Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling methoden van onderzoek draagbaar klimmaterieel (Warenwet)

Geldend van 01-03-1987 t/m heden

Regeling methoden van onderzoek draagbaar klimmaterieel (Warenwet)

De staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, de staatssecretaris van Economische Zaken, P. H. van Zeil en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. Kappeyne van de Coppello,

Gelet op artikel 4 van het Besluit draagbaar klimmaterieel (Warenwet) (Stb. 1986, 86);

De Adviescommissie Warenwet gehoord (advies van 10 juni 1983, nr. 13451/(11)15);

Besluiten:

Artikel 1

Ten aanzien van draagbaar klimmaterieel gelden de onderzoeksmethoden omschreven in de bijlage bij deze regeling.

Artikel 2

Deze regeling kan worden aangehaald als: 'Regeling methoden van onderzoek draagbaar klimmaterieel (Warenwet)'.

Artikel 3

  • 1 Deze regeling wordt met de daarbij behorende toelichting in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt.

  • 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 1987 met dien verstande dat zij gedurende drie maanden na de inwerkingtreding niet geldt ten aanzien van de beoordeling van waren die vóór die datum in de handel zijn gebracht.

Rijswijk, 25 april 1986

De

staatssecretaris

van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

J.P. van der Reijden

De

staatssecretaris

van Economische Zaken,

P.H. van Zeil

De

staatssecretaris

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. Kappeyne van de Coppello

Bijlage Beproevingen van de stabiliteit, sterkte en stijfheid van draagbaar klimmaterieel

1. Voorbereiding van het te beproeven materieel

Plaats het draagbare klimmaterieel op een voldoende draagkrachtig horizontaal vlak in het geval het betreft:

  • a. draagbaar klimmaterieel welk bedoeld is om vrijstaand te worden gebruikt in geheel geopende stand;

  • b. draagbaar klimmaterieel welk bedoeld is om niet vrijstaand te worden gebruikt in geheel opgestoken c.q. uitgeschoven stand onder een hoek van 75° op een horizontaal vlak en tegen een voldoende draagkrachtig verticaal vlak;

  • c. draagbaar klimmaterieel welk is bedoeld om zowel in de standen als onder a en b bedoeld te worden gebruikt, dient in beide standen te worden beproefd.

Breng in het midden van het beklimbare deel een verticale kracht van 1000 N aan op de sport c.q. trede over een oppervlakte van 90 mm breed en de gehele diepte. Handhaaf de belasting gedurende 600 seconden.

Draagbaar klimmaterieel, dat tweezijdig beklommen kan worden, moet aan beide zijden als boven omschreven worden belast. Daarna moet hetzelfde draagbare klimmaterieel aan de volgende beproevingen worden onderworpen.

Breng het oplegpunt van één stijl omhoog en plaats er een blokje tussen van 10 mm dikte. Handhaaf de belasting gedurende 600 seconden. Verwijder de belasting en herhaal de beproeving met het blokje achtereenvolgens onder alle overige stijlen of bomen van het draagbare klimmaterieel. Daarna moet hetzelfde draagbare klimmaterieel aan de volgende beproevingen weerstand kunnen bieden.

2. Weerstand van het vrijstaand draagbare klimmaterieel tegen statische belastingen

  • a. Plaats het draagbare klimmaterieel, dat bedoeld is om vrijstaand te worden gebruikt, in geheel geopende stand op een voldoende draagkrachtig horizontaal vlak en blokkeer de voeten van beide delen op dit vlak.

    Breng op het midden van het platform of, indien dit niet aanwezig is, op de bovenste trede c.q. sport een gelijkmatig verdeelde belasting aan van 3500 N, verdeeld over een oppervlakte met een lengte van 90 mm en de diepte van de sport, trede of het platform (zie fig. 1). Handhaaf de belasting gedurende 600 seconden.

  • b. Verwijder de blokkering van de voeten en plaats de voeten ieder apart op vrijlopende rollen.

    Belast het vrijstaande draagbare klimmaterieel op de onder 2a genoemde wijze met een belasting van 2600 N in plaats van 3500 N.

  • c. Na het opheffen van de belasting mag in het vrijstaand draagbare klimmaterieel, zowel na de onder 2a als 2b genoemde beproeving geen zichtbare blijvende vormverandering worden geconstateerd.

Bijlage 36412.png
Figuur 1

3. Weerstand van de stijlen of bomen tegen doorbuiging bij statische belasting van 3500 N

  • a. Plaats het draagbare klimmaterieel dat niet vrijstaand kan worden gebruikt in geheel opgestoken c.q. uitgeschoven stand onder een hoek 75° op een horizontaal vlak en tegen een voldoende draagkrachtig verticaal vlak.

    Breng op het midden van die trede c.q. sport die het dichtst bij het midden van de stijlen ligt (zie fig. 2) een gelijkmatig verdeelde verticale belasting aan van 3500 N, verdeeld over een oppervlakte met een lengte van 90 mm en de diepte van de sport c.q. trede.

    Handhaaf de belasting gedurende 600 seconden.

  • b. Plaats het draagbare klimmaterieel dat vrijstaand kan worden gebruikt in geheel geopende stand op een voldoende draagkrachtig horizontaal vlak. Breng de onder 3a beschreven belasting aan.

  • c. Na het opheffen van de belasting mag zowel na de onder 3a als 3b genoemde beproeving, in de stijlen of bomen geen blijvende vormverandering zijn opgetreden, uitgezonderd bij stijlen of bomen vervaardigd uit aluminium, waarbij een blijvende vormverandering van ten hoogste 1/1000 van de lengte van de boom of stijl mag zijn opgetreden. In het geval van vrijstaand beproefd draagbaar klimmaterieel wordt in dit geval met de lengte, de afstand tussen de voet en het scharnierpunt van stijlen of bomen bedoeld.

Bijlage 36413.png
Bijlage 36414.png
Figuur 2

4. Weerstand van de treden of sporten tegen doorbuiging, bij een belasting van 3500 N

Een verticale belasting van 3500 N wordt bij een opstelling van het klimmaterieel als beschreven onder 1 a, b en c aangebracht over een oppervlakte van 90 mm breedte en de gehele diepte op het midden van een trede of sport. Handhaaf de belasting gedurende 600 seconden.

Na deze beproeving mag een blijvende vormverandering, zoals weergegeven door de maat × in figuur 3, van maximaal 1/100 maal de lengte van de trede of de sport zijn opgetreden. ledere trede of sport dient aan deze eis te voldoen.

Bijlage 36415.png
Figuur 3

5. Afschuifsterkte van de trede- c.q. sportbevestiging

De afschuifsterkte van de trede- c.q. sportbevestiging wordt beproefd door bij een opstelling van het draagbare klimmaterieel als beschreven onder 1 a, b en c een verticale belasting van 3500 N over een opperviak van 90 mm breedte en de gehele diepte aan te brengen op de zwakste trede of sport, zo dicht mogelijk bij de stijl of boom (zie fig. 4a).

Handhaaf de belasting gedurende 600 seconden.

Indien het draagbare klimmaterieel is voorzien van een platform dan wordt deze test ook uitgevoerd op de bevestiging van het platform aan de voor- en achterstijl of boom. Daartoe wordt een verticale belasting van 3500 N over een oppervlakte van 90 × 90 mm op het platform aangebracht (zie fig. 4b), zo dicht mogelijk bij de voor- respectievelijk achterstijl of boom.

Na het opheffen van de belasting mag geen blijvende vormverandering worden geconstateerd en mag geen breuk in de bevestigingspunten zijn ontstaan.

Bijlage 36416.png
Figuur 4a
Bijlage 36417.png
Figuur 4b
Bovenaanzicht platform

6. Mechanische treksterkte trede- c.q. sportbevestiging

Voor de beproeving van de trede- c.q. sportbevestiging moet in de lengterichting van de trede c.q. sport een geleidelijk toenemende trekkracht tot ten minste 3500 N worden uitgeoefend. In de verbinding tussen de trede c.q. sport en de stijl c.q. boom mag hierbij geen scheidende breuk ontstaan.

7. Statisch wringend moment op willekeurige trede c.q. sport

Op de trede- c.q. sportbevestiging wordt een wringend moment uitgeoefend door in het midden van de trede c.q. sport met behulp van een klemstuk dat de trede c.q. sport omvat over een breedte van 90 mm en de gehele diepte een wringend moment (M) aan te brengen ter grootte van 150 Nm (zie fig. 5).

Handhaaf de belasting gedurende 600 seconden.

In de verbinding tussen de trede c.q. sport en de stijl c.q. boom mag hierbij geen scheidende breuk ontstaan.

Bijlage 36418.png
Figuur 5

8. Vermoeidheidsproef onder torsie

Op de trede- c.q. sportbevestiging wordt een wringend moment uitgeoefend door in het midden van de trede c.q. sport met behulp van een klemstuk, dat de trede c.q. sport omvat, over een breedte van 90 mm en de gehele diepte een wringend moment M aan te brengen, (zie fig. 5).

De grootte van het wringend moment is afhankelijk van de diepte van de trede c.q. sport en wordt bepaald door:

  • M = 1000 . d Nm;

  • d = diepte of diameter van de trede c.q. sport in (m).

  • Voor het moment M gelden als minimale en maximale waarde: Mmin = 25 Nm; Mmax = 75 Nm.

De trede-/sportbevestiging wordt 10 000 maal aan deze wringproef onderworpen, met dien verstande dat het wringend moment dezelfde richting heeft als aangegeven in fig. 5. Het wringend moment dient één maal per seconde te worden aangebracht.

Na deze beproeving mag de trede- c.q. sportbevestiging met de stijl c.q. boom niet zijn losgeraakt.

9. Doorbuiging onder asymmetrische belasting

Het draagbare klimmaterieel wordt horizontaal opgelegd, waarbij de stijlen of bomen op 200 mm van de einden of scharnierpunten worden ondersteund (zie fig. 6 en 7).

Het draagbare klimmaterieel bestaande uit meerdere beklimbare delen moet tot aan de begrenzingen worden uitgeschoven c.q. opgestoken. Het draagbare klimmaterieel wordt beproefd door midden tussen de steunpunten één der stijlen c.q. bomen met 250 N te belasten (zie fig. 6 en 7).

Bepaal de hoek α, die wordt gevormd door de hoekverdraaiing van het vlak door de belaste en de onbelaste stijl en het horizontale vlak. Vervolgens wordt de proef herhaald, waarbij de andere stijl c.q. boom wordt belast. Handhaaf in beide gevallen de belasting gedurende 600 seconden. Indien het draagbare klimmaterieel is voorzien van een niet-beklimbaar deel, wordt dit op analoge wijze beproefd. De hoek mag niet groter zijn dan in de onderstaande tabel voor het betreffende klimmaterieel is aangegeven.

Lengte van het draagbare klimmaterieel in meters tussen de oplegpunten Max. hoek in graden

<3

2

3,50

2,5

4

2,75

4,50

3

5

3,4

5,50

3,6

6

3,9

6,50

4,2

7

4,5

7,50

4,8

8

5

8,50

5,3

9

5,5

9,50

5,8

10

6

10,50

6,2

11

6,5

11,50

6,7

12

6,9

12,50

7,1

13

7,3

13,50

7,5

14

7,7

14,50

7,9

>15

8,1

Tussenliggende waarden mogen rechtlijnig worden geïnterpoleerd.

Bijlage 36419.png
Figuur 6
Bijlage 36420.png
Figuur 7

10. Slip- of stroefheidstest van de voeten

Om de voeten van het draagbare klimmaterieel op stroefheid te testen, wordt gebruik gemaakt van een standaard ladder waarop de te testen voeten gemonteerd zijn. Deze standaardladder dient een totale lengte van 3 meter te hebben en wordt opgesteld tegen een verticaal vlak, onder een hoek van 75° met het horizontale vlak (zie figuur 8).

Zowel het horizontale als het verticale vlak waartegen het draagbare klimmaterieel rust is voorzien van een glad en droog oppervlak van multiplex. Op de sport, het meest dichtbij het midden van de stijl, wordt een verticale kracht V aangebracht ter grootte van 1500 N, terwijl er een horizontale kracht H ter plaatse van de voeten van het draagbare klimmaterieel wordt aangebracht ter grootte van 250 N. De kracht H wordt gelijkmatig over beide voeten van het draagbare klimmaterieel verdeeld. De plaats en richting waarop deze krachten aangrijpen zijn aangegeven in figuur 8. De gemeten horizontale verplaatsing van de voeten van het draagbare klimmaterieel mag na deze beproeving maximaal 5 mm bedragen.

Bijlage 36421.png
Figuur 8

11. Vernietiging beproefd draagbaar klimmaterieel

Het beproefde draagbare klimmaterieel, uitgezonderd bewijsstukken, moet zo snel mogelijk na de beproeving vernietigd worden.