending van het deskundigenrapport commentaar te leveren op dit rapport.
Indien door de geconstateerde onvolkomenheden het belang van de cursisten wordt geschaad en de instelling deze niet binnen een door Onze Minister gestelde termijn herstelt, kan Onze Minister de inschrijving op de desbetreffende cursussen verbieden totdat de onvolkomenheden zijn hersteld.
Het bevoegd gezag van de instelling draagt er zorg voor dat Onze Minister regelmatig op de hoogte wordt gehouden van de werkzaamheden die voortvloeien uit de maatregel, bedoeld in artikel 27.
Dit besluit alsmede de wet met uitzondering van de artikelen 5 en 28, eerste lid, treden in werking met ingang van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven op de voorlaatste of laatste dag van een kalendermaand, treden zij in werking met ingang van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Beatrix
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
W. J. Deetman
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Hoofdstuk I | Algemene bepaling |
Artikel 1. | Begripsbepalingen |
Hoofdstuk II | De kwaliteit van de cursussen |
§ 1 | Algemeen |
Artikel 2. | Aanpassing cursussen aan nieuwe ontwikkelingen |
Artikel 3. | Vervanging van docenten |
§ 2 | Correctie bij het schriftelijk onderwijs |
Artikel 4. | Regelmaat bij inzending huiswerk |
Artikel 5. | Aanwijzingen bij correctie |
Artikel 6. | Verzending van huiswerk |
Artikel 7. | Termijn voor correctie |
Artikel 8. | Controle en administratie van correctie |
§ 3 | Het mondeling en ander niet-schriftelijk onderwijs |
Artikel 9. | Regelmaat bij het volgen van lessen |
Artikel 10. | Lesprogramma |
Hoofdstuk III | De betrekkingen tussen instelling en cursist |
Artikel 11. | Inlichtingen aan cursist omtrent cursus |
Artikel 12. | Overeenkomst met de cursist |
Artikel 13. | Continuïteit van het onderwijs |
Artikel 14. | Lokaliteiten |
Hoofdstuk IV | Examens |
Artikel 15. | Examenreglement |
Artikel 16. | Samenstelling examencommissie |
Artikel 17. | Aanmelding voor het examen |
Artikel 18. | Examenrooster |
Artikel 19. | Examenopgaven |
Artikel 20. | Toezicht op het examen |
Artikel 21. | De beoordeling |
Artikel 22. | Uitslag |
Artikel 23. | Diploma's, certificaten en beoordelingslijsten |
Artikel 24. | Bewaartermijnen |
Artikel 25. | Onvoorziene omstandigheden |
Hoofdstuk V | Maatregelen indien een instelling ten aanzien van een of meer cursussen niet voldoet aan de voorschriften |
Artikel 26. | Commentaar op deskundigenrapport |
Artikel 27. | Maatregelen bij onvolkomenheden |
Artikel 28. | Mededeling van de genomen maatregel |
Artikel 29. | Informatieplicht bevoegd gezag |
Hoofdstuk VI | Slotbepalingen |
Artikel 30. | Inwerkingtreding Weo en besluit |
Artikel 31. | Citeertitel |