Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren

Geldend van 01-01-2013 t/m heden

Besluit van 24 oktober 1985, houdende vaststelling van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 25 februari 1985, Hoofddirectie Organisatie Rechtspleging en Rechtshulp, nr. 334 P 885;

Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 530), artikel 59i van de Wet op de rechterlijke organisatie (Stb. 1972, 463), de artikelen 4, vijfde lid, en 31, vijfde lid, van de Beroepswet (Stb. 1955, 47) en artikel 5, vijfde lid, van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 530);

De Raad van State gehoord (advies van 17 mei 1985, nr. W03.85.0127/11.5.19);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 22 oktober 1985, Hoofddirectie Organisatie Rechtspleging en Rechtshulp, nr. 2069 P 885;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1:. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 1a [Vervallen per 01-07-2010]

§ 2:. De opleiding

Artikel 2

Er is een opleiding die ten doel heeft toekomstige rechterlijke ambtenaren de kennis, de vaardigheden en de ervaring te verschaffen, die nodig zijn om een rechtsprekende functie, dan wel de functie van officier van justitie te kunnen uitoefenen. De opleiding duurt zes jaar en omvat een binnenstage, een buitenstage en een vormingsprogramma.

Artikel 3

  • 1 De binnenstage bestaat uit vijf deelstages, die worden doorgebracht bij een rechtbank en een tot het openbaar ministerie behorend parket. Tevens kunnen elders door te brengen deelstages van korte duur worden ingelast.

  • 2 De buitenstage wordt elders dan bij een rechtbank of een tot het openbaar ministerie behorend parket doorgebracht. Onze Minister bepaalt op voorstel van de rector, waar deze stage wordt doorgebracht. Tijdens de buitenstage worden werkzaamheden verricht die kunnen bijdragen aan het verwerven van kennis, vaardigheden en ervaring, dienstig voor de uitoefening van de in artikel 2 bedoelde functies.

  • 3 De tijdsduur en volgorde van de binnenstage en buitenstage worden geregeld in het opleidingsreglement, bedoeld in artikel 12.

  • 4 In bijzondere individuele gevallen, kan Onze Minister de tijdsduur en de volgorde der binnenstage en buitenstage vaststellen in afwijking van het bepaalde in het opleidingsreglement. Zodanige vaststelling geschiedt niet dan nadat de rector en, bij verlenging, de functionele autoriteit, daaromtrent zijn gehoord.

Artikel 4

  • 1 Het vormingsprogramma bestaat uit vaardigheidsleergangen en studiebijeenkomsten; het wordt doorlopen tijdens de binnenstage.

  • 2 Voor het deelnemen aan het vormingsprogramma is de rechterlijk ambtenaar in opleiding voor een door Onze Minister te bepalen gedeelte van de arbeidsduur vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden in de binnenstage.

Artikel 5

  • 1 Bij de aanvang van de binnenstage stelt de functionele autoriteit na overleg met de betrokkene en in overeenstemming met de rector voor elke rechterlijk ambtenaar in opleiding afzonderlijk een werkprogramma vast, aangevende:

    • a. met welke werkzaamheden de rechterlijk ambtenaar in opleiding zal worden belast;

    • b. welke deelstages de rechterlijk ambtenaar in opleiding zal moeten volgen.

    Zoveel mogelijk worden daarbij tijdstippen en perioden vermeld.

  • 2 Jaarlijks stelt de rector na overleg met de betrokkene en in overeenstemming met de functionele autoriteit voor elke rechterlijk ambtenaar in opleiding afzonderlijk een studieprogramma vast, aangevende welke vaardigheidsleergangen en studiebijeenkomsten de rechterlijk ambtenaar in opleiding zal volgen. Zoveel mogelijk worden daarbij tijdstippen en perioden vermeld.

  • 3 De functionele autoriteit, respectievelijk de rector, draagt er zorg voor dat aan het werkprogramma, respectievelijk het studieprogramma, de hand wordt gehouden.

  • 4 De functionele autoriteit wijst voor de begeleiding van de rechterlijk ambtenaar in opleiding tijdens de deelstages, in overeenstemming met de rector, een mentor aan.

  • 5 Bij verschil van opvatting tussen de functionele autoriteit en de rector over de inhoud van het werkprogramma en het studieprogramma, over de uitvoering van deze programma's en over het aanwijzen van een mentor, beslist Onze Minister.

Artikel 6

Het toezicht op de buitenstage berust bij de rector.

Artikel 7

  • 1 Indien een rechterlijk ambtenaar in opleiding voor zijn benoeming reeds meer dan een jaar ervaring in de rechtspraktijk of andere naar het oordeel van Onze Minister relevante ervaring heeft verworven, kan Onze Minister de opleiding bekorten met ten hoogste de duur van die ervaring, voor zover die meer dan een jaar bedraagt, doch niet met meer dan drie jaar.

  • 2 Onze Minister kan de opleiding verlengen

    • a. indien de periode, waarvoor de benoeming in tijdelijke dienst van een rechterlijk ambtenaar in opleiding is verleend, ingevolge artikel 21, derde lid, onderdelen a en b, is verlengd: met ten hoogste eenzelfde periode;

    • b. indien de volledige arbeidsduur van een rechterlijk ambtenaar in opleiding op zijn eigen verzoek is gewijzigd in een niet volledige arbeidsduur dan wel zijn arbeidsduur op zijn eigen verzoek anderszins is gewijzigd: met ten hoogste een jaar;

    • c. in andere gevallen, indien Onze Minister zulks, met het oog op het met gunstig resultaat beëindigen van de opleiding, nodig oordeelt: met ten hoogste een jaar.

    De verlenging op grond van de onderdelen a tot en met c gezamenlijk kan niet meer dan drie jaar bedragen en heeft in beginsel slechts betrekking op de binnenstage.

  • 3 In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bepaalt Onze Minister op welke onderdelen van de opleiding de bekorting of de verlenging betrekking heeft en in welke volgorde de binnenstage en buitenstage worden doorlopen. De laatste volzin van artikel 3, vierde lid, is van toepassing.

  • 4 In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden het werkprogramma en het studieprogramma aangepast en vastgesteld overeenkomstig artikel 5, eerste en tweede lid.

Artikel 8

  • 1 Indien Onze Minister in de loop van de opleiding op grond van een beoordeling, bedoeld in artikel 25, op grond van het oordeel van de rector, bedoeld in artikel 26, dan wel op grond van andere ambtsberichten, alsnog tot het oordeel komt dat de rechterlijk ambtenaar in opleiding de opleiding niet met gunstig resultaat zal kunnen afsluiten of niet geschikt is voor een der in artikel 2 bedoelde functies, beëindigt hij diens opleiding.

  • 2 Indien Onze Minister na voltooiing van de opleiding op een van de gronden als bedoeld in het eerste lid, alsnog tot het oordeel komt dat de rechterlijk ambtenaar in opleiding de opleiding niet met gunstig resultaat heeft beëindigd of niet geschikt is voor een der in artikel 2 bedoelde functies, maakt hij bekend niet te zullen overgaan tot een benoeming dan wel de voordracht voor een benoeming als bedoeld in artikel 29.

  • 3 Alvorens de in het eerste en tweede lid bedoelde beslissingen te nemen hoort Onze Minister de functionele autoriteit en de rector.

§ 3:. Uitvoering en bekostiging van de opleiding

Artikel 9

Het studiecentrum rechtspleging is belast met de uitvoering van de opleiding van rechterlijke ambtenaren. Het studiecentrum rechtspleging is een onder de Raad ressorterende dienst als bedoeld in artikel 40 van het Besluit financiering rechtspraak 2005.

Artikel 10

De Raad en het College van procureurs-generaal kunnen gezamenlijk algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan het studiecentrum rechtspleging.

Artikel 11

  • 1 De Raad en het College van procureurs-generaal wijzen gezamenlijk een rector en een conrector van de opleiding aan; als zodanig zijn de rector en de conrector verantwoording verschuldigd aan de Raad en het College van procureurs-generaal gezamenlijk.

  • 2 Een aanwijzing ingevolge het eerste lid wordt eerst van kracht nadat Onze Minister daarin heeft toegestemd.

Artikel 12

  • 1 Het studiecentrum rechtspleging dient met inachtneming van het bepaalde in dit besluit een opleidingsreglement vast te stellen.

  • 2 Het opleidingsreglement en wijzigingen daarin treden niet in werking dan nadat de Raad en het College van procureurs-generaal gezamenlijk daarin hebben toegestemd.

Artikel 13

Het studiecentrum rechtspleging bekostigt de opleiding uit de daarvoor door de Raad en het College van procureurs-generaal beschikbaar gestelde gelden.

Artikel 14 [Vervallen per 19-11-2003]

Artikel 15 [Vervallen per 19-11-2003]

§ 4:. Toelating tot de opleiding

Artikel 16

Onze Minister beslist omtrent de toelating tot de opleiding na advies van een selectiecommissie. Hij laat geen kandidaat tot de opleiding toe dan op aanbeveling van die commissie.

Artikel 17

  • 1 Leden van de in artikel 16 bedoelde selectiecommissie zijn:

    • a. twee presidenten van een rechtbank alsmede zes andere bij een rechtbank werkzame rechterlijke ambtenaren;

    • b. een hoofdofficier met de titel hoofd van het arrondissementsparket, alsmede drie andere rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een tot het openbaar ministerie behorend parket;

    • c. vier personen, niet behorend tot een der onder a en b bedoelde groepen en niet werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie;

    • d. vier ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

    De in onderdelen a tot en met c bedoelde leden worden voor vier jaar benoemd door Onze Minister, die met betrekking tot de in onderdelen a en b bedoelde leden eerst het advies inwint van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Onze Minister benoemt de in onderdeel d bedoelde leden voor onbepaalde tijd.

  • 2 Elk jaar treden drie van de in het eerste lid, onder a tot en met c, bedoelde leden af volgens een door de commissie op te stellen rooster van aftreden. Zij zijn niet aansluitend herbenoembaar, behoudens in de gevallen, bedoeld in de laatste volzin. Tussentijds benoemden treden af op het tijdstip waarop degenen, wier plaats zij hebben ingenomen, volgens het rooster zouden zijn afgetreden. Eerst- en tussentijds benoemden zijn aansluitend herbenoembaar indien zij niet meer dan twee jaar lid van de commissie zijn geweest.

  • 3 Onze Minister wijst uit de leden een voorzitter aan. De commissie kiest uit haar midden één of meer plaatsvervangende voorzitters.

Artikel 18

  • 1 De selectiecommissie heeft tot taak Onze Minister, ten behoeve van diens beslissing omtrent de toelating tot de opleiding, van advies te dienen over het vermogen van kandidaten om de opleiding met gunstig resultaat te doorlopen en over hun geschiktheid voor een der in artikel 2 bedoelde functies.

  • 2 Ten behoeve van haar advies stelt de selectiecommissie ten aanzien van de kandidaten een onderzoek in; dit kan zowel een beperkt als een volledig onderzoek zijn.

  • 3 Indien de selectiecommissie een beperkt onderzoek heeft ingesteld en reeds op grond van het resultaat daarvan oordeelt dat zij geen gunstig advies zal kunnen uitbrengen, doet zij daarvan terstond mededeling aan Onze Minister.

  • 4 In andere gevallen dan die, bedoeld in het derde lid, stelt de selectiecommissie een volledig onderzoek in, dat ten minste omvat:

    • a. het inwinnen van schriftelijke inlichtingen bij door de kandidaat opgegeven referenten;

    • b. een persoonlijk onderhoud met de kandidaat door niet meer dan vijf leden van de commissie;

    • c. kennisneming van de uitslag van een ten aanzien van de kandidaat ingesteld psychologisch onderzoek.

    De selectiecommissie brengt in deze gevallen zo spoedig mogelijk na het persoonlijk onderhoud met de kandidaat gemotiveerd advies uit aan Onze Minister.

  • 5 De selectiecommissie kan haar voorzitter machtigen bepaalde beslissingen namens de commissie te nemen. Een zodanige machtiging, de aard en omvang van het beperkt onderzoek en wat overigens met betrekking tot de werkwijze van de commissie behoort te worden geregeld, legt de commissie neer in een reglement van orde dat de instemming van Onze Minister behoeft.

Artikel 19

Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk na de ontvangst van het advies.

Artikel 20

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 16 tot en met 19 kan Onze Minister, gehoord de selectiecommissie, zonodig de toelatingsprocedure nader regelen.

§ 5. De benoeming van toegelatenen tot de opleiding

Artikel 21

  • 1 Degene, die is toegelaten tot de opleiding, wordt door Onze Minister benoemd als rechterlijk ambtenaar in opleiding in tijdelijke dienst bij de gerechten voor de duur van drie jaar en twee maanden. Onze Minister stelt tevens vast bij welke rechtbank en welk tot het openbaar ministerie behorend parket de rechterlijk ambtenaar in opleiding zijn ambt gedurende deze periode vervult.

  • 3 Onze Minister kan, de functionele autoriteit en de rector gehoord, de periode waarvoor een benoeming in tijdelijke dienst is verleend verlengen:

    • a. indien een rechterlijk ambtenaar in opleiding dit verzoekt en naar het oordeel van Onze Minister voortzetting van de opleiding nog zinvol kan zijn: met ten hoogste één jaar;

    • b. indien daarvoor naar het oordeel van Onze Minister redenen aanwezig zijn: met de periode gedurende welke de rechterlijk ambtenaar in opleiding geheel of gedeeltelijk geen werkzaamheden heeft verricht;

    • c. indien de opleiding, ingevolge artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, is verlengd: per grond met ten hoogste een jaar.

  • 4 Indien de opleiding met toepassing van artikel 7, eerste lid, is bekort, kan Onze Minister, na overleg met de rector, de duur van de benoeming in tijdelijke dienst bepalen op een periode korter dan drie jaar, doch niet korter dan twee jaar. Ten aanzien van de verlenging van een verkorte benoeming in tijdelijke dienst is het derde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21a

  • 2 Het afsluitend examen is zodanig samengesteld dat ten minste grondige kennis van en inzicht in de volgende rechtsgebieden is verkregen:

    • a. burgerlijk recht, met inbegrip van burgerlijk procesrecht;

    • b. strafrecht, met inbegrip van strafprocesrecht; en

    • c. bestuursrecht, met inbegrip van bestuursprocesrecht.

Artikel 21b

  • 1 De rechterlijk ambtenaar in opleiding legt aan het begin van de opleiding ten overstaan van de rector en in aanwezigheid van een getuige, de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in de bijlage bij dit besluit.

  • 2 Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt na het afleggen van de eed of belofte ondertekend door de rechterlijk ambtenaar in opleiding, de rector en de getuige.

  • 3 De rector houdt een register bij waarin de formulieren betreffende de door de rechterlijke ambtenaren in opleiding afgelegde eed of belofte worden bewaard.

  • 4 De rechterlijk ambtenaar in opleiding ontvangt van de rector een afschrift van het formulier betreffende de door hem afgelegde eed of belofte.

Artikel 22

  • 1 Tenzij de opleiding op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, is beëindigd, wordt een rechterlijk ambtenaar in opleiding aansluitend aan de benoeming in tijdelijke dienst benoemd in vaste dienst bij de gerechten. Onze Minister stelt tevens vast bij welke rechtbank of welk tot het openbaar ministerie behorend parket de rechterlijk ambtenaar in opleiding, die in vaste dienst is benoemd, zijn ambt vervult.

Artikel 22a [Vervallen per 01-07-2010]

Artikel 22b [Vervallen per 01-01-1997]

Artikel 23 [Vervallen per 01-10-1994]

§ 6:. Bijzondere rechten en verplichtingen, beoordeling en ontslag

Artikel 24

  • 1 De rechterlijk ambtenaar in opleiding volgt de opleiding overeenkomstig hetgeen bij of krachtens dit besluit is bepaald. Hij dient zich daarbij te houden aan de hem door of namens zijn functionele autoriteit en de rector gegeven aanwijzingen.

  • 2 De rechterlijk ambtenaar in opleiding brengt tijdens en na beëindiging van de binnenstage en de buitenstage aan de rector schriftelijk verslag uit van zijn verrichtingen en bevindingen. Van dit verslag verstrekt hij een afschrift aan zijn hoofd van dienst.

Artikel 25

  • 1 Een rechterlijk ambtenaar in opleiding wordt regelmatig beoordeeld. Daarbij wordt tegen de achtergrond van zijn toekomstige functie gelet op de wijze waarop hij de hem opgedragen werkzaamheden heeft uitgevoerd. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met het stadium van opleiding waarin de rechterlijk ambtenaar in opleiding verkeert.

  • 2 De beoordeling wordt voorbereid door een door de functionele autoriteit aan te wijzen functionaris tezamen met degene die verantwoordelijk is of medeverantwoordelijk is voor het functioneren van de rechterlijk ambtenaar in opleiding.

  • 3 De beoordeling geschiedt telkens tegen het einde van de eerste, de tweede, de derde, de vierde en de vijfde deelstage van de binnenstage en tegen het einde van de buitenstage door de functionele autoriteit.

  • 4 Ten behoeve van het opmaken van de beoordeling kan de functionele autoriteit bepalen dat bepaalde functionarissen als informant of adviseurs optreden.

  • 5 Op verzoek van de te beoordelen rechterlijk ambtenaar in opleiding om bepaalde functionarissen als adviseur of informant aan te wijzen beslist de functionele autoriteit.

Artikel 25a

De rector stelt, na instemming van de Raad en het College van procureurs-generaal, het model vast van de lijst, waarop de beoordeling wordt vastgelegd.

Artikel 25b

  • 1 Een beoordeling wordt opgemaakt op basis van op competenties en resultaatsgebieden gerichte functieprofielen.

  • 2 Indien de feitelijke verrichte werkzaamheden afwijken van die welke in artikel 25, eerste lid, zijn bedoeld, worden die op de beoordelingslijst vermeld.

  • 3 Nadat de beoordeling is opgemaakt wordt deze door degene die verantwoordelijk is voor het functioneren van de rechterlijk ambtenaar in opleiding met de rechterlijk ambtenaar in opleiding besproken. Een samenvatting van dit beoordelingsgesprek wordt op de beoordelingslijst vastgelegd.

Artikel 25c

  • 1 De rechterlijk ambtenaar in opleiding kan binnen twee weken na het beoordelingsgesprek schriftelijk bedenkingen tegen de beoordeling indienen bij de functionele autoriteit. De functionele autoriteit kan de termijn van twee weken verlengen.

  • 2 De functionele autoriteit stelt de beoordeling vast, wanneer de rechterlijk ambtenaar in opleiding geen bedenkingen heeft in gediend binnen de in het eerste lid genoemde termijn.

  • 3 De rechterlijk ambtenaar in opleiding die bedenkingen heeft ingediend, wordt in de gelegenheid gesteld deze mondeling bij de functionele autoriteit toe te lichten. Deze kan bepalen dat andere personen bij dit gesprek aanwezig zijn.

  • 4 De functionele autoriteit wijzigt de beoordeling in zover hij de bedenkingen van de rechterlijk ambtenaar in opleiding deelt en stelt de beoordeling vast.

  • 5 Bij de vaststelling van de beoordeling deelt de functionele autoriteit de rechterlijk ambtenaar in opleiding schriftelijk mee of hij wijzigingen in de beoordeling heeft aangebracht, en, zo ja welke. Daarbij vermeldt hij in voorkomend geval de redenen waarom hij niet of niet volledig aan de bedenkingen is tegemoet gekomen.

Artikel 25d

  • 1 De rechterlijk ambtenaar in opleiding kan bezwaar maken tegen de vastgestelde beoordeling.

  • 2 Indien de rechterlijk ambtenaar in opleiding bezwaar heeft gemaakt tegen de vastgestelde beoordeling wint de functionele autoriteit, alvorens hierop te beslissen, het advies in van een commissie, tenzij het bezwaar reeds aanstonds gegrond wordt geacht.

Artikel 26

  • 1 Ten minste eenmaal per jaar vormt de rector zich een oordeel omtrent de wijze waarop de rechterlijk ambtenaar in opleiding de onderscheidene vaardigheidsleergangen en studiebijeenkomsten heeft doorlopen.

  • 2 De rector vermeldt zijn oordeel op een lijst waarvan het model door Onze Minister wordt vastgesteld en bespreekt daarna dit oordeel met de rechterlijk ambtenaar in opleiding. Een samenvatting van het gesprek wordt eveneens op de lijst vastgelegd. De rector zendt de lijst vervolgens zo spoedig mogelijk aan Onze Minister. De rechterlijk ambtenaar in opleiding ontvangt een afschrift van de lijst.

  • 3 Tegen het oordeel van de rector kan een belanghebbende beroep instellen bij Onze Minister.

  • 4 Indien Onze Minister de bezwaren kennelijk geheel gegrond acht, stelt hij dienovereenkomstig het oordeel nader vast. In andere gevallen dan in de vorige volzin bedoeld stelt Onze Minister het oordeel, al dan niet gewijzigd, eerst vast na terzake het advies te hebben ingewonnen van de commissie, bedoeld in artikel 25d, derde lid.

Artikel 27

Indien Onze Minister een der beslissingen, bedoeld in artikel 8, heeft genomen, kan hij de rechterlijk ambtenaar in opleiding op die grond ontslaan. Indien de rechterlijk ambtenaar in opleiding reeds in vaste dienst is benoemd, kan hij evenwel, in afwijking van de eerste volzin, slechts worden ontslagen, indien het na een zorgvuldig onderzoek van maximaal zes maanden niet mogelijk is gebleken om hem binnen het gezagsbereik van Onze Minister of bij een gerecht een andere, mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden, passende functie aan te bieden dan wel indien hij weigert deze functie te aanvaarden. De mededeling dat tot ontslag wordt overgegaan wordt uiterlijk vijfenveertig dagen gedaan voor afloop van de in de vorige zin bedoelde termijn van zes maanden.

Artikel 28

Een rechterlijk ambtenaar in opleiding maakt voor het voltooien van de vierde deelstage van de binnenstage aan Onze Minister zijn keuze bekend voor een van de in artikel 2 bedoelde functies. Een gemaakte keuze kan na het voltooien van de vierde deelstage van de binnenstage alleen in zeer bijzondere gevallen worden gewijzigd.

Artikel 28a

  • 1 Een rechterlijk ambtenaar in opleiding die gedurende de buitenstage de keuze, bedoeld in artikel 28, wenst te wijzigen, dient daartoe een met redenen omkleed verzoek bij Onze Minister in.

  • 2 Onze Minister beslist op het verzoek na overleg met de rector en de functionele autoriteit.

  • 3 Indien het verzoek wordt toegewezen:

    • a. past, indien nodig, de functionele autoriteit het werkprogramma en de rector het studieprogramma aan en stellen zij deze programma's overeenkomstig artikel 5, eerste en tweede lid, opnieuw vast, en

    • b. bepaalt Onze Minister overeenkomstig artikel 3, tweede lid, waar de buitenstage wordt doorgebracht.

Artikel 29

Een rechterlijk ambtenaar in opleiding, die de opleiding met gunstig resultaat heeft beëindigd en geschikt wordt geacht voor een van de in artikel 2 bedoelde functies, wordt, overeenkomstig diens keuze, benoemd in de functie van gerechtsauditeur dan wel benoemd in de functie van substituut-officier van justitie. Bij de vaststelling van de rechtbank of het parket waarbij het ambt, bedoeld in de eerste volzin, wordt vervuld, wordt de voorkeur van de betrokken rechterlijk ambtenaar in opleiding en het dienstbelang in aanmerking genomen.

§ 7:. Slotbepalingen

Artikel 30 [Vervallen per 01-07-2010]

Artikel 31

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren.

Artikel 32 [Vervallen per 15-01-1993]

Artikel 33 [Vervallen per 15-01-1993]

Artikel 34 [Vervallen per 15-01-1993]

Artikel 35 [Vervallen per 15-01-1993]

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage, 24 oktober 1985

Beatrix

De Minister van Justitie,

F. Korthals Altes

Uitgegeven de negenentwintigste oktober 1985

De Minister van Justitie,

F. Korthals Altes

Bijlage als bedoeld in artikel 21b, eerste lid, van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren

Formulier voor het afleggen van de eed of belofte door een rechterlijk ambtenaar in opleiding

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal eerbiedigen.

Ik zweer/verklaar dat ik noch direct, noch indirect in welke vorm dan ook valse informatie heb verstrekt in verband met het verkrijgen van mijn benoeming.

Ik zweer/verklaar dat ik tot het verkrijgen van mijn benoeming aan niemand iets heb gegeven of beloofd en dat ik dit ook niet zal gaan doen.

Ik zweer/verklaar dat ik tot het verkrijgen van mijn benoeming van niemand giften heb aanvaard en niemand beloften heb gedaan en dat ik dit ook niet zal gaan doen.

Ik zweer/beloof dat ik gegevens waarover ik bij de uitoefening van mijn ambt de beschikking krijg en waarvan ik het vertrouwelijke karakter ken of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift mij tot mededeling verplicht of uit mijn ambt de noodzaak tot mededeling voortvloeit, geheim zal houden;

Ik zweer/beloof dat ik plichtsgetrouw en nauwgezet de aan mij opgedragen werkzaamheden zal verrichten, dat ik mij zal gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, dat ik zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar zal zijn en dat ik niets zal doen dat het aanzien van het ambt zal schaden.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig !/Dat verklaar en beloof ik !

Op ........................, werd te .....................

ten overstaan van (1) .............................., en

in tegenwoordigheid van (2) .......................

door (3) .............................

de bovenvermelde eed/belofte afgelegd.

(1) .............................

(2) .............................

(3) .............................